02 Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat_Toelichting (1)
Tekst van het document
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
25
Hoofdstuk 5 5.1
Onderzoek
Algemeen
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies (zoals woningen). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op die randvoorwaarden die van belang zijn voor dit bestemmingsplan. Zoals reeds vermeld worden ten opzichte van de situatie enkel de groepsaccommodatie en de wijziging van het agrarisch perceel naar een perceel met een natuurbestemming mogelijk gemaakt. De milieuhygiënische onderbouwing gaat dan ook hoofdzakelijk in op deze onderdelen van het plan. Opgemerkt wordt dat hiervan enkel de groepsaccommodatie een milieugevoelig object betreft. Er wordt dan ook met name op dit onderdeel van de ontwikkeling ingegaan en enkel - indien noodzakelijk - op de wijziging van het agrarisch perceel.
5.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan/wijzigingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 26
(concept, versie 3)
geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 5.5 van deze toelichting). Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het wijzigen van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.
en de daarin opgenomen drempelwaarden overschreden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
De in het voorliggende wijzigingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het realiseren van een groepsaccommodatie van circa 156 m², aansluitend op bestaande bebouwing en het wijzigen van een agrarisch perceel naar een perceel met een natuurbestemming. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling, waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt aangezien het aantal slaapplaatsen dat op het terrein is toegestaan niet toeneemt. De ontwikkeling is dan ook hoofdzakelijk gericht op een kwalitatieve verbetering van de reeds toegestane functies Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en eventueel andere milieugevoelige functies (zie hoofdstuk 5 van deze toelichting). Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Bovendien blijkt uit het vervolg van dit hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Dit bestemmingsplan is dan ook niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
27
5.3
Bodem
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van het bestemmingsplan speelt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Indien het bodemonderzoek uitwijst dat er in de bodem wezenlijke verontreinigingen aanwezig zijn, dienen deze gesaneerd te worden voordat het betreffende gebied in ontwikkeling kan worden genomen. Met het oog op kostenbesparing en efficiëntie is het van belang om een actief bodembeheer toe te passen. Dit is het totaal van activiteiten gericht op het adequaat en efficiënt omgaan met de gevolgen van structureel aanwezige gevallen van bodemverontreiniging. Er heeft dan ook een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Hieronder wordt enkel de conclusie van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is in Bijlage 2 bij deze bestemmingsplantoelichting opgenomen. Ter plaatse van de nieuwbouw van het nieuwe groepsaccommodatie is een aannvullend bodemonderzoek verricht. Deze is als Bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Conclusie Uit de onderzoeken is gebleken dat de gronden ter plaatse van de geplande nieuwbouw van de groepsaccommodatie verontreinigd zijn. De provincie heeft het eerste onderzoek beoordeeld en de omgevingsdienst IJsselland het tweede onderzoek. De omgevingsdienst is tot de conclusie gekomen dat deze verontreiniging geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
Dit is gelijk aan een eerdere conclusie van de provincie Overijssel in een brief van 30 april 2014 (zie hiervoor ook Bijlage 4 bij de toelichting). Voor wat betreft de bodemkwaliteit zijn er daarmee geen risico's. In de tussentijd hebben geen ontwikkelingen plaatsgevonden die van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Er zijn dan ook geen bezwaren tegen de nieuwbouw eb het gebruik van de nieuw te bouwen groepsaccommodatie. Wel zal nog een nadere procedure gevolgd moeten worden in het kader van de omgevingsvergunning, waarbij instemming noodzakelijk is van het bevoegd gezag voor de wijze waarop de noodzakelijke 'sanering' vorm zal krijgen (voor start van de bouwwerkzaamheden). Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een duurzame aaneengesloten verharding of door het aanbrengen van een schone deklaag van minimaal 0,5 meter.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 28
(concept, versie 3)
5.4
Water
Inleiding Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Vigerend beleid Europees beleid Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld. In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. Rijksbeleid/Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.
Daarnaast zijn alle voormalige vergunningstelsels opgegaan in één watervergunning en drie lozingenbesluiten om zo de regeldruk te verlagen. Nationaal waterplan 2009-2015 Onderdeel van de bovengenoemde Waterwet is het zesjaarlijkse Nationaal Waterplan. Dit plan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding (1998) en heeft de status van structuurvisie binnen de Wet ruimtelijke ordening. Tevens maken de (vier) stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's) onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Op deze wijze ontstaat er een heldere koppeling tussen Europees beleid (KRW) en rijksbeleid. Duurzaam waterbeheer is het devies van het Nationaal Waterplan. Gemeenten hebben specifieke taken op het gebied van omgaan met afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast kunnen gemeenten faciliterend optreden bij het nemen van bepaalde ruimtelijke maatregelen. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water De opgetreden wateroverlast in het verleden heeft aangetoond dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. In grote lijnen ligt in de belangrijkste nationale beleidsstukken de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.
Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
29
Het NBW is een uitwerking van de uitvoering van waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. Provinciaal beleid De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: We willen watersystemen met een goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig en veilig zijn. Om daar te komen heeft de Omgevingsvisie vijf centrale thema's: Veiligheid: een veilige omgeving om te wonen en te werken door voldoende bescherming tegen het water te bieden Schoon en gezond water: een goede drinkwatervoorziening onmisbaar. Goed functionerende ecosystemen hebben voldoende en schoon water nodig. Gebruik van water: een goed waterpeil voor de landbouw of beregening Water als waardevol element. Water heeft behalve praktisch nut ook een belevingswaarde. Water is een waardevol element in de woon- en werkomgeving en in het buitengebied. Sturing waterbeleid: In de Omgevingsvisie geeft de provincie aan welke rol ze in het waterbeleid wil spelen.
Waterschaps beleid Voor wat betreft het waterbeleid hanteert het waterschap Waterschap Drents Overijsselse Delta, ontstaan per 1 januari 2016 uit een fusie tussen de waterschappen Groot Salland en Reest en Wieden, de waterbeheersplannen van de voormalige waterschappen Groot Salland en Reest en Wieden. Het plangebied behoort tot het stroomgebied van het voormalige waterschap Groot Salland, hierna wordt derhalve ingegaan op het waterbeleid zoals vastgelegd in het Waterbeheerplan (WBP 2016 -2021) van dit voormalige waterschap. Het waterschapbeheersplan beschrijft welke ontwikkelingen van belang zijn voor het waterbeheer en welke accenten het waterschap in de samenwerking met haar partners wil leggen. Het WBP beschrijft voor de periode 2016-2021 vier primaire taakgebieden, te weten: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Gemeentelijk beleid Waterplan Raalte De gemeente Raalte heeft het waterbeleid vastgelegd in het Waterplan Raalte. Hierin worden de kansen en bedreigingen, het ambitieniveau en de communicatie rondom het aspect water in beeld gebracht.
Dit wordt opgesteld aan de hand van het beleid vanuit de overige overheidsinstanties, waarna met een visie een uitvoeringsplan is uitgewerkt. De kern van de visie beslaat het volgende: In 2015 is het watersysteem binnen de gemeente Raalte veilig, schoon en aantrekkelijk. Het watersysteem voldoet aan de eisen vanuit landelijk, provinciaal en regionaal beleid en heeft een duidelijke meerwaarde. Bij het nemen van maatregelen wordt geanticipeerd op de gevolgen van klimaatverandering. De benodigde maatregelen zijn realistisch in tijd en kosten. De visie en het uitvoeringsplan bestaan uit de volgende thema's: Te veel en te weinig water (wateroverlast); Waterkwaliteit en ecologie; Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 30
(concept, versie 3)
Waterbeleving; Communiceren. Voor dit plan is het van belang dat nieuw verhard oppervlakte niet wordt aangekoppeld op een gemengd rioolstelsel. Hoe wordt omgegaan met hemelwater wordt beschreven in de waterparagraaf. De maatregelen vanuit het Gemeentelijk Rioleringsplan worden hierna besproken. Gemeentelijk Rioleringsplan De gemeente Raalte heeft een Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) vastgesteld voor een periode van 2014 – 2020 . In het GRP zijn de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater ingevuld en is de benodigde financiële dekking bepaald. Het beoogde effect betreft het volgende: Een goede invulling geven aan de wettelijke zorgplichten, gedekt door een gezonde voorziening zodat: Voor hemelwater wordt gestreefd naar ontvlechten zodat alleen nog afvalwater afvoeren naar de RWZI Hemelwater lokaal benutten, infiltreren of lozen op oppervlakte water. Grondwateroverlast oplossen als er structurele overlast is die doelmatig met maatregelen kan worden opgelost Samenwerken binnen de regio en met het waterschap om de kwetsbaarheid van de individuele organisaties te verminderen. Waterparagraaf Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten.
Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Watertoetsproces Het waterschap Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over de realisatie van de groepsaccommodatie door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de 'korte procedure' van de watertoets wordt toegepast. Het watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. Opgemerkt wordt dat de wijziging ter plaatse van het agrarisch perceel in het kader van dit aspect niet relevant is, aangezien hier enkel landschapsmaatregelen worden getroffen en bijvoorbeeld geen verharding wordt aangelegd of vervuilende activiteiten zullen plaatsvinden.
Het waterschap geeft in het verkregen watertoetsresultaat met betrekking tot de groepsaccommodatie aan dat het plan een geringe invloed heeft op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies. Ondanks dat al een positief wateradvies is verkregen wordt hierna aan de hand van de Standaard waterparagraaf toch beknopt ingegaan op waterhuishoudkundige situatie in het plangebied. Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
31
Relevante Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied Wateroverlast Om wateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap voor de aanleghoogte een ontwateringsdiepte van minimaal 80 centimeter. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan echter worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Bij de nadere uitwerking van de bouwplannen bekeken worden op welke wijze rekening gehouden kan worden met het vorenstaande. In het kader van dit bestemmingsplan is niet van belang. Hemelwater Het vallende hemelwater wordt waar mogelijk geïnfiltreerd in de omliggende gronden. Het hemelwater dat niet direct kan infiltreren wordt afgevoerd naar de naastgelegen waterplas. Deze waterplas biedt hiervoor ruim voldoende capaciteit. Grondwaterkwaliteit Bij de bouw van de groepsaccommodaties worden geen uitlogende materialen toegepast. Verontreiniging van grondwater wordt daarmee zoveel mogelijk beperkt. Dempen watergangen / sloten Een deel van de watergang / waterplas wordt met de ontwikkeling gedempt. Zoals in de Standaard waterparagraaf al aangegeven dient hiervoor een Watervergunning te worden aangevraagd bij het waterschap. Afvalwater De nieuwe groepsaccommodatie wordt aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
Gelet op de beperkte toename van het aantal slaapplaatsen (rekening houdend met de vergunde groepsaccommodatie), zal de toename van de hoeveelheid afvalwater naar verwachting geen problemen opleveren ten aanzien van de capaciteit van het rioleringsstelsel en de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
5.5
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. In de nabijheid van het plangebied is geen Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 6 kilometer (zie ook bijlage 6). De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving. Als gevolg van sloopwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 32
(concept, versie 3)
Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Ten behoeve van de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van de groepsaccommodaties, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van sloopen bouwmaterialen, materieel en personeel. Het aantal verkeersbewegingen tijdens de gebruiksfase neemt niet toe. Gelet op de omvang van de voorgenomen activiteiten, zal de emissie van stikstofoxiden beperkt zijn. Het is niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een verhoogde depositie NOx in Natura 2000-gebied. Deze conclusie is gebaseerd op ervaring met het opstellen van stikstofberekeningen voor vergelijkbare projecten qua omvang en ligging ten opzichte van Natura 2000-gebied. Omdat de uitvoering op basis van vorenstaande niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, is geen sprake van een wettelijke consequentie.
Er hoeft geen passende beoordeling uitgevoerd te worden en er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De ontwikkellocaties liggen beiden niet binnen het concreet begrensde NNN, maar wel direct aansluitend aan het NNN (zie ook bijlage 6). Ter plaatse van de ontwikkellocaties kunnen, gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkelingen, negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden uitgesloten. Daarentegen wordt als gevolg van de landschapsmaatregelen een positief effect hierop verwacht. Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
Natuurbank Overijssel heeft ter plaatse van het plangebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 6 bij deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. De nieuwe ontwikkelingen vinden plaats ter plaatse van twee deelgebieden. Eén deelgebied bestaat volledig uit agrarisch cultuurland met een soortenarme grazige vegetatie terwijl het andere deelgebied uit gazon, erfverharding, bebouwing (houten chalet) en opgaande beplanting bestaat. Het agrarisch cultuurland wordt landschappelijk versterkt door de aanplant van bomen en struiken. Deze activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Door het verwijderen van beplanting en het vergraven van het andere deelgebied, worden mogelijk beschermde dieren gedood en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren beschadigd en vernield. Voor het doden van de beschermde dieren die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor vogels. Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
33
Mits bezette vogelnesten niet beschadigd of vernield worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Conclusie Het aspect ecologie staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
5.6
Cultuurhistorie en archeologie
Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Ten aanzien van de ontwikkellocaties is op basis van het geldende bestemmingsplan uitsluitend ter plaatse van het zuidelijke deel van het agrarische perceel een dubbelbestemming in het kader van archeologie van kracht, namelijk 'Waarde - Archeologie 2' (zie ook paragraaf 1.4). Hier is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien een oppervlakte van 5.000 m² wordt overschreden en daarbij dieper wordt gegaan dan 50 cm. Deze oppervlakte wordt ter plaatse niet overschreden. Ter plaatse van de beoogde locatie voor de groepsaccommodatie geldt geen archeologische dubbelbestemming. Er hoeft dan ook geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. De archeologische dubbelbestemming binnen het plangebied blijft behouden, ter waarborging van de archeologische waarden.
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de wet Modernisering Monumentenzorg (de MoMo), die per 1 januari 2012 van kracht is geworden, moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Binnen het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wel is watererfgoed in de vorm van een windmolen aanwezig nabij het het plangebied. Deze windmolen blijft als gevolg van het voornemen behouden, de voorgenomen ontwikkelingen zijn niet van invloed op deze windmolen. Voor wat betreft cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkelingen. Conclusie Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Daarnaast blijven cultuurhistorische waarden behouden.
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor voorliggend voornemen.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 34
(concept, versie 3)
5.7
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect "geluid". In de Wet geluidhinder is de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op gevels van woningen en daarmee gelijk te stellen geluidgevoelige objecten. Verblijfsrecreatie is geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. In dat kader hoeft dan ook geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Uit een uitspraak van de Raad van State (Uitspraak ABRvS d.d. 29 februari 2012, nr. 201002029/1/T1/R2) volgt echter dat elke situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven als geluidgevoelig beschouwd dienen te worden. In de groepsaccommodatie zullen ook personen gedurende de nacht, met enige regelmaat en gedurende langere tijd verblijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening komt de gewenste groepasaccommodatie daarom een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe. In deze paragraaf wordt ingegaan op de geluidsaspecten met betrekking tot (spoor)wegverkeerslawaai en industrielawaai. Wegverkeerslawaai In de nabijheid van de gewenste groepsaccommodatie ligt de Woolthuisweg.
Deze weg wordt voornamelijk benut door bestemmingsverkeer, waardoor de verkeersintensiteit als relatief laag kan worden aangemerkt. De geluidzone van deze weg is 250 meter. De locatie waar de groepsaccommodatie gerealiseerd wordt, bevindt zich op een afstand van circa 100 meter van de Woolthuisweg. Gezien de relatief gezien ruime afstand en het lage aantal verkeersbewegingen op deze weg kan gesteld worden dat er ter plaatse van de groepsaccommodatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Een akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Spoorweglawaai De geluidzone van een spoorweg is vastgelegd in de regeling zonekaart spoorwegen. De zone behorend bij het traject Zwolle-Almelo is 100 meter ter weerszijden van de spoorlijn gemeten vanuit buitenste spoorstaaf. De groepsaccomodatie ligt op circa 150 meter vanaf de buitenste spoorstaf. Dit is buiten de spoorzone. Nader akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Op de Atlas van de provincie Overijssel is te zien, dat het geluidsniveau vanwege het spoor gering is. De geplande bebouwing ligt op meer dan 125 meter vanaf de 55 dB-contour (zowel in de nacht als in een etmaal). Een goed woon- en leefklimaat is ter plaatse dan ook aan de orde.
Industrielawaai Op basis van de Wet geluidhinder geldt een verplichte zonering voor industrieterreinen, waarop inrichtingen zijn gevestigd of kunnen worden gevestigd, die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken. Binnen het plangebied is geen industrieterrein met een verplichte geluidzonering aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen binnen de vastgestelde geluidszone rond een dergelijk industrieterrein in de omgeving. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor voorliggend voornemen.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
35
5.8
Bedrijven en geur
Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijven1. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden. Hierbij onderscheidt de VNG diverse omgevingstypen. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde hinder afhankelijk is van het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden betreffen een rustige woonwijk. De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een bedrijfssoort is ingedeeld. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. Conclusie In het plangebied wordt een nieuwe groepsaccommodatie gerealiseerd. Een groepsaccommodatie is vergelijkbaar met kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. (SBI 553,552).
De milieucategorie is 3.1 en de richtafstanden zijn 30 meter voor geur en gevaar en 50 meter voor geluid. De dichtsbijgelegen woning (milieugevoelig object) bevindt zich op circa 150 meter afstand en wordt dan ook niet gehinderd door de ontwikkeling van de groepsaccommodatie. In de omgeving zijn daarnaast diverse agrarische bedrijven gesitueerd. In Bijlage 7 is een geurberekening ten aanzien van de agrarische bedrijfslocaties aan de Hondemotsweg 36 en 40 opgenomen. De uitgangspunten en daarmee tevens de resultaten zijn vandaag de dag nog actueel. De ontwikkellocatie wordt aangemerkt als een locatie buiten de bebouwde kom. De geurbelasting mag in die situatie maximaal 14 odour bedragen (concentratiegebied). De geurbelasting is ongeveer 4 odour. De geurbelasting blijft dan ook binnen de normen van de Wet geurhinder. Het aspect bedrijven en geur vormt geen belemmering voor voorliggend voornemen.
5.9
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 36
(concept, versie 3)
woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Conclusie Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot: inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden: of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico; of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wat betreft het plaatsgebonden risico geldt ten opzichte van kwetsbare objecten een grenswaarde van 10-6 per jaar. Het groepsrisico is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
37
personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Het groepsrisico geeft de aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Wat betreft het groepsrisico is de oriëntatiewaarde bij het vervoer van gevaarlijke stoffen per transportsegment gemeten per kilometer per jaar: 10-5 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; 10-7 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; 10-9 voor een ongeval met ten minste 1000 dodelijke slachtoffers; et cetera. Inrichtingen Op circa 450 meter van de beoogde groepsaccommodatie bevindt zich de inrichting Kinderoord Schaarshoek aan de Schaarshoekweg 1 te Wijhe. Bij dit bedrijf vindt opslag van chloorbleekloog en zoutzuur plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 bedraagt 0 meter. De locatie ligt dan ook niet in het invloedsgebied van de inrichting. Deze inrichting zorgt dan ook niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied gelegen. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg Op circa 650 meter van de groepsaccommodatie ligt de N35. Het PR-plafond bedraagt 0 meter.
Het GR-plafond 47 meter, waardoor de N35 niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling zorgt. In de omgeving liggen geen overige wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vervoer gevaarlijke stoffen over water Het plangebied is gelegen ver buiten het invloedsgebied van de dichtstbijzijnde vaarweg die relevant is in het kader van externe veiligheid. Vervoer gevaarlijke stoffen over spoor De groepsaccommodatie ligt op ongeveer 150 meter van de spoorbaan Zwolle-Almelo. Over het spoor vindt beperkt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorbaan is slechts een omleidingsroute en geen vaste transportroute voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen. Er geldt geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour voor de spoorbaan. Aangezien er zo weinig vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en het slechts gaat om een omleidingsroute is een groepsrisicoberekening niet noodzakelijk. Het vervoer van gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
5.11
Verkeer en parkeren
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. In dit geval moet worden aangesloten bij de uitgangspunten uit de nota 'Parkeernormen Raalte 2015' (conform paraplubestemmingsplan Parkeren) en de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (december 2018)' van het CROW. In voorliggend geval wordt de realisatie van een groepsaccommodatie toegestaan. Het binnen het plangebied reeds toegestane aantal slaapplaatsen (150) zal echter niet toenemen als gevolg van deze ontwikkeling. Er is per saldo dan ook geen sprake van een toename van het aantal bezoekers van het terrein (parkeerbehoefte) en/of het aantal verkeersbewegingen. Er is voor wat betreft verkeer en parkeren dan ook geen sprake van wijzigingen binnen het Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 38
(concept, versie 3)
plangebied en dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling. Ter waarborging worden de reeds geldende regels van het 'paraplubestemmingsplan Parkeren' in voorliggend bestemmingsplan overgenomen.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
39
Hoofdstuk 6
6.1
Toelichting op de planregels
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregelingen opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. Op welke wijze een en ander in de bestemmingsregeling concreet verwerkt is wordt hierna beschreven. Conform de wettelijke verplichting is gebruikgemaakt van de SVBP2012 voor de planregels en de verbeelding. Daarnaast is aangesloten bij het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Raalte.
6.2
Opzet
De planregels zijn als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen en de Wijze van meten. In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, zijn de regels, behorende bij de verschillende bestemmingen, opgenomen. Per hoofdfunctie (natuur, recreatie, water en dergelijke) is een bestemmingsregeling opgenomen, welke kan bestaan uit: 1. bestemmingsomschrijving: waarvoor mogen de gebouwen en gronden worden gebruikt; 2. bouwregels: een beschrijving van de toelaatbare bouwwerken; en indien van toepassing: 3. nadere eisen: de nadere eisen die aan het bouwen gesteld worden; 4. afwijken van de bouwregels: bevoegdheid van het bevoegd gezag; 5. specifieke gebruiksregels: verbod op bepaald gebruik van gronden; 6. afwijken van de gebruiksregels: bevoegdheid vanhet bevoegd gezag; 7. omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. wijzigingsbevoegdheden: mogelijkheden om het bestemmingsplan te wijzigen. Hoofdstuk 3 Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn op elke bestemming uit hoofdstuk 2. Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 40
(concept, versie 3)
6.3
Artikelsgewijze toelichting op de planregels
Hoofdstuk1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk2 Bestemmingen Natuur Uitgangspunt voor de bestemming Natuur is het geldende bestemmingsplan Buitengebied met uitzondering van twee stroken, die omsloten zijn door gronden met de bestemming Recreatie. Deze stroken hadden de bestemming Natuur in het bestemmingsplan Buitengebied. Deze bestemming is echter vernietigd bij besluit van de Raad van State van 18 december 2013 (zie paragraaf 1.4 van deze toelichting). De bestemming Natuur is toegekend aan de randen van het plangebied. Binnen deze bestemming is het oprichten van gebouwen ten behoeve van de bestemming uitsluitend via een afwijkingsregel toegestaan. Verder is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te egaliseren, op te hogen, af te graven, grondwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 50 cm (zoals diepploegen) en te ontginnen.
De bestemming Natuur grenst aan het (nieuwe) kleedgebouw en het bestaande toiletgebouw. In het geldende bestemming geldt ter plaatse van beide gebouwen de bestemming Natuur. Echter deze bestemming was gebaseerd op basis van luchtfoto's (boomkruinen) en niet op basis van een inventarisatie ter plaatse zo is gebleken. Die bestemming kwam dan ook niet goed overeen met de feitelijke ligging van de bomenrij en van het gebruik. Deze omissie is nu hersteld. Gelet op de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) hebben ook gronden ten zuiden van de spoorlijn (agrarisch perceel) de bestemming 'Natuur' gekregen. Recreatie Het grootste deel van het plangebied heeft de besteming Recreatie gekregen. Hier zijn allerlei recreatieve activiteiten toegestaan. Verblijfsrecreatie en ondersteunende horeca en kantoren zijn alleen toegestaan binnen bouwvlakken met de aanduiding 'Verblijfsrecreatie'. Binnen deze aanduiding zijn maximaal 150 slaapplaatsen toegestaan. In het algemeen zijn kleine gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan binnen de bestemming. Grotere gebouwen zijn alleen mogelijk binnen daartoe op de verbeelding opgenomen bouwvlakken.
Tot een met de bestemming strijdig gebruik van de bestemming Recreatie wordt in elk geval gerekend het oprichten en het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen binnen het plangebied van dit bestemmingsplan, zoals aangegeven in Bijlage 1 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Jacobsgat te Heino. Deze bijlage is opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan en is tevens gekoppeld aan de regels. Verkeer Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
41
In het plan is voor de wegen, alsmede opstelstroken, busstroken en voet- en fietspaden de bestemming Verkeer opgenomen. Binnen de bestemming Verkeer zijn tevens bijbehorende voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 3 tot 15 m. Water De bestemming Water is toegekend aan het water in het plangebied. Hier is ook dagrecreatie toegestaan. Waarde - Archeologie - 2 Om de archeologische waardevolle gebieden veilig te stellen, gelden er op deze gronden beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld. Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De regeling is niet van toepassing op bestaande bouwwerken voor zover ingeval van herbouw gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundamenten. In alle overige gevallen is de regeling van toepassing voor het oprichten van nieuwe bebouwing of uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 50 cm met een groter oppervlak dan 5.000 ha.
Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is niet noodzakelijk voor werken en werkzaamheden die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de toegekende bestemming. Hoofdstuk3 Algemene regels Antidubbeltelregeling Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Algemene bouwregels Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten. Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Herbouw (bedrijfs)woningen In het kader van het bestemmingsplan is geen akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit betekent dat de afstandsmaten van woningen tot wegen niet bekend zijn. Om deze reden is de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten de bestaande fundamenten uitgesloten. Middels een algemene afwijkingsregel of een algemene wijzigingsbevoegdheid wordt herbouw mogelijk gemaakt.
Afstand bebouwing tot aan de weg Voor nieuwbouw dient ook om redenen van verkeersveiligheid en het stedenbouwkundig beeld een minimale afstand van 15 m tot de bestemming Verkeer te worden aangehouden. Algemene gebruiksregels Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in bijbehorende bouwwerken is toegestaan als dit niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze gebruiksregel wonen in bijbehorende bouwwerken uitgesloten. Ook zijn prostitutiebedrijven en permanente bewoning van recreatiewoningen niet toegestaan. Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 42
(concept, versie 3)
Algemene afwijkingsregels Algemene afwijkingsregels zijn opgenomen voor zaken die niet voor één specifieke bestemming gelden, maar in meerdere bestemmingen voorkomen en bijvoorbeeld gekoppeld zijn aan een aanduiding. Er is een afwijkingsregel opgenomen voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten. Indien aangetoond kan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan. Algemene wijzigingsregels Naast de algemene afwijkingsregels is er ook een aantal algemene wijzigingsregels. Concreet gaat het om: verwijderen bestemming Waarde – Archeologie 2 als uit nader onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; herbouw (bedrijfs) woningen. De herbouw van (bedrijfs)woningen wordt, naast een algemene afwijkingsregel, ook via een wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. Indien aangetoond kan worden dat aan de uiterste grenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan. Hiervoor dient wel een Verzoek hogere waarde aangevraagd te worden. Omdat dit uitsluitend mogelijk is in het kader van een bestemmingsplan of wijzigingsbevoegdheid is deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen.
Overige regels In de overige regels wordt op de werking van wettelijke regelingen ingegaan, evenals de parkeerregels en hierop aansluitende gebruiksregels. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels Overgangsregels Overgangsrecht bouwwerken Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Overgangsrecht gebruik Deze bepaling betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
43
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het plan opgestart (artikel 3.8 Wro). 7.1.1
Overleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn gehoord. Met de provincie heeft in het voortraject intensief contact plaatsgevonden. 7.1.2
Vaststellingsprocedure
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens de artikelen 3.7 t/m 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan zal gedurende een periode van zes weken ter visie worden gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken over het plan. Deze zienswijzen zullen worden beantwoord en al of niet gegrond worden verklaard. Daarna zal het plan al of niet gewijzigd door de gemeenteraad worden vastgesteld. 7.1.3
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Na deze beroepstermijn is het plan onherroepelijk en treedt het plan in werking (behalve als een verzoek om een voorlopige voorziening leidt tot een schorsing).
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacob sgat 44
(concept, versie 3)
Eindnoten
1. Bedrijven en milieuzonering, VNG 2009.
Buitengebied, partiële herziening nr. 10, omgeving Jacobsgat (concept, versie 3)
45