09 Aanvullend historisch vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten
Tekst van het document
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 28 van 50
3
ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE
In dit hoofdstuk is de informatie van het onderzoek na-conflictperiode omschreven, waarbij in kaart is gebracht waar na de oorlog al eerder aantoonbaar grondroerende werkzaamheden uitgevoerd zijn, waardoor de aanwezigheid van OO eventueel uitgesloten kan worden of de kans op aanwezigheid als verwaarloosbaar klein ingeschaald kan worden. Hiervoor zijn de volgende onderwerpen onderzocht: • Herstelwerkzaamheden spoor, • Spoor- en/of ballastbedvernieuwing, • Bouw- en/of sloopwerkzaamheden, • Elektrificatie spoor, • Aanleg kabels, leidingen en riolen, • Ophogingen of afgravingen, • Saneringen, • Overige activiteiten, • Opsporingsonderzoeken naar OO, • Naoorlogs aangetroffen OO. Vervolgens is de verzamelde informatie geanalyseerd en met de eerder in hoofdstuk 2 vastgestelde verwachtingsgebieden OO in verband gebracht. Op basis hiervan zijn conclusies getrokken, of en zo ja waar er heden ten dage mogelijk nog steeds een aantoonbare bovenmatige kans op OO in de bodem van het onderzoeksgebied bestaat. In voortkomend geval is vastgesteld, vanaf waar en tot welke diepte. De hieruit voortkomende verwachtingsgebieden OO zijn genummerd en weergegeven op de BodembelastingkaartOO die is opgenomen onder bijlage 4. 3.1
ONDERZOEK NA -CONFLICTPERIODE
3.1.1 Herstelwerkzaamheden spoor Tijdens de oorlog werd het spoortraject Zwolle – Wierden na oorlogsschade in opdracht van de Duitse bezetter steeds hersteld, doordat het spoor belangrijk was voor transporten. De kans dat blindgangers van 250 lb. of 500 lb. vliegtuigbommen onopgemerkt in de spoorbaan zijn terechtgekomen, is verwaarloosbaar klein. Dergelijke bommen hebben namelijk een gewicht van ongeveer 125 of 250 kg, een lengte van ongeveer 1 meter, een diameter van ongeveer 30 cm en werden op een spoordoel met grote voorwaartse snelheid afgeworpen. Hierdoor is de kans dat een blindganger in kan slaan, zonder schade aan dwarsliggers aan te richten, nagenoeg uitgesloten, ook niet als een bom niet detoneert. Een melding uit het archief van de MMOD bevestigt de mogelijke aanwezigheid van blindgangers, en wel in de spoorsloot bij het station. Wel bestaat de mogelijkheid dat blindgangers die naast het spoor zijn ingeslagen en niet zijn waargenomen, vanaf de zijkant via ondergrondse verplaatsing tot onder het spoor zijn terechtgekomen (zie Figuur 15). De ondergrondse verplaatsing van een blindganger wordt Offset genoemd. In de bestaande richtlijnen zijn voor de Offset, op basis van onderzoek, standaard richtlijnen als vuistregel aangegeven: • De offset voor een 250 lb. bom bedraagt 6 meter; • De offset voor een 500 lb. bom bedraagt 8 meter.
In Heino is sprake van relatief harde zandgrond, waardoor de ondergrondse verplaatsing van een vliegtuigbom mogelijk beperkter zal zijn dan de standaard richtlijnen. Voor voorliggend onderzoek worden
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 29 van 50
de standaard richtlijnen gehanteerd, gezien de uitvraag van ProRail om enkel het spoor en nabije omgeving te onderzoeken.
Figuur 15: Schematische voorstelling ondergrondse verplaatsing = Offset (Bron: FM 9-16, Explosive Ordnance Reconnaissance, HQ of the Army, Washington DC, 1981)
Doordat de spoorbaan tot ten minste 1 meter onder de baan is opgebouwd uit zand dat door jarenlang treinverkeer zeer stevig is verdicht, is de kans dat een blindganger tot in de eerste meter onder de baan is terechtgekomen verwaarloosbaar klein. Dat een blindganger eventueel wel onopgemerkt tot dicht tegen het spoor terechtgekomen kan zijn, blijkt uit Figuur 16.
Figuur 16: Ligging blindganger op nauwelijks 75 cm diepte langs een spoorbaan (Bron: REASeuro-database).
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 30 van 50
3.1.2 Spoor- en/of ballastbedvernieuwing In 1998 is het traject Zwolle - Wierden volledig vernieuwd en geschikt gemaakt voor hogere snelheden, zodat er 30 minuten een stoptrein kon gaan rijden. Ook zijn ter hoogte van station Heino de perrons verlengd, is de beveiliging vernieuwd en is de ATB Nieuwe Generatie geïnstalleerd. Een spoor bestaat over het algemeen uit spoorstaven, dwarsliggers en ballastbed. Aan het type spoorstaven, dwarsliggers en/of ballastbed kan worden herkend of er na de oorlog spoorvernieuwing heeft plaatsgevonden, waardoor de aanwezigheid van OO in bepaalde spoordelen of ballastbedlagen, voor bepaalde soorten OO kan worden uitgesloten.
Figuur 17: Spooropbouw (Bron: REASeuro-database).
In het algemeen treft men in het Nederlandse spoor drie verschillende spoorstaven aan: • NP46, oude spoorstaven, gebruikt tot jaren 70, (hoogte 142 mm, breedte 120 mm), • UIC 54, in Nederland meest gebruikte spoorstaven sinds jaren ’70 (hoogte 159 mm, breedte 140 mm), • UIC 60, zware spoorstaven voor zware toepassingen zoals intensief goederenvervoer (worden niet regulier toegepast (hoogte 172 mm, breedte 150 mm). 2 Om te bepalen of er na de oorlog al eerder in de spoorbaan werkzaamheden zijn uitgevoerd, is als eerste beoordeeld of de dwarsliggers in het spoor binnen het onderzoeksgebied zijn vervangen. Dit is te herkennen aan het verschil tussen het gebruik van spoorbielzen of betonnen dwarsliggers (zie Figuur 18).
Figuur 18: Dwarsliggers, links bielzen, rechts beton (Bron: REASeuro-database).
Hiervan kan gesteld worden: • Spoorbielzen zijn oorspronkelijk voor en na de oorlog toegepast. • Betonnen dwarsliggers (zowel in 1 of 2 stukken) zijn pas toegepast vanaf 1990.
2
Bron: L400 Gegegvens bovenbouw en ballstbed met documentcode JF/VC/70930-versie o1, d.d 11 juli 1997
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 31 van 50
Indien op een spoortracé sprake is van betonnen dwarsliggers, is geconcludeerd dat na 1970 tenminste de bovenste 16 cm van het ballastbed vernieuwd is (zie Figuur 19). Eventuele diepere ballastbedvernieuwing dient, waar nodig, in de praktijk te worden bepaald. Voor BBV-projecten3 is dit echter veelal niet noodzakelijk.
Figuur 19: vervangen bielzen voor betonnen dwarsliggers (Bron: https://www.deorkaan.nl/werk-aan-het-spoor-zaanlijnzonder-houten-bielzen).
Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van een ballastbed bestaande uit kiezels of breuksteun: • Van een ballastbed bestaande uit kiezels kan worden gesteld dat deze mogelijk nog dateert van de oorlogsperiode. • Van een ballastbed bestaande uit breuksteun is gesteld dat deze zeker niet dateert van de oorlogsperiode, doordat breuksteun pas na de oorlog werd toegepast. 4 Het verschil tussen kiezels of breuksteun is duidelijk herkenbaar (zie Figuur 20).
Figuur 20: Verschil kiezels (links) en breuksteun (rechts) (Bron: REASeuro-database).
De exacte laagdikte van naoorlogs vervangen ballastbed is soms lastig te bepalen, doordat deze gegevens niet nauwkeurig zijn vastgelegd. Het hiervoor binnen ProRail gehanteerde SAP-Portal geeft hiervoor te weinig invulmogelijkheden. Soms kan de exacte laagdikte in de praktijk wel eenvoudig worden vastgesteld, doordat onder nieuw ballastbed tegenwoordig vaak geotextiel wordt aangebracht (zie Figuur 21). Tot aan het geotextiel kan ballastbed (in principe) worden aangemerkt als onverdacht voor OO.
3 4
Bovenbouwvernieuwingprojecten Bron: L400 Gegegvens bovenbouw eb ballstbed met documentcode JF/VC/70930-versie o1, d.d 11 juli 1997
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 32 van 50
Figuur 21: Voorbeeld aanbrengen nieuw ballast in combinatie met geotextiel (Bron: De Stentor april 2017)).
Bij de aanleg van het spoor ter hoogte van Heino is voor zover achterhaald kan worden onder de spoorbaan geen geotextiel aangebracht. Wel is in 1998 het volledige oude spoor verwijderd, alvorens de bestaande baan werd aangelegd. Figuur 22 toont een foto van de aanleg van de nieuwe spoorbaan ter hoogte van station Heino door Volker Rail.
Figuur 22: Spoorbouw ter hoogte van station Heino (Bron: De Stentor april 2017).
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 33 van 50
Met betrekking tot spoor- en/of ballastbedvernieuwing ter hoogte van Heino km 10.4 tot 13.2 is vastgesteld dat het traject Zwolle - Wierden in 1998 volledig is vernieuwd en geschikt is gemaakt voor hogere snelheden zodat er elke dertig minuten een stoptrein kon gaan rijden. Ook is na de oorlog ter hoogte van station Heino een middenperron aangelegd, zijn later perrons verlengd en is de spoorbeveiliging vernieuwd en het Automatische Treinbeïnvloeding (ATB) Nieuwe Generatie geïnstalleerd. 3.1.3 Elektrificatie spoor Het spoortraject Zwolle - Wierden is pas in 2017 geëlektrificeerd. Voor die tijd werd er nog met dieseltreinen gereden. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door aannemer VolkerRail. Bij de elektrificatie van het bijna 40 kilometer lange spoortraject tussen Zwolle en Wierden zijn onder andere: • Naast het spoor van 900 bovenleidingmasten gebouwd (zogenaamde "Olifantenpoten" zie Figuur 23), Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat voor de bouw van dergelijke masten tot tenminste 0,5 meter rondom de masten tot minimaal 1 m-mv is gegraven; • Ondergrondse leidingen aangelegd, naar drie nieuwe technische ruimten voor de stroomvoorziening van 1500 volt naar de bovenleiding. Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hiervoor tot tenminste 0,8 m-mv is gegraven (zie ook paragraaf 3.1.2); • Ontsluitingswegen voor onderhoud en nieuwe schouwpaden aangelegd.
Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hiervoor tot tenminste 0,5 m-mv is gegraven.
Figuur 23: Olifantenpoten (Bron: www.marienheemonline.nl).
3.1.4 Aanleg kabels, leidingen en riolen Doordat het spoortraject Zwolle - Wierden pas in 2017 geëlektrificeerd is, mag redelijkerwijs worden aangenomen dat alle ondergrondse spoorgerelateerde kabels en leidingen medio 1998 en 2017 zijn aangelegd.
3.1.5 Bouw- en/of sloopwerkzaamheden De spoorlijn Zwolle-Almelo werd op 30 december 1880 geopend. Het tracé loopt iets ten zuiden van Heino. Er moest nogal wat werk verzet worden voordat de lijn klaar was. Zo was er bij de aanleg van het traject tussen Zwolle en Heino een gebrek aan zand. De aanvoerlijn van zand uit het door een heuvelrug bij Nijverdal gegraven "ravijn" vond men te lang. De exploitanten vonden een andere oplossing dicht in de buurt. Tegen een vergoeding mochten ze een deel van de grond van boer Jacob Overesch uitgraven. In het contract was echter niet bepaald hoe diep er gegraven mocht worden, met als gevolg een waterplas. De Heinoërs noemden de graafplaats al gauw spottend "het gat van Jacob", wat later nog bondiger "Japiksgat" werd. Jaren later werd er een vuilstortplaats van de gemeente Heino aangelegd. Nog weer later werd Japiksgat een recreatieplas voor kinderoord de Schaarshoek. Op basis van deze informatie is er geen reden om te vermoeden dat er met het aanvoeren van zand voor de bouw van het spoor OO mee aangevoerd zijn. Niet lang daarna kreeg Heino een stationsgebouw, met aan de linkerzijde een woning voor de stationschef. Het is nu één van de twee laatst overgebleven stations die tussen 1880 en 1885 langs de lijn Zwolle-Almelo
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 34 van 50
werden gebouwd. Er was eerst een dienstregeling van vier en later vijf treinen per dag, heen en terug. De spoorlijn bracht echter in Heino veranderingen. Aan de Stationsweg kwam een stationskoffiehuis, met daarnaast een exportslachterij voor Londense biggen. Het slachtafval daarvan ging in de spoorsloot. Aan grondwaterverontreiniging dacht men toen nog niet. Tegenwoordig is er een oliehandellandbouwmechanisatiebedrijf gevestigd.5 Op basis van (lucht)fotovergelijking is vastgesteld dat er binnen het onderzoeksgebied - traject Heino km 10.4 tot 13.2, na de oorlog niet of nauwelijks noemenswaardige bouw- en/of sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Alleen ter hoogte van het station Heino is een eilandperron aangelegd en zijn in de loop der tijd perrons vernieuwd, gemoderniseerd en verlengd. Figuur 24 toont een foto die is genomen vlak voor het uitbreken van de oorlog. Wat duidelijk herkenbaar is dat er destijds nog geen eilandperron aanwezig was en dat het bestaande stationsgebouw dateert van voor de oorlog.
Figuur 24: Station Heino kort voor de oorlog (Bron: Het Utrechts Archief, Collectie De Pater, Gezicht op het N.S.-station Heino te Heino).
Bij vergelijking van vooroorlogse foto’s, luchtfoto’s die tijdens WOII zijn genomen en foto’s die in de jaren ‘70 zijn genomen, is duidelijk te zien dat er na de oorlog een eilandperron gebouwd is. Het eilandperron kan derhalve tot minimaal de maaiveldhoogte WOII worden aangemerkt als onverdacht voor achtergebleven OO. Een aantal foto’s die in de jaren 70 zijn genomen, zijn afgebeeld als Figuur 25.
5
Bron: https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/salland/heino/station
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 35 van 50
Figuur 25: Het emplacement in oostelijke richting met de kruisende treinen richting Raalte en Zwolle medio jaren 70 (Bronnen: www.stationsweb.nl en https://www.klassiekebeveiliging.com/seinhuizenHno.htm).
Het tegenwoordig aanwezige eilandperron is in de loop der tijd flink gemoderniseerd. Het is voorzien van nieuwe verharding, er zijn Abri’s gebouwd en er is moderne apparatuur geplaatst om voor reizigers het inchecken te vereenvoudigen. Het eilandperron is voor de huidige veiligheidsmaatstaven echter te smal en daarom onveilig bij langsrijdende doorgaande treinen (zie Figuur 26).
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 36 van 50
Figuur 26: Vernieuwd, maar te smal middenperron (Bron: https://inheino.nl/station-heino-straks-drastisch-op-deschop/).
3.1.6 Ophogingen of afgravingen Het spoor ter hoogte van km 10.4 – 13.2 ligt op een ligt verhoogd spoorlichaam bestaande uit zand. Door een kadastrale kaart van 1943 te vergelijken met een kadastrale kaart van 1962 en hoogtemetingen die zijn genomen in 1959 (afkomstig van TOPhoogteMD), is vastgesteld dat in de periode van 1943 tot 1962 geen noemenswaardige hoogteveranderingen hebben plaatsgevonden. Door vervolgens de in 1959 vastgestelde hoogtemetingen te vergelijken met de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN) is vastgesteld dat ook in de periode van 1959 tot heden geen noemenswaardige hoogteveranderingen hebben plaatsgevonden. Hooguit zeer plaatselijk zal naoorlogse ophoging en of afgraving hebben plaatsgevonden, maar dit is in het kader van dit onderzoek verder niet relevant. Toelichting: TOPhoogteMD is een landdekkend, digitaal hoogtebestand van Nederland, vervaardigd in 1992 en bestaat voor het grootste deel uit hoogtepunten die gedigitaliseerd zijn van oude hoogtekaarten die door de toenmalige Meetkundige Dienst van Rijkswaterstaat (MD) werden gemaakt. Deze hoogtepunten zijn ingewonnen in de periode 1942-1983. Opdrachtgever voor het maken van dit bestand was o.a. de Topografische Dienst. Het bestand wordt niet meer geactualiseerd. De opvolger van het TophoogteMD is het Actueel Hoogtebestand Nederland.
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 37 van 50
3.1.7 Saneringen De gemeente Raalte beschikt niet over een bodemkwaliteitskaart. Het generieke beleid voor het landelijk gebied uit het Besluit Bodemkwaliteit is van toepassing.6 Aanwijzingen voor in het verleden uitgevoerde bodemsaneringen zijn niet gevonden. 3.1.8 Overige activiteiten Behoudens de eerdere omschreven naoorlogse veranderingen aan de spoorbaan, het stationsemplacement (perrons) en de elektrificatie van het spoor, zijn er binnen het onderzoeksgebied deelprojectlocatie A geen noemenswaardige grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Plaatselijk zijn seinkasten, hekwerken, beveiligde spoorwegovergangen, spoormarkeringen en fietsenstallingen geplaatst, maar hiervoor heeft geen groot grondverzet plaatsgevonden. De naoorlogse veranderingen zijn duidelijk herkenbaar door (lucht)fotovergelijking, echter de daadwerkelijk naoorlogse ontgravingsdiepte kan uitsluitend in de praktijk worden vastgesteld. De naoorlogse veranderingen zijn wel opgenomen op de Bodembelastingkaart OO. Indien deze naoorlogse veranderingen lagen binnen op OO verdacht gebied wordt gesproken van een op OO verdacht gebied met onverdachte bodemlaag. 3.1.9 Opsporingsonderzoeken OO Binnen het onderzoeksgebied zijn voor zover bekend niet eerder opsporingsonderzoeken naar OO uitgevoerd, anders dan de visuele controles in opdracht van de Duitse bezetter tijdens de oorlog.
3.1.10 Naoorlogs aangetroffen OO Ondanks het redelijk recent volledig vernieuwen en elektrificeren van de spoorbaan, zijn binnen of in de directe omgeving van het onderzoeksgebied na 1971 nooit OO aangetroffen. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er ook op basis van naoorlogse munitievondsten geen aanleiding bestaat om gebieden als verdacht voor boordwapenmunitie aan te merken. 3.1.11 Conclusie onderzoek na-conflictperiode Op basis hiervan is geconcludeerd dat de kans op aanwezigheid van blindgangers van boordwapenmunitie verwaarloosbaar klein is, maar de aanwezigheid van eventuele blindgangers van afwerpmunitie of in voormalige Duitse stellingen achtergebleven OO niet uitgesloten kan worden. 3.2
AFBAKENING VERDACHT(E) GEBIED(EN)
Op basis van het onderzoek conflictperiode zijn volgens de richtlijnen van het CS-VROO de volgende gebieden vandaag de dag nog steeds verdacht op achtergebleven OO: • Naar aanleiding van het bombardement op 4/5 november 1944, ter plaatse van de inslaglocatie welke is ontstaan door het afwerpen van een 500 lb. bom door een Typhoon jachtbommenwerper is verdacht gebied OO met een straal van 33 meter, vermeerderd met een cartografische onnauwkeurigheid van 5 meter en een ondergrondse verplaatsing van 8 meter, afgebakend. • Naar aanleiding van de bombardementen op 24/25 februari 1945 ter plaatse van de inslaglocaties welke (in een worst-case scenario) zijn ontstaan door het afwerpen van een 500 lb. en twee 250 lb. bommen door een Spitfire jachtbommenwerper is een verdacht gebied OO met een straal van 87 meter, vermeerderd met een cartografische onnauwkeurigheid van 5 meter en een ondergrondse verplaatsing van 8 meter, afgebakend. • Naar aanleiding van de aanwezigheid van geschut- en wapenopstellingen is een verdacht gebied OO ter plaatse van de contouren van de stellingen met inachtneming van 5 m cartografische onnauwkeurigheid afgebakend. 6
Bron: Nota grondbeleid gemeente Raalte, 2008-2012
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 38 van 50
Op basis van het onderzoek na-conflictperiode kunnen de volgende bodemlagen worden teruggebracht naar de gradatie onverdacht: • Het spoor tot 1,2 meter uit hart spoor tot 1m-bovenkant spoor voor blindgangers van afwerpmunitie (zie paragraaf 3.1.1), waarbij opgemerkt dient te worden dat door offset blindgangers wel dieper onder en naast het spoor terechtgekomen kunnen zijn; • Het volledige ballastbed voor alle soorten OO, doordat de spoorbaan in 1998 volledig vernieuwd is (zie paragraaf 3.1.2); • Alle locaties van Olifantenposten tot 1 meter rondom de voet en 1 meter m-mv (zie paragraaf (3.1.3); • Alle spoorgerelateerde kabel en leidingsleuven tot onderzijde kabel en binnen de naoorlogs ontgraven kabel- en leidingsleuven, omdat het spoor pas in 1997 geëlektrificeerd is (zie paragraaf 3.1.3); • Het zij-perron, omdat deze tijdens WOII geen noemenswaardige schade had opgelopen en de kans verwaarloosbaar klein is dat blindgangers die in een perron zijn ingeslagen tijdens de visuele controles die steeds zijn uitgevoerd niet zijn waargenomen (zie paragraaf 3.1.1 en 3.1.4); • Het middenperron tot tenminste 0,5 m-mv, doordat deze na WOII is en vernieuwd (zie paragraaf 3.1.4); • De locatie van het stationsgebouw, omdat deze tijdens WOII geen noemenswaardige schade had opgelopen en de kans verwaarloosbaar klein is dat blindgangers die direct naast het stationsgebouw ingeslagen zijn,
tijdens tijdens de visuele controles die steeds zijn uitgevoerd, niet zijn waargenomen (zie paragraaf 3.1.1 en 3.1.4); • Alle overige na WOII aantoonbaar geroerde bodemlagen ter hoogte van seinkasten, hekwerken, beveiligde spoorwegovergangen, spoormarkeringen en fietsenstallingen (zie paragraaf 3.1.8). De gradatie onverdacht betekent overigens niet dat er helemaal geen OO aangetroffen kunnen worden, maar dat er op basis van het beschikbare bronnenmateriaal onvoldoende aanleiding bestaat om het gebied nog langer als verdacht aan te merken. De ligging van de resterende verdachte gebieden en verdachte gebieden met een onverdachte bovenlaag zijn weergegeven op de Bodembelastingkaart OO die is opgenomen onder bijlage 4. De contouren van deze gebieden zijn tevens als shapefile beschikbaar. Noot: Het afbakenen van verdachte-/verwachtingsgebieden op basis van historisch feitenmateriaal is ‘geen exacte wetenschap’. Bij een Historisch Vooronderzoek wordt in een beperkte tijd en met een afgebakend budget getracht voldoende feitelijk bronnenmateriaal te raadplegen, op basis waarvan het gerede vermoeden op de eventuele aanwezigheid al of niet kan worden onderbouwd. Gezien de reikwijdte en diepgang, kan nooit 100% garantie worden gegeven met betrekking tot de soorten munitie die achtergebleven kunnen zijn.
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 39 van 50
4
CONCLUSIES EN ADVIEZEN
ProRail heeft aan REASeuro opdracht verleend om een nadere analyse van de in het verleden vastgestelde verwachtingsgebieden OO uit te voeren en waar nodig onderzoeken na-conflictperiode uit te voeren. In dit hoofdstuk zijn de conclusies van het aanvullend Historisch Vooronderzoek samengevat en zijn adviezen opgenomen voor eventuele verdere onderzoeken met betrekking tot eventueel achtergebleven OO. 4.1
CONCLUSIE(S)
Gedurende WOII zijn binnen deelprojectlocatie A - Heino km 10.4 tot km 13.2 meerdere luchtaanvallen uitgevoerd, waarbij zowel vliegtuigbommen van 250 lb. en 500 lb. zijn afgeworpen en met boordwapens is geschoten. Ook hebben binnen dit gebied stellingen gestaan, waarin eventueel OO achtergebleven kunnen zijn. Aanwijzingen voor het gebruik van trillingsgevoelige ontstekers zijn niet gevonden, waardoor alleen het ongecontroleerd toucheren, bewegen en/of deformeren van OO voorkomen dient te worden. De verschillende oorlogshandelingen en de hiervan door derden achterhaalde informatie, is overzichtelijk weergegeven in de Gebeurtenissenlijst die als bijlage 3 bij dit rapport is opgenomen. In deze bijlage zijn zowel de eerdere door derden getrokken conclusies omschreven en de door alle achterhaalde informatie onderling te combineren en de meest recente richtlijnen voor het afbakenen van verdachte gebieden OO (CS-VROO-02) te volgen door REASeuro op basis van hetzelfde bronnenmateriaal getrokken conclusies opgenomen. Dit heeft geresulteerd in een herziene afbakening van verdachte gebieden OO. De onderzoeksresultaten zijn weergegeven op de Bodembelastingkaart OO die onder bijlage 4 is opgenomen. 4.2
ADVIES
In onderstaande paragrafen wordt uiteengezet hoe door REASeuro geadviseerd wordt te handelen wanneer er grondroerende werkzaamheden in een op OO onverdacht gebied (paragraaf 4.2.1) uitgevoerd worden en wanneer dit in een op OO verdacht gebied (paragraaf 4.2.2) gebeurt. 4.2.1 Grondroerende werkzaamheden in op OO onverdacht gebied Het huidige eilandperron op station Heino is te smal. Volgens de huidige plannen krijgt het station daarom een upgrade met twee nieuwe zijperrons en een aangepast P+R terrein. De nieuwe perronopgangen schuiven naar het oosten in de richting van de overweg. De overweg bij het station wordt aangepast, zodat voetgangers aan de stationszijde van de overweg meer ruimte krijgen. Door deze aanpassing wordt het voor treinen mogelijk om het station veilig te kunnen passeren terwijl ze op snelheid kunnen blijven rijden. Zo zorgen we voor een kortere reistijd tussen Zwolle en Enschede.7 Verder wordt er nieuw stationsmeubilair geplaatst. Toekomstige grondroerende werkzaamheden binnen op OO onverdacht gebied kunnen worden uitgevoerd zonder mitigerende maatregelen met betrekking tot OO. Wij adviseren uitvoerend personeel voorafgaande aan de werkzaamheden te informeren over het Protocol spontaan aantreffen OO.
Het Protocol spontaan aantreffen OO betekent dat indien onverwachts toch OO worden aangetroffen, de juiste stappen worden genomen om in een dergelijke situatie correct te handelen.
7
Bron: https://www.prorail.nl/nieuws/plannen-voor-aanpak-stations-heino-en-raalte
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 40 van 50
Protocol spontaan aantreffen OO Indien onverhoopt toch een verdacht voorwerp wordt aangetroffen waarvan vermoed wordt dat het om een OO gaat, dient dit protocol gevolgd te worden: • Ook bij twijfel: raak het verdachte voorwerp niet (meer) aan; • Leg het werk ter plaatse van de vindplaats stil; • Afzetten/markeren locatie; • Houd de omgeving vrij van werknemers en toeschouwers; • Neem contact op met de politie (0900-8844) en meldt de vondst van mogelijke OO; • Bel bij een noodsituatie 112; • De politie geeft de melding door aan de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) en bepaalt de urgentie voor de ruiming; • De ruimploeg van de EODD komt vervolgens om het OO onschadelijk te maken; • De toevalsvondst wordt geëvalueerd door de adviseur OOO om te bepalen of de getroffen mitigerende maatregelen nog afdoende zijn; • Indien noodzakelijk worden de getroffen beheersmaatregelen in overleg met alle betrokken aangepast.
4.2.2 Grondroerende werkzaamheden in op OO verdacht gebied Indien grondroerende werkzaamheden binnen op OO verdacht gebied en/of bodemlagen dienen plaats te gaan vinden, wordt geadviseerd om voorafgaande aan de werkzaamheden een PRA-OO te laten uitvoeren. De PRA-OO is een bureaustudie waarin de risico´s van de geplande grondroerende werkzaamheden in relatie tot de aan te treffen OO in kaart worden gebracht en waarbij de meest efficiënte mitigerende maatregelen worden voorgeschreven en toegelicht. Het doel van de PRA-OO is antwoord te geven op de volgende vragen: • Welke risico’s ontstaan wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden binnen de op OO verdachte bodemlaag? • Kunnen mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, waardoor eventuele werkzaamheden in de op OO verdachte bodemlaag voorkomen kunnen worden? • Wat is het advies met betrekking tot de eventueel uit te voeren detectiewerkzaamheden? Op basis van het rapport PRA-OO kan een gedegen inschatting worden gemaakt van de kosten en doorlooptijden van mitigerende maatregelen voor de uitvoeringsfase van een project en de consequenties die dit heeft voor de geplande werkzaamheden.
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 41 van 50
5
BIJLAGEN
Bijlage 1
Begrippenlijst
Bijlage 2
Wettelijk kader
Bijlage 3
Gebeurtenissenlijst
Bijlage 4
Bodembelastingkaart-OO
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 42 van 50
BIJLAGE 1
BEGRIPPENLIJST
Begrip
Afkorting
Bijdragebesluit / Gemeentefonds
-
Niet Gesprongen Explosieven Bodemonderzoek
NGEBodemonderzoek
Conventionele Explosieven
CE
Explosieven Opruimingsdienst Defensie Historisch Vooronderzoek – Ontplofbare Oorlogsresten
EODD
HVO-OO
Niet Gesprongen Explosieven
NGE
Ontplofbare Oorlogsresten Opsporingsgebied
OO -
74668/ RO-220144 versie 1.0
Definitie Regeling voor Rijksfinanciering van (een deel van) de kosten voor het NGE-bodemonderzoek. Werkwijze van REASeuro waaronder wordt verstaan: de integrale totaal aanpak voor de problematiek van NGE bestaande uit vijf afzonderlijke fasen. Hierdoor kan de opdrachtgever telkens een weloverwogen besluit nemen en zijn vervolgacties plannen met als doel dat de opdrachtgever de regie over het project in handen houdt. De vijf fasen zijn: 1. HVO-NGE (Historisch Vooronderzoek NGE). 2. PRA-NGE (Projectgeboden Risicoanalyse NGE). 3. Projectplan (verslag werkvoorbereiding NGE-Bodemonderzoek). 4. Uitvoering (NGE-Bodemonderzoek). 5. PvvO (Proces-verbaal van Oplevering), inclusief Vrij van Explosieven verklaring) Elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Bij het opsporingsproces wordt aan CE gelijkgesteld en als zodanig behandeld: CE die geen explosieve stoffen (meer) bevatten; restanten van CE die door leken als zodanig herkenbaar zijn; voorwerpen die door leken kunnen worden aangemerkt als CE; wapens of onderdelen daarvan. Instelling van de Nederlandse defensie die tot taak heeft explosieven onschadelijk te maken en op te ruimen. Bureaustudie waarin het beschikbare feitelijke bronnenmateriaal van de periode 1940-1945 (incl. naoorlogse munitieruimingen en opsporingsactiviteiten) wordt beoordeeld en geëvalueerd.
Doel is om vast te stellen of in het onderzoeksgebied sprake is van een verdacht gebied Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in relatie tot de projectlocatie. Het HVO-OO bestaat uit: Rapportage. Positief of negatief advies. In het geval van een positief advies: Horizontale afbakening verdacht(e) gebied(en) OO. Bodembelastingkaart OO. Door REASeuro gehanteerde vakterm waaronder wordt verstaan: alle explosieven of onderdelen/restanten van explosieven die niet of gedeeltelijk hebben gefunctioneerd. Onder NGE vallen: Conventionele Explosieven (CE); Ontplofbare Oorlogsresten (OO); geïmproviseerde explosieven; explosieven voor civiel gebruik; chemische explosieven; biologische explosieven; nucleaire explosieven. Conform het CS-OOO betreffen Ontplofbare Oorlogsresten (OO) achtergelaten ontplofbare munitie en niet-gesprongen munitie. Het verdachte gebied binnen de projectlocatie waar voorafgaand aan de reguliere werkzaamheden de opsporing naar OO wordt geadviseerd.
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 43 van 50
Begrip Proefdetectie
Afkorting -
Projectgebonden Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten
PRA-OO
Projectlocatie
-
Projectplan
PP
Reguliere werkzaamheden
-
Risicogebied Ontplofbare Oorlogsresten
Risicogebied OO
Verdacht gebied Ontplofbare Oorlogsresten
Verdacht gebied OO
Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO)
CS-OOO
74668/ RO-220144 versie 1.0
Definitie Een steekproef die binnen het opsporingsgebied kan worden uitgevoerd om de mate van detectieverstoring vast te stellen (de proefdetectie is non-destructief). Op basis van een proefdetectie kan de meest efficiënte opsporingsmethodiek worden bepaald en het voor de opsporing benodigde budget en de doorlooptijd worden onderbouwd. Bureaustudie waarin de risico’s van de voorgenomen werkzaamheden in relatie tot de mogelijk aan te treffen OO worden vastgesteld. De PRA-OO bestaat o.a. uit: Indien nodig het opvullen van leemten in kennis van het HVO-OO. De horizontale en verticale afbakening van het verdachte gebied. Het definiëren van beheersmaatregelen. De mogelijkheid tot een proefdetectie. Indien mogelijk een budgetraming, inclusief planningsoverzicht Het door de opdrachtgever aangegeven gebied waarbinnen werkzaamheden (niet OO-gerelateerd) uitgevoerd gaan worden of waar een functieverandering wordt doorgevoerd. Gedocumenteerd plan waarin de onderlinge relaties tussen betrokken partijen, alsmede de (planmatige) voortgang, afspraken, toezicht, documentatie, werkwijze en procedures zijn vastgelegd ten einde het project op adequate en veilige wijze uit te kunnen voeren. Het PP volgens het NGE-bodemonderzoek overlapt de minimale normen van het CS-OOO. Alle door de opdrachtgever voorgenomen niet OO-gerelateerde werkzaamheden.
Enkele voorbeelden zijn civieltechnische, milieutechnische en archeologische werkzaamheden. Gebied waar op basis van feitelijk bronnenmateriaal een kans op het aantreffen van OO bestaat naar de situatie van 1940-1945 (inclusief naoorlogse munitieruimingen en opsporingsactiviteiten). Het risicogebied OO is horizontaal afgebakend, waarin zijn opgenomen: Eventuele onzekerheden en onnauwkeurigheden uit het bronnenmateriaal (o.a. cartografische onnauwkeurigheden). De maximale horizontale verplaatsing van NGE in de bodem. De horizontale en verticale afbakening van het verdacht gebied OO. Bij de afbakening is o.a. rekening gehouden met: Het vaststellen van de horizontale verplaatsing van de OO in de bodem (inkaderen risicogebied OO). De mogelijke inperking van de onzekerheden en onnauwkeurigheden uit het bronnenmateriaal. De naoorlogse werkzaamheden (zoals ontgravingen, ophogingen etc.). De bodemkundige parameters (zoals grondsoort en draagkracht van de grond). Het CS-OOO is het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten. Hierin zijn onder andere richtlijnen, proceseisen en deskundigheidseisen opgenomen op het gebied van opsporing naar Ontplofbare Oorlogsresten.
Het CS-OOO is sinds 1 januari 2021 de opvolger van het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) en is wettelijk verankerd in de Arbowet.
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 44 van 50
Begrip
Afkorting
Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten Werkveldspecifiek certificatieschema voor het systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven
CS-VROO private vorm
WSCS-OCE
74668/ RO-220144 versie 1.0
Definitie Om het maatschappelijk belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van ontplofbare oorlogsresten. Het HVO-NGE en de PRA-NGE overschrijden de minimale private vorm van het CS-VROO.
Het WSCS-OCE is het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het opsporen van Conventionele Explosieven. Hierin waren onder andere richtlijnen, proceseisen en deskundigheidseisen opgenomen. Het WSCS-OCE was sinds 1 juli 2012 de opvolger van de Beoordelingsrichtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE) en was wettelijk verankerd in de Arbowet. Het WSCS-OCE is per 1 januari 2021 opgevolgd door het CS-OOO.
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 45 van 50
BIJLAGE 2
WETTELIJK KADER
In deze bijlage is de belangrijkste vigerende wet- en regelgeving beschreven die betrekking heeft op Ontplofbare Oorlogsresten. Hierbij wordt opgemerkt dat de wet- en regelgeving aan verandering onderhevig is. De belangrijkste (specifieke) regelgeving rondom (het opsporen van) Ontplofbare Oorlogsresten volgt uit de Gemeentewet, het Arbobesluit en de Regeling Rijksfinanciering. Voor een volledige beschrijving van de vigerende inhoud van de genoemde wet- en regelgeving wordt verwezen naar www.wetten.nl. Gemeentewet De zorg voor Openbare Orde en Veiligheid (OOV) is één van de meest kenmerkende taken van de overheid. Het gaat hierbij onder meer om de uitvoering van de politie-, brandweer- en rampenbestrijdingstaken. De burgemeester is in zijn gemeente verantwoordelijk voor de Openbare Orde en Veiligheid. Dat is bepaald in de Gemeentewet. Daarin staat onder meer dat de burgemeester belast is met de handhaving van de Openbare Orde en dat hij het opperbevel heeft bij brand en bij ongevallen waar de brandweer een taak heeft. Op basis van artikel 160 van de Gemeentewet ligt de beslissingsbevoegdheid om al dan niet tot het opsporen en ruimen van NGE over te gaan bij de burgemeester.
Op basis van de artikelen 172, 175 en 176 van de Gemeentewet kan de burgemeester voor het handhaven van de Openbare Orde of voor het beperken van eventueel gevaar bevelen of algemeen verbindende voorschriften opstellen voor de locatie waar naar Ontplofbare Oorlogsresten wordt gezocht of een ruiming wordt uitgevoerd. Met name indien een ruiming in (de nabijheid van) een woonwijk plaatsvindt, kan het noodzakelijk zijn ingrijpende maatregelen te treffen, die mogelijk ingrijpen in de persoonlijke vrijheid en het eigendomsrecht of huisrecht van de betrokken bewoners. Zo zullen bewoners mogelijk hun huizen moeten verlaten, winkeliers hun bedrijven moeten sluiten of voertuigen versleept moeten worden. De gemeente kan de hiervoor benodigde bevoegdheden regelen in een noodverordening op basis van artikel 175 en 176 van de Gemeentewet. Een noodverordening stelt de gemeente in staat om de bewoners te verplichten mee te werken aan de benodigde maatregelen. Ook wanneer er geen noodverordening bestaat, kan de burgemeester op basis van artikel 175 van de Gemeentewet in noodgevallen bijzondere maatregelen nemen. Arbowet In de Arbowet (arbeidsomstandighedenwet) is de arbeidsveiligheid vastgelegd en de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers en opdrachtnemers. Het is een kaderwet, waarin algemene bepalingen staan die gelden voor alle plekken waar arbeid wordt verricht.
Concrete regelgeving is verder uitgewerkt in het Arbobesluit en de Arboregeling. De arbeidsinspectie is het bevoegd gezag om toe te zien op de naleving van het Arbobesluit en -regeling. Hieronder worden de artikelen vermeld die direct verband houden met Ontplofbare Oorlogsresten. Arbobesluit In het Arbobesluit staat de belangrijkste specifieke regelgeving vermeld voor bedrijven die actief zijn met het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten of hiermee te maken hebben in verband met grondroerende werkzaamheden. Artikel 4.10 - Ontplofbare oorlogsresten (laatste wijziging: Staatsblad 2020, nummer 440, in werking getreden per 01-01-2021). In alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, wordt, alvorens werkzaamheden worden aangevangen, hiernaar een oriënterend onderzoek ingesteld. Indien nodig wordt
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 46 van 50
tevens nader onderzoek uitgevoerd. Wanneer opsporing van ontplofbare oorlogsresten nodig is, dient dit uitgevoerd te worden door bedrijven die in het bezit zijn van een certificaat opsporen ontplofbare oorlogsresten en door de daarvoor gekwalificeerde personen. Arboregeling In de Arboregeling zijn concrete voorschriften opgenomen om de veiligheid en gezondheid van en rondom het opsporingsproces te waarborgen. De volgende artikelen zijn hiervoor van toepassing. Artikel 4.16 - Registratie of herregistratie van personen die werken met explosieve stoffen. Personen die werken met of nabij Ontplofbare Oorlogsresten, dienen gecertificeerd te zijn. Artikel 4.17f - Afgifte certificaat opsporen van ontplofbare oorlogsresten. (wijziging per 1-1-2021). Een certificaat voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten als bedoeld in artikel 4.10, vijfde lid, van het besluit, wordt door de certificerende instelling afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in het certificatieschema voor het opsporen van ontplofbare oorlogsresten (CS-OOO). Certificatieschema Opsporing Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) Hierin zijn onder andere richtlijnen, proceseisen en deskundigheidseisen opgenomen op het gebied van opsporing naar ontplofbare oorlogsresten.
Het CS-OOO is sinds 1 januari 2021 de opvolger van het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) en is wettelijk verankerd in de Arbowet. Om het maatschappelijk belang – veiligheid en gezondheid van en rondom de arbeid – te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van conventionele explosieven. Rijksfinanciering Met ingang van 1 januari 2021 is de zogenaamde “Bommenregeling” aangepast. Vanaf 2021 kunnen alle gemeenten in geval van opsporing en ruiming van explosieven een bijdrage van 68% in de kosten ontvangen door het indienen van een raadsbesluit. Vanaf 2021 is de mogelijkheid voor het ontvangen van een suppletie-uitkering beperkt tot de werkelijk gemaakte kosten. Vanaf 2021 dienen verzoeken om een bijdrage voor 1 april 2022 te worden ingediend. Om in aanmerking te komen voor een bijdrage voor 2022 dient de gemeente een raadsbesluit in, waarin de gemaakte kosten voor het opsporen en ruimen van explosieven zijn opgenomen. Er hoeft geen verdere onderbouwing overlegd te worden. Projectplannen of studies naar risico’s e.d. worden niet in behandeling genomen. BTW komt, net als onder het voormalige Bijdragebesluit, niet voor compensatie in aanmerking.
In de opgave van de gemaakte kosten dient daarom duidelijk te worden opgenomen dat de bedragen exclusief BTW zijn. Het ministerie ontvangt raadsbesluiten bij voorkeur per e-mail via regelingen@minbzk.nl. Per post aanvragen is ook mogelijk. De stukken dienen in dit geval te worden verzonden aan: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties t.a.v. FEZ/FAR/Regelingen Postbus 20011 2500 EA Den Haag
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 47 van 50
Overige relevante regelgeving Naast bovengenoemde wet- en regelgeving kunnen op verschillende deelaspecten andere regelingen van toepassing zijn. Onderstaand worden de belangrijkste benoemd: • Wet Wapens en Munitie: het is ingevolge de Wet wapens en munitie verboden wapens en munitie voorhanden te hebben, te dragen en te vervoeren. Opsporingsbedrijven die gecertificeerd zijn voor deelgebied A dienen te beschikken over een ontheffing krachtens artikel 4 van deze wet. • Wet veiligheidsregio's en de Aanpassingswet veiligheidsregio's. • Wet milieubeheer. • Wet op de archeologische Monumentenzorg. • Wet vervoer gevaarlijke stoffen. • Circulaire Opslag ontplofbare stoffen Voor de omgang met stoffelijke resten gelden de volgende wettelijke kaders: • Verdragen van Geneve, artikel 4 van 1929 en artikel 17 van 1949: het bergen van stoffelijke resten uit de oorlog is een taak van de Bergings- en Identificatie Dienst van de Koninklijke Landmacht (BIDKL: vaak aangeduid als de 'Gravendienst') • Wet op de Lijkbezorging, artikel 21: de burgemeester is verantwoordelijk voor lijkbezorging van onbekende personen. De burgemeester/politie roept assistentie van de BIDKL in.
• Burgerlijk Wetboek, boek 5, artikel 5, lid 1: bij het stuiten op een veldgraf, is het verplicht om met bekwame spoed aangifte te doen van de vondst bij de plaatselijke overheid (politie/gemeente) en eveneens de zaak in bewaring te geven aan de politie/gemeente die dit vordert. De politie/gemeente roept de BIDKL ter plaatse. • Wet Wapens en munitie artikel 2 en 3: in verband met eventueel aanwezige vuurwapens, of munitie, of onderdelen, of hulpstukken daarvan kan ook de Wet wapens en munitie van toepassing zijn op de vondst van een veldgraf. • Circulaire Vliegtuigberging: Staatscourant 2016 Nr. 54987 (Tot 2013 was dit de Ministeriële publicatie 40-45): bij vliegtuigbergingen geldt: 'Om de zorgvuldigheid van een berging te waarborgen en invulling te geven aan de Verdragen van Genève, en relevante overeenkomsten met de Verenigde Staten, het Gemenebest en Duitsland inzake de overdracht van stoffelijke resten, is de berging en identificatie van stoffelijke resten uit WO II bij uitsluiting voorbehouden aan de BIDKL'.
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 48 van 50
BIJLAGE 3
GEBEURTENISSENLIJST
Bijlage 3 is losbladig bijgevoegd
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 49 van 50
BIJLAGE 4
BODEMBELASTINGKAART-OO
Bijlage 4 is losbladig bijgevoegd
74668/ RO-220144 versie 1.0
Aanvullend HVO-OO R-562500 Verbetermaatregelen Zwolle – Enschede Deellocatie A - Heino: km 10.4 – 13.2
Pagina 50 van 50