CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Vertrekpuntennotitie Landelijk Gebied Noord Veluwe

Gemeenteraad 1 februari 2024, gemeente PuttenBij agendapunt: Vertrekpuntennotitie landelijk gebied Noord Veluwe28.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Kans: Lopend onderzoek en ontwikkelingen voor perspectief Vanuit de provincie en het Rijk lopen op dit moment verschillende onderzoeken om perspectief te gaan creëren in de landbouwtransitie, zoals het recent opgeleverde onderzoek gericht op perspectief voor de landbouw door bureau DLV10 en de sociaaleconomische effectanalyse van Arcadis11. Vanuit het Rijk wordt er gewerkt aan het analyseren van het bestaande instrumentarium, en identificeren welk instrumentarium er nodig is om dat te ontwikkelen. De beschikbaarheid van het transitiefonds behorende bij het NPLG helpt om nieuw perspectief te ontwikkelen met projecten en maatregelen.

10 11

Perspectief Gelderse Landbouw, DLV, juni 2023 Sociaaleconomische Impactanalyse agrocomplex Gelderland, Arcadis, juni 2023

53

5. Gebiedsvisie en oplossingsrichtingen Uit de benoemde kansen en spanningen in Hoofdstuk vier blijkt dat het landelijk gebied voor een grote opgave gaat. Tegelijkertijd zijn er kansen en ontwikkelingen in het gebied waarbij niet alleen hoofd wordt geboden aan de stikstofproblematiek, maar ook aan het beter sturend maken van het bodem en water systeem, de waterkwaliteit en de klimaatdoelen. Tegelijkertijd zoeken we naar de juiste weg om florerende voedselproductie in het gebied te behouden en het gebied sociaal economisch vitaal te houden. Het doel is dus om een sociaal maatschappelijk en economisch toekomstperspectief op te zetten binnen de grenzen van het “ecologisch plafond” en een “sociaal economisch fundament”. Het ecologisch plafond wordt gegeven door de grenzen van onze fysieke leefomgeving (klimaat, lucht, bodem, water, natuur). Het sociaal economisch fundament wordt gegeven door ene menselijk bestaan, werkgelegenheid en de mogelijkheid ene goede boterham te verdienen. 5.1. Een visie op het gebied aan de hand van zoneringen Figuur 23 is een visualisatie van het toekomstperspectief van de Noord Veluwe rand wat is voortgekomen uit de huidige analyse en het voorgaande traject. In deze visualisatie is het gebied ingedeeld in vijf zoneringen. Deze zoneringen zijn niet zwart-wit: ze lopen in elkaar over en kunnen tegelijkertijd op dezelfde plek bestaan.

Per gebeid is er een perspectief met bepaalde activiteiten en vormen van landbouw die daar passen. De zoneringen helpen richting te geven aan welke activiteiten waar wenselijk zijn. Activiteiten die minder goed passen in de zone waar ze nu liggen, kunnen verplaatsen naar een zone waar dat beter past. Bijvoorbeeld intensieve boeren in zones die in die visie meer extensief worden, helpen om de transitie te maken of te verplaatsen.

Figuur 23. Gebiedsfoto/visualisatie van de Noord Veluwe aan de hand van zoneringen

54

Zone 1: natuur In deze zone ligt de focus op natuurontwikkeling en het herstellen van de grondwaterbalans. Toevoegen van nieuwe natuur, de natuur versterken en het herstellen met bijvoorbeeld verjonging en diversificatie van bos. Het maximaal laten infiltreren van regenwater en het vasthouden van water. Aandachtspunt is dat dit niet gaat zorgen voor uitbreiding van stikstofgevoelige natuur waarin de problematiek verplaatst of wordt vergroot.

Zone 2: bufferzone landgoederen/natuurinclusieve landbouw Zone 2 is een bufferzone tussen de stikstofgevoelige natuur en het woon-werkgebied van de Noord Veluwe. Hier wordt gewerkt aan herstel van landschapselementen (denk aan houtwallen, heggen, bomen), natuurinclusieve landbouw en nieuwe pachtconstructies. Op die manier blijft landbouw in een ander jasje mogelijk, wordt een extra bufferzone gecreëerd. Landgoederen zijn de drager van het gebied en het landschap. Aan bestaande landgoederen worden nieuwe (economische) impulsen gegeven en nieuwe landgoederen worden ontwikkeld: gebieden waar natuurinclusieve landbouw, wonen, recreatie en energie in samenhang wordt ontwikkeld en geëxploiteerd. De uitdaging is tegelijkertijd om juist ook het gebied tussen de landgoederen hierbij te betrekken zodat samenhang ontstaat. Aandachtspunt is de (economische) levensvatbaar en toekomstbestendigheid van een natuurinclusieve bedrijfsvoering voor de landbouw.

Zone 3: versterkingsgebieden landbouw De landbouw is als grondgebonden sector onlosmakelijk verbonden met de historie, landschapsinrichting, sociale samenhang en economische bedrijvigheid van de Noord Veluwe. Er zijn vele wegen die naar Rome leiden. Naast natuurinclusieve landbouw in zone 2 moet ook ruimte zijn voor andere vormen van bedrijfsvoering. In deze zone is meer ruimte voor hoog productieve landbouw die met bedrijfstechnische innovaties, voer- en managementmaatregelen een lage impact heeft op het milieu. In zone 3 staan agrarische activiteiten centraal. Vormen van grondmobiliteit zouden kunnen helpen om tot optimalere gebiedsinrichting te komen en ook in deze zone een extensiveringslag te maken bij de boeren die dat willen. Verduurzaming van de bedrijfsvoering, ook met betrekking tot de waterkwaliteit en klimaatdoelen, is onderdeel van het ontwikkelperspectief/ bedrijfsplan.

Zone 4. Plas-dras/weidevogels/landbouw Deze zone aan met name de Randmeerkust biedt ruimte voor het combineren van plas-dras maatregelen met weidevogelbeheer en agrarische bedrijfsvoering. Aandachtspunt is dat een succesvolle combinatie van weidevogelbeheer en agrarisch gebruik vraagt om goede onderlinge afstemming (o.a. mestbeleid, weidegang). Dit gebeurt momenteel al in Polder Oosterwolde. Weidevogelbeheer laat zich moeilijk combineren met andere functies met grote ruimtelijke impact, bijv. duurzame energieopwekking. Niet ieder type landbouw past overal in het de bodem- en watersysteem.

Zone 5: ontwikkelperspectief recreatie Verspreid over de regio Noord Veluwe liggen kansen voor het bieden van ontwikkelruimte voor nieuwe of aangepaste vormen van recreatie om ook de recreatieve waarde van het gebied (o.a. Randmeerkust en Veluwe) te behouden en benutten. Daarbij liggen op gebieds- en projectniveau kansen om te combineren met natuur, landgoederen, agrarische bedrijfsvoering. Aandachtspunt is om samenhang en een overkoepelende visie te bewaken en de recreatiezonering die voor de Veluwe is uitgewerkt door de provincie en terreinbeherende organisaties.

55

5.2. Landbouwperspectief Grondwaterstand en bodemtype zijn leidend voor wat waar mogelijk is. Aan de hand van de bovenstaande zoneringen is een visie uitgewerkt welke landbouwontwikkelingen kunnen passen bij iedere zone. De agrarische bedrijven in de Noord Veluwe zullen zich nog meer dan in het verleden zich moeten richten en verhouden tot hun omgeving. Soms kan of moet op dit op korte termijn, soms kan of mag dit op langere termijn. Deze transitievoorbeelden zijn afgebeeld in figuur 24. Het zijn voorbeelden ter inspiratie van mogelijkheden, geen blauwdruk van hoe het moet. Het is de ondernemer die de keuze maakt en kansen pakt die voor haar/hem interessant en toekomstperspectief bieden. Voor iedere zone zijn de landbouwalternatieven ingedeeld op de mate van transitie of aanpassing die wordt gevraagd van een bestaand agrarisch bedrijf. Per zone is er een ander doelbereik en sprake van een verhouding tot de omgeving. Van kleine tot grote transitie bestaat deze schaal uit management aanpassing, aanzienlijke verandering, grote transitie en technologische toekomst. • • • •

Management aanpassingen: technologische, precisie- of managementaanpassingen die binnen de huidige bedrijfsvoering mogelijk zijn en waar beperkte investering voor nodig is. Aanzienlijke verandering: structurele verandering die effect heeft op de bedrijfsvoering en om aanzienlijke investeringen vraagt. Grote transitie: complete verandering van het verdienmodel van het agrarisch bedrijf waarvoor veel geïnvesteerd moet worden. Technologische toekomst: bedrijfsmodellen waar de technologische uitvoerbaarheid van is bewezen, maar waar veel investering, knowhow en pionierend ondernemerschap voor nodig is.

Zone 1 moet ruimte gaan bieden aan nieuwe natuur en daarom worden alternatieven gegeven die natuur met landbouw combineert. Voor Zone 2 worden mogelijkheden gegeven waarbij stikstofuitstoot aanzienlijk beperkt kan worden en daarmee past in een buffergebied. De opties voor Zone 3 laten zien hoe versterking van de landbouw samen kan gaan met een lagere stikstofuitstoot. De voorbeelden in Zone 4 geven innovatieve opties van landbouw bij een verhoogd waterpeil (of zelfs overspoelde grond). De opties voor Zone 5 geven voorbeelden hoe bestaande landbouw gecombineerd kan worden met recreatie. Voor iedere transitieoptie wordt een voorbeeld gegeven van een bestaand concept of lopend onderzoek in Nederland. De bronnen voor deze voorbeelden zijn terug te vinden in Bijlage 4.

56

Figuur 24: Transitievoorbeelden voor 5 zones visiekaart

6. Gebiedsprogramma Het gebiedsprogramma voor de integrale ontwikkeling van het landelijk gebied op de Noord Veluwe bestaat uit drie onderdelen te weten: 1. Uitvoeringsprogramma’s met maatregelen voor landbouw en natuur en lokale gebiedsprocessen 2. Beleid en instrumentarium wat overkoepelend aan deze programma’s nodig is om te ontwikkelen. 3. Manieren van samenwerken met de betrokken overheden en gebiedspartijen in het gebied. In de volgende paragrafen worden deze onderdelen verder toegelicht. Er staat beschreven aan welke maatregelen gedacht worden per programma, en voor welke daarvan ook al financiering is aangevraagd voor de 1e tranche van het transitiefonds vanuit het Rijk12. De figuur hieronder geeft een overzicht van het gebiedsprogramma.

Transi ebegeleiding Blijvers en nieuwe blijvers Stoppers

Hoge delen lanken Lage delen

GE S Oosterwolde Veenhuizerveld Hoenwaard2030

Figuur 25. Gebiedsprogramma overzicht.

6.1. Uitvoeringsprogramma’ De lokale gebiedsprocessen leggen de integrale puzzel van natuur, landbouw en vaak ook andere opgaven in het betreffende gebied. De twee uitvoeringsprogramma’s op landbouw en natuur zijn gericht op alle gebieden tussen de gebiedsprocessen in. Uiteraard sluit deelname aan een gebiedsproces niet uit dat een boer of andere ondernemer ook deel kan nemen aan een maatregel of activiteit onder een van de andere programma’s.

12

Merk op dat hierdoor sommige maatregelen veel uitgebreider beschreven zijn dan andere.

6.1.1. Landbouwprogramma In het landbouwprogramma willen we inzetten op een gedifferentieerde aanpak. Boeren kunnen zelf keuzes maken en er ontstaat nieuw perspectief. Er zijn daarin verschillende opties: •

Boeren die willen doorgaan met hoogproductieve landbouw met perspectief voor de toekomst: “blijvers”, maar ook boeren die hun bedrijfsvoering verregaand willen aanpassen aan de omgeving en/of nieuwe boeren: dit noemen we de “nieuwe blijvers”. Boeren die willen stoppen en daarvoor willen samenwerken met de overheid (denk aan piekbelastersregeling).

•

In het landbouwprogramma zetten we met diverse maatregelen in om voor met deze groepen zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden. Bovendien is er aandacht voor de transitie met inventarisatie, coaching en het aanjagen van de lokale markt.

Inventarisa e wie wat wilt naar voorbeeld van u en oaching bedrijfsplan anjagen consumentenmarkt biologisch lokaal

anagement maatregelen (bedrijf en voer) Omschakelen ini a even nieuwe businessmodellen aanjagen Technische innova e Extensiveren regelingen natuurinclusieve lage impact landbouw I.c.m. grondbank

Strategie rondom piekbelastersregeling Versneldstoppen oudere bedrijfshoofden vrijwillig aan de eu entafel

Figuur 26. Landbouwprogramma overzicht.

Bovenstaand figuur geeft een overzicht van het landbouwprogramma, onderstaande tabel licht de inhoud verder toe. Tabel 16. Landbouwprogramma inhoudelijk.

Transitiebegeleiding De eerste pijler van het landbouwprogramma is gericht op het begeleiden en aanjagen van de transitie. Een belangrijk onderdeel daarvan is het inventariseren van “wie wat wil” in het gebied, en bedrijfsgerichte coaching. 1.

2.

Inventarisatie In Putten en Oldebroek is al een uitgebreide inventarisatie gedaan van de agrarische bedrijven: wie wat wil, waar het toekomstperspectief ligt en welke (stikstof)rechten hebben deze bedrijven. Deze maatregel is erop gericht deze inventarisatie voor het hele gebied te doen en waar nodig aan te vullen voor Putten en/of Oldebroek, n.a.v. de nieuwe piekbelastersregeling. Deze inventarisatie vormt het startpunt van het programma landbouw. Coaching Deze doorlopende maatregel is gericht op het faciliteren van agrariërs die over willen stappen van het ene type landbouw naar een ander type, maar niet weten hoe d.m.v. bedrijfscoaching. Gericht coachen van bedrijven op locaties met weinig perspectief om de transitie te maken naar een

59

ander/extensiever bedrijfsmodel op dezelfde locatie (of een vergelijkbaar bedrijfsmodel op een andere locatie) en daarvoor een bedrijfsplan op te stellen. 3. Aanjagen consumentenmarkt biologisch/lokaal (pilot) De landbouwtransitie kan alleen gemaakt worden als er ook een markt/consument is die vraag om duurzaam geproduceerd voedsel. Deze maatregel is gericht op het ontwikkelen van een netwerk of pilot met lokale ondernemers in de horeca- en/of retail-sector voor het verkopen van streekproducten in korte ketens. De gemeenten nemen hierin actief deel om het publiek belang te onderstrepen in woorden en waar mogelijk in daden. Door het vermarkten en verkopen van lokale producten in de regio worden consumenten bewuster van wat er in de regio plaats vindt en bied een markt voor lokale (boeren)ondernemers. Blijvers en nieuwe blijvers. Gericht op alle boeren die willen blijven boeren in het gebied. Om de stikstofuitstoot in het Noord Veluwe gebied te reduceren zijn er voor deze bedrijven verschillende opties: 1; management- en technische aanpassingen, 2; extensiveren, 3; omschakelen naar een geheel ander, toekomstbestendig verdienmodel, 4; verplaatsen. In theorie is het mogelijk dat een boer zijn bedrijf wil verplaatsen om zo minder dichtbij stikstofgevoelige natuur te kunnen opereren.

Gezien de nabijheid van deze natuur in de gehele Noord Veluwe, zal verplaatsen binnen de regio geen gemakkelijke opgave zijn. Het programma bevat daarom vooralsnog geen specifieke maatregel voor verplaatsers. 4. Management maatregelen en technische innovatie De bedrijven die door willen gaan om op intensieve wijze hoogwaardig voedsel te produceren zullen met technische innovaties moeten werken aan het reduceren van de impact op het milieu. Het gaat bij deze maatregel om kennisontwikkeling (studie) en communicatie (campagne naar agrarische ondernemers) om bedrijfsmatige maatregelen te nemen die passen bij de ontwikkeling van hun bedrijf en waarmee tegelijkertijd maatschappelijke doelen worden gerealiseerd. Denk daarbij aan maatregelen als: minder ruw eiwit in voer; verminderde stikstof bemesting; precisielandbouw, uitbreiden weidegang; meer sluiten van de kringlopen op het bedrijf zelf; robuuste veestapel; emissiearme stalsystemen, mest koelen, precisielandbouw, mechanische of niet-chemische onkruidbestrijding, opwekken duurzame energie, etc. Voor het inzetten van deze maatregelen moet wel duidelijk zijn dat de bedrijven op die locatie ook echt een toekomst hebben. Dit zal meer waarschijnlijk zijn voor de bedrijven in de “agrarische zone” dan in de “bufferzone” dicht tegen de Veluwe aan.

5.

Hierbij kan geput worden uit eerdere studies van DLV en/of gewerkt worden aan een specifieke Noord Veluwse “landbouwmenukaart” waar ondernemers mee geholpen worden een afgewogen keuze te maken. Zie de bronnenlijst in bijlage 1. Proeftuin overgangszones: extensief en/of natuurinclusief boeren en groenblauwe dooradering Ingediend voor 1e tranche. “No regret” De proeftuin is gericht op het creëren van bufferzones rondom natuurgebieden en het creëren van zachtere overlangen tussen landbouw en natuur, en daarmee een aantrekkelijker landschap en groenblauwe dooradering. In de visiekaart voor de Noord Veluwe is er een bufferzone aangewezen waarin de overgang tussen Natuur 2000 Veluwe en het woon-werkgebied ten noordenwesten daarvan te verzachten. In dit gebied zitten nu agrarische ondernemers die weinig toekomstperspectief hebben ten aanzien van hun huidige bedrijfsvoering. Met name in de zone om de Veluwerand heen willen landgoederen en andere grondeigenaren werken aan herstel van landschapselementen (denk aan houtwallen, heggen, bomen) en natuurinclusieve landbouw. Op die manier blijft landbouw in een

60

ander jasje mogelijk, wordt een extra bufferzone gecreëerd en wordt er gewerkt aan nieuwe impulsen voor de landgoederen. Doel van de proeftuin is om met ondernemers en/of andere initiatiefnemers actief te zoeken naar meer extensief grondgebruik, meer natuurinclusief en versterken van de biodiversiteit. Bijvoorbeeld door het herstellen van landschapselementen, onderzoeken van andere pachtconstructies, biodiverse akkerranden, etc. Daarbij is het doel om enerzijds de initiatieven en kansen van onderop actief te omarmen en anderzijds te zorgen voor voldoende instrumentarium om deze omschakeling en een duurzaam beheer mogelijk te maken. Dit kan in de vorm van subsidies, maar ook in de vorm van andere pachtvormen. We willen de mogelijkheden onderzoeken van andere/nieuwe vormen van duurzame pachtconstructies en het opzetten van nieuwe landgoederen of modellen van landgoed. (zie ook paragraaf 6.2 maatregel 4 en 5)

6.

Het resultaat van de proeftuin is dat er in deze zone (op bepaalde landgoederen/locaties) een transitie is ingezet, en is er een in de praktijk getoetste werkende aanpak ontwikkeld voor soortgelijke gebiedstransities. Een effectieve aanpak die ook in andere soortgelijke gebieden de transitie kan versnellen. Zo slaan we twee vliegen in één klap. Omschakelen naar nieuwe businessmodellen (pilots) Ingediend voor 1e tranche. “No regret” Dit project omvat een aantal pilots om toekomstbestendige, (semi-)agrarische verdienmodellen voor grondgebonden en niet-grondgebonden veeteeltbedrijven te identificeren en daadwerkelijk te realiseren. Dat nieuwe verdienmodel kan zowel agrarisch als niet agrarisch zijn. Om het agrarisch karakter en de leefbaarheid van het gebied zo veel mogelijk te behouden, heeft het echter de voorkeur om waar mogelijk een agrarisch bedrijfsmodel te behouden. Dit draagt bovendien bij aan het behouden van voedselproductie in Nederland. Een belangrijke voorwaarde is daarbij wel dat zulke nieuwe agrarisch bedrijfsmodellen bijdragen aan een gezond, duurzaam en toekomstbestendig voedselsysteem.

Welke bedrijfs- en verdienmodellen zijn dit? Er zijn drie categorieën te benoemen: • Hoog-technologisch – nieuwe teelten of nieuwe wijzen van produceren, voedselverwerking of substraateelt, maar ook innovaties van “de toekomst” zoals bio-based, precisiefermentatie, microbenteelt, insectenteelt, aquaponics of in vitro-vlees; • Natuur- en consumentinclusief – hoogwaardige armegronds groente- en fruit teelt i.c.m. directe keten consument, eiwitrijke teelten, reststroom verwerking, composteren, zelfoogstuinen, wormenhouderij, agroforestry; • Diensten – ecosysteemdiensten, diensten voor mensen, veraarden, verwerken humane meststromen, educatie, zorg, advies omschakeling agrariërs; Het doel van deze maatregel is om inzicht te krijgen in de mogelijkheden, haalbaarheid en concrete vereisten (kwalitatief en kwantitatief) voor intensieve veehouders op de Noord Veluwe om om te schakelen naar een toekomstbestendig agrarisch of semi-agrarisch bedrijfsmodel. Dit, voor drie categorieën verdienmodellen. Dit wordt gedaan door een aantal pilots uit te voeren waarin een aantal bedrijven is omgeschakeld naar een toekomstbestendig, agrarisch verdienmodel en daarmee een voorbeeld zijn in het verdienmodel voor anderen, en in het proces om daar te komen.

In principe komen (groepen van) agrarische ondernemers in aanmerking voor deelname, die nieuwe wegen willen verkennen of waarvoor extensiveren of verplaatsen geen optie is. Deze 61

bedrijven werken een pilot uit om om te schakelen naar één van de categorieën nieuwe verdienmodellen. Daarbij krijgen de ondernemers de optie tot een boerenperspectief traject: ondersteuning op maat. Stoppers Het is waarschijnlijk dat een deel van de boeren in het gebied (vrijwillig) wil stoppen en daarvoor zaken wil doen met de overheid. Bijvoorbeeld als onderdeel van de piekbelastersregeling of omdat zij aan het eind van hun carrière zijn en geen opvolging hebben. 7. Strategie piekbelasters Zie beleid en instrumentarium. 8. Versneld stoppen oudere bedrijfshoofden Deze maatregel zet in op het vrijwillig, en aan de keukentafel, versneld helpen stoppen van oudere bedrijfshoofden zonder opvolger. Bedrijfshoofden van pakweg 55 jaar en ouder zonder opvolger stopt/wordt uitgekocht als zij dat willen. Keukentafelgesprekken en de inventarisatie (zie transititebegeleiding) kunnen ingezet worden voor het identificeren van geïnteresseerden en het ondersteunen van de ondernemer in het proces. Na het versneld stoppen worden de productierechten van de bedrijven uit de roulatie gehaald (opgekocht door de overheid). De gronden die daarbij vrijkomen kunnen vervolgens gebruikt worden voor de extensivering van agrarische bedrijven die wel doorgaan. Het opkopen van productierechten is een belangrijk instrument dat de provincie kan inzetten, maar is op dit moment nog in ontwikkeling.

Het is belangrijk voor zowel de directe vermindering van stikstofuitstoot, als voor het mogelijk maken van extensivering. Het is belangrijk rekening te houden met beperkte uitvoerbaarheid van het opkopen, bijvoorbeeld door capaciteitsgebrek bij de overheden of andere langlopende processen.

6.1.2. Natuurprogramma Het natuurprogramma is ingericht aan de hand van de karakteristieke geografie en waterhuishouding in het gebied: de hoge delen, de flanken met de gradiënt van hoog naar laag, en de lage delen tegen het randmeer (figuur 27). Het programma natuur moet ook bijdragen aan het onderlinge gesprek tussen waterschap, natuurorganisaties en andere belanghebbenden, over hoe de natuur, bodem en -wateragenda in concrete projecten versterkt kan worden en hoe zij daarin samenwerken.

Diversi ëren van bos, verjonging i.c.m. faunabeheer. Ontwikkelen van nieuwe natuur (NNN) Vergroten areaal bos Opslag van koolstof in hout Opslag van organische stof (koolstof) in de bodem.

Water vasthouden op de anken Drainerende werking van de beken sprengen verminderen Dynamiek in de afvoer bij hevige piekbuien dempen

Peilverhogingen na e natuur Weidevogelbeheer Ontwikkelingen naar voorbeeld van Oosterwolde Bloemkampen

Ontwikkelen programma natuurherstel S muleren ontwikkeling overgangszones landschapselementen Grondwater on rekking industrie

Figuur 27. Natuurprogramma overzicht.

62

Tabel 17. Natuurprogramma inhoudelijk.

Hoge delen - Hele programma natuur is ingediend voor 1e tranche. “No regret” Op de hogere delen van het gebied, in en rondom het N2000 gebied Veluwe zijn de maatregelen gericht op diversifiëren van bos en verjonging van bos in combinatie met faunabeheer en het verhogen van het grondwaterpeil. Deze maatregelen zijn gericht op herstel van robuust bos en instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen N2000. 1.

Bosherstel, diversifiëren, realiseren NNN en koolstofopslag Op de hoge delen (stuwwal, oeverwallen, dekzandruggen) in het gebied vraagt systeemherstel dat de neerslag niet actief afgevoerd wordt maar juist maximaal infiltreert. Maatregelen in dit gebied zijn daarop gericht. Herstel van het bestaande bos en vergroten van het bosareaal (NNN) heeft prioriteit in dit gebied. Er liggen kansen om de natuur robuuster te krijgen en droogteproblematiek aan te pakken met het diversifiëren en verjongen van het huidige bos. Faunabeheer is onderdeel van de aanpak/oplossing, zodat jonge aanplant niet direct wordt omgewoeld/aangegeten. Door natuurontwikkeling in bijvoorbeeld extra bos, landschapselementen is er meer opslag van koolstof in hout en wordt bijgedragen aan de klimaatdoelen. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling van een gezonde bodem(structuur), met meer opslag van organische stof (koolstof) in de bodem. Flanken Op de flanken van de Veluwe, waar de gradiënt van hoog naar laag het sterkst is zijn de maatregelen gericht op waterbeheer in de beeklopen. Het doel is om meer water vast te houden en de drainerende werking van beken verminderen (naar voorbeeld van de succesvolle implementaties bij de Hierdense/Leuvenumse/Staverdense beek). 2.

Landschapselementen en groenblauwe dooradering Door het toevoegen van landschapselementen zoals bomen, houtwallen of heggen en bloemrijke akkerranden wordt de biodiversiteit versterkt, het landschap aantrekkelijker en wordt ook de afspoeling van water verminderd. Op specifieke locaties kan gewerkt worden aan waterbuffers: locaties waar ruimte is om bij hevige neerslag meer water te bergen en zo langer in het gebied te houden. Zo wordt ook de groenblauwe dooradering vergroot. 3. Beeklopen/sprengen: drainerende werking en dynamiek in de afvoer verminderen Het gebied is erbij gebaat zijn als er meer water vastgehouden wordt en er meer neerslag kan infiltreren naar de diepere Veluwse grondwatervoorraad. Verschillende (cultuurhistorische) sprengen in het gebied voeren dit water af. Met maatregelen als dempen, verondiepen of afdammen van watergangen kan dit verminderd worden. Het waterschap heeft een analyse gemaakt waar de mogelijkheden liggen van het actief of passief dempen/afdammen van dergelijke watergangen om de drainerende werking te verminderen. Dat kan met behulp van meer stuwen, te verondiepen/dempen, door meer vegetatie te laten staan en door in sommige gevallen de beken/sprengen minder op te schonen. Op deze kaart zijn ook watergangen gemarkeerd waar no-regret van toepassing is.

Door de drainagebasis van beken en andere watergangen te verhogen, door het verbeteren van de bodem en inbrengen van passend substraat, zoals zand, hout en/of klei, kan het water beter worden vastgehouden en kan de dynamiek in de afvoer bij hevige piekbuien wat worden gedempt. Er is een succesvol (natuurontwikkelings) project uitgevoerd in de loop van de Leuvenumse beek, waarbij de beek meer ruimte krijgt om over te lopen en daarmee nat moerasbos ontstaat. Er liggen mogelijk kansen voor meer van dergelijke projecten. Door meer structuurvariaties binnen beekzones toe te voegen, kunnen er nieuwe, waardevolle ecosystemen ontstaan.

63

Lage delen In de lager gelegen delen van het gebied langs het randmeer: maatregelen die bijdragen aan/als doel hebben van het creëren van natte natuur, weidevogelgebied, in samenhang met de lokale agrarische gebruiksfunctie (naar voorbeeld van Bloemkampen of Polder Oosterwolde). 4. Peilverhogingen en realisatie natte natuur en weidevogelbeheer In de lagere delen is de inzet op realisatie van (meer) natte natuur. Dit moet uiteraard in samenhang met de lokale agrarische gebruiksfunctie. Voorbeelden van deze ontwikkelingen zijn Bloemkampen of Polder Oosterwolde. In Bloemkampen is gekozen voor het scheiden van de agrarische en natuurfunctie: in de natuurgebieden staat het water hoger dan in de omringende agrarische polders. Daaronder kunnen ook technische maatregelen als omgekeerde drainage. Door dit lokaal in veen te laten plaatsvinden, met voldoende afsluiting van de omgeving, kan er minder veen oxidatie plaatsvinden. Hierdoor heeft omliggend land minder effecten van de hogere grondwaterstand die nodig is om de oxidatie van veen tegen te kunnen gaan. In Oosterwolde wordt juist gezocht naar de combinatie: agrarische bedrijfsvoering in een nattere omgeving, waarbij weidevogelbeheer bijvoorbeeld onderdeel is van de bedrijfsvoering. Beide modellen kunnen op andere plekken langs de randmeerkust als voorbeeld dienen.

Gehele gebied Maatregelen die in de gehele Noord Veluwe relevant zijn 5. Proeftuin overgangszones: agrarisch natuurbeheer en groenblauwe dooradering Zie maatregel 5 - landbouwprogramma, waarbij agrariërs en/of landgoedeigenaren een rol spelen in het vitaliseren en beheren van de natuur en de groenblauwe dooradering van het landschap. 6. Verminderen industriële grondwateronttrekkingen Ingediend voor 1e tranche. “No regret” Het doel van dit project is om met de industriële partijen in het gebied afspraken te maken over hun waterverbruik (grondwateronttrekkingen en afvalwaterlozingen) en intensiever samen te werken om de grondwatervoorraad in de Noord Veluwe te verbeteren. Het doel is om de grondwateronttrekkingen vanuit deze sector te verminderen. De maatregel richt zich op het opschonen van de onttrekkings- en lozingsvergunningen met waterschap, provincie, Vitens en industriële onttrekkers. Met industriële onttrekkers worden nieuwe afspraken gemaakt over hun watergebruik. Het gaat daarbij om de hoeveelheid water (bijvoorbeeld streven naar minder liter/ kg product) en over de bron van het (liever regenwater of oppervlaktewater dan grondwater gebruiken bijvoorbeeld, of (gedeeltelijk) verplaatsen van een grondwaterwinning als dat het watersysteem helpt).

Dit sluit aan bij het Rekenkameronderzoek Oost-Nederland en de 2e aanbeveling van GS Gelderland daarop (Verdroging en grondwateronttrekkingen | Rekenkamer (rekenkameroost.nl) ), waarmee “PS [aan] GS [verzoekt] om te zorgen voor een periodieke evaluatie van bestaande vergunningen waarbij wordt bekeken of het effect van de onttrekking op de omgeving nog aanvaardbaar is dan wel de vergunning moet worden geactualiseerd. Benut daarvoor de meetgegevens over grondwaterstanden die de provincie bezit.” In het RWP, bijlage 9, heeft de provincie als actie opgenomen om in de planperiode (2021-2027) alle door de provincie afgegeven onttrekkingsvergunningen industrie te actualiseren op de actuele doelstellingen en voorschriften. De aanbeveling sluit ook goed aan op de motie 21M87 bij de vaststelling van RWP waarin wordt verzocht om inzicht te bieden in de overruimte in vergunningen en overruimte in te trekken als die ruimte drie jaar niet is benut. En daarnaast te onderzoeken of alternatieven voor grondwater beschikbaar zijn, bijvoorbeeld via de vijfjaarlijkse waterbesparingsplannen die aan de industriële onttrekkers worden gevraagd.

64

6.1.3. Lokale gebiedsprocessen In het gebied lopen op dit moment al een aantal (succesvolle) lokale gebiedsprocessen: GEUS, Vier Merken, Veenhuizerveld en Hoenwaard. Deze gebiedsprocessen zijn reeds toegelicht in sectie 2.3. In de toekomst zullen nieuwe gebiedsprocessen starten. Er zijn enkele concrete locaties die daarvoor benoemd zijn: het agrarisch gebied rondom de Schuitenbeek en in het “eendengebied” bij Harderwijk.

De Vier merken GE S Veenhuizerveld Hoenwaard Figuur 28. Lokale gebiedsprocessen overzicht.

aatregelen vanuit natuur- en landbouwprogramma Integrale benadering ijv landgoederen, natuur, landbouw, wonen, wer en, bedrijvigheid in het groen

6.2. Beleid en instrumentarium De transitie in de Noord Veluwe is omvangrijk. Dit betekent niet alleen dat van onderop initiatieven en projecten die bijdragen aan de doelstellingen omarmd moeten worden, maar ook dat transitie voldoende gefaciliteerd wordt met beleid en instrumentarium. Op dit moment ontbreekt het nog aan voldoende instrumentarium om de benodigde transitie in het buitengebied aan te jagen. Dit betekent dat de overheid aan zet om de randvoorwaarden te creëren waardoor de transitie kan slagen. Hiervoor zal gekeken moeten worden wat er vanuit de provincie en het Rijk ontwikkeld worden. Tegelijkertijd kan het ontwikkelen van instrumentarium ook voor een deel in de regio gebeuren en kan de regio (onder andere uit de uitvoering van paragraaf 6.1) concrete obstakels en hobbels agenderen die een oplossing vragen. Onder beleid en instrumentarium zijn er op dit moment vijf concrete ideeën om op korte termijn, in de regio, mee te starten. Ze staan hieronder beschreven. Uitvoering van deze ideeën kan gebeuren in losse projecten met een specifiek projectteam en/of in samenwerking met regio Food Valley en de Provincie Gelderland.

Passend instrumentarium en beleid ontbreekt, maar is essen eel. oncreet mee starten: anhaken bij piekbelastersregelingen aanvullen (grondregeling, coaching, etc.) Regionale grondbank Verruimen versnellen beleid V B ogelijk maken van nieuwe landgoederen met beleidskaders voor nieuwe businessmodellen Regelingen en kaders voor extensiveren natuurinclusievebedrijfsvoering Hoe doen we dat Projecten met projec eam In samenwerking met regio ood Valley en Provincie Figuur 29. Beleid en instrumentarium overzicht.

65

Tabel 18. Beleid en instrumentarium inhoudelijk.

Beleid en instrumentarium Passend instrumentarium en beleid ontbreekt, maar is essentieel om de transitie te kunnen maken 1.

2.

Aanhaken bij piekbelastersregeling en aanvullen Bij oplevering van dit document is de piekbelastersregeling enkele weken gepubliceerd. Het was niet mogelijk om exact na te gaan hoeveel bedrijven in de Noord Veluwe hiervoor in aanmerking komen, maar de verwachting is dat het om een groot deel van de bedrijven gaat. De komende periode moet duidelijk worden hoeveel bedrijven hiervoor interesse hebben (onderdeel van de inventarisatie, maatregel 1). Wanneer veel bedrijven hiervan gebruik gaan maken, gaat dat grote impact hebben op het gebied. De regeling is alleen van toepassing is op de bedrijven en stallen. De gronden zijn geen onderdeel van de regeling en blijven in eigendom van de ondernemer. Ook de toekomstige functie en (her) bestemming van het agrarisch bouwblok is geen onderdeel van de regeling. Wanneer meer bekend is, kan er binnen het programma landbouw Noord Veluwe nagedacht worden over een strategie en flankerend beleid voor aanpak van de piekbelasters. Doel ervan is dat de piekbelasterregeling die vooral over saneren gaat, de impact van deze regeling ook ten goede komt aan de gewenste toekomst van het gebied. Daarbij kan gedacht worden aan een regionale regeling voor de gronden, waarbij de vrijkomende ruimte dan benut kan worden voor andere maatschappelijke doelen.

Of aan het telen van duurzame bouwmaterialen, extensiveren van andere bedrijven, woningbouw, energie-opwek of natuurontwikkeling. En aan het herbestemmen van de agrarische bouwblokken (zie maatregel 3). “Regionale” grondbank Ingediend voor 1e tranche. “No regret” De maatregel is erop gericht om op redelijk korte termijn en op regionale schaal een grondbank en -fonds op te zetten. Grond speelt een cruciale factor in de transitie naar extensieve, natuurvriendelijke landbouw. Om de benodigde grondmobiliteit in de overgangszones op gang te brengen en de grond duurzaam te beheren, kan de overheid wellicht in samenwerking met private partijen de grond van stoppende boeren opkopen en in een grondbank onderbrengen. et de grond in de grondbank kan als ‘ruilgrond’ dienen om daarmee actief een vrijwillige ruilverkavelingsprojecten te starten. Vervolgens kan (een deel van) de grond uitgegeven worden tegen gunstige voorwaarden (bijvoorbeeld gereduceerd tarief) aan boeren die willen omschakelen en en/of extensiveren, als ruilgrond om bedrijven op een goede plek te krijgen. Een grondfonds kan transitiegelden vanuit de provinciale en lokale overheden bevatten en kapitaal van banken maar ook private investeerders. Met die gelden kunnen landbouwgronden van bijvoorbeeld de provincie aangekocht kunnen worden om vervolgens onder maatschappelijke voorwaarden uit te geven aan agrariërs.

Het uitgangspunt is het creëren van gronden voor voedselproductie binnen de maatschappelijke kaders en creëren van gronden om aan andere maatschappelijke opgaven te realiseren. Denk aan duurzame, lokale energieprojecten of sociale en natuurvriendelijke woningbouw. Met dergelijke maatschappelijke functies ontstaat er ook extra en nieuwe verdiencapaciteit op de gronden in de grondbank die ‘verliezen’ op bijvoorbeeld lagere (pacht)prijzen (deels) kunnen compenseren. Het gebruik van een grondfonds zou twee multiplier effecten kunnen hebben. Ten eerste, door agrariërs te faciliteren in extra grond worden agrariërs in staat gesteld om ook de rest van hun gronden duurzamer te beheren. Het grondfonds kan proactief aan de slag met duurzame gronduitgifte. Alle grond van overheden en natuurorganisaties bestemd voor agrarische productie, kan onder voorwaarden verpacht worden. Huidige pachtcontracten kunnen worden herzien, in 66

samenwerking met pachters. Overheden en eventuele private partijen sturen hierbij op ecologisch rendement naast financieel rendement. Hiermee is het effect van het grondfonds veel groter dan de gefinancierde gronden. Ten tweede, het grondfonds is zo in te richten dat stoppende agrariërs die gebruik hebben gemaakt van het grondfonds het eerste recht op koop van hun eigen gronden moeten aanbieden aan het grondfonds. Op deze manier kan het fonds op basis van dan geldende plannen en/of gebiedsopgaven besluiten welke gronden aan te kopen en weer te verkopen/verpachten binnen het fonds. Zo kunnen nog veel meer gronden duurzaam worden ingezet en kan het individueel belang van de agrariër (i.v.m. de verkoopprijs van de gronden) niet leidend worden ten opzichte van het publiek belang dat de overheid dient.

3.

4.

5.

Omdat de voorziene piekbelastersregeling vanuit het Rijk niet voorziet in de gronden, kan deze grondbank ook essentieel zijn in het duurzame beheer van de grond en het landschap indien grote aantallen boeren zich in dit gebied melden voor deze regeling. Verruimen/versnellen VAB beleid De verwachting is, dat met de stoppersregelingen veel agrarische bebouwing gaat vrijkomen. Het huidige VAB beleid gaat uit van een 1:1 benadering. De oude en nieuwe bestemming vindt plaats op dezelfde locatie. Gelet op de verwachte omvang van de vraag als de visiekaart is een meer geclusterde en regionale benadering wenselijk. Dit vraagt een aangepast VAB beleid. De doorlooptijd van een VAB aanvraag duurt enkele jaren. Het is van belang voor alle partijen om de VAB procedures te versnellen, en mogelijk te verruimen om ervoor te zorgen dat de transitie in het landelijk gebied niet vastloopt in procedures. Beleidskaders nieuwe landgoederen Het landgoedmodel kan met haar integrale karakter een voorbeeld zijn voor integrale businessmodellen. Het model past ook bij de regio, omdat er veel landgoederen van oudsher in het gebied aanwezig zijn. Doel is combinaties mogelijk te maken van meerdere functies: wonen, landbouw, landschap, natuur en/of andere maatschappelijke voorzieningen op een of meerdere huidige bestaande agrarische bedrijven gericht op een duurzame gebiedsexploitatie.

Het is nodig dat bestaand beleid het ontwikkelen van nieuwe landgoederen en nieuwe integrale bedrijfsmodellen niet onnodig in de weg zit, en dat hier nieuwe beleidskaders voor ontwikkeld worden. Dit kan gebeuren aan de hand van specifieke pilots of ontwikkelingen, bijvoorbeeld maatregel 5 en 6 van het landbouwprogramma of gebiedsprocessen. Regelingen en kaders voor extensiveren/ natuurinclusieve bedrijfsvoering Opzetten van een langjarige regionale regelingen (bijvoorbeeld subsidie- en kennisregeling) voor boeren en andere ondernemers die zich willen richten op natuuronderhoud en specifiek het herstellen van landschapselementen en groenblauwe diensten. Deze regelingen zullen vooral op provinciaal en rijksniveau opgesteld worden.

67

6.3. Manieren van samenwerken

Ini a ef bij gemeenten Programma s en gebiedsprocessen vanuit verbinding en eigenaarschap onderop , vanuit het gebied Bestuurlijk overleg met Provincie en Waterschap: agenderen, overzicht, koers, aandachtspunten Bestuurlijke afstemming met regiotafels VLGG Besluitvormingin eigengelederen mbtelijk overleg moet meer solide ingericht zijn dan nu het geval is, met kwar ermaker programmamanager is daar onderdeel van Figuur 30. Manier van samenwerken overzicht.

Er is een grote noodzaak tot uitvoering en aan de slag gaan. Gebrek aan instrumentarium of onduidelijkheid in de governance mag niet tot niets-doen leiden. De overheid kan en wil het niet alleen doen. Om de uitvoering voorspoedig te organiseren zijn goede overlegtafels belangrijk. Het programma stelt de volgende “manier van samenwerken” voor. We kiezen bewust niet voor deze term (en geen “governance”), omdat de nadruk zou moeten liggen op inhoudelijke agendering en de uitvoering. Het initiatief ligt bij de zeven gemeenten van het gebied. De programma’s en gebiedsprocessen krijgen richting van “onderop” vanuit het gebied. Op lokaal niveau wordt de verbinding gevonden en het eigenaarschap gevoeld. Van bovenaf wordt gestuurd op duidelijke kaders en doelen. Dit wordt vormgegeven in het bestuurlijk overleg van de zeven portefeuillehouders van de gemeenten. Hierbij sluiten de provincie en waterschap waar nodig aan. Het BO agendeert, houdt het overzicht, bepaalt de regionale koers en geeft aandachtspunten voor de processen en programma’s. Ook houdt het BO de afstemming met de voortgang van het VLGG en de regiotafels. De besluitvorming vindt plaats in eigen gelederen. Er is een ambtelijke kerngroep als ambtelijke tegenhanger van het BO die de beleidsdoelstellingen en specifieke uitwerking van regelingen aanjaagt.

In de eerste fase zal een kwartiermaker aan de slag kunnen met het optuigen van de programma’s en de manier van samenwerken. De kwartiermaker zorgt ervoor dat de ‘projecten’ voor beleid en instrumentarium worden opgestart en een duidelijk doel/plan hebben. Deze kwartiermaker stelt de programmagroepen voor het natuur- en landbouwprogramma samen, en daarnaast een integrale klankbordgroep. De kwartiermaker inventariseert welke nieuwe gebiedsprocessen opgetuigd moeten/kunnen worden en hoe. De kwartiermaker is een aanjager en verbinder, die vanaf 2024 het stokje overdraagt aan een programma-manager. De programmamanager is verantwoordelijk voor de start en voortgang van het programma als geheel, rapporteert aan de ambtelijke kerngroep en het BO en houdt de verbinding met de programmagroepen, de projectleiders/gebiedsmanagers van de gebiedsprocessen en zet zo nodig de integrale klankbordgroep in. Figuur 31 geeft deze structuur weer.

68

Figuur 31: Voorgestelde structuur voor de samenwerking.

69

7. Ontwikkelpad 7.1. Planning

Figuur 32. Planning overzicht ontwikkelpad.

7.1.1. Maatregelen 1e tranche transitiefonds Per 1 juli heeft de provincie Gelderland een aanvraag gedaan voor een rijksbijdrage vanuit het NPLG-transitiefonds voor “no regret” maatregelen. aatregelen worden aangevraagd in drie maatregelpakketten: Veluwe, Achterhoek-Liemers en Rivierengebied. De maatregelen bevatten concrete maatregelen voor natuurherstel en hydrologische condities Natura2000. Het gaat om maatregelen in de gehele breedte: zowel realisatie van projecten op korte termijn, als gebiedsprocessen. De nadruk ligt op water (KRW/beekdalen) en natuur (veenweide, groen blauwe dooradering, NNN). Maatregelen puur gericht op vermindering van stikstof vallen buiten de scope, maar vanzelfsprekend loopt het wel integraal mee met projecten en maatregelen voor andere doelen. Maatregelen moeten aantoonbaar bijdragen aan doelbereik van het VLGG en kunnen worden beargumenteerd als geen-spijt-maatregelen (oftewel altijd goed). Vanuit de Noord Veluwe zijn bij de provincie Gelderland 6 maatregel-templates ingediend op 2 juni. Het gaat om aanvragen voor het natuurprogramma, gebiedsprocessen, een maatregel rondom grondwateronttrekkingen, pilots voor nieuwe agrarische businessmodellen, een pilot/proeftuin voor het creëren van overgangszones en de verkenning van een regionale grondbank. In het voorgaande hoofdstuk zijn deze maatregelen beschreven.

De verwachting is dat er in het najaar van 2023 reactie komt vanuit de provincie welke (delen van de) aanvragen worden gehonoreerd en zo ja in welke vorm. De plannen moeten dan verder uitgewerkt en geconcretiseerd worden. 7.1.2. Uitvoeringskracht Voor de verdere uitvoer van de maatregelen als voorgesteld in dit programma is veel extra (ambtelijke) capaciteit nodig bij de gemeenten, provincie en waterschap. Op dit moment ontbreekt het daaraan, en in de huidige, krappe arbeidsmarkt is het geen gegeven dat die capaciteit ook ingevuld kan worden. In het najaar van 2023 wordt hiervoor een verkennend gesprek gepland met de directie van de betrokken gemeenten om hiervoor een plan te maken. Vragen die daarin centraal staan zijn: Welke extra ambtelijke capaciteit is er nodig voor het uitvoeren van deze programma? Hoe kunnen we deze extra inzet agenderen? Op welk schaalniveau is deze inzet te benutten (lokaal, subregionaal, regionaal) en hoe koppelt dit met de regioarrangementen? Inzet zal ook gebaseerd moeten worden op samenwerking en bundelen van krachten. Daarin gaat het over efficiënt samenwerken tussen de gemeenten, tussen gemeenten, waterschap en provincie en de samenwerking met stakeholders en private partijen.

70

7.2. Conclusie De opgaven voor de Noord Veluwe zijn fors. De combinatie aan opgaven voor stikstof, natuur, water, klimaat en landbouw maakt dat het zeer waarschijnlijk is dat er een grote transitie in het landelijk gebied van de Noord Veluwe zal plaatsvinden. Er moeten slimme keuzes gemaakt worden wat past en kan in de ‘smalle strook van wonen en werken’ die is ingeklemd tussen de Natura2000 gebieden. De fysieke risico’s van klimaatverandering worden steeds zichtbaarder en de grilligheid van het weer zal verergeren. Droogte is een minstens zo groot probleem voor herstel van de natuur als stikstof. Ook boeren krijgen steeds meer te maken extreem weer. Voor veel agrarische bedrijven heerst grote onzekerheid over hun toekomst. Het recent afblazen van het landbouwakkoord helpt hier niet bij. Alle bedrijven in de Noord Veluwe liggen binnen 25km vanaf het stikstofgevoelige Natura2000 gebied en het merendeel komt derhalve in aanmerking voor de regeling piekbelasters. Als veel boeren in het gebied hiervan gebruik willen maken, kan het landelijk gebied er al op korte termijn zeer anders uit komen te zien. De regio Noord Veluwe kan en wil zelf sturing blijven geven aan de toekomst van haar landelijk gebied.

De regio heeft in het verleden al andere grote transities ondergaan als gevolg van actief beleid, zoals de vestiging van niet-grondgebonden veehouderijen op de arme zandgronden, het verdwijnen van de kust met de aanleg van Flevoland en de transformatie van de defensie-kazernes. Dit is iets van alle tijden. De regio weet daarin flexibel te opereren en zich aan te passen. Dit document helpt om sturing te geven aan de transitie waar de regio nu voor staat. De huidige transitie gaat in de richting van “boeren binnen de grenzen van het systeem van bodem, water en natuur te doen en actief herstel van dat systeem”. Het perspectief (kan de boer wel een boterham hiermee verdienen?) is nu nog niet altijd zichtbaar, maar zal zich in de komende jaren met actief beleid vanuit de regio, de provincie, het Rijk en de EU ontwikkelen. Voorlopers en concrete initiatieven in het gebied zijn nodig om de nieuwe wegen te betreden en de vernieuwing zichtbaar te maken, Dit programma visualiseert de Noord Veluwe aan de hand van een zonering waar in verschillende mate ruimte is voor water, natuur en agrarische activiteiten. In een landbouw- en een natuurprogramma worden activiteiten en maatregelen benoemd om te werken aan een toekomstbestendige agrarische sector, en natuurherstelmaatregelen.

In het natuurprogramma worden maatregelen uitgewerkt die vanuit de balans tussen bodem- water en natuur werken aan systeemherstel: • Op de hoge delen en zandgronden wordt gewerkt aan het verbeteren van de infiltratie van regenwater het verhogen van het grondwaterpeil en vergroting, diversificatie en verjonging van het bos; • Op de flanken, waar de landschappelijke gradiënt van hoog naar laag het sterkst is wordt ingezet op maatregelen om het water beter vast te houden, een versterking van bufferzones tussen natuur en landbouw, en het versterken en toevoegen van landschapselementen zoals houtwallen, heggen, randen en bomen; • In de lage delen is vernatting, het verhogen van het waterpeil en het creëren van natte natuur de weg daarin een robuuster bodem-, water- en ecosysteem wordt vormgegeven. Met deze maatregelen wordt bijgedragen aan een grote variëteit aan maatschappelijke doelen, zoals natuurherstel, biodiversiteit, waterkwaliteit, klimaatadaptatie, groenblauwe dooradering etc. Wat betreft landbouw zoekt de regio naar een nieuw antwoord op de huidige route van schaalvergroting, meer intensiveren met minder boeren. Het perspectief ligt in maatwerk per bedrijf en een diversiteit van agrarische bedrijfsmodellen. De voorgestelde zoneringen geven aan welk type bedrijfsmodel kan passen op die locatie.

De regio zoekt een sector die collectief bijdraagt aan het behalen van de benoemde doelen en produceert hoogwaardig voedsel, maar teelt ook nieuwe gewassen die bijvoorbeeld belangrijk zijn 71

voor de duurzame bouwsector. De sector als geheel wordt daarvoor gewaardeerd (zowel in financiële als spreekwoordelijke zin). Individuele ondernemers kiezen op welke manier zij daaraan bijdragen, waar zij het beste in zijn, of het meest voor warmlopen. Doen zij dat met een extensieve en/of natuurinclusieve bedrijfsvoering, met inzet op voedselproductie met een lage impact per hectare en herstel van biodiversiteit? Dat past het beste in de bufferzone. Anderen willen juist werken met een intensieve, dierwaardige bedrijfsvoering, met inzet op maximale productie en minimale impact op het milieu per kilogram product. Dat past dan het beste in de agrarische zone. Biologisch, nieuwe teelten en gewassen, nieuwe vormen van het betrekken van de consument: in deze diversiteit vinden we de juiste puzzelstukjes voor de toekomst. De puzzel die nu gelegd moet gaan worden met stoppers, blijvers en nieuwe blijvers moet uiteindelijk leiden tot een vitaal sociaaleconomisch systeem binnen de grenzen van het ecosysteem. Deze visie op de smalle strook van de Noord Veluwe kan helpen om de puzzelstukjes op de juiste plek te leggen. Dit gebeurt in lokale gebiedsprocessen waarvan al enkele succesvol lopen (GEUS, Vier Merken, Veenhuizerveld en Hoenwaard), en in de toekomst nieuwe zullen starten (bijvoorbeeld rondom de Schuitenbeek en in het eendengebied bij Harderwijk).

In de gebiedsprocessen worden ook de relaties gelegd naar andere opgaven die er spelen. Energie en woningbouw (rood voor rood) kunnen bijvoorbeeld een verdienmodel bieden voor het landelijk gebied. Er is een pallet van mogelijkheden waar de stoppende of transformerende boer naar zou kunnen kijken. Het liefst gebeurt dat niet alleen bedrijfsgericht, maar ook gebiedsgericht. Het gebied kent van oudsher vele landgoederen, waarvan het model (alles gecombineerd, integraal, lokaal) als voorbeeld kan dienen of waar men van kan leren of op kan teruggrijpen. In de gebiedsprocessen wordt samen, integraal, gebiedsgericht gekeken hoe alle maatschappelijke opgaven het beste ingevuld kunnen worden. Het is duidelijk dat er instrumentarium ontbreekt om de benodigde transitie in het buitengebied aan te jagen. In het ontwikkelen van nieuw of aanvullend instrumentarium ligt wel de oplossingsrichting, maar dit zal vaak iets zijn waarin de gemeenten die dit plan hebben opgesteld, niet alleen voor aan de lat staan. Ontwikkelen van instrumentarium kan voor een deel in de regio gebeuren maar moet voornamelijk gebeuren met ondersteuning van provincie en het Rijk. In dit plan beargumenteren we waarom een grondbank en -fonds essentieel is voor de benoemde ontwikkelingen, als is het waarschijnlijk dat deze bank op een groter schaalniveau opgezet moet worden dan alleen de Noord Veluwe.

Er zit energie en ontwikkeling in het gebied. “Bottom-up” gebeurt er al veel bij natuurorganisaties, boeren en samenwerkingen daartussen. De optelsom van al die activiteiten moet uiteindelijk resulteren in de beoogde doelen. Een risico daarbij is dat deze nog niet allemaal helder genoeg zijn en dat het afhangt van wat andere regio’s gaan doen. Wanneer is het goed genoeg voor de Noord Veluwe? Er zijn bijvoorbeeld nog weinig concrete aanwijzingen dat de klimaatdoelen in 2030 behaald gaan worden in de agrarische sector. Er zal moeten gewerkt worden aan nieuwe agrarische modellen voor vermindering van broeikasgassen (methaan, lachgas en CO2) en CO2-vastlegging. De overheid zal, naast het ontwikkelen van beleid, instrumentarium, loketten etc., ook verder moeten werken aan het verscherpen en concretiseren van deze doelen. Zodat de “blijvers” en “nieuwe blijvers” in de agrarische sector nu hun bedrijfsplannen opstellen die een daadwerkelijk toekomstperspectief bieden voor henzelf en de toekomstige generaties boeren in het gebied.

72

7.3. Reflectie op het proces Het is duidelijk dat er bij de betrokken overheden (zeven gemeenten, het waterschap en de provincie) veel kennis is van het eigen gebied, en dat de materie, inclusief de gevoeligheden goed bekend zijn. Het proces van totstandkoming van dit plan heeft de samenwerking tussen de gemeenten onderling op dit thema bevorderd. Ook de betrokkenheid van de provincie bij het proces is gegroeid. Dat kan verder groeien en biedt dan ook kansen voor de vervolgstappen/ uitvoering van deze agenda. In het opstellen van dit plan blijkt dat de positionering en samenhang met andere lopende processen (met name de regiotafels, het VLGG en de ontwikkelingen vanuit het Rijk) een zoektocht is. In figuur 1 is een weergave gedaan van hoe deze gebiedsagenda samenhangt met omringende processen. Deze regionale samenwerking is op zoek naar duidelijkheid en kaders vanuit zowel het Rijk als de provincie (bijv. de regeling rondom piekbelasters, en de financiële mogelijkheden die de regio krijgt voor de uitvoering voor het landelijk gebied). In de totstandkoming van dit plan is de ambtelijke betrokkenheid goed en positief geweest. Deze betrokkenheid bestond vooral in het bijwonen van overleggen, bespreken en reageren op de stukken en het verbinden van het landelijk gebied aan het regioarrangement. Qua ambtelijke inzet was dit ook het maximaal haalbare.

Belanghebbenden uit het gebied zijn betrokken in de drie klankbordgroepen. Deelnemers hiervan hebben de koers van dit plan bijgestuurd en vormden de verbinding met het gebied. De betrokkenheid was goed en de deelnemers voldoende divers om verschillende geluiden uit het gebied te hebben gehoord. Het is waardevol om deze betrokkenheid vast te houden voor het vervolg.

73

Bijlage 1: Geraadpleegde bronnen Beleidsdocumenten • • • • • • • • •

(Concept) omgevingsvisies van de 7 gemeenten Gelderse statenbrief “Perspectief voor vitaal Gelders landelijk gebied”, november 2022 + bijlagen Gelderse statenbrief “Tussenstand en vertrekpunten Vitaal landelijk gebied Gelderland”, juni 2023 + bijlagen Kamerbrief “voortgang integrale aanpak landelijk gebied, waaronder het NPLG”, februari 2023 + bijlagen Kamerbrief over voortgang Nationaal Programma Landelijk Gebied, november 2022 + bijlagen Kamerbrief “Bodem en water sturend”, november 2022 Kamerbrief bij aanbieding startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied. Juni 2022 + bijlagen Blauwe omgevingsvisie 2050, waterschap Vallei en Veluwe Gelderse kadernota ‘Toekomst voor de Gelderse boer’, 2021

Overige documenten van de overheid • • •

Bouwsteen Water en Bodem sturend, versie 15 mei 2023, waterschap Vallei en Veluwe Gelders Programma Landelijk Gebied (GPLG) - Position paper, provincie Gelderland, december 2022 Samen slimmer en schoner - Voortgangsrapportage Gelderse Maatregelen Stikstof 2021 – 2025, provincie Gelderland, oktober 2022

Studies • • • • •

•

Plantaardige productie Gelderland, DLV-advies, juni 2023 Perspectief Gelderse Landbouw, DLV-advies, juni 2023 Sociaaleconomische Impactanalyse Agrocomplex Gelderland, Arcadis, juni 2023 Het perspectief van biologische landbouw, Wageningen Livestock Research, mei 2023 (rapport 1417) Integrale doorrekening doelen en doelbereik Gelderse deelgebieden voor landbouw op basis van indicatieve maatregelen voor stikstof, waterkwaliteit en klimaat. Wageningen Economic Research, mei 2023 Bedrijfstypologieën natuurinclusieve kringlooplandbouw provincie Utrecht, Aequator Groen & Ruimte & CLM Onderzoek & Advies, december 2022

Overig •

•

Er zijn verschillende conceptstukken, presentaties en werkdocumenten van andere processen (zoals de regiotafels, VLGG, gebiedsprocessen, concept landbouwakkoord) gebruikt om de aansluiting met dit plan te waarborgen. Denken en inspiratie is gevoed door verschillende nieuwsmedia en podcasts waaronder: Nieuwe Oogst, Boerderij, NRC, Trouw, Financieel Dagblad, de Correspondent en de Groene Amsterdammer.

74

Bijlage 2: Gesproken partijen (voorjaar 2023), overleggen en klankbordgroepen Bilaterale gesprekken Tabel 19. Bilaterale gesprekken

Wie

Organisatie (+ Functie)

Jaap Groothuis, Hans van de Noordt, Arjan Dickhof

Gemeente Nunspeet – wethouder en beleidsadviseurs

Bertus Cornelissen, Ewoud ’t Jong, Mattijs de Jongh, Simone van Vugt, Guido Wiersum

Gemeente Putten – wethouders (2) en beleidsadviseurs

Koen Castelein en Jorrit Immerzeel

Gemeente Hattem – wethouder en beleidsadviseur

Beerd Flier, Cynthia Plender en Jan Willem van Hoorn

Gemeente Oldebroek – wethouder en beleidsadviseur

Martijn Pijnenburg en Willeke van Santen

Gemeente Harderwijk – wethouder en beleidsadviseur

Ronald van Veen

Gemeente Ermelo – wethouder

Lyda Sneevliet en Foekje Ankersmit

Gemeente Elburg – wethouder en beleidsadviseur

Henk Veldhuizen en Christian Huijsing

Waterschap Vallei en Veluwe – heemraad en beleidsadviseur

Jakob Leidekker

Grondeigenaren overleg

Eddie van den Hardenberg en

Agrariër

Diana Versteeg

Agrariër

Arie van de Worp

Agrariër

Richard Nummerdor

Biologische varkensboer Ermelo

Rob Tutert

Living Lab GEUS – projectleider

Rianne Roeters

Staatsbosbeheer

Joost Pleiter

Pleiter Grondzaken en Rentmeesterij

Willianne van Boven

Rabobank

75

Klankbordgroepen Tabel 20. Klankbordgroepen

Datum

Onderwerp

16 mei 2023

Landbouw 1: uitleg over proces en doel vertrekpuntennotitie

22 mei 2023

Natuur en water: afstemming maatregelen programma natuur

8 juni 2023

Landbouw 2: afstemming maatregelen programma landbouw

13 juni 2023

Integraal (landbouw, natuur, recreatie, financieel, energie, wonen, etc.): afstemming maatregelen gebiedsprogramma

Voor de klankbordgroepen zijn specifieke mensen uit het gebied benaderd en uitgenodigd. Hierbij is een poging gedaan een goede representatie uit het gebied aan tafel te krijgen. Deelnemers namen deel op persoonlijke titel en niet als “representant van…” . De klankbordgroepen kunnen niet gezien worden als een volwaardig participatietraject.

Ambtelijke werkgroepen Tabel 21. Ambtelijke werkgroepen

Datum

Onderwerp

16 februari 2023

Start overleg gebiedsperspectief

7 april 2023

Afronden beleidsanalyse

30 mei 2023

Aanscherpen beleidsanalyse bodem en water Afstemming maatregelen en raakvlak met regioarrangementen

Bij de ambtelijke werkgroepen waren beleidsmedewerkers van de gemeenten, provincie en waterschap aanwezig (in wisselende samenstelling). Naast de ambtelijke weksessies, vond iedere maand een bestuurlijk overleg plaats.

76

Bijlage 3: Data en methoden stikstofanalyse Er zijn voor de stikstofkaarten en -tabellen verschillende datasets gebruikt voor het jaar 2020; •

I-GO -> vergunde stalemissies

•

DASH -> depositie Natura2000 gebieden

•

BRP -> gewaspercelen

•

Natura2000 habitattypen en gebieden

•

Gemeentegrenzen

Vervolgens zijn er arbitrair gekozen bufferszones (350, 750, 1500 en 2500m) gemaakt om de Natura2000 gebieden heen (met uitzondering van de Veluwe randmeren, omdat deze habitattypen niet stikstof gevoelig zijn). De stallen uit I-GO zijn ingedeeld per gemeente en per buffer. Daarna zijn de gewaspercelen uit de BRP ingedeeld per gemeente en buffer (m.u.v. natuurpercelen). Daarbij is het belangrijk om op te merken dat voor het indelen van de buffers bij percelen die in twee buffers liggen steeds voor de kleinste buffer is gekozen. Dus zelfs als maar een klein deel van een perceel in buffer 350m ligt en rest in 750m buffer dan is hij ingedeeld in de 350m buffer. Op basis hiervan is de onderstaande tabel gemaakt: Tabel 22: Overzichtstabel gemeenten per bufferzone aantal stallen, aantal ha en vergunde emissie ammoniak. Afstand Percelen tot N2000 in N2000 gebied

350m

750m

1500m

2500m

>2500m

Aantal ha

Emissie kg NH3

Aantal bedrijven

8

44,1

3265

21

114,2

25457

32

139,7

23864

32

364,0

31400

76615

35

18,0

14053

53

26,6

26844

58

64,2

37139

74

113,1

41867

Harderwijk

0,3

8

6,1

35723

12

19,1

32052

10

27,9

9657

2

60,7

1424

Hattem

11,4

6

95,5

1712

23

67,2

10015

38

147,7

14162

8

83,0

2942

Nunspeet

8,2

54

172,6

51970

14

33,5

11542

38

149,4

26945

19

177,9

27551

8

91,8

13117

Oldebroek

0,0

9

97,6

4509

16

108,6

22894

27

183,2

23114

31

291,9

24421

77

860,4

114438

Aantal ha

Emissie kg NH3

Aantal bedrijven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13739623/1