1.2 Toelichting Bijlage 2, Bodemonderzoek NEN5707
Tekst van het document
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 www.sigma-bm.nl E-mail info@sigma-bm.nl
Onderwerp:
Projectnummer: Opdrachtgever: Datum:
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast nr. 11a te Heino 20-M9248-01 BJZ.nu 06 juli 2020
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
onderwerp
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast nr. 11a te Heino
datum
06 juli 2020
projectnummer
20-M9248-01
in opdracht van
BJZ.nu Twentepoort Oost 16A 7609 RG Almelo
uitgevoerd door
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325
Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen” Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018” Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Milieukundige begeleiding (water)bodemsaneringen en nazorg SIKB 6000, protocol 6001: Milieukundige begeleiding landbodemsanering met conventionele methoden”
(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2018)
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.
juli 2020
2
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
INHOUD
1
INLEIDING ..................................................................................................................................... 4 1.1 Algemeen ............................................................................................................................. 4 1.2 Aanleiding van het bodemonderzoek ................................................................................. 4 1.3 Doel van het bodemonderzoek ........................................................................................... 4 1.4 Referentiekader van het onderzoek .................................................................................... 4 1.5 Leeswijzer ............................................................................................................................ 4
2 VOORONDERZOEK ...................................................................................................................... 5 2.1
Hypothese en onderzoeksstrategie .................................................................................... 11
3 VELDONDERZOEK ..................................................................................................................... 12 3.1 Uitvoering van het veldonderzoek ..................................................................................... 12 3.2 Resultaten van het veldonderzoek .................................................................................... 14 4 LABORATORIUM ONDERZOEK ................................................................................................. 16 4.1 Onderzoeksprogramma laboratorium onderzoek ............................................................. 16 4.2 Toetsingscriteria asbest in grond ....................................................................................... 17 4.3 Analyseresultaten en interpretatie ...................................................................................... 19 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ........................................................................................ 21 aanbevelingen .............................................................................................................................. 22 algemeen/aanbevelingen/opmerkingen/betrouwbaarheid/uitsluitingen ....................................... 23 LITERATUURLIJST......................................................................................................................
24 COLOFON ......................................................................................................................................... 25 BIJLAGEN 1. Topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:500) 3. Beschrijvingen inspectiegaten 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring 6. Verklarende woordenlijst
juli 2020
3
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van BJZ.nu is in april 2020 door Sigma Bouw & Milieu een verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 uitgevoerd op een deel van de locatie gelegen aan de Stationsweg naast 11A te Heino (gemeente Raalte). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. kwaliteitsborging: Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. De veldwerkzaamheden van Sigma Bouw & Milieu worden verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) conform de protocollen 2001 en 2018. Sigma Bouw & Milieu verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein. Sigma Bouw & Milieu waarborgt dat aan de functionele scheiding zoals bedoeld in paragraaf 3.1.7 van de BRL SIKB 2000 wordt voldaan.
1.2
Aanleiding van het bodemonderzoek
Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt een bestemmingsplanprocedure t.b.v. de locatie.
1.3
Doel van het bodemonderzoek
Het verkennend onderzoek asbest in bodem volgens NEN-5707+C2 heeft tot doel om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de locatie al dan niet verdacht is op het voorkomen van asbesthoudende materialen op of in de bodem.
1.4
Referentiekader van het onderzoek
Het verkennend bodemonderzoek asbest in grond is uitgevoerd volgens gebruikelijke inzichten en methoden volgens de NEN 5707+C2; Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond; uitgifte december 2017 (literatuur 12).
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de locatie-informatie beschreven. In hoofdstuk 3 worden de methoden voor de veldwerkzaamheden besproken. Tevens worden de gehanteerde normen beschreven. De resultaten van de veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn in hoofdstuk 4 opgenomen. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies weergegeven. In bijlage 1 en 2 zijn de situatietekeningen van de locatie opgenomen. Bijlage 3 t/m 8 bevatten veldwerkgegevens, analyseresultaten en foto’s.
juli 2020
4
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
2
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is gebaseerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (literatuur 9).
In de NEN-5725 (2017) zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens
Aanleiding tot vooronderzoek
Eigendomssituatie
A 0
B 0
C
D
Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie
3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken
4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval
F
G
✓
Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie
E
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓ ✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0 ✓
✓
Voormalig Huidig Toekomstig Asbestverdacht?
✓
✓
✓
✓
✓
5. Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel
juli 2020
5
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
aanleiding vooronderzoek Het onderhavige bodemonderzoek betreft een verkennend onderzoek asbest in grond in het kader van een bestemmingsplanprocedure t.b.v. de locatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725 (2017). In het kader van een voorgaand uitgevoerd verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 is reeds een vooronderzoek volgens NEN-5725 uitgevoerd. geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie verstrekt door de Omgevingsdienst IJsselland (email d.d. 31-01-2020); • informatie verstrekt door de gemeente Raalte (verkregen middels dossieronderzoek); • informatie van de bodematlas van de Provincie Overijssel; • informatie van Bodemloket.nl; • www.topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • ahn.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden. Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter.
De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader uitgewerkt. locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven. tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (onderzochte deel van het plangebied) Algemene omschrijving
Bebouwing en bouwjaar (Kadaster BAG)
juli 2020
Stationsweg naast nr. 11a Heino Raalte Zie bijlage 1 X = 212,169 Y= 493,934 Gemeente Heino, perceel sectie C nr. 3097 (ged.) Niet nagegaan. Ca. 100 m2 De onderzoekslocatie betreft een deel van het perceel gelegen aan de Stationsweg naast nr. 11a te Heino. De onderzoekslocatie betreft voor het grootste deel een schapenweiland. Op een deel van de onderzoekslocatie bevindt zich een schuur/stal. De opdrachtgever is voornemens om op de onderzoekslocatie twee extra woningen te realiseren. Het onderhavige onderzoek heeft alleen betrekking op het terreindeel t.p.v. de nieuw te bouwen woningen (plangebied). Het in dit onderzoek onderzochte deel van het plangebied bevindt zich ten noordwesten van de aanwezige stal. Het onderzoeksgebied is meest verhard met betonklinkers en is in gebruik als oprit en tuin. Het onderzochte gebied naast Stationsweg nr. 11a is deels bebouwd met een schuur/stal (bouwjaar 1959). De bestaande woning op nr. 11a dateert van 1960.
6
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
Terreinverharding Ondergrondse infrastructuur Archeologische waarden Geplande herinrichting bijzonderheden: -
Het in dit onderzoek onderzochte deel van het plangebied is meest verhard met betonklinkers (oprit). Geen informatie, bij grondwerk dient een KLIC-melding gedaan te worden. De locatie heeft op basis van de archeologische waardenkaart (IKAW) de vermelding "lage trefkans". Nieuwbouw van twee woningen.
afbakening onderzoekslocatie Het onderhavige onderzoek, het geografisch besluitvormingsgebied, betreft het onderzochte onderzoekslocatie, zoals weergegeven in bijlage 2. bodemgebruik In de onderstaande tabel 3 is de beschikbare informatie weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. tabel 3: beschrijving bodemgebruik Omschrijving
Gebruik
Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties
Onderzoekslocatie Historisch (op basis van topografische kaarten, Topotijdreis) Huidig
Op basis van de topografische kaarten van voor 1965 lijkt de onderzoekslocatie nog onbebouwd te zijn. Op oude topografische kaarten vanaf 1965 lijkt op de onderzoekslocatie voor het eerst bebouwing aanwezig te zijn. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel ter plaatse van de beoogde nieuwbouw. Het terrein t.p.v. het bouwvlak bestaat voornamelijk uit gras en is in het verleden in gebruik geweest als weiland voor schapen. Toekomstig De nieuwbouw van twee woningen op de onderzoekslocatie. Directe omgeving (<25 m) Historisch (op Vanaf 1890 is op de topografische kaarten in de directe basis van omgeving (<25 mtr.) van de onderzoekslocatie voor het topografische eerst enige bebouwing zichtbaar. In de loop der jaren is kaarten, deze bebouwing verder uitgebreid. Topotijdreis) Huidig en In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden toekomstig zich woningen / agrarische percelen / bossages. Noordzijde: Stationsweg en naastgelegen percelen. Oost- en zuidzijde: naastgelegen percelen. Westzijde: Stationsweg.
juli 2020
Geen.
Geen.
Geen.
Geen.
Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
7
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
bedrijfsmatige activiteiten, bodembedreigende activiteiten en calamiteiten In tabel 4 staat een overzicht weergegeven van de potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten op basis van de beschikbare informatie. tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Gebruik
De onderzoekslocatie betreft een deel van het perceel gelegen aan de Stationsweg naast nr. 11a te Heino. De onderzoekslocatie betreft voor het grootste deel een schapenweiland. Op een deel van de onderzoekslocatie bevindt zich een schuur/stal. De opdrachtgever is voornemens om op de onderzoekslocatie twee extra woningen te realiseren. Het onderhavige onderzoek heeft alleen betrekking op het terreindeel t.p.v. de nieuw te bouwen woningen (plangebied). Het in dit onderzoek onderzochte deel van het plangebied bevindt zich ten noordwesten van de aanwezige stal. Het onderzoeksgebied is meest verhard met betonklinkers en is in gebruik als oprit en tuin. Het in dit onderzoek onderzochte deel van het plangebied is in het verleden in voor zover bekend niet anders dan als tuin en oprit in gebruik geweest. Vanaf 1985 is de functie van het onderzochte terreindeel gelijk met de huidige functie.
Bouwvergunning
Er is geen andere informatie beschikbaar omtrent evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten/calamiteiten (verbranding afval, opslag van gevaarlijke stoffen etc.) op de onderzoekslocatie. T.b.v. de aanwezige bebouwing is een bouwvergunning verleend.
Milieuvergunning
Niet bekend.
Handelsregister
De locatie wordt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet vermeld. Er is geen informatie omtrent de eventuele aanwezigheid of voormalige aanwezigheid van boven- of ondergrondse brandstoftanks op de onderzoekslocatie. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat boven- en ondergrondse brandstoftanks in het verleden geplaatst zijn zonder melding, de aanwezigheid van dergelijke tanks blijkt niet uit de verkregen informatie. Op basis van de provinciale asbestdakenkaart geldt voor het dak van de schuur/stal dat deze verdacht is t.a.v. de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de toplaag van de druppelzone geen verhoogd gehalte asbest bevat.
Aanwezigheid brandstoftanks
Aanwezigheid asbest
De aanwezigheid van asbesthoudend materiaal elders in de bestaande bebouwing is in dit kader niet onderzocht. Op basis van voorgaand bodemonderzoek zijn in de grond onder de oprit puinresten waargenomen.
Ophogingen/dempingen/stortingen
juli 2020
Er is geen informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. het plangebied. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. is begraven. Op voorhand is hiervan geen informatie bekend. Er is geen informatie omtrent evt. met bodemvreemd materiaal gedempte watergangen/ sloten t.p.v. de onderzoekslocatie (binnen het onderzochte terreindeel). Er is geen informatie omtrent evt. opgebrachte gebiedsvreemde grond (ophogingen), verhardingsmateriaal, puinmateriaal en/of afval op de onderzoekslocatie.
8
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
Niet gesprongen explosieven
Verdachte activiteiten < 25 m
Geen informatie, in Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens. De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen va niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de gemeente. Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben(gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.
voorgaande bodemonderzoeken In tabel 5 is een overzicht van voorgaande bodemonderzoeken en informatie van de bodemkwaliteitskaart weergegeven. tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart voorgaande bodemonderzoeken Onderzoekslocatie
► Verkennend bodemonderzoek, d.d. 18-03-2020, Sigma Bouw & Milieu, ref. 20-M9248 Zintuiglijk in de grond onder de oprit puinresten waargenomen. conclusies: bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde. Bovengrondmengmonster MM2 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Ondergrondmengmonster MM3 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. druppelzone asbest verdacht dak van de stal/schuur toplaag (0.0-0.1 m-mv) De uitgegraven toplaag uit de inspectiegaten G1 t/m G6 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. grondwater peilbuis 1 (1.65-2.65 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte koper (zware metalen) t.o.v. de tussenwaarde / bodemindex-waarde (>0.5) en een verhoogd gehalte nikkel (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde.
Omgeving <25 m
► Verkennend onderzoek Stationsweg 22, d.d. 01-05-1999, Hunneman, ref. nr. 99-05-234. conclusies: • Bovengrond: PAK’s (som 10) en mo verhoogd t.o.v. streefwaarde • Ondergrond: geen stoffen verhoogd t.o.v. de streefwaarde. • Grondwater: cu en cr en tetrachlooretheen verhoogd t.o.v. de streefwaarde. Samenvatting: geen belemmering voor nieuwbouw. Niet bekend.
Vermoeden van (een geval van ernstige) bodemverontreiniging op de locatie of een deel daarvan informatie bodemkwaliteitskaart
juli 2020
De locatie bevindt zich in de zone wonen.
9
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
bodemopbouw, geohydrologie en antropogene beïnvloeding De ondiepe geologie in het onderzoeksgebied is afgeleid van de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst grondwaterverkenning TNO/DGGV) en ontleend aan het dinoloket (www.dinoloket.nl). De bovenste laag, de deklaag, heeft een hoogte van ca. 1-4 m+NAP. In tabel 6 staat de geohydrologische opbouw weergegeven. tabel 6: geohydrologische opbouw diepte m-mv 0-3 3-30 30-40
beschrijving
formatie
middelfijne zanden, spoor klei, veen en grind middelfijn en grof zand, sporen klei en veen zandige klei, sporen grof zand
Boxtel Kreftenheye Kreftenheye
De stromingsrichting van het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend is in het kader van dit onderzoek niet vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de stromingsrichting van het grondwater beïnvloed kan worden door drainagepatroon, ligging van sloten, riolering, kabels, leidingen en funderingen.
(financieel-) juridische situatie In tabel 7 zijn de financieel- juridische aspecten weergegeven. tabel 7: financieel/juridische aspecten kadastrale gegevens opdrachtgever/ belanghebbende rechtspersonen
Gemeente Heino, perceel sectie C nr. 3097 (ged.) -
In het kader van onderhavig bodemonderzoek is behoudens de opgenomen kadastrale gegevens geen nadere financieel juridische informatie verzameld. Het uitvoeren van een daadwerkelijke juridische toets maakt geen deel uit van onderhavig bodemonderzoek.
juli 2020
10
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
2.1
Hypothese en onderzoeksstrategie
Onderhavig onderzoek heeft tot doel om na te gaan of de bodem t.p.v. de onderzoekslocatie al dan niet asbest verdacht is. Om vast te stellen of de bodem asbesthoudend is, is de onderzoekslocatie in dit onderzoek onderzocht op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in grond (percentage bodemvreemd materiaal <50%). Tijdens de uitvoering van het voorgaande verkennend bodemonderzoek zijn in de bodem onder de oprit, ten noorden van de stal, plaatselijk puinresten waargenomen. Conform een uitspraak van de Raad van State uit 2017 dient bij het aantreffen van puin in en op de grond, een locatie als asbestverdacht te worden beschouwd. Dit geldt wanneer er geen informatie beschikbaar is omtrent de herkomst van de puinresten in de bodem. Er is geen concrete informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek, is de onderzoekslocatie in eerste aanleg beschouwd als een mogelijk verdacht voor de aanwezigheid van asbest in de bodem. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking de locatie zoals weergegeven in bijlage 2. Het onderzoek t.p.v. de onderzoekslocatie is uitgevoerd volgens “verkennend onderzoek op een verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (verdachte bovengrond), volgens paragraaf 6.4.5. van de NEN-5707+C2.
Conform de gehanteerde onderzoeksopzet zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • visuele inspectie van de bovengrond en toplaag; • het graven van inspectiegaten van 30 * 30 cm tot tenminste ca. 50 cm-mv. • het plaatsen van boringen met een boordiameter van 12 cm, tot maximaal 2 m-mv. • het visueel inspecteren van de ontgraven grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. • het bemonsteren van evt. asbestverdachte materialen. • het analyseren van evt. asbestverdachte materialen conform NEN 5896. • het analyseren van de uitgezeefde grond (fractie <20 mm) conform de NEN 5898. Om onderbouwd een uitspraak te kunnen doen over de concentratie asbest in de grond zijn in deze fase van het onderzoek grondmonsters onderzocht op het gehalte asbest. De resultaten uit dit onderzoek worden geïnterpreteerd volgens NEN 5707+C2 (grond). De toetsing van de in dit onderzoek gemeten gehalten asbest is geschied aan de interventiewaarde uit de circulaire bodemsanering 2009. Hierin zijn een interventiewaarde en een restconcentratie van 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie vastgelegd. De gewogen norm bestaat uit de serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie. In tabel 8 is de gehanteerde onderzoeksstrategie weergegeven. tabel 8: onderzoeksstrategie
(deel)locatie NEN-5707+C2 onderzoekslocatie (onderzochte deel van het plangebied) (ca. 100 m2)
juli 2020
mogelijke verontreiniging grond
grondwater
onderzoeksstrategie
asbest
-
VED-HE (bovengrond)
11
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
3
VELDONDERZOEK
In dit hoofdstuk wordt het uitgevoerde veldwerkonderzoeksprogramma beschreven. Daarnaast worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. 3.1
Uitvoering van het veldonderzoek
Het veldonderzoek is uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000 en conform de eisen uit de protocollen 2001 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door dhr. A. van Wuykhuyse erkende en geregistreerde veldwerker van Sigma Bouw & Milieu te Emmen. Bedrijfs- en persoonerkenningen zijn weergegeven op de internetsite van Bodem+ (http//www.senternovem.nl/bodemplus/erkenningen). Een onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage 5. Het uitvoeren van het veldwerk heeft plaatsgevonden op 14 april 2020. De werkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van 13:00 uur tot 15:00 uur. De weersomstandigheden waren geen reden voor een verminderde visuele waarneming. Het was half-bewolkt weer en er was geen neerslag en weinig wind. veiligheid Bij een onderzoek asbest in bodem dienen de getroffen maatregelen inzake veiligheid en gezondheid in overeenstemming te zijn met de CROW-publicatie nr. 400 “Werken in en met verontreinigde bodem” vigerende versie. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zijn de veiligheidsvoorschriften uit protocol 2018 gehanteerd. veldonderzoek Het veldonderzoek heeft bestaan uit het inspecteren van de toplaag in combinatie met het graven van inspectiegaten en het uitvoeren van handboringen tot de ongeroerde bodemlaag.
Conform de NEN-5707+C2 wordt voor landbodem onderscheid gemaakt tussen drie te onderzoeken bodemlagen: 1) het maaiveld 2) de bovengrond (tot 0.5 m-mv) 3) de ondergrond (tot 2.0 m-mv)
maaiveldinspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is t.p.v. het onderzoeksgebied een inspectie van het maaiveld uitgevoerd. Tijdens de visuele inspectie van de toplaag is de locatie onderverdeeld in ‘inspectie stroken’ van maximaal 1.5 meter waarbij de toplaag strook voor strook in twee richtingen is geïnspecteerd. Indien asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen wordt de vindplaats gemarkeerd en wordt het materiaal verzameld. Bij de visuele inspectie is geen grond geroerd of onder (vaste) obstakels gekeken. Bij het aantreffen van asbestverdachte materialen zijn deze bemonsterd (door middel van “hand-picking”). Tevens is de inspectie-efficiëntie ingeschat. De inspectie-efficiëntie is onder andere afhankelijk van de weersomstandigheden, de conditie van de toplaag (vochtig, vegetatie, vastgereden, plassen) en het type grond (zand, klei).
juli 2020
12
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
inspectiegaten bovengrond (0.0-0.5 m-mv) In het kader van het verkennend onderzoek asbest in grond is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in de bovengrond en toplaag In het kader van het verkennend onderzoek asbest in grond t.p.v. het plangebied zijn, teneinde een betrouwbare uitspraak te kunnen doen m.b.t. het voorkomen van asbest in de grond, vijf inspectiegaten van 0.3 m x 0.3 m tot max. ca. 0.5 meter minus maaiveld, op a-selecte wijze, gegraven m.b.v. een schop. Het onderzoeksprogramma is ruimtelijk weergegeven in bijlage 2. In deze bijlage zijn alle gegraven inspectiegaten geprojecteerd. Het uitgegraven materiaal is volledig gezeefd over een 20 mm zeef en is gescreend op de volgende aspecten: • asbestverdachte restanten; • bodemsamenstelling; • afval- en puinrestanten. De evt. aanwezige (asbest)verdachte delen groter dan ca. 20 mm zijn per soort en per inspectiegat verzameld, gewogen en in gesloten plasticzakken aan het laboratorium aangeboden voor onderzoek op asbest. Van het uitgezeefde materiaal is op basis van de NEN 5707+C2 zijn representatieve mengmonsters van ca. 10 kg uit de fractie <20 mm verzameld uit verschillende inspectiegaten. De bemonstering van de fijne fractie (deeltjes <20 mm) heeft plaatsgevonden volgens tabel 8, “Minimale greep- en monstergrootte”, uit de NEN 5707+C2.
In tabel 9 is een overzicht van inspectiegaten per terreindeel weergegeven. tabel 9: inspectiegaten terreindeel plangebied (ca. 100 m2)
inspectiegaten G7 t/m G11
handboringen ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Tevens is visueel onderzoek verricht naar de aanwezigheid van asbest in de ondergrond. In totaal is één handboring doorgezet tot maximaal 2.0 m-mv. Hierbij is gebruik gemaakt van een 12 cm edelman grondboor. De vrijkomende grond is visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.
juli 2020
13
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
monstername grond en materialen Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0.5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001 en 2018. De visueel aangetroffen asbestverdachte materialen zijn op een adequate wijze verpakt en als materiaalmonster aangeleverd aan het laboratorium. Van het gezeefde materiaal <20 mm uit niet asbestverdachte inspectiegaten is een (meng)monster genomen bestaande uit twintig grepen van minimaal ca. 0.5 kg. Evt. asbestverdachte inspectiegaten zijn afzonderlijk bemonsterd middels twintig grepen van ca. 0.5 kg. Na inspectie zijn de gaten weer gedicht met het uitgegraven materiaal.
3.2
Resultaten van het veldonderzoek
maaiveldinspectie Voorafgaand aan het bodemonderzoek is t.p.v. het onderzoeksgebied een inspectie van het maaiveld uitgevoerd. Tijdens de visuele inspectie van de toplaag is een ruimtelijke eenheid onderverdeeld in ‘inspectie stroken’ van maximaal 1.5 meter waarbij de toplaag strook voor strook in twee richtingen is geïnspecteerd. De onderzoekslocatie is onbebouwd, onverhard en begroeid met vegetatie. Voorafgaand aan het onderzoek is de locatie gemaaid en is het maaisel opgeharkt. In tabel 10 is de inspectie-efficiëntie van het maaiveld beschreven. tabel 10: inspectie-efficiëntie maaiveld deelgebied onderzoekslocatie
inspectie-efficiëntie 70-80
conditie maaiveld bestrating kort gemaaid gras/tuin
Op basis van de locatie-inspectie is op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. bodemopbouw De profielbeschrijvingen van alle gegraven inspectiegaten en verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 11 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 11: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-0.6 0.6-1.0 1.0-2.65
hoofdbestanddeel
toevoeging
kleur
zand zand zand
matig fijn matig fijn matig fijn
bruin geel grijs
In het veld is gebleken dat het percentage bodemvreemd materiaal, fractie > 20 mm, in bodemlaag van 0.0-ca.0.5 m-mv ter plaatse van alle inspectiegaten minder dan 50% bedraagt. In de gevallen met een bijmenging van <50% bodemvreemd materiaal (fractie >20 mm) is de NEN 5707+C2 van toepassing.
juli 2020
14
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
zintuiglijke waarnemingen asbest In tabel 12 is een overzicht opgenomen van de aangetroffen asbestverdachte materialen op het maaiveld en in de grond. tabel 12: asbest op maaiveld en inspectiegaten inspectiegat
asbestverdacht
asbestverdacht materiaal
materiaal
grond in de fractie >20 mm
maaiveld
diepte (m-mv)
maaiveld
nee
G7 t/m G11
nee
-
aantal gram -
* = veldvochtig
zintuiglijke waarnemingen overig Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden zijn in het uitgegraven materiaal bodemvreemde bijmengingen waargenomen. De zintuiglijke waarnemingen zijn opgenomen in de boorprofielen/sleufstaten in bijlage 3. In onderstaande tabel 13 is een overzicht opgenomen van afwijkende waarnemingen t.a.v. aangetroffen overige bodemvreemde afwijkingen in de uitgegraven grond. tabel 13: zintuiglijke waarnemingen overig inspectiegat
diepte m-mv
zintuiglijke waarnemingen
G7 G8 G9 G10 G11
0.3-0.55 0.2-0.5 0.25-0.5 0.0-0.5 0.0-0.4
resten baksteen, fractie >20 mm bodemvr. 3.8 kg resten baksteen/-puin, fractie >20 mm bodemvr. 1.9 kg resten baksteen, fractie >20 mm bodemvr. 1.6 kg resten baksteen, fractie >20 mm bodemvr. 0.2 kg resten baksteen, fractie >20 mm bodemvr. 0.25 kg
Op basis van een steekproef van het uitgegraven bodemmateriaal is een in-situ dichtheid van het bodemmateriaal bepaald van 1.810 kg/m3. In verdere berekening is met deze bepaling gerekend.
juli 2020
15
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
4
LABORATORIUM ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de asbestanalyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het laboratorium onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van Omegam(certificaat L086). Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Omegam is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W.
4.1
Onderzoeksprogramma laboratorium onderzoek
verkennend onderzoek asbest in grond Het uitgezeefde materiaal, fractie <20 mm, is onderzocht volgens NEN 5707+C2 (asbest in de fijne fractie). Er is één grondmengmonster van de fractie <20 mm geanalyseerd op het gehalte asbest. In onderstaande tabel 14 wordt de samenstelling van de grondmonsters, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. Er zijn geen verzamelmateriaalmonsters geanalyseerd op het gehalte asbest. tabel 14: analyse-schema Monstercode
Inspectiegaten
diepte (m-mv)
zintuigelijke waarnemingen
analysepakket
grond M2 G7+G8+G9+G10+G11 0.0-max.0.5 puin/baksteen asbest (NEN5898) Opgemerkt wordt dat de fractie <500 ųm in dit stadium van het onderzoek kwalitatief is gecontroleerd om te kunnen vaststellen of er aanleiding bestaat om een kwantitatieve bepaling van deze fractie uit te voeren. In de fractie <500 ųm is geen asbest aangetroffen.
juli 2020
16
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
4.2
Toetsingscriteria asbest in grond
De resultaten van het onderzoek asbest in grond worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Voor asbest in grond is een interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. vastgesteld. Aan deze waarde zijn de gewogen asbestconcentraties (mg/kg ds) getoetst. Gewogen betekent het gehalte serpentijnasbest (chrysotiel) vermeerderd met tienmaal het gehalte amfiboolasbest (amosiet, crocidoliet). Indien de gewogen asbestconcentratie in grond c.q. puin boven 100 mg/kg ds is vastgesteld, is sprake van met asbest verontreinigde grond c.q. puin. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. Indien asbest in de grond boven 100 mg/kg ds aanwezig is en deze verontreiniging vóór 1993 is ontstaan, is ongeacht de omvang van de verontreiniging sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in grond.
Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een indicatieve uitspraak over de mogelijke verontreiniging van het toegepaste bouw- en sloopafval of recyclinggranulaat / bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek asbest al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de grenswaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de grenswaarde gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Alleen als in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerd materiaal in de gaten en aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek is een directe toetsing aan de grenswaarde mogelijk. Als het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de grenswaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de grenswaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de grenswaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een(deel)locatie of (deel)partij is hiervoor bepalend.
juli 2020
17
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
Van de bodemlagen waarin zintuiglijk asbesthoudende materialen zijn aangetroffen in de fractie >20 mm is een berekening gemaakt van de asbestconcentratie. Hiertoe is gebruik gemaakt van de navolgende formule: Cmi=∑ (Mk x %k,I /100) / Mlok Cmi = De concentratie aan asbest van asbestsoort ‘i’ is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in mg/kg d.s.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in mg; %k,i = het percentage aan asbest van het asbestsoort ‘i’ in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type ‘k’, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op locatie, in kg. Als het gewicht van het geïnspecteerde monster (gat of sleuf) op locatie exact is gewogen, moet het drooggewicht van het monster uitgegraven materiaal op locatie worden bepaald volgens: Mloc = Mvloc x Ma/Mva waarin: Mvloc is de massa van het uitgegraven veldvochtige materiaal op locatie, in kg; Ma is de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva is de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg. Wanneer een groot monster (toplaag of sleuf of gat) is geïnspecteerd op locatie kan dit in principe niet worden gewogen.
In deze gevallen moet het drooggewicht van het monster worden afgeleid volgens: Mloc = (1 000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva waarin: V is het volume van het geïnspecteerde monster op locatie, in m3; ns is de volumieke massa van het geconsolideerde materiaal op locatie, in kg/dm3; %E is een schatting van de inspectie-efficiëntie, in %.
waarin: V (in dm3) : volume (V) van de sleuf of het gegraven gat. Mk (in mg) : massa van de verzamelde asbesthoudende materialen van het type "k" (bijvoorbeeld asbestplaatjes). %k,i : gemiddeld % van asbestsoort "i" (bijv. chrysotiel) in de verzamelde asbesthoudende materialen van type "k". Ns (in kg/dm3) : stortgewicht van de grond/puin. ds : percentage droge stof
juli 2020
18
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
4.3
Analyseresultaten en interpretatie
In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden weergegeven in tabelvorm. Na elke tabel worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten opgenomen. De totale concentratie aan asbest per inspectiegat wordt conform NEN-5707+C2 bepaald door de concentratie visueel zichtbaar asbest in de grove zeeffractie (fractie >20 mm) te sommeren met de concentratie visueel niet zichtbaar asbest in de fijne zeeffractie (fractie <20 mm). Door het gewicht te bepalen van de evt. handmatig verzamelde asbesthoudende materialen en dit te delen door de massa (inhoud / soortelijk gewicht) van het betreffende inspectiegat wordt de concentratie asbestverdacht materiaal in het inspectiegat bepaald. Deze concentratie moet echter nog worden gecorrigeerd voor het percentage asbest in de materiaalmonsters dat door het laboratorium is bepaald. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen is in het uitgegraven bodemmateriaal uit de inspectiegaten G7 t/m G11 in de fractie <20 mm geen asbestverdacht materiaal waargenomen. De analyseresultaten van de grondmengmonsters zijn samen met de interpretatie opgenomen in de tabellen 15 t/m 17. tabel 15: resultaten asbestanalyse materiaal verzamel monsters in de fractie > 20 mm (absoluut gewicht) Monsteromschrijving
Vorm
Asbestgehalte (%)
(inspectiegat)
MV (maaiveld)
Serpentijn
-
G7 t/m G11
Amfibool
chrysotiel
Amosiet
crocidoliet
(mg)
(mg)
(mg)
-
-
-
-
-
-
Toelichting HB = hecht gebonden
tabel 16: resultaten asbestanalyses grondmengmonsters uit de fractie <20 mm inspectiegat
G7 t/m G11 (grond)
monstercode
M2
diepte
gewogen asbestconcentratie < 20 mm
in m-mv
serpentijn
0.0-
amfibool
asbest (gewogen)
crysotiel
amosiet
crocidoliet
mg/kg
-
-
-
<0.3
max. 0.5
Op de analysecertificaten staan de bovengrenzen van de analyses vermeld. Deze gelden als detectiegrenzen en zijn qua hoogte afhankelijk van de onderzochte monstervolumes en de samenstelling van de monsters.
juli 2020
19
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
tabel 17: Overschrijdingstabel resultaten totaal asbestanalyses inspectiegatgat (m-mv)
G7 t/m G11 (0.0max.0.5)
Berekende asbestconcentratie (fractie > 20 mm) mg/kg d.s. (gewogen) gem. ondergrens bovengrens conc.
Asbestconcentratie (fractie < 20 mm) mg/kg d.s. (gewogen) gem. ondergrens conc.
-
<0.3
-
-
0.0
Totale asbestconcentratie mg/kg d.s. (gewogen) bovengrens
gem. conc.
onder grens
bovengrens
0.3
<0.3 (-)
0.0
0.3
toelichting * =gehalte is indicatief van betreffend monster is de fractie <20 mm niet onderzocht ** = de maaiveldinspectie is indicatief, het maaiveld kon slechts beperkt worden geïnspecteerd - =geen asbest aangetoond (concentratie beneden of gelijk aan de bepalingsgrens) +/- =concentratie boven de bepalingsgrens en beneden of gelijk aan de interventiewaarde: licht verhoogd + =concentratie boven de interventiewaarde: sterk verhoogd n.o = niet onderzocht
interpretatie resultaten maaiveld Op basis van de locatie-inspectie is op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. bovengrond (0.0 max. 0.5 m-mv) Ter plaatse van de inspectiegaten G7 t/m G11 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0max. 0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het geanalyseerde bovengrondmengmonster M2 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegaten G7 t/m G11 uit de bodemlaag tussen 0.0-max. 0.5 m-mv) is geen verhoogd gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten boven de detectiegrens gemeten. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G7 t/m G11 bedraagt <0.3 mg /kg d.s en is daarmee niet verhoogd t.o.v. interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De uitgegraven bovengrond uit de inspectiegaten G7 t/m G11 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) fractie >20 mm Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit inspectiegat G7 zijn in de ongeroerde ondergrond visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. fractie <20 mm Van de ongeroerde ondergrond zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm.
Omdat geen asbestverdacht materiaal (met fractie > 20 mm) in de ongeroerde ondergrond is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ongeroerde ondergrond aanwezig is.
juli 2020
20
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek asbest in grond worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. maaiveld Op basis van de locatie-inspectie is op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. bovengrond (0.0 max. 0.5 m-mv) Ter plaatse van de inspectiegaten G7 t/m G11 is in de uitgegraven bovengrond (bodemlaag tussen 0.0max. 0.5 m-mv) in de fractie >20 mm zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het geanalyseerde bovengrondmengmonster M2 (zeeffractie < 20 mm) van de inspectiegaten G7 t/m G11 uit de bodemlaag tussen 0.0-max. 0.5 m-mv) is geen verhoogd gemiddeld gewogen concentratie asbest gemeten boven de detectiegrens gemeten. Het totale gemiddeld indicatief gewogen gehalte asbest (fractie <20 mm + fractie >20 mm) in de bovengrond t.p.v. de inspectiegaten G7 t/m G11 bedraagt <0.3 mg /kg d.s en is daarmee niet verhoogd t.o.v. interventiewaarde (100 mg/kg d.s) voor asbest. De uitgegraven bovengrond uit de inspectiegaten G7 t/m G11 is niet aantoonbaar verontreinigd met asbest. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) fractie >20 mm Op basis van de uitgevoerde inspectie van het opgeboorde materiaal uit inspectiegat G7 zijn in de ongeroerde ondergrond visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen.
fractie <20 mm Van de ongeroerde ondergrond zijn in deze fase van het onderzoek geen grondmonsters geanalyseerd op de fractie <20 mm. Omdat geen asbestverdacht materiaal (met fractie > 20 mm) in de ongeroerde ondergrond is aangetroffen is de verwachting dat er geen asbest met fractie < 20 mm in de ongeroerde ondergrond aanwezig is. toetsing hypothese Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als verdacht voor asbest aangemerkt. De grond t.p.v. de overige inspectiegaten G7 t/m G11 is niet aantoonbaar verontreinigd is met asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de vooraf gestelde onderzoekshypothese “verdacht” verworpen.
afwijkingen t.o.v. de normen en werkzaamheden Er hebben bij de uitvoering van veldwerkzaamheden geen afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen BRL SIKB 2001 en 2018. Er hebben bij de uitvoering van analysewerkzaamheden geen afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen AS3000 en/of overige geldende analysemethoden.
juli 2020
21
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
aanbevelingen ●1) In de grond t.p.v. het onderzochte terreindeel zijn tot meest ca. 0.5 m-mv puin-, baksteenresten waargenomen. Bij evt. grondwerk dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van deze bijmengingen. Bij ontgraving en verwerking van (puinhoudende) grond dient men in algemene zin altijd alert te zijn op de eventuele aanwezigheid van asbest(nesten) welke niet in dit onderzoek zijn ontdekt. Bij het aantreffen van asbest tijdens grondwerk dienen veiligheidsmaatregelen getroffen te worden. ●2) Indien de grond ontgraven gaat worden, bijvoorbeeld ten behoeve van bouwwerkzaamheden, is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Middels het Besluit is het mogelijk om door het lokaal bevoegd gezag lokale maximale bodemgebruikswaarden vast te stellen, of om deze bodemgebruikswaarden te conformeren aan de maximale waarden uit het (landelijke) generieke model. Indien grond van het eigen terrein moet worden afgevoerd zal deze verwerkt dienen te worden conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. De mogelijkheden hiertoe kunnen worden vastgesteld na overleg met de betrokken overheidsinstanties. Volledige duidelijkheid omtrent de bodemkwaliteitsklasse van vrijkomende grond wordt pas verkregen op basis van een partijkeuring conform het Besluit Bodemkwaliteit.
Opgemerkt dient te worden dat de vertaalslag van verkennend bodemonderzoek naar hergebruik van grond volgens het Besluit Bodemkwaliteit, veelal, niet mogelijk is. In de meeste gevallen zijn aanvullende gegevens noodzakelijk, het bevoegd gezag (de gemeente waarin de grond wordt toegepast) kan hier uitsluitsel over geven. Op 8 juli jl. heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een tijdelijk handelingskader vastgesteld voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Vanaf 8 juli 2019 is het verplicht om onderzoek naar de stofgroep PFAS uit te voeren bij o.a. partijkeuringen in het kader van afvoer van grond. In dit verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek uitgevoerd naar PFAS stoffen in de bodem. De in dit onderzoek opgenomen indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit is excl. onderzoek naar PFAS-stoffen, onderzoek naar deze verbindingen is bij definitieve beoordeling van evt. hergebruiksmogelijkheden van evt. af te voeren grond alsnog nodig. Indien het noodzakelijk is dat er grond afgevoerd moet worden van de locatie zal er een melding grondverzet gedaan moeten worden via het landelijk meldpunt: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Opgemerkt wordt dat evt. afvoer van grond met de bodemkwaliteitsklasse “wonen”, “industrie” en “niet toepasbare grond” meer kosten met zich meebrengt dan de afvoer van schone grond “achtergrondwaarde”.
Wanneer grond binnen het plangebied wordt ontgraven dient voorkomen te worden dat grond met een verschillende/afwijkende milieuhygiënische kwaliteit met elkaar wordt vermengd. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt.
juli 2020
22
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
algemeen/aanbevelingen/opmerkingen/betrouwbaarheid/uitsluitingen Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op een deel van de locatie gelegen aan de Stationsweg nr. 11A te Heino. Het onderhavige onderzoek heeft alleen betrekking gehad op het terreindeel zoals weergegeven in bijlage 2. Op basis van het onderhavige onderzoek kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de evt. aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem t.p.v. niet onderzochte terreindelen, onder gesloten verharding en onder aanwezige bebouwing en in niet verkende/onderzochte bodemlagen etc. Bij herinrichting van de locatie dient rekening gehouden te worden met de plaatselijke aanwezigheid van puinresten in de bodem. Bij ontgraving en verwerking van (puinhoudende) grond dient men in algemene zin altijd alert te zijn op de eventuele aanwezigheid van asbest(nesten). Bij het aantreffen van asbest tijdens grondwerk dienen veiligheidsmaatregelen getroffen te worden. T.a.v. historische informatie van de locatie wordt opgemerkt dat de geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Voor het verkrijgen van historische informatie is Sigma Bouw & Milieu afhankelijk van deze bronnen, waardoor Sigma Bouw & Milieu niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters de gehalten in de individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen zijn dan de aangetoonde gehalten in het betreffende mengmonster. Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is om garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Asbestonderzoek wordt in zijn algemeenheid uitgevoerd middels het steeksproefgewijs bemonsteren van al dan niet verdachte bodemlagen. Vanwege de steekproefsgewijze benadering is niet uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen voorkomen. Hoewel tijdens het onderzoek naar een zo groot mogelijke representativiteit is gestreefd, is steeds het risico aanwezig dat eventuele lokale verontreinigingen met asbest niet in dit onderzoek zijn aangetroffen. Het kan op basis van dit onderzoek niet uitgesloten worden dat zich op de locatie asbestverontreiniging bevindt welke in dit onderzoek niet is aangetroffen. Het onderzoek is namelijk gebaseerd op een beperkt aantal inspectiegaten en een beperkt aantal analyses.
Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat vooral asbestverontreinigingen zeer heterogeen verdeeld kunnen zijn. Bij asbestverontreinigingen is de kans een verontreinigingskern te missen daarom groot. Er is derhalve altijd een zeker risico op het onverwacht aantreffen van hogere concentraties asbest. Een verkennend bodemonderzoek asbest in grond geeft nooit volledige zekerheid omtrent de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem ter plaatse van een locatie. Het kan op basis van dit onderzoek mede gezien het heterogene karakter van het onderzoek niet worden uitgesloten dat binnen het onderzoeksgebied plaatselijk kernen met verhoogde asbestconcentraties (asbestnesten, begraven asbesthoudend materiaal ed.) aanwezig zijn. Het uitgevoerde bodemonderzoek is dan ook indicatief en een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien asbest in de bodem verweerd of beschadigd, kan dit van invloed zijn op de huidige risicobeoordeling en geschiktheid van de locatie.
Sigma Bouw & Milieu aanvaardt derhalve op generlei wijze aansprakelijkheid voor de gevolgen/schade dan wel enige andere indirecte incidentele of gevolgschade welke voortvloeien uit beslissingen welke worden genomen op basis van de onderzoeksresultaten van het onderhavige onderzoek als in de praktijk blijkt dat de verontreinigingssituatie anders is dan in dit onderzoek vermeld.
juli 2020
23
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
LITERATUURLIJST
1. 2. 3.
4. 5. .
6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
juli 2020
Bodemonderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek volgens de Nederlandse norm, NEN 5740+A1 (NEN, april 2016). Boringen zijn geplaatst volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2001 (vigerende versie). Grondmonsters zijn genomen volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2001 (vigerende versie), grondwatermonsters zijn genomen volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2002 (vigerende versie). De conservering van monsters in het veld is uitgevoerd volgens de eisen uit de SIKBprotocollen 2001 en 2002 (vigerende versie). Regeling Bodemkwaliteit” (zie vigerende versies op www.wetten.overheid.nl of www.rwsleefomgeving.nl) Circulaire Bodemsanering (zie vigerende versies op www.wetten.overheid.nl of www.rwsleefomgeving.nl) Classificatie van onverharde grondmonsters, NEN 5104, september 1989. Geologische overzichtskaarten van Nederland, Rijks Geologische Dienst, 1995. Grondwaterstromingsstelsels in Nederland, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1989. Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader bodemonderzoek, NEN 5725, (oktober 2017). Bodem-Monsterneming van grondwater, NEN 5744, (NNI maart 2011). NEN 5707+C2; Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond; uitgifte december 2017.
24
verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg naast 11A te Heino
COLOFON opdrachtgever project
: :
omvang rapport datum projectleider
: : :
Auteur Ing. A.D.M. van Wuykhuyse
juli 2020
BJZ.nu verkennend bodemonderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 Stationsweg 11A te Heino 25 blz. 06 juli 2020 ing. A.D.M. van Wuykhuyse
Paraaf
Gecontroleerd door Ing. M.J.A. van Wuykhuyse
Paraaf
Datum
Status
06 juli 2020
definitief
25
BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCH OVERZICHT IJij axB
Adviesgroepen: Bouw Milieu
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCH OVERZICHT (HISTORISCH) IJij axB
2005
1990
1970
Adviesgroepen: Bouw Milieu
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
1950
1925
1890
Adviesgroepen: Bouw Milieu
Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
G1 0
t uin, m aaiveld
0
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, rest en bakst een fract ie > 20 m m : 0.2 kg, schep 50
-50
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, schep -70
t ype in sp e ct ie g a t dat um 1 4 -0 4 -2 0 2 0 boorm eest er A. va n W u yk h u yse
G1 1
t uin, m aaiveld
0
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, rest en bakst een fract ie > 20 m m : 0.25 kg, schep 50
-40
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, schep -70
t ype in sp e ct ie g a t dat um 1 4 -0 4 -2 0 2 0 boorm eest er A. va n W u yk h u yse
G7
klinker, m aaiveld
0
0 -7
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, schep
50
-30
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, rest en bakst een fract ie > 20 m m : 3.8 kg, schep 100
-55
30x30cm , zand, m at ig fijn, zwak silt ig, donker geel, beige, schep -70
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, edelm an
150
-130
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, grijs, edelm an 200
-200
t ype in sp e ct ie g a t dat um 1 4 -0 4 -2 0 2 0 boorm eest er A. va n W u yk h u yse
bodem profielen BIJLAGE 3 : BOORPROFIELEN onderzoek project code get ekend conform
St a t ion sw e g 1 1 a t e H e in o 2 0 -M 9 2 4 8 N EN 5 1 0 4
G8
klinker, m aaiveld
0
0 -7
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal grijs, schep
50
-20
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, rest en bakst een fract ie > 20 m m :1.9 kg, rest en puin, schep 100 -50
t ype in sp e ct ie g a t dat um 1 4 -0 4 -2 0 2 0 boorm eest er A. va n W u yk h u yse
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, schep -60
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, schep -100
G9
klinker, m aaiveld
0
0 -7
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, grijs, schep
50
-25
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, rest en bakst een fract ie > 20 m m : 1.6 kg, schep 100
-50
t ype in sp e ct ie g a t dat um 1 4 -0 4 -2 0 2 0 boorm eest er A. va n W u yk h u yse
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal bruin, grijs, edelm an -70
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, schep -100
bodem profielen BIJLAGE 3 : BOORPROFIELEN onderzoek project code get ekend conform
St a t ion sw e g 1 1 a t e H e in o 2 0 -M 9 2 4 8 N EN 5 1 0 4
PEILBUIS
BORIN G
OLIE OP W ATER REACTIE
num m er
bodem m onst er, geroerd
Geen casing
Zwak
Mat ig
St erk
Uit erst
bodem laag
GEUR IN TEN ISTEIT
bent oniet
grondwat erst and t ijdens boren
bodem m onst er, ongeroerd
filt ergrind
Geen Zeer zwak
Zwak
Mat ig
St erk
bodem laag filt ert raject grondwat erst and
links= cm -m aaiveld recht s= cm + NAP
GRON D SOORTEN
M ATE V AN BIJM EN GIN G
GRIND, grindig (G,g)
zwak - (0-5%)
ZAND, zandig (Z,z)
m at ig - (5-15%)
LEEM, silt ig (L,s)
st erk - (15-50%)
KLEI, kleiig (K,k)
uit erst - (> 50%)
VEEN, hum eus (V,h)
slib
V ERH ARD IN GEN
GRAD ATIE Z AN D
asfalt , bet on, klinkers, t egels st elconplaat , ondoordringbare laag
uf = uit erst fijn (63-105 um ) zf = zeer fijn (105-150 um ) m f = m at ig fijn (150-210 um ) m g = m at ig grof (210-300 um ) zg = zeer grof (300-420 um ) ug = uit erst grof (420-2000 um )
OV ERIG
GRAD ATIE GRIN D
bodem vreem de best andsdelen aanwezig
f = fijn (2-5.6 m m ) m g = m at ig grof (5.6-16 m m ) zg = zeer grof (16-63 m m )
wat er
BESCH RIJV IN G BOD EM LAAG pid = fot o ionisat ie det ect or bv = bodem vocht ow = olie op wat er
Zeer st erk
BIJLAGE 4 ANALYSECERTIFICATEN
Sigma Bouw en Milieu T.a.v. Bodem-Sigma Phileas Foggstraat 153 7825 AW EMMEN
Uw kenmerk : 20-M9248-Stationsweg 11a te Heino Ons kenmerk : Project 1026285 Validatieref. : 1026285_certificaat_v1 Opdrachtverificatiecode : IXFU-OCKA-JLVV-NPIS Bijlage(n) : 2 tabel(len) + 2 bijlage(n)