2. Toelichting BP Raalte, Hoogspanningsstation 110kV_Ontwerp_2 juni 2023
Tekst van het document
Bestemmingsplan 110kv Hoogspanningsstation TenneT Raalte Toelichting
Verantwoording Titel: Onderwerp: Projectnummer: Klant: Referentienummer: Versie:
Bestemmingsplan 110 kV Hoogspanningsstation TenneT Raalte Toelichting 364147 Tennet Ontwerp
Datum:
02-06-2022
Auteur: E-mailadres:
Jorrit Kootstra
Gecontroleerd door: Paraaf gecontroleerd:
Alice Schuiling
Vrijgegeven door: Paraaf vrijgegeven:
Wout Nijhoving
Document referentie:
2/35
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2 1.3 1.4
Hoofdstuk 1 Inleiding .............................................................................................................................. 5 Aanleiding ................................................................................................................................................ 5 Ligging en begrenzing ............................................................................................................................. 5 Geldend bestemmingsplan ...................................................................................................................... 6 Leeswijzer ................................................................................................................................................ 7
2 2.1 2.2
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving ................................................................................................................. 8 Huidige situatie ........................................................................................................................................ 8 Toekomstige situatie................................................................................................................................ 9
3 Beleidskader ..........................................................................................................................................11 3.1 Rijksbeleid .............................................................................................................................................11 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie ..................................................................................................................11 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening ................................................................................................................11 3.2 Provinciaal beleid ..................................................................................................................................12 3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel ......................................................................12 3.2.2 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ....................................................................................12 3.3 Gemeentelijk beleid ...............................................................................................................................15 3.3.1 Horizon Gemeente Raalte 2040 (omgevingsvisie) ............................................................................15 3.3.2 Structuurvisie Raalte 2025+
...............................................................................................................16 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten ........................................................................................................17 Milieueffectrapportage ...........................................................................................................................17 Bodem ...................................................................................................................................................17 Lucht ......................................................................................................................................................19 Geluid ....................................................................................................................................................19 Bedrijven en milieuzonering ..................................................................................................................20 Externe veiligheid ..................................................................................................................................20 Magneetvelden ......................................................................................................................................23 Explosieven ...........................................................................................................................................24 Water
.....................................................................................................................................................25 Ecologie .................................................................................................................................................26 Verkeer en parkeren ..............................................................................................................................28 Cultuurhistorie .......................................................................................................................................28 Archeologie ............................................................................................................................................29
5
Economische uitvoerbaarheid ...............................................................................................................31
6 6.1 6.2
Juridische planopzet ..............................................................................................................................32 Algemeen ..............................................................................................................................................32 Wijze van bestemmen ...........................................................................................................................32
7 7.1 7.2 7.3
Procedure ..............................................................................................................................................33 Algemeen ..............................................................................................................................................33 Verslag vooroverleg...............................................................................................................................33 Verslag inspraak en participatie ............................................................................................................33
3/35
Bijlagen bij de toelichting .................................................................................................................................34 Bijlage 1
Bodemonderzoek
Bijlage 2
OO onderzoek
Bijlage 3
Watertoets
Bijlage 4
Verkennend natuuronderzoek
Bijlage 5
AERIUS berekening
Bijlage 6
Vleermuizenonderzoek
Bijlage 7
Bureauonderzoek archeologie
Bijlage 8
Veldonderzoek archeologie
4/35
1
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1
Aanleiding
TenneT is voornemens om het hoogspanningsstation Raalte 110kV te vervangen en uit te breiden. De aanleiding voor de vervanging is het aan het einde komen van de levensduur van het bestaande station. Met de vervanging wordt daarnaast een derde transformator in gebruik genomen. De nieuwe transformatoren hebben een ander ruimtebeslag dan de bestaande waardoor een ruimtelijke uitbreiding van het station nodig is. De vervanging van hoogspanningsstation Raalte 110kV is niet in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. In deze toelichting is aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is en dat het geheel in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening'.
1.2
Ligging en begrenzing
Het hoogspanningsstation Raalte 110kV ligt aan de Westdorplaan 211 in het zuidwesten van de kern Raalte. Het plangebied is bekend onder de kadastrale gemeente Raalte, sectie F, perceelnummers 5831, 4417, 4418 en 6718. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 13.350 m². De onderstaande afbeelding toont de ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.1 Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd)
5/35
Het plangebied is gelegen in een woonwijk en wordt omringt door woningen, diverse bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. Waaronder een automaterialenwinkel, vleeswaren- en conservenfabriek en een begraafplaats. Het plangebied grenst aan de Westdorplaan (west en noord), de Iepensingel (oost) en de Acacialaan (zuid). Voor de exacte begrenzing van het plangebied dient de digitale verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan te worden geraadpleegd.
1.3
Geldend bestemmingsplan
Bestemmingsplan Raalte Kern Het plangebied valt onder het geldende bestemmingsplan Raalte Kern, vastgesteld door de gemeente Raalte op 28-01-2010. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemmingen ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ en ‘Groen’. Daarnaast gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Leiding’ en ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’. De plannen voor het hoogspanningsstation wijken op de volgende punten af van het vigerende bestemmingsplan: • De uitbreiding van het hoogspanningsstation valt deels binnen de enkelbestemming ‘Groen ‘ • De bestaande en toekomstige situatie bevindt zich binnen de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ • De realisatie van een nieuw centraal dienstgebouw (CDG) is niet mogelijk, omdat er enkel om de bestaande bebouwing een bouwvlak is getekend. • De bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouw zijnde is niet toereikend. Binnen de regels is tot 5 meter toegestaan, maar de installaties zijn ruim 11 meter hoog. Omdat de beoogde uitbreiding van het 110kV hoogspanningsstation in Raalte juridisch-planologisch niet binnen de bepalingen van het Bestemmingsplan Raalte Kern past, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Dit plan is afgestemd op de noodzakelijk uitbreiding van het station. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Raalte Kern’
6/35
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de Omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 bevat de economische uitvoerbaarheid. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 6) en de procedure van het plan (hoofdstuk 7).
7/35
2
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving
2.1
Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit vier kadastrale percelen. In de huidige situatie is het perceel in gebruik als 110kV hoogspanningsstation. Op het station zijn drie transformatoren waarvan er twee in gebruik zijn. Daarnaast bevindt zich op het perceel een centraal dienstgebouw (CDG) en een middenspanningsstation. De bovengrondse hoogspanningskabels zijn aan de oost- en westzijde van het veld aangesloten. Aan de noordwest- en zuidwestzijde van het plangebied zijn inritten aanwezig. Het station is omzoomd door een rand van opgaand groen. Het oostelijke deel van het plangebied, waar uitbreiding zal plaatsvinden, is in de huidige situatie in gebruik als speelveld. Onderstaande afbeelding toont de huidige situatie van het plangebied.
Figuur 2.1 Luchtfoto hoogspanningsstation Raalte 110kV (bron: PDOK)
8/35
2.2
Toekomstige situatie
Het hoogspanningsstation Raalte zal in de toekomst de volgende onderdelen bevatten: • 1 centraal dienstgebouw op het 110 kV gedeelte (TenneT); • 3 middenspanningsgebouwen op het 10 kV middenspanningsstation (waarvan 1 nieuwe); • 3 transformatoren op het 10 kV middenspanningsstation (waarvan 1 nieuwe); • 9 transformator- en lijnvelden; • E-house op het 10kV-gedeelte • Hekwerken (incl. poorten), werkwegen (incl. parkeerplaatsen), verharding/bestrating onderinstallaties, kabelgoten, voorzieningen voor de waterhuishouding (op het gehele station), Met de bovengenoemde ontwikkelingen is het hoogspanningsstation Raalte klaar voor de energievoorziening van morgen. Eventuele verdere uitbreidingen in de toekomst moeten dan op andere locatie in het elektriciteitsnetwerk worden gerealiseerd. Als parallelle ontwikkeling worden ook de bovengrondse verbindingen verkabeld en ondergronds op het nieuwe hoogspanningsstation aangesloten. Hiervoor is een separaat bestemmingsplan opgesteld.
Modulair ontwerp TenneT heeft in samenwerking met Strukton en Croon Wolter&Dros een nieuwe standaard ontwikkeld om verouderde hoogspanningsstations in het 110kV netwerk in een kort tijdsbestek te kunnen vervangen. (te technisch voor een Toelichting. Het nieuwe en modulaire ontwerp van TenneT is qua afmetingen van de installaties en totaal benodigde ruimte anders dan de bestaande installaties. Mede door de nieuwe dimensies is het niet mogelijk om de renovatieplannen binnen het bestaande hekwerk te realiseren. Twee factoren hebben hierin de leidende rol: • De binnenkomende verbindingen (Harculo-Raalte 110kV & Raalte-Nijverdal 110kV) aan weerszijde van het hoogspanningsstation creëert de noodzaak om een aantal velden naar het oosten te richten en een aantal velden naar het westen. Doordat de nieuwe veldiepte langer is dan de bestaande velddiepte schuift een deel van het hoogspanningsstation op buiten het hekwerk. • Het maximaliseren van de afstand tussen de hoogspanningsinstallaties en woningen, zodat TenneT kan voldoen aan de blootstellingslimieten voor elektromagnetische velden, zoals is bepaald in de Europese Richtlijn 1999/519/EC, het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen (Ministerie van VROM, 3 oktober 2005) en Verduidelijking van het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen (Ministerie van VROM, 4 november 2008).
Onderstaande afbeeldingen tonen de huidige en de beoogde situatie van het plangebied.
Figuur 2.2. Huidige situatie plangebied
9/35
Figuur 2.3 Beoogde situatie plangebied
10/35
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Met de komst van het nieuwe stelsel van wetgeving doet een nieuw instrument zijn intrede dat een antwoord biedt op deze ambitie: de omgevingsvisie. Rijk, provincies en gemeenten moeten allemaal een omgevingsvisie opstellen voor hun grondgebied. Het Rijk heeft in dit kader de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. De NOVI beschrijft de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het Nederlandse grondgebied. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Er zijn in totaal 21 nationale belangen waar de NOVI zich op richt, hieronder worden de voor dit plan relevante belangen genoemd: • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. • Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
• Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur.
Planspecifiek Met de uitbreiding van het hoogspanningsstation wordt er aangesloten bij het nationale belang 'realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’. De uitbreiding draagt zorg voor voldoende capaciteit om de verwachte groei aan opwek, waaronder duurzame energieopwekking, aan te kunnen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een duurzame toekomstige samenleving, met behoud van een goede leefkwaliteit. De ontwikkeling is niet in strijd met de andere nationale belangen en het plangebied maakt geen onderdeel uit ven een NOVIgebied.
3.1.2
Besluit ruimtelijke ordening
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Het Besluit ruimtelijke ordening is op 1 juli 2017 gewijzigd. Met de wijziging van het Bro is ook een nieuwe ladder systematiek geïntroduceerd, waarbij de ladder geen treden meer bevat. Hierbij moet ten eerste de behoefte aan de ontwikkeling worden beschreven en ten tweede moet bij buiten stedelijke ontwikkelingen worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk plaats kunnen vinden. Als sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dan moet er getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Volgens artikel 1.1.1, lid 1 onder 1 van het Bro is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien een project ziet op de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt gekeken of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Daarvan is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of volgens het voorheen geldende planologische regime kon worden gerealiseerd.
11/35
Indien de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is moet worden beschreven in hoeverre de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte.
Planspecifiek Het Besluit ruimtelijke ordening stelt juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden. In het voorliggende bestemmingsplan is sprake van een wijziging van het ruimtebeslag: de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation. Of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet het voornemen vergeleken worden met voornoemde definitie van een stedelijke ontwikkeling. Volgend uit jurisprudentie wordt een nieuw hoogspanningsstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd (zie uitspraak van 26 april 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1123 Hollands Kroon). Met de uitbreiding van het bestaande hoogspanningsstation is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de Ladder is niet nodig. Daar komt bij dat de gewenste ontwikkeling nodig is om in de toekomst te kunnen voorzien in de vraag naar elektriciteit. Een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk is van nationaal belang. De locatiekeuze is gerelateerd aan het bestaande station. Het is niet mogelijk om de beoogde uitbreiding elders te voorzien omdat de uitbreiding functioneel verbonden is met het bestaande station.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel
De Omgevingsvisie Overijssel van 1 mei 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Het plan past binnen de artikelen 2.1.3, 2.1.4 en 2.1.5 uit de Omgevingsverordening: • 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik: er is geen andere locatie beschikbaar voor het station. • 2.1.4 Toekomstbestendigheid: het plan voorziet in de toekomstige vraag naar energie • 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit: voor het plan wordt een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin de ruimtelijke kwaliteit verankerd wordt.
3.2.2
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
12/35
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • generieke beleidskeuzes; • ontwikkelingsperspectieven; • gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.
Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: Provincie Overijssel)
13/35
Planspecifiek Indien het initiatief, uitbreiding van het hoogspanningsstation Raalte 110kV, wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben betrekking op integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming, zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. De beleidskeuze worden navolgend onderbouwd. 1. Integraliteit Met de vernieuwing en uitbreiding van het hoogspanningsstation zijn belangen van verschillende actoren meegewogen. Zo wordt er rekening gehouden met omwonenden door voldoende afstand te houden en hen op de hoogte te stellen van de plannen. Daarnaast wordt het station landschappelijk ingepast zodat het zicht van omwonenden op het station beperkt wordt het plangebied zo goed mogelijk aansluit bij het bestaande landschap. De vernieuwing en uitbreiding van het station sluiten aan bij de ambitie voor energie: een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen. Voor de energietransitie is aanpassing van de energie-infrastructuur noodzakelijk. 2. Toekomstbestendigheid . Met de beoogde vernieuwing en uitbreiding wordt bijgedragen aan een toekomstbestendig energienetwerk. 3. Concentratiebeleid Met de vernieuwing en uitbreiding van het hoogspanningsstation is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het concentratiebeleid is dan ook niet van toepassing. 4.
(boven)Regionale afstemming De ontwikkeling is gericht en afgestemd op de behoefte van de regio.
Gebiedskenmerken De laatste stap is toetsen hoe de ontwikkeling vormgegeven kan worden. Dit wordt gedaan aan de hand van gebiedskenmerken. Er worden vier lagen onderscheiden: laag van de beleving, stedelijke laag, laag van de agrarische cultuurlandschappen en de natuurlijke laag. De ontwikkeling dient in lijn te zijn met de gebiedskenmerken van de verschillende lagen. De relevante kenmerken zullen navolgend benoemd worden. Stedelijke laag Het plangebied bevindt zich in het stedelijk gebied ‘woonwijken 1955 – nu’ en wordt gekenmerkt door het 'informele trage netwerk'. Het informele trage netwerk is het ‘langzame’ netwerk (wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden, vaarroutes) van de provincie, dat delen van het cultuurlandschap en het natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar maakt. De oude zandwegen en paden vormen het basisstramien. Met de uitbreiding van het hoogspanningsstation blijven de bestaande paden behouden. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra.
Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
14/35
De vernieuwing en uitbreiding van het hoogspanningsstation vindt plaats op de bestaande locatie. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast waardoor voorgebouwd wordt op de bestaande kwaliteiten in het gebied. Het plan heeft hiermee geen invloed op de kenmerken van de stedelijke laag.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Horizon Gemeente Raalte 2040 (omgevingsvisie)
De Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 is op 26 november 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie is een strategisch document dat richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie ligt de focus op drie kernopgaven: één gericht op het buitengebied, één gericht op de directe woonomgeving en één gericht op Raalte in de regio. De kernopgaven zijn gebaseerd op wat de inwoners van de gemeente belangrijk vinden: • Hoe geven we vorm en invulling aan de ontwikkelingen in het buitengebied, zodat het een prettige plek blijft om te wonen, werken, ondernemen en recreëren? • Hoe zorgen we dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven? • Hoe creëren we de optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte? De twee onderste kernopgaven zijn van belang voor het hoogspanningsstation: De ambitie voor toekomstbestendige wijken en dorpen is: Raalte geeft ruimte aan eigenzinnig samenleven. Bij deze ambitie zijn de volgende 5 ontwikkelrichtingen opgesteld. Hieronder worden de relevante richtingen benoemd: • Wij kiezen voor toekomstbestendige dorpen en wijken: energieneutraal, klimaatadaptief, gezond, veilig en levensloopbestendig.
Wij zien hierbij een belangrijke regisserende rol voor de gemeente, die de samenwerking zoekt met andere partijen, stimuleert en aansluit bij waar de energie in de samenleving zit. • Wij kiezen voor nieuwbouw en transformatie binnen bestaand bebouwd gebied waarbij woningbouw zo min mogelijk ten koste gaat van waardevol groen, binnen en buiten de kern. De ambitie voor de identiteit en regio is: Raalte als het levendige hart van Salland. Bij de ambitie zijn de volgende 5 ontwikkelrichtingen opgesteld. Hieronder worden de relevante richtingen benoemd: • •
We kiezen voor optimale (digitale) bereikbaarheid voor onze inwoners en bedrijven, met een robuuste hoofdinfrastructuur, stationsontwikkeling en nieuwe mobiliteitsconcepten. Wij kiezen voor een gemeente Raalte die zelfvoorzienend is qua energie en die waar noodzakelijk, mogelijk en wenselijk duurzame energie opwekt voor de regio.
Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de nieuwbouw en uitbreiding van een hoogspanningsstation. Het plan voorziet hiermee in de toekomstige vraag naar duurzame energie. Dit past bij de kernopgave voor toekomstbestendige dorpen en wijken. De ontwikkeling sluit hiermee aan bij de Omgevingsvisie Raalte.
15/35
3.3.2
Structuurvisie Raalte 2025+
De Structuurvisie Raalte 2025+ 'de kracht van de kernen' is op 27 september 2012 vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte. Hierin legt de gemeente Raalte het ruimtelijk beleid tot het jaar 2025+ vast. De opgaven waar de gemeente Raalte voor staat zijn te verdelen in ruimtelijke en programmatische opgaven.
Planspecifiek De beoogde uitbreiding maakt gebruik van de ruimte die deels al beschikbaar is voor de functie van een hoogspanningsstation. Op het bestaande terrein wordt een en ander geherstructureerd. Dit biedt echter niet de ruimte die nodig is voor de noodzakelijke uitbreiding. Meervoudig ruimtegebruik is in dit geval niet van toepassing omdat een hoogspanningsstation daar niet geschikt voor is in verband met veiligheid. Het bestaande groen in en rondom het plangebied wordt grotendeels gehandhaafd. Het plan heeft daarmee geen negatieve effecten op het groen. Ook de groenbestemming rondom het station zal gehandhaafd blijven. Er kan gesteld worden dat de uitbreiding van het hoogspanningsstation in lijn is met de gemeentelijke structuurvisie.
16/35
4
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c.
het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r.
genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. De uitbreiding of aanleg van een transformatorstation is niet opgenomen in onderdeel D of C in de Bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er is geldt voor onderhavig plan geen m.e.r.-(beoordelings)plicht en er is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Desalniettemin worden in dit hoofdstuk navolgend de relevante milieuaspecten voor de beoogde ontwikkeling beoordeeld.
4.2
Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een
17/35
gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Planspecifiek In het kader van het project Veldvervangingen AIS 110kV-150kV heeft Sweco Nederland B.V. in opdracht van TenneT een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van drie onderzoekslocaties op het adres Westdorplaan 211 te Raalte (Bijlage 1). Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie en de eventueel daaruit vrijkomende grond. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of de gewenste vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn. Onderstaande afbeelding tont de locatie van het bodemonderzoek.
Figuur 4.1. Situatieligging onderzoekslocaties
Veldonderzoek Met het uitgevoerde bodemonderzoek is een representatief beeld ontstaan van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het gebied is via een vooronderzoek en veldonderzoek onderzocht. Uit het bodemonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzochte locaties niet verontreinigd is. Aangezien sprake is van slechts licht verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarde, is er geen reden tot het uitvoeren van nader onderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen uitbreiding. Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast, gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor is mogelijk een generiek of gebiedsspecifiek beleidskader van kracht voor het toepassen van grond. De geplande grondroerende werkzaamheden kunnen vanuit milieuhygiensich oogpunt zonder aanvullende veiligheidsmaatregelen worden uitgevoerd en vallen daarmee onder de standaard ’basishygiëne’, zoals beschreven in de CROW-publicatie 400.
Conclusie Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Gezien de relatief lage gehalten en de toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op de locatie is geen geval van bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming aangetoond. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
18/35
4.3
Lucht
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10 en PM 2,5) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Planspecifiek Er worden met onderhavig plan geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel de werkzaamheden ten behoeve van de verbouwing en uitbreiding van het transformatorstation resulteren tijdelijk in extra verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Nadat de werkzaamheden zijn afgerond zijn de verkeersbewegingen weer (nagenoeg) vergelijkbaar met de bestaande situatie. Het transformatorstation zelf produceert geen uitstoot die kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project beïnvloed dan ook niet in betekenende mate de luchtkwaliteit in de zin van het Besluit nibm. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 geven de volgende waarden: 14-16 µg/m³ NO2, 15-19 µg/m³ PM10 en 10-11 µg/m³ PM2,5. Uit de achtergrondconcentraties van stikstof (NO2) en fijnstof (PM10, PM2,5) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is en de luchtkwaliteit zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.
Planspecifiek Omdat het elektrische vermogen met de beoogde uitbreiding en vervanging minder dan 200 MVA zal bedragen hoeft in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidzone te worden vastgesteld (ongewijzigd t.o.v. de huidige situatie). TenneT produceert geen maatgevend geluid voor haar installaties, aangezien het alleen om de schakeltuin gaat. Daarnaast verandert het opgesteld vermogen niet, waardoor er geen akoestische wijziging optreedt. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde uitbreiding van het hoogspanningsstation.
19/35
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. In- en uitwaartse zonering Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (een bedrijf of bedrijventerrein) met als doel milieugevoelige functies uit de omgeving te weren. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de milieugevoelige functie een bufferzone gecreëerd.
Planspecifiek Met de verbouw en uitbreiding van het 110kV hoogspanningsstation in Raalte is er geen sprake van een toename van het vermogen op het station. In de huidige situatie is er al ruimte voor 3 transformatoren. Hiervan zal er altijd één in reserve staan. Het gelijktijdig ingeschakeld vermogen betreft minder dan 200mva en is dus ongewijzigd t.o.v. de huidige situatie. Conclusie is dat het om een type B-inrichting gaat en dat er geen aanvullend onderzoek voor akoestiek nodig is. Er zullen dus, wat betreft milieuhinder, geen wijzigingen plaatsvinden ten opzichte van de huidige situatie. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het hoogspanningsstation.
4.6
Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen; • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
20/35
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 106 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as).
Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
21/35
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek Voor een gezonde en veilige leefomgeving en vanuit een goede ruimtelijke ordening, is het van belang om de externe veiligheid rondom het plangebied te inventariseren. Daarvoor is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede hiervan. Op de risicokaart is te zien dat in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De meest nabijgelegen risicobronnen bevinden zich op ca. 700 meter van het plangebied. Hier bevindt zich een voorraadtank chloorbleekloog zonder risicoafstand. Veder bevinden zich geen risicobronnen in de nabijheid van het plangebied. Het hoogspanningsstation valt niet onder één van de categorieën van inrichtingen waarop het Besluit externe veiligheid (Bevi) van toepassing is. Een toets aan het Bevi is dan ook niet van toepassing. De ontwikkeling zorgt niet voor een toename van de effecten van een mogelijk incident. Er is daarmee geen verandering van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
22/35
Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied: paars omlijnd; afstand blauwe stippellijn bron: Risicokaart.nl)
4.7
Magneetvelden
Voor de blootstelling, kortdurend of langdurend, aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Wel hebben het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Europese Commissie adviezen gegeven voor grenswaarden voor de blootstelling aan magnetische velden. Voor 50 Hz magnetische velden volgt uit de richtlijn van de Europese Commissie als advies een grenswaarde van 100 microtesla voor de hele bevolking. Dit advies is gebaseerd op de aanbevelingen van de International Commission on Non- Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) en worden tevens onderschreven door de World Health Organization en de Nederlandse Gezondheidsraad.
Planspecifiek Door het ministerie van VROM is ten aanzien van de blootstelling van de mens aan magneetvelden van hoogspanningslijnen een voorzorgsbeginsel uitgegeven in de vorm van het advies VROM (met kenmerk SAS/2005183118) en VROM bijlage advies met betrekking tot hoogspanningslijnen. In 2008 is er nog een verduidelijking DGM/2008105664 van het advies uitgegeven door het ministerie van VROM. De afspraken in de rekenmethodiek gelden specifiek voor de bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor wat betreft de situatie rond het 110kV hoogspanningsstation te Raalte worden de berekeningen uitgevoerd conform dezelfde rekenmethodiek. Het beleidsadvies van het ministerie ten aanzien van magneetvelden heeft enkel betrekking op nieuwe situaties bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In dit geval is sprake van een hoogspanningsstation Voor een hoogspanningsstation is het beleidsadvies strikt genomen niet van toepassing. Het beleidsadvies geeft derhalve geen directe beleidsmatige aanleiding om de 0,4 μT contour (jaargemiddeld) van het hoogspanningsstation in beeld te brengen. Niettemin laat TenneT op verzoek van de gemeente Raalte deze contour berekenen. De 0,4 μT contour van de jaargemiddelde magnetische veldsterkte is berekend op 1 meter boven maaiveld. Voor de 0,4 μT contour is de langdurig gemiddelde fasestroom RMS gehanteerd en een geleider temperatuur van 15 graden Celsius.
23/35
Binnen de berekende contour van het hoogspanningsstation Raalte liggen geen gevoelige verblijfsobjecten, zoals op de verbeelding is weergegeven.
Figuur 4.4 Magneetvelden
4.8
Explosieven
De mogelijke aanwezigheid van explosieven in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog. Handelingen die leidden tot niet gesprongen conventionele explosieven in de bodem betroffen bijvoorbeeld het afwerpen van munitie, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, gevechten tijdens de begin-, tussen- en eindfase van de Tweede Wereldoorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden en dergelijke. Indien er bij voorgenomen (graaf)werkzaamheden een redelijk vermoeden bestaat op het aantreffen van conventionele explosieven (CE) in de (water)bodem dient een vooronderzoek conform de WSCS-OCE uitgevoerd te worden. Dit wordt voorgeschreven door de vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) en is verankerd in de bouwprocesbepalingen in het Arbobesluit en de V&G voorbereidingsfase.
Planspecifiek In opdracht van TenneT TSO B.V. voert Sweco een vooronderzoek Onontplofte Oorlogsresten conflictperiode (hierna, OO) uit voor gedeelten van de percelen F4417, F4418 en F6102 (Bijlage 2). Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van het Certificatie-schema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (‘CS-VROO’). De door Sweco gebruikte onderzoeksopzet en methodiek zijn overeenkomstig deze proceseisen. De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden, zullen eventueel aanwezige OO in de bodem kunnen activeren. Derhalve dienen, voorafgaand aan die werkzaamheden, de risico’s op het aantreffen van OO binnen het onderzoeksgebied in kaart te worden gebracht. Het vooronderzoek OO conflictperiode heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied een
24/35
verhoogde kans op het aantreffen van OO bestaat, en zo ja, om de verdachte gebieden in horizontale en verticale zin af te bakenen. Dit gebeurt op basis van verzameld en geanalyseerd (historisch) feitenmateriaal. Op basis dit vooronderzoek OO conflictperiode wordt het onderzoeksgebied als onverdacht verklaard op het aantreffen van OO. Sweco adviseert om de grondroerende werkzaamheden normale doorgang te laten hebben. Er is geen noodzaak tot aanvullend onderzoek op gebied van OO.
4.9
Water
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Deze standaard waterparagraaf heeft betrekking op het plan 110kV hoogspanningsstation Raalte. Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor schoon en gezond oppervlakte- en grondwater in de landen in de Europese Unie. De kwaliteitsdoelen en de maatregelen leggen de lidstaten vast in Stroomgebiedsbeheersplannen. Nederland kent er vier: Rijn, Maas, Schelde en Eems. Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027. Raalte ligt in het deelgebied Salland.
De gebiedsopbouw van Salland maakt dat er, naast de andere belangrijke thema’s, vooral een uitdaging ligt op de thema’s voldoende en veilig water. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met het Waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan ‘Een helder verhaal’ en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.
Planspecifiek Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is 460m² (135 m² CDG, 250 m² rondweg en 75 m² parkeervlakken). Volgens de regel van het waterschap dat 10% van het verhard oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie van de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. Dit komt neer op een waterbergend oppervlak van circa 46 m2, waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de bergingseis van 20 mm/m2 verhard oppervlak. Het Waterschap adviseert om de waterberging te ontwerpen op basis van een infiltratiesituatie. TenneT heeft aangegeven de watercompensatie door middel van infiltratiekratten te realiseren. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Nabij en op het hoogspanningsstation zijn geen watergangen aanwezig. Als het hemelwater op het terrein door middel van infiltratiekratten in de bodem infiltreert zorgt het plan slechts voor een beperkte extra belasting op het rioolstelsel.
Het Centraal Dienst Gebouw (CDG) is aangesloten op het riool.
25/35
Persriool Ten zuiden van het plangebied liggen twee persrioolbeschermingszones. De zones raken het plangebied niet. De aanpassingen aan het hoogspanningsstation hebben geen invloed op het persriool. Wetgeving grondwateronttrekking Ten behoeve van de beoogde werkzaamheden zal tijdelijk grondwateronttrekking plaatsvinden. Gezien de verschillende belangen, die partijen hebben bij het grondwater, is het beheer van het grondwater wettelijk geregeld in de Waterwet. Voor grondwateronttrekkingen wordt nader afstemming gezocht met het Waterschap. Watertoets Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (bijlage 3). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast. In aanvulling op de digitale watertoets heeft het waterschap een uitgangspuntennotitie opgesteld. De notitie is verwerkt in deze waterparagraaf.
4.10 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.