Vertrekpuntennotitie Landelijk Gebied Noord Veluwe
Tekst van het document
Doormiddel van de Werkgroep Vrijwillige Weidevogelbescherming Randmeerkust, is samen met de grondgebruikers gekeken naar maatregelen om het aantal weidevogels te stabiliseren en waar mogelijk te laten stijgen.
Figuur 10. Weidevogel gebied. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
26
3.1.7. Landschap Vanuit het NPLG ligt er een ambitie voor 10% groenblauwe dooradering (GBDA). Dit biedt mogelijkheden om de regionale landschapskwaliteit te versterken. Dit is ook een sterk instrument in het landelijk gebied voor biodiversiteit en waterkwaliteits- en klimaatopgaven. Nieuw bos en ecologische verbindingszones kunnen hieraan gekoppeld worden. Wanneer boeren een vergoeding krijgen voor aanleg en beheer van de landschapselementen, levert GBDA een bijdrage aan het agrarisch inkomen. In de achterhoek loopt een pilot van uit de provincie Gelderland hiervoor. Figuur 11 geeft diverse gebieden weer waar bestemmingsplannen in lijn moeten zijn met de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap.
Figuur 11. Bescherming landschap, nationaal landschap buiten GNN en groene ontwikkelzone en waardevol open gebied. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
3.1.8. Agrarisch natuurbeheer Het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) is per 1 januari 2016 ingevoerd. De kern van dit programma is een leefgebiedenbenadering voor (dier)soorten van internationaal belang op basis van een collectieve, gebiedsgerichte aanpak. Het ANLb gaat uit van effectief en efficiënt agrarisch natuurbeheer (meer natuurwinst), een collectieve, gebiedsgerichte aanpak en –verantwoordelijkheid. De financiering van het ANLb komt deels vanuit Europa, wat specifieke eisen stelt aan de uitvoering ervan om te voldoen aan EU-richtlijnen. Collectief Veluwe is de uitvoerder van het ANLb in o.a. regio Noord Veluwe. Boerennatuur is de overkoepelende organisatie voor alle collectieven. Collectief Veluwe is ook in toenemende mate betrokken bij diverse projecten op het gebied van natuurinclusieve landbouw.
27
3.2. Stikstof De Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) is erop gericht om met elkaar, gebiedsgericht, maatregelen uit te voeren gericht op structurele stikstofdaling. De centrale vraag is hoe de landbouw, industrie, bouw en mobiliteit kunnen verduurzamen, zodat er ruimte ontstaat voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Vanuit de vertaling van de NPLG doelen voor Gelderland volgen de volgende concrete doelen voor stikstof: • 74% stikstofgevoelige Natura2000-gebieden zit onder de kritische depositie waarde (KDW) in 2030; • 42% emissiereductie: 7,5 Kton, inclusief 25% emissiereductie per sector in Gelderland in 2025; • Extra emissiereductie is nodig voor verdere economische ontwikkeling. De Gelderse “stikstofaanpak voor de Veluwe richt zich op het robuuster maken van de natuur, balans tussen wonen en natuur, de Groene Koers bouw en circulair bouwen, het verduurzamen van industrie, zeroemissie bij bevoorrading van binnensteden in 2025, de Veluwe als wateraccu ontwikkelen, grondgebonden landbouw in verbinding met water en natuur en biodiversiteit.” In de Noord Veluwe ligt de focus op extensivering van de melkveehouderij en vervlechting van natuur en landbouw. De uitwerking mogelijke natuurmaatregelen omgeving Natura2000 gebieden betreft stikstof voor de Noord Veluwe is in detail uitgewerkt in een recent onderzoek van Tauw. 3.2.1.
Stikstofemissie Stikstofemissie moet volgens de NPLG doelen met 42% worden gereduceerd. Dit betekent 7,5 Kton, inclusief 25% emissiereductie per sector in Gelderland in 2025. Naast de generieke reductie kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te treffen voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de natuur in Natura 2000 gebieden. De stikstofdoelstellingen uit het NPLG zijn geijkt op de stikstofemissies van 20183. Om te bepalen of de stikstofreductiedoelstellingen in 2030 worden behaald en of het landelijk beleid effectief is, wordt er een onderscheid gemaakt tussen de “autonome ontwikkelingen” en nieuwe ontwikkelingen. De autonome ontwikkelingen zijn het gevolg van het huidige, al bestaande beleid. De doelstelling van 46% reductie geldt boven op de landelijke autonome ontwikkelingen. Onder autonome ontwikkelingen verstaan we de ontwikkelingen die het gevolg zijn van het huidige, bestaande beleid op energie, landbouw, klimaat, etc. Hierdoor wordt een bepaalde emissiereductie in 2030 verwacht. Deze verwachte emissiereductie is bij schrijven van deze vertrekpuntennotitie (juli 2023) nog niet bekend. In januari 2023 werd bekend dat de derogatieregeling stapsgewijs wordt verlaagd tot 2026.
De derogatieregeling is/was een verruiming van de hoeveelheid dierlijke mest die op het land uitgereden mag worden, als dat geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu. De Nitraatrichtlijn van de EU heeft tot doel om de nitraatuitspoeling uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te verminderen. Deze aanpassing heeft zeer waarschijnlijk een effect op de stikstof-emissie vanuit de landbouw. Er wordt in den lande gewerkt aan een berekening van de grootte van dit effect. Deze afschaffing valt overigens niet onder de “autonome ontwikkelingen”, en zal dus ook bijdragen aan de 42% reductiedoelstelling mits het leidt tot reductie.
3
De meest recente cijfers die op dat moment beschikbaar waren.
28
Bij het opstellen van deze vertrekpuntennotitie heeft de Provincie Gelderland nog geen ruimtelijke verdeling gemaakt van de 42% reductiedoelstelling. Daarom geldt op dit moment (juni 2023) de aanname dat de generieke doelstelling voor de reductie van stikstofemissie ook geldt voor de Noord Veluwe. Mogelijk wordt er differentiatie aangebracht in de reductiedoelen, onder de voorwaarde dat in de provincie als geheel de opgave wordt gehaald. Onderstaande figuur laat de gemeten emissie in de regio zien, opgesplitst tussen ammoniak (NH3) en Stikstofoxiden (NOx). Grofweg correspondeert de emissie van ammoniak met de veehouderijen in het gebied, en de uitstoot van stikstofoxiden met de andere sectoren: industrie, bouw en mobiliteit. De data zijn gebaseerd op DASH 2020. De totale emissie NH3 is 1.579.596 kg/jaar, hiervan is 1.388,202 kg afkomstig vanuit de landbouw (88%).
Figuur 12: Stikstof emissie op basis van DASH (2023). Links: emissie van Ammoniak (NH3). Rechts: emissie van Stikstofoxiden (NOx). Beide kaarten zijn in kg per jaar.
Daarnaast is per gemeente uitgerekend wat de emissie van ammoniak en stikstofoxiden is, en wat de percentuele bijdrage daarvan is aan het totaal (zie tabel 9). Daarbij is uitgerekend wat het equivalent stikstof is wat hoort bij deze emissie. Stikstofoxiden bevat relatief minder stikstof (N) dan ammoniak. De emissie van 1 kg NH3 staat gemiddeld genomen gelijk aan ca 0,82 kg stikstof (N). De emissie van 1 kg NOx staat gemiddeld genomen (uitgaande van gemiddeld NO2) gelijk aan 0,28 kg stikstof (N). De genoemde bedrijven hebben veelal stikstof (NH3) rechten nodig voor hun bedrijfsvoering. Onderstaand figuur laat de verdeling per gemeente zien van vergunde NH3 emissie zien naast de totaal gemeten (werkelijke) NH3 emissie. De werkelijke NH3 emissie is over alle gemeenten genomen is dus hoger dan de vergunde rechten.
29
Tabel 9: emissie van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) per gemeente, op basis van data uit DASH 2020.
Gemeente
Emissie NH3
Emissie NOx
In kg/jaar
% van het totaal In kg/jaar
% van het totaal
Elburg
183.617
11,6
232.400
12,6
Ermelo
198.756
12,6
240.525
13,0
Harderwijk
85.889
5,4
279.731
15,1
Hattem
71.882
4,6
212.947
11,5
Nunspeet
201.258
12,7
282.193
15,3
Oldebroek
305.472
19,3
305.972
16,6
Putten
532.722
33,7
294.077
15,9
Totaal
1.579.596 (waarvan 1.388.202 afkomstig uit de landbouw)
Totaal in equivalent N 1.295.000 (orde van grootte)
1.847.844
517.000
600000 500000 400000
300000 Vergunde NH3 emissie (kg/j)
200000
Totaal NH3 emissie (kg/2020)
100000 0
Figuur 13. Vergunde stikstofemissie (NH3) en totaal uitgestoten stikstofemissie (NH3) in 2020. Bronnen: Dash 2020 (NH3 emissie), Kernregistratie Dierbedrijven (vergunde NH3).
3.2.2. Stikstofdepositie Elk Natura2000 habitattype heeft een eigen “kritische depositiewaarde” (KDW): de hoeveelheid depositie van stikstof die mag neerdalen op het gebied. Wanneer de achtergronddepositie hoger is dan de KDW, kan de instandhouding van het habitattype in gevaar komen. De soortenrijkdom kan dan verlagen, of bepaalde karakteristieke soorten verdwijnen. De KDW geeft dus het risico aan op ecologische effecten. Landelijk geldt dat 74% van het oppervlak van de stikstofgevoelige habitatten in Natura 2000 gebieden geen overschrijding van de kritische depositie waarde dient te hebben in 2035 (Wnb) dan wel 2030
30
(coalitieakkoord). In de regio Noord Veluwe is de stikstofdepositie (voornamelijk) van toepassing op het Natura2000 gebied de Veluwe, hieronder lichten we de KDW per habitattype verder toe. In het Natura2000 Veluwe zijn verschillende habitat types aanwezig (zie ook sectie 3.1.1). Voor elk habitattype is bekeken in hoeverre de depositie de KDW overschrijdt. In de onderstaande tabel worden de KWD voor stikstofdepositie weergegeven voor de habitattypes in de Veluwe. Met name de habitattypen zandverstuivingen, zwakgebufferde vennen, zure vennen, droog struisgrasland, heischrale graslanden, actieve hoogvennen en oude Eikenbossen zijn zeer stikstof gevoelig. Tabel 10. Kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitattypen van de Veluwe. Gegevens op basis van PAS Gebiedsanalyse Natura2000 057 Veluwe, 2017.
H2310 H2320 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H5130 H6230 H7110B H7140A H7150 H7230 H9120 H9190 H91E0C L4030 Lg01 Lg09 Lg13 Lg14 H3140 H3150 H6430A en B
Habitattype/ Leefgebied type Veluwe
KDW ( Mol N/ha/j)
Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaiheibegroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Jeneverbesstruwelen Heischrale graslanden Actieve hoogvenen (heideveentjes) Overgangs- en trilvenen (trilvenen) Pioniervegetaties met snavelbiezen Kalkmoerassen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Vochtige alluviale bossen (beek begeleidende bossen) Droge heide Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop Droog struisgrasland Bos van arme zandgronden Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden Habitattype/ Leefgebied type Randmeren Kranswierwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Ruigten en zomen (moerasspirea en harig wilgenroosje)
1.071 1.0771 714 571 714 1.214 1.071 1.071 714 786 1.214 1.429 1.143 1.429 1.071 1.857 1.071 2.399 1.000 1.071 1.429 2400* 2400* 2400*
*alle drie deze typen in afgesloten zeearmen zijn niet/minder gevoelig
Het doel is om een gunstige staat van instandhouding van deze stikstof-gevoelige habitatten te bereiken. Dit is gevisualiseerd in figuur 14. Oppervlaktes waar geen reductie nodig is of die buiten Natura2000 habitatten valt is in dit figuur niet meegenomen.
31
Figuur 14: Overschrijding van de Kritische Depositiewaarde (KDW) in mol/jaar in Natura2000 gebied Veluwe. Gegevens op basis van data voor 2020.
De focus de komende jaren ligt op het reduceren van stikstofbelasting op alle habitattypen. De cijfers laten zien dat de benodigde afname sterk verschilt per habitattype, en daarmee dus ook per gemeente. Alle gebieden zijn in de huidige situatie voor het overgrote deel (>90%) matig overbelast, in bijvoorbeeld oude eikenbossen is een deel (+- 30%) sterk overbelast. De gemiddelde reductie is 16% over alle habitatten, 22% over de gevoelige habitatten (waar reductie nodig is) en de maximale benodigde reductie is 72%. In Ermelo ligt het meest gevoelige habitat, waardoor daar de maximaal benodigde afname het grootst is. Per gemeente is een berekening gemaakt hoeveel de totale stikstofdepositie verminderd moet worden om onder de KDW van de betreffende habitat te komen. Tabel 23 in bijlage 3 geeft het overzicht van deze analyse. 3.2.3. Ammoniakbuffergebied De provincie Gelderland hanteert ook zogenaamd “ammoniakbuffergebied”. Dit gebied omvat een zone van 250 meter rondom zeer gevoelige natuur in het Gelders natuurnetwerk waar de emissie van ammoniak niet mag toenemen bij uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderij (zie figuur 15).
32
Figuur 15: Ammoniak buffergebied van 250m rondom zeer gevoelige natuur, vastgesteld door Provinciale Staten Gelderland. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
3.2.4. Landelijke aanpak piekbelasting Met de landelijke aanpak piekbelasting wil het kabinet de stikstofneerslag in de kwetsbare natuurgebieden snel terugdringen. De aanpak is vrijwillig en richt zich landelijk op ongeveer 3000 bedrijven die de meeste stikstofneerslag veroorzaken op overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit zijn veelal agrarische bedrijven en enkele (28) industriële bedrijven. Deze bedrijven hebben verschillende mogelijkheden om de stikstofneerslag te verminderen. Agrarisch ondernemers kunnen bijvoorbeeld kiezen voor extensiveren, omschakelen, innoveren, verplaatsen of stoppen. Een bedrijf valt onder de aanpak piekbelasting wanneer het bedrijf binnen 25 kilometer van overbelaste stikstofgevoelige natuur ten minste 2500 mol stikstofdepositie per jaar veroorzaakt. Met behulp van de Aerius LBV-calculator wordt de stikstofvracht berekend. Daarbij is het gemiddeld aantal dieren in 2021 per diercategorie en huisvestingssysteem van de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV) leidend. Bedrijfslocaties die als piekbelaster worden aangemerkt komen in aanmerking voor de LBV+-regeling. 3.3. Water en bodem sturend Sinds de kamerbrief van november 2022 staat water en bodem als sturend principe centraal op de agenda van ruimtelijke ordening en inrichting.
Het doel is om een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem te behouden of herstellen, waarmee ook in de toekomst zoveel mogelijk functies gediend kunnen worden. Een belangrijk deel van de oplossing is het creëren van meer ruimte voor natuurlijke processen. Om dit te bereiken zijn de uitgangspunten in de Rijkbrief water en bodem sturend vertaald naar een Gelders provinciaal handelingsperspectief Water en Bodem Sturend.
33
Daarin staan de volgende principes: • •
•
•
•
Ruimte voor water, te weten: de rivieren, rivierwater binnendijks, toekomstige dijkversterkingen en water in regionale systemen. Voldoende water: veerkrachtige watersystemen, ruimte voor waterberging en water vasthouden (ook in de bodem), hogere grondwaterpeilen rond natuurgebieden, voldoende drinkwaterbronnen en waterbesparing. Schoon water en schone bodem: water- en bodemkwaliteit op orde, bronnen van verontreinigingen worden aangepakt, voorkom lozingen van schadelijke stoffen uit industrie en RWZI, beperk gebruik van nutriënten en bestrijdingsmiddelen Vitale en efficiënt geordende bodem; regie op de ondergrond, behoud bodems die waardevolle functie vervullen; zoals het produceren van groen, infiltreren van water en bijdragen aan biodiversiteit, duurzaam bodembeheer, verminder verstoring van de bodem en zet in op hergebruik, prioriteit aan preventie en sanering bodemverontreiniging, afdekking van de bodem tegengaan Een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving.
Water en bodem worden sturend in het oplossen van andere opgaven. Ze zijn “conditionerend” voor het landgebruik. De draagkracht van het lokale water- en bodemsysteem bepaalt welke functies daar mogelijk zijn. Waar gebruiksfuncties daarmee conflicteren, moet gezocht worden naar een aanpassing of beëindiging van die functie. 3.3.1. Bodem en watersysteem Waterschap Vallei en Veluwe benoemt dat het bodem- en watersysteem tegen de grenzen aanloopt van maakbaarheid en betaalbaarheid. In het veranderende klimaat ontstaan vaker lange perioden van droogte en hevige neerslagpieken, en toenemende onbalans tussen neerslagoverschot in winterhalfjaar en neerslagtekort in zomerhalfjaar. Dit vermindert de waterbeschikbaarheid fors en kan de waterkwaliteit negatief beïnvloeden. Dat vraagt om een nieuw evenwicht in de wijze waarop wij met te veel en te weinig water omgaan om naar de toekomst weerbaarder te zijn voor (nog) extremere situaties.
Het systeem werkt op dit moment onvoldoende als het gaat om: • De infiltratie op flanken en door tragere afvoer het water langer beschikbaar te houden voor de lage delen (kwel en basisafvoer); • De sponswerking, het beperken van afvoer en het dempen van de snelle afvoer van • Het oppervlaktewater op de flanken van ons gebied; • Bergen van piekafvoer in benedenstroomse delen; • Het benutten van gebiedseigen water afkomstig van neerslag of kwel • De afspoeling van vervuilende stoffen en nutriënten in het oppervlaktewater; • Het zelfreinigend vermogen en variatie van watersystemen voor schoon water en behoud biodiversiteit; • Beperken van de uitstoot van broeikasgassen uit het bodem- en watersysteem; • Laag houden van de temperatuur van het oppervlaktewater; • Voldoende ruimte voor natuur langs beekdalen. De Veluwe is grotendeels bosrijk natuurlandschap waar neerslag kan infiltreren. Er zijn daar weinig watergangen en vrijwel alles infiltreert. Tegelijkertijd verdwijnt er veel water door sterke verdamping (in de zomer). Op deze plekken dit het grondwater vaak te diep voor de begroeiing en bomen. Zij zijn afhankelijk van hangwater. De Hierdense Beek verzamelt het regenwater en voert dit af naar de randmeren. De afgelopen jaren zijn veel maatregelen getroffen om deze afvoer te vertragen en dat werkt goed. Andere 34
waterlopen in de flank en de lage gronden worden gevoed door kwelwater dat hier uittreedt. Na de aanleg van Flevoland is dit gebied droger geworden doordat een groot deel van het kwelwater onder de randmeren door naar de Flevopolder stroomt en wordt weggepompt. Sinds de aanleg van de Flevopolders is het grondwaterniveau zeker een meter gedaald. 3.3.2. Bodem Het watersysteem begint bij de bodem. Neerslag valt op de bodem. Een gezonde bodem met voldoende organisch stof, voldoende porositeit en een rijk bodemleven is in staat veel water op te nemen, te zuiveren, vast te houden en door te laten. De sponswerking kan zorgen voor het verminderen van af- en uitspoeling, aanvulling van (dieper) grondwater en minder gevoeligheid voor droogte. Op veel plekken is de bodem verdicht, verstoord, verzuurd, verdroogt of vervuild en is er onvoldoende aanwezigheid van organische stof in de bodem. Het beleid is gericht op een bodem met goede sponswerking voor het vasthouden van water en om aanwezige voedingsstoffen goed te kunnen benutten. Daarbij hoort ook een gezond bodemleven. Door de bodemstructuur te verbeteren kan ook gebiedseigen water beter worden vastgehouden en worden benut. Hierbij is het van belang om rekening te houden met bodemtypen (figuur 16) en grondsoorten (figuur 17).
In de veenpolders bij Oosterwolde en Oldebroek is sprake van bodemdaling en daarmee gepaard gaande CO2 emissie (zie sectie Klimaat).
Figuur 16: Bodemtypen. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
35
Figuur 175: Grondsoorten. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
3.3.3. Oppervlaktewater Voor het oppervlakte water is het doel om een passend watersysteem te ontwikkelen bij zowel veel als weinig water in plaats en tijd. Het water is schoon en er is gezond waterleven. De ontwateringsbasis van het oppervlaktesysteem volgt het natuurlijke regime van de grondwatertrappen. Figuur 18 geeft een overzicht van verschillende typen water in de Noord Veluwe. De knelpunten in het oppervlaktewater zitten met name in: • In de bovenlopen vindt een te snelle afvoer plaats (oppervlakkig of via de bodem). Hierdoor ontstaan in natte tijden hoge piekafvoeren en in droge tijden ontstaat sneller een watertekort; • In de benedenlopen is onvoldoende overstromingsruimte4; • Het oppervlaktewater bereikt een te hoge temperatuur (met name de ondiepe randmeren) en nutrientengehaltes zijn te hoog; • Het watersysteem heeft onvoldoende zelfreinigend vermogen. Dit is met name nodig om het watersysteem robuuster te krijgen voor uitstroom van stikstof vanaf het land; • De ecologische waarde en biodiversiteit in en om het water is onvoldoende; • Er is een te diepe ontwateringsbasis.
4 Voor een deel van de Hierdense beek zijn er al maatregelen genomen en is er overstromingsruimte in het omringende
bos.
36
Figuur 18: Waterkaart Noord Veluwe. Bron: BOVI 2050.
3.3.4. Waterkwaliteit: Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. In 2027 moeten de doelstellingen behaald zijn. De waterlichamen (tabel 11 en figuur 19) worden in de KRW beoordeeld op: • Fysisch-chemische doelstellingen • Ecologische doelstellingen, te weten: biologie, algen, macrofauna, vissen en waterplanten • Doelstellingen op aanwezige “specifiek verontreinigende stoffen”. Tabel 11: KRW lichamen in het gebied (bron).
Naam
Code
Type
Wiel
WL_23584
M3) Gebufferde (regionale) kanalen
Arkervaart
WL_24861
M7B) Grote diepe kanalen met scheepvaart
Schuitenbeek
WL_96
R5) Langzaam stromende middenloop/benedenloop op zand
Hierdensebeek
WL_2274
R5) Langzaam stromende middenloop/benedenloop op zand
Puttenerbeek
WL_1560
M3) Gebufferde (regionale) kanalen
Polder Oosterwolde
WL_172
M3) Gebufferde (regionale) kanalen
Randmeren Oost
NL92_RANDMEREN_OOST
M14) Middelgrote gebufferde zoete plassen
37
Figuur 69: KRW waterlichamen in het gebied (blauw). Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
De Hierdensebeek en Puttenerbeek zijn beide “goed” beoordeeld op fysisch-chemische criteria en ecologische criteria. De overige waterlichamen zijn van matig of goed beoordeeld voor deze criteria. Wat betreft “specifiek verontreinigende stoffen” voldoet geen van de waterlichamen in het gebied. Een kanttekening hierbij; de maatlat was vrij laag en er worden nu gesprekken gevoerd om de term 'boven normatief' te hanteren. De ecologische potentie is namelijk veel groter. Tabel 12: KRW beoordeling 2021 (bron).
Naam
Fysisch-chemische kwaliteit
Aantal “specifiek verontreinigende stoffen” dat niet voldoet.
Biologie
Macrofauna
Vissen
Waterplanten
Wiel
Matig
5-6
Matig
Goed
Matig
Goed
Arkervaart
Matig
5-6
Goed
Goed
Goed
Goed
Schuitenbeek
Matig/goed
5-6
Matig
Matig/Goed
Goed
Matig
Hierdensebeek
Goed
3-4
Goed
Goed
Goed
Goed
Puttenerbeek
Goed
3-4
Goed
Goed
Goed
Goed
Polder Oosterwolde
Matig
5-6
Goed
Goed
Goed
Goed
38
Het waterschap verwacht dat de voorgenomen maatregelen uit de stroomgebiedsplannen en de sinds maart 2023 verplichte bufferstroken langs watergangen een gunstig effect hebben op de nutriëntenbelasting van het oppervlakte water. Het doelbereik voor (biologische) indicatoren die gevoelig zijn voor droogval, (hoge) temperatuur, gebrek aan stroming en hoge afvoerdynamiek is onzeker door de te verwachte langere periodes van droogte. De waterkwaliteit van de randmeren5 gaat in de goede richting (zie tabel 12). De gehalten aan nutriënten laten een gestage verbetering zien als gevolg van de jarenlange inspanning om emissies te verminderen. In vrijwel alle waterlichamen van het IJsselmeergebied komen nog lichte overschrijdingen voor. Van alle waterlichamen van het IJsselmeergebied, hebben de oostelijke randmeren de beste waterkwaliteit. Het doelbereik van de KRW is voor zowel de biologische als de fysisch-chemische kwaliteiten redelijk zeker tot vrijwel zeker, mits de inspanningen van de afgelopen jaren worden voortgezet. Op specifiek verontreinigende stoffen en chemie voldoet de waterkwaliteit niet. 3.3.5. Grondwater Een belangrijke opgave is het vergroten en op peil houden van voorraad grondwater. De hogere zandgebieden zijn de plek waar regenwater infiltreert (vooral in het winterseizoen, omdat de verdamping dan veel kleiner is) en het grondwatersysteem aanvult.
De grondwaterstanden in het gebied zakken echter door o.a. verhoogde verdamping, grondwateronttrekkingen en aanleg Flevopolders. Kwelwater stroomt onder de randmeren door naar de Flevopolder. In het gebied komt kwel naar boven in de uitloop van de Hierdense Beek, vanwege en relatief ondiepe kleilaag. De aanwezige watergangen hebben een drainerende werking. Grondwateronttrekkingen hebben ook een flinke impact op het grondwaterniveau. Bovendien is er onvoldoende aanvulling van het grondwater op het Veluwemassief door een hogere verdamping in een warmer klimaat met een langer groeiseizoen. Ook zwaardere naaldbossen (vooral sparren) hebben een hogere verdamping door een veel hogere interceptieverdamping in de winter. Waterschap Vallei en Veluwe werkt toe naar een natuurlijker regime van (ondiepe) grondwatertrappen. Daarnaast speelt de opgave om de huidige grondwaterkwaliteit (fysisch en chemisch) te behouden; zie sectie waterkwaliteit. De provincie Gelderland wil werken aan het evalueren en opschonen van de onttrekkingsvergunningen.
Op basis van het Rekenkameronderzoek Oost-Nederland en de 2e aanbeveling van GS Gelderland6, “[verzoekt] PS [aan] GS om te zorgen voor een periodieke evaluatie van bestaande vergunningen waarbij wordt bekeken of het effect van de onttrekking op de omgeving nog aanvaardbaar is dan wel de vergunning moet worden geactualiseerd.” In het RWP, bijlage 9, heeft de provincie als actie opgenomen om in de planperiode (2021-2027) alle door de provincie afgegeven onttrekkingsvergunningen industrie te actualiseren op de actuele doelstellingen en voorschriften. In motie 21M87 bij de vaststelling van RWP wordt verzocht om inzicht te bieden in de overruimte in vergunningen en overruimte in te trekken als die ruimte drie jaar niet is benut. En daarnaast te onderzoeken of alternatieven voor grondwater beschikbaar zijn, bijvoorbeeld via de vijfjaarlijkse waterbesparingsplannen die aan de industriële onttrekkers worden gevraagd.
5 Informatie via de Factsheets KRW: https://waterkwaliteitsportaal.overheidsbestanden.nl/factsheets/Factsheets%202022%20December/Oppervlak-
tewater/factsheet_OW_80_Ministerie_van_Infrastructuur_en_Waterstaat_Rijkswaterstaat_2023-02-23.pdf 6 Verdroging en grondwateronttrekkingen | Rekenkamer (rekenkameroost.nl)
39
In de Achterhoek wordt als doelstelling gewerkt met 100 mm extra grondwatervoorraad. Voor de regio Noord Veluwe zijn nog geen specifieke doelen gesteld voor het aanvullen van de voorraad grondwater, maar de Achterhoek kan daarin als voorbeeld dienen. 3.3.6. Drinkwater In het gebied zijn vijf grondwaterbeschermingsgebieden met locaties waar drinkwater wordt gewonnen. Ook bevindt zich tussen Wezep, ’t Harde en Elburg een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied (figuur 20). De toenemende drinkwatervraag, in combinatie met toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering vraagt om een optimaal gebruik van schoon drinkwater. Onderzoek naar alternatieve bronnen om onttrekkingen te verminderen is nodig.
Figuur 20: Waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
3.4. Klimaat Het Gelderse Klimaatplan 2021–2030 en het nationale klimaatakkoord stellen de volgende doelen: • 55% minder uitstoot broeikasgassen in 2030 t.o.v. 1990 • De broeikasgasuitstoot van landbouw en landgebruik moet ten opzichte van 2017 met minimaal 1,9 Mton CO2-eq worden verminderd in Gelderland en klimaatneutraal zijn in 2050; Het Gelders Klimaatplan 2021-2030 maakt een vertaling van de provinciale opgave emissiereductie voor de veehouderij (CH4) en de glastuinbouw (CO2). De klimaatopgave voor de industrie is onderdeel van de opgave energietransitie. Uit een recente studie van de WUR7 blijkt dat de klimaatdoelstellingen voor het
7 E. Gies et al., mei 2023
40
landelijk gebied (met name reductie van methaan- en lachgas) onder de doorgerekende scenario’s van maatregelen nergens Gelderland gehaald zullen worden. Als klimaatverandering niet wordt getemperd, dan heeft dat ook invloed op natuurbehoud doelstellingen bijvoorbeeld slinkende habitatten door droogte en oprukkende klimaatzones met invasieve exoten. Om de energietransitie te doen slagen is aanleg van nieuwe infrastructuur nodig, zoals zonnevelden, windmolens en verzwaring van het elektriciteitsnet. Dergelijke ontwikkelingen hebben stikstofruimte nodig, en door de huidige impasse ontstaat daardoor een extra risico voor het verduurzamen van andere sectoren en de voortgang van de energietransitie. In de veengebieden van de Noord Veluwe vindt bodemdaling plaats door oxidatie van veen. Hier ligt, als gevolg daarvan, een opgave voor het beperken van de CO2-uitstoot en bodemdaling van het veengebied. Figuur 21 geeft een indicatie in welke gebieden dit plaats vindt.
Figuur 21: Veengebieden. Gegevens op basis van de Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023).
3.5. Landbouw De Gelderse kadernota ‘Toekomst voor de Gelderse boer’ van de provincie Gelderland en Nationaal Strategisch Plan (2023-2027) en Statenbrief ‘Tussenstand en vertrekpunten Vitaal landelijk gebied Gelderland’ spreken van een transitie naar een rendabele, klimaatneutrale, circulaire landbouw in 2050. Een boer als landschapsbeheerder, producent van voedsel met gesloten kringlopen. Boer zijn is een beroep met aanzien en verdienvermogen, dat ook jonge mensen perspectief biedt en positief bijdraagt aan mens, maatschappij en natuurlijke systemen. In de landbouw gaan economie en ecologie hand in hand. Oftewel: natuurinclusieve landbouw is een gangbaar verdienmodel voor de agrarische ondernemer. 41
Stikstof is op dit moment een aanjager van veranderingen in de landbouwsector. Maar ook de doelstellingen op een klimaatneutrale, circulaire landbouw hebben gevolgen voor de sector op de iets langere termijn. Daarbij is de wens dat er ruimte is en blijft voor ontwikkeling van familiebedrijven, sterke verkaveling, efficiënte kavelruil. De agrarische bedrijven dragen niet alleen bij aan een gezondere leefomgeving, zij zijn ook de producent van gezond, veilig en hoogwaardig voedsel. De vraag (vanuit de consument) om duurzaam geproduceerd voedsel waar de boer een boterham mee kan verdienen moet mee in transitie. Hiervoor is een versterkte verbinding tussen stad en land, tussen consument en producent, in kortere ketens nodig. Voor het behalen van de klimaatdoelen (2050) is een reductie nodig in broeikasgassen, maar ook ontwikkelingen die zich richten op energieneutrale bedrijfsvoering (bijv. met het creëren van energielandschappen). De agrarische sector draagt met eigen maatregelen tegen droogte en extreme neerslag (als gevolg van klimaatverandering) bij aan een robuust watersysteem. Er is een efficiëntieslag en een transitie nodig in het circulair benutten van mineralen, zoet water en vervangen van chemische bestrijdingsmiddelen door biologische. Kringlopen sluiten zich zoveel mogelijk op bedrijfs- of lokaal niveau met zo min mogelijk emissie naar het milieu.
Daarnaast krijgen gezonde landbouwbodems aandacht. Het streven is dat organische stof wordt opgebouwd in de bodem. Een doel is dat veehouderijen minder afhankelijk worden van buitenlandse veevoergrondstoffen (zoals soja), maar voor het grootste deel gebruik maakt van binnenlandse grondstoffen, waaronder reststoffen uit de voedingsindustrie. Hier hangt een minimale input van kunstmest en krachtvoer om de opbrengsten te realiseren mee samen. Daarbij past een meer grondgebonden landbouw. De provincie stimuleert ontwikkelingen naar een landbouw waarbij de economische, ecologische en maatschappelijke belangen in balans zijn. De provincie ziet natuurinclusieve en/of kringlooplandbouw conform de Kadernota Agrifood 2021-2030 als passend sociaaleconomisch toekomstperspectief voor de land- en Tuinbouw. Dichtbij kwetsbare natuur (Vogel en Habitatrichtlijn) en wateren (Kaderrichtlijn Water) betekent dat: • Voor grondgebonden bedrijven: emissiereductie en een gesloten kringloop van voer en mest op ‘eigen’ grond, weidegang en natuurinclusieve bedrijfsvoering met ruimte voor extra verdienmodellen; • Voor niet-grondgebonden bedrijven: een gegarandeerde emissiereductie voor de hele bedrijfsvoering (van voer, stal, mest en management), circulair voer, mestverwaarding en ruimte voor extra verdienmodellen.
Voor de overige gebieden in Gelderland betekent dat generieke inzet op emissiereductie en een bedrijfsvoering die in balans is met de eisen van de leefomgeving. Hoe deze transitie precies vorm gaat krijgen is nu nog onduidelijk. De maatregelen zijn verschillend mede afhankelijk van het type bedrijf, en -met betrekking tot stikstof- tot de afstand tot stikstofgevoelige natuur. Perspectief voor de landbouw is nodig. Op dit moment loopt er een onderzoek naar de autonome ontwikkelingen in de landbouw in relatie tot de opgaven voor stikstof, water en klimaat. De resultaten vormen een bouwsteen voor het VLGG evenals de afspraken die worden gemaakt in het nationaal Landbouwakkoord. Het rijk streeft naar 15% biologische landbouw in 2030 met het actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie’. Dat betekent een stijging van 80.000 naar 300.000 hectare biologisch landbouwareaal. Er is 26 miljoen euro beschikbaar uit het transitiefonds om in samenwerking met de sector en ketenpartijen de biologische productie en consumptie fors te laten toenemen.
42
Tegelijkertijd werkt de provincie aan allerlei instrumentaria om de transitie mogelijk te maken: • Instrumentenkoffer voor bedrijfsbegeleiding, verduurzaming, innovatie, kennisontwikkeling, verdienmodel; • Langjarige beheer afspraken over natuurinclusieve landbouw, extra grondinstrumenten; • Nieuw Europese landbouwbeleid met extra groene eisen zoals bufferstroken, gewasrotatie, eco-regelingen; • Pilot Groenblauwe diensten; • Landschapsfonds. In juni 2023 zijn verschillende studies verschenen vanuit Wageningen Universiteit, DLV advies en Arcadis met specifiekere doorrekeningen van de impact van voornoemde beleidsdoelen op de agrarische bedrijfsdoelen, de toekomst van de Gelderse boer en het sociaal -economische perspectief. Zie de bronnenlijst in bijlage 1 voor een verwijzing daarnaar.
43
4. Kansen en spanningen Met het oog op de toekomst zijn er allerlei plannen in de regio die ruimte vragen. Naast de doelen als benoemd in voorgaande hoofdstuk die een ruimtevraag hebben, zoals ruimte voor extensiveren van agrarische bedrijven, nieuwe natuur en ruimte voor water(berging), is er een ruimtevraag voor woningbouw (12.740 nieuwe woningen in het gebied tot 2030) en de aanleg van infrastructuur voor de energietransitie (windmolen- en zonneparken, en bijbehorende netverzwaringen). Dit hoofdstuk begint met een kwantitatieve analyse van de ammoniakopgave en benoemt daarna de kansen en spanningen die ontstaan als we alle beleidsdoelen op elkaar stapelen. 4.1. Analyse van de ammoniakopgave Voor de Noord Veluwe is een analyse gemaakt van de beschikbare ruimte en hebben we in kaart gebracht hoeveel hectaren er op dit moment in gebruik zijn voor landbouw, natuur, wonen, bedrijvigheid, infrastructuur en overig. Daarnaast zijn er verschillende mogelijke ontwikkelingen doorgerekend en is in kaart gebracht welke ruimte (aantal hectares, en hoeveelheid stikstof) er vrij komt bij deze ontwikkeling. Merk op dat: • • •
Het om theoretische ontwikkelingen gaan, en in werkelijkheid niet zo ongenuanceerd doorgevoerd zullen worden Het is expliciet te bedoeling om een gevoel te krijgen bij de “orde van grootte” van de ontwikkeling Er zijn in sommige gevallen flinke aannames gedaan in de analyse, om tot een globaal eindoordeel te komen. Deze aannames zijn verder toegelicht in bijlage 3.
De volgende mogelijke ontwikkelingen zijn doorgerekend: 1. Berekening 1: Stoppers van oudere bedrijfshoofden 2. Berekening 2: 42% reductie in ammoniakemissie 3. Berekening 3: Extensivering of stoppen in bepaalde zoneringen 4.1.1. Berekening 1: Stoppers van oudere bedrijfshoofden Voor deze theoretische ontwikkeling is berekend hoeveel ruimte (hectaren en stikstof-rechten) er vrijkomt als alle bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar en ouder zonder opvolger, zou stoppen en de productierechten niet vrijkomt voor anderen. De resultaten staan in onderstaande tabellen. Data komt vanuit CBS uit de landbouwtelling, 2020. Als onderstaande bedrijven allen versneld stoppen, geeft een grove berekening aan dat ze ongeveer €163 miljoen aan standaardopbrengsten representeren. Dit beslaat dan 28% van de opbrengsten uit de landbouw in het gebied. Hierbij is dezelfde methode gehanteerd als de berekening voor de totale agrarische sector in de Noord Veluwe (tabel 1 in 2.1.1). Merk op dat deze omzet hoeft niet noodzakelijkerwijs weg te vallen als ondernemers omschakelen van bedrijfstype, een andere economische bedrijvigheid hiervoor in de plaats komt en/of meerwaarde voor de maatschappij op een andere manier wordt gecreëerd.
44
Tabel 13: Per gemeente aantal bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar en ouder zonder opvolger en het oppervlak landbouwgrond dat zij vertegenwoordigen. Data vanuit CBS uit de landbouwtelling, 2020.
Totaal aantal agrarische bedrijven
Aantal agrarische bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar of ouder zonder bedrijfsopvolger
Percentage agrarische bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar of ouder zonder bedrijfsopvolger
Aantal bedrijven
Oppervlakte (hectare)
Aantal bedrijven
Oppervlakte (hectare)
Percentage bedrijven
Elburg
99
2413
42
588
42,4
24,4
Ermelo
82
1308
23
290
28,0
22,1
Harderwijk
27
392
11
154
40,7
39,3
Hattem
28
940
12
229
42,9
24,4
Nunspeet
101
2166
37
445
36,6
20,6
Oldebroek
160
4094
54
886
33,8
21,6
Putten
212
4092
58
736
27,4
18,0
Totaal
709
15405
237
3328
36,0
24,3
Gemeente
Percentage oppervlakte
Tabel 14: Het opkopen van agrarische bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 jaar of ouder zonder bedrijfsopvolger (zie voorgaande tabel) en de ammoniak reductie in kg en percentage ten opzichte van de totale landbouw uitstoot NH3 in de gemeente
Gemeente
Emissie NH3 uit de landbouw (709 bedrijven)
Berekende emissie NH3 opkopen van productierechten (237 bedrijven)
Kg
Kg
Procentueel
Elburg
156.477
57.369
37
Ermelo
174.844
51.807
30
Harderwijk
53.038
16.031
30
Hattem
53.401
18.728
35
Nunspeet
170.151
62.376
37
Oldebroek
278.690
91.958
33
Putten
501.601
140.313
28
Totaal
1.388.202
438.582
32
45
4.1.2. Berekening 2: 42% reductie in ammoniakemissie Voor deze theoretische ontwikkeling is berekend hoeveel bedrijven er zouden moeten stoppen, als het doel 42% ammoniakreductie behaald moet worden zonder andere maatregelen te nemen. De stikstofreductiedoelstelling is 583.044 kg NH3 reductie (42 % van 1.388.202 kg NH3). Als we uitgaan van uitkoop van de grootste uitstotende bedrijven kan dit doel bereikt worden met het stoppen van 114 bedrijven in het gebied met de grootste stikstofuitstoot. Dit is 13% van het totale aantal bedrijven. Een eerste grove analyse laat zien dat voor piekbelasters geldt dat zij in het gebied €88 miljoen aan standaardopbrengsten representeren gebaseerd op de totale som van dieren8. Dit is 15% van de agrarische opbrengsten. Wanneer we niet uitgaan van de grootste uitstoters, maar van een combinatie van “autonome ontwikkelingen” (oudere stoppers) en grotere uitstoters kunnen andere combinaties van stoppers bedacht worden. Hiervoor zijn vele andere combinaties van gemiddelde bedrijven uit te voeren. De gemiddelden in uitstoot per sector per gemeente zijn zeer variabel. 4.1.3.
Berekening 3: Extensivering of stoppen in bepaalde zoneringen In deze ontwikkeling ligt de focus op de vraag: waar zijn kansen voor de landbouw, en waar lijkt het meer op slot te zitten? Er is daartoe een “orde van grootte” inschatting gemaakt van het aantal bedrijven (en hun omvang in hectaren en vergunde stikstofruimte) in bepaalde zoneringen vanaf het Natura2000 gebied. Per zone kan er gedacht worden aan andere maatregelen, en daarom is er wel gekozen om een zoneringen-aanpak door te rekenen. Bijvoorbeeld: 4. In de zone direct aan het Natura2000 gebied zullen maatregelen vooral gericht zijn op stoppen/verplaatsen van de bedrijfsvoering; 5. In de zone verder weg kunnen maatregelen vooral gericht zijn op bedrijfstechnische ontwikkelingen om emissie te reduceren. Uiteraard zijn hierbij nuanceringen van toepassing, zoals rekening houden met de kans dat uitstoot van een bedrijf terecht komt in een Natura2000 gebied. Verdere uitleg over de gedachte achter de zoneringen staat in hoofdstuk 6. De zoneringen zijn voor deze berekening arbitrair gekozen (350, 750, 1500, 2500m). De exacte afstanden die hier gekozen zijn, zijn nietrepresentatief en ook niet gebaseerd op een beleidskeuze. De kaart van figuur 22 en tabel 15 horen bij elkaar. Merk op dat hierbij alleen een zonering is aangegeven rondom Natura2000 - de Veluwe.
De randmeren in het westen van het gebied zijn ook Natura2000, maar de habitat typen op de Veluwe veel stikstof gevoeliger zijn dan de randmeren. Als we beide zoneringen aangeven verliezen we het overzicht welke bedrijven in welke zone liggen van welk n2000 gebied en daarom is voor deze analyse gekozen om alleen te kijken naar de Veluwe. Uiteindelijk moet er gerichter worden gekeken naar het totaalplaatje van positie van (agrarische) bedrijven en depositie op zowel Veluwe als Randmeren. Deze analyse geeft antwoord op te vraag: om hoeveel bedrijven gaat het per gemeente in welke zone? Het aantal bedrijven in ha en emissie NH3 op basis van vergunningen.
8
Het totale aantal dieren is gebaseerd op vergunde ruimte – in realiteit ligt dit dus waarschijnlijk lager.
46
Figuur 22: kaart met locaties van stallen met vergunde emissie NH3 (kg/j) en de afstand van deze stallen tot Natura2000 gebied de Veluwe in arbitrair gekozen zoneringen van 350, 750, 1500 en 2500m.
Tabel 15: Overzicht van aantallen stallen in de zoneringen als weergegeven in bovenstaande kaart. Merk op dat het aantal stallen het totaal aantal bedrijven in de regio overschrijdt.
Percelen in Natura2000 Gemeente
Aantal ha
350m
750m
Aantal stallen
Aantal ha
Emissie kg NH3 (I-GO)
Aantal stallen
Aantal ha
Emissie kg NH3 (I-GO)
Elburg
16.2
9
55.5
9935
8
44.1
3265
Ermelo
59.3
124
107.4
76615
35
18.0
14053
Harderwijk
0.3
8
6.1
35723
12
19.1
32052
Hattem
11.4
6
95.5
1712
23
67.2
10015
Nunspeet
8.2
54
172.6
51970
14
33.5
11542
Oldebroek
0.0
9
97.6
4509
16
108.6
22894
Putten
12.2
10
39.4
10179
24
42.7
16376
Totaal
107.6
220
574.1
190.643
132
333.2
110.196
47
1500m
2500m
>2500m
Gemeente
Aantal stallen
Aantal ha
Emissie kg NH3 (I-GO)
Aantal stallen
Aantal ha
Emissie kg NH3 (I-GO)
Aantal stallen
Aantal ha
Emissie kg NH3 (I-GO)
Elburg Ermelo
21 53
114.2 26.6
25457 26844
32 58
139.7 64.2
23864 37139
32 74
364.0 113.1
31400 41867
Harderwijk Hattem
10
27.9
9657
2
60.7
1424
24.1
38
147.7
14162
8
83.0
2942
0.0
Nunspeet Oldebroek Putten
38 27
149.4 183.2
26945 23114
19 31
177.9 291.9
27551 24421
8 77
91.8 860.4
13117 114438
83
119.0
61639
129
159.4
134286
304
774.1
261718
Totaal
270
767.9
187.818
279
976.7
251.628
495
2227.5
462.540
(Vervolg tabel 15)
4.2. Kansen en spanningen op de doelen 4.2.1. Klimaat, water, natuur en biodiversiteit De stikstofcrisis in de natuur is een van de belangrijkste aanjagers voor het beleid in het landelijk gebied. De Veluwe is één van de meest bekende Natura2000 gebieden van Nederland. Dat brengt voor de regio prachtige kansen met (hoge natuurwaarden, waardevolle ecosystemen, toerisme en recreatie). Daar staat tegenover dat de natuur in het gebied onder druk staat. Niet alleen door stikstof, maar door een veelheid van factoren, zoals droogte en (andere gevolgen van) klimaatverandering en recreatiedrukte.
Kans: water vasthouden op de flanken Droogte is nu al een groot probleem en dat zal verder toenemen in de toekomst. De verwachting is dat de drinkwatervoorziening in de toekomst in het gedrang komt. Vanwege de aanleg van de Flevopolder en de aanplanting van (naald)bossen is de grondwaterstand in het gebied veel lager komen te staan. Sterke verdamping in de zomer zorgt ervoor dat er te weinig water beschikbaar is voor de begroeiing en bomen op de hogere delen van het gebied. Het grondwater zit daar te diep. Ook blijkt dat de verzuring van de bodem en het wegspoelen mineralen in relatie met droogte een nog groter effect heeft. Het afwateringssysteem is eigenlijk over-gedimensioneerd. Het gebied (zowel natuur, mensen als de agrarische gebruiksfunctie) zou erbij gebaat zijn als er meer water vastgehouden wordt en er meer neerslag kan infiltreren naar de diepere Veluwse grondwatervoorraad. Verschillende (cultuurhistorische) sprengen in het gebied onttrekken water, al is dit minimaal en niet in vergelijking met de andere factoren die reeds zijn benoemd. Op de hoge delen (stuwwal, oeverwallen, dekzandruggen) in het gebied vraagt systeemherstel dat de neerslag niet actief afgevoerd wordt maar juist maximaal infiltreert. Dempen, verondiepen of afdammen van watergangen zijn dan gewenste maatregelen.
Het waterschap heeft een analyse gemaakt waar de mogelijkheden liggen van het actief of passief dempen/afdammen van dergelijke watergangen om de drainerende werking te verminderen. Dat kan met behulp van meer stuwen, te verondiepen/dempen, door meer vegetatie te laten staan en door in sommige gevallen de beken/sprengen minder op te schonen. Op deze kaart zijn ook watergangen gemarkeerd waar no-regret van toepassing is.
48
Door de drainagebasis van beken en andere watergangen te verhogen, door het verbeteren van de bodem en inbrengen van passend substraat, zoals zand, hout en/of klei, kan het water beter worden vastgehouden en kan de dynamiek in de afvoer bij hevige piekbuien wat worden gedempt. Er is een succesvol (natuurontwikkelings) project uitgevoerd in de loop van de Leuvenumse beek, waarbij de beek meer ruimte krijgt om over te lopen en daarmee nat moerasbos ontstaat. Er liggen mogelijk kansen voor meer van dergelijke projecten. Door meer structuurvariaties binnen beekzones toe te voegen, kunnen er nieuwe, waardevolle ecosystemen ontstaan.
Kans: overgangszones en opslag van koolstof Gerelateerd aan bovenstaande kans, liggen er kansen om de groenblauwe dooradering te vergroten gericht op een doelbijdrage aan waterkwaliteit en hydrologie (en klimaatopgave). Dit vraagt (her)inrichting van watergangen en een aangrenzende zone om daar robuuste zones te realiseren die ook ruimte kunnen bieden voor het (tijdelijk) bergen van hoge waterafvoeren. Overal in het gebied liggen ook kansen om de harde scheiding tussen natuur en landbouw te verzachten met overgangszones, landschapselementen zoals bomen, houtwallen of heggen en bloemrijke akkerranden. Door het toevoegen van dergelijke elementen wordt de biodiversiteit versterkt, het landschap aantrekkelijker en wordt ook de afspoeling van water verminderd. Door natuurontwikkeling in bijvoorbeeld extra bos, landschapselementen is er meer opslag van koolstof in hout en wordt bijgedragen aan de klimaatdoelen. Datzelfde geldt voor de ontwikkeling van een gezonde bodem(structuur), met meer opslag van organische stof (koolstof) in de bodem. Er liggen kansen om de natuur robuuster te krijgen en droogteproblematiek aan te pakken met het diversifiëren en verjongen van het huidige bos. Faunabeheer is onderdeel van de aanpak/oplossing, zodat jonge aanplant niet direct wordt omgewoeld/aangegeten.
Kans en spanning: de wateropgave en bodemdaling tegengaan De meest laaggelegen gebieden kunnen benut worden voor het beter en meer vasthouden van gebiedseigen water en dit kan samengaan met lokale natuurontwikkeling, bijvoorbeeld gericht op weidevogels. Het gaat dan om concrete verhogingen van het grondwaterpeil van 10-50cm.Dat kan een impact kan hebben op de lokale agrarische functie en daarmee ontstaat dus ook direct een spanning: hoe kunnen deze twee samengaan? Kunnen we rondom deze nattere gebieden werken aan nieuwe agrarische bedrijfsmodellen? Bijvoorbeeld modellen waarin boeren bijdragen aan weidevogelbeheer (zie voorbeeld Vier Merken) of opslag van koolstof. Om de bodemdaling in de (veen)polders een halt toe te roepen, is het nodig om de ontwateringsbasis te verhogen. Bijvoorbeeld door het ophogen van het peil in de polders tot ca. 20cm onder het maaiveld. Dit is slecht verenigbaar met traditionele de huidige vorm van landbouw in dat gebied en vraagt om een uitgebreid polderproces en mogelijk ook nieuwe agrarische verdienmodellen. Het initiatief in Polder Oosterwolde is daarin een voorbeeld, waarin oog is voor de agrarische bedrijfsvoering, natuurwaarden en klimaat- en waterdoelen.
Spanning: realisatie van nieuwe natuur Natuur die in het recente verleden ontwikkeld is (bijvoorbeeld de Hierdense poort) blijkt enkele jaren later ook stikstofgevoelig te zijn. Deze schaduwwerking van de natuur maakt agrariërs huiverig voor het realiseren van nieuwe natuur. De heidenatuur die het gebied mede karakteriseert, is in feite cultuurhistorisch in het gebied ontstaan. Agrariërs in het gebied ervaren een spanning dat de aanwezigheid van deze menselijk-gemaakte-natuur, nu een opgave vormt om stikstof te reduceren. Vanuit het oogpunt van biodiversiteit is de Veluwe geen hotspot. De Veluwe en de heidegebieden zijn wel karakteristiek voor het
49
gebied en een belangrijke trekpleister voor toeristen. Het gebied geniet de hoogst beschermde status Natura2000. Op de lange termijn kan het interessant zijn na te denken over “Natura2100”. Welke nieuwe vormen van waardevolle natuur zouden we graag zien in het gebied? Welke natuur met een hoge ecologische waarde, die robuust en toekomstbestendig is in het nieuwe klimaat past hier en zal hier gedijen? 4.2.2. Stikstof
Spanningen op de doelen In deze vertrekpuntennotitie kijken we specifiek naar beleidsdoelen in het landelijk gebied. Met betrekking tot stikstof ligt de nadruk dan automatisch op maatregelen voor het verminderen van de ammoniakuitstoot in de agrarische sector. De haalbaarheid van de doelen op stikstof worden in twijfel getrokken en worden per definitie niet gehaald als de “andere sectoren” (mobiliteit, bouw, industrie) niet ook hun aandeel doen. We gaan er daarom in de analyse vanuit dat het emissiereductiedoel van 42% voor alle sectoren gelijk is. Daar zijn verschillende kanttekeningen bij te plaatsen: •
•
•
Per kg uitgestoten NH3 (ammoniak), is de stikstofbelasting veel hoger dan de stikstofbelasting van een kg uitgestoten NOx. Dat heeft ermee te maken dat de molaire massa van NH3 veel lager is dan van NOx, en de massa stikstof daarin dus relatief meer is. In de nadere uitwerking zou het zo kunnen zijn dat het makkelijker blijkt om stikstofreductie teweeg te brengen in de sectoren mobiliteit en industrie, omdat de techniek al beschikbaar is om dit te elektrificeren, en daarmee emissie loos te maken. Bovendien wordt daarmee ook direct bijgedragen aan de klimaatdoelen. Voor een veehouderij geldt dat minder: een koe zal per definitie uitstoot meebrengen, en er is niet een vergelijkbaar alternatief. De emissiereductie kan per gebied verschillen, in sommige gebieden is met makkelijker of lastiger om de doelen te halen. Of in sommige gebieden moet de emissie verder omlaag om het reductiedoel te halen. Mogelijk kan er in de toekomst besloten worden voor een verschillend emissiedoel voor verschillende gebieden.
Wat betreft het reductiedoel in de depositie, ligt het nog ingewikkelder. Het emissiedoel kan gehaald worden, terwijl het depositiedoel nog ver over de horizon is, met name omdat de depositie ook sterk afhankelijk is van de uitstoot vanuit gebieden elders (in Nederland en daarbuiten). In een studie van het ministerie van financiën samen met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werd bijvoorbeeld in kaart gebracht, dat als alle veehouderijen in Nederland zouden stoppen, dat dan nog steeds vrijwel alle natuurgebieden in Nederland in slechte staat zou zijn. De onduidelijkheid over wanneer het reduceren van stikstof voldoende is zal voorlopig blijven. De emissiereductie lijkt centraal te staan (dat is ook waaraan ondernemers actief maatregelen voor kunnen nemen. Tegelijkertijd gaat de regeling voor piekbelasters uit van een depositiewaarde die niet overgeschreden mag worden voor bedrijven binnen 25 km van stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het Rijk en kennisinstituten hebben een koers vastgesteld waar naartoe gewerkt zou moeten worden. Bij het stellen van kwantitatieve stikstofdoelen moet ook duidelijk worden wat de baseline is. Wordt de reductie (landelijk) bepaald vanaf 2018, 2019 of 2023? Daarbij moet opgemerkt worden dat stikstofreductie geen doel op zich is. Het doel is natuurbehoud en -herstel en daar spelen naast stikstof vele factoren een rol.
De staat van de natuurgebieden mag niet nog verder verslechteren en de belangrijkste factoren die daar een rol bij spelen moeten heel goed gemonitord worden. Pas dan kunnen we veel beter beoordelen wat samenhang tussen oorzaak en gevolg is en hopelijk veel nauwkeurig bepalen welke maatregelen er vervolgens nog genomen moeten worden om de natuurdoelen te halen.
Spanning op de vrijgekomen stikstofruimte De energietransitie en woningbouwopgave in de regio worden ook beperkt door de stikstofruimte. Als bepaalde onderstations niet verzwaard kunnen worden, is er in de hele regio geen uitbreiding van het
50
energienetwerk, en daarmee gen nieuwe woningen mogelijk. Hoe wordt de (potentiële) vrijgekomen ruimte van stoppende agrarische bedrijven benut? Uit gesprekken die gevoerd zijn voor het opstellen van deze vertrekpuntennotitie blijkt dat er over stikstofruimte al snel wordt gedacht in een handel. Primair moet het verminderen van de stikstofemissie erop gericht zijn op natuurherstel. Hoeveel van de vrijgekomen stikstof ruimte kan worden gebruikt voor het extensiveren van andere agrarische bedrijven of heeft het belang van de energietransitie hierop voorrang?
Kans en Spanning: minder dieren De overgang naar extensievere vormen van veehouderij zorgt soms per gehouden dier voor een grotere stikstofuitstoot. Dit is afhankelijk van de sector: in de melkveehouderij ligt er potentie voor stikstofreductie in het omschakelen naar biologisch, maar voor varkens en pluimvee is dat niet zo sterk het geval9. Overigens geldt wel dat omdat de aantallen dieren in een extensievere bedrijfsvorm als biologisch wel een stuk lager is, is de totale stikstofuitstoot wel lager ligt. Per gehouden dier/kilo product ligt deze hoger. Daar staat tegenover dat het verminderen van de aantallen dieren ook (kan) bijdragen aan dierenwelzijn en volksgezondheid (fijnstof, zoönosen). Dit is alleen een optie als daar een agrarisch businessmodel (en dus ook afzetmarkt) voor is.
Koppelkansen met andere opgaven Op korte termijn is stikstof de aanjager, maar op de langere termijn helpt het om met een integrale bril naar de mogelijke oplossingen te kijken: wat je doet om stikstofdoelen te halen moet ook bijdragen aan de waterdoelen (KRW) en de klimaatdoelen (Methaan/lachgas/CO2). Er is bijvoorbeeld stikstofruimte nodig om de energietransitie te doen slagen. Zonder een bredere, integrale blik op de doelen ontstaat er geen werkelijk nieuw perspectief, ook niet voor de agrarische bedrijven in het gebied. Ook ontstaan er dan koppelkansen. Bijvoorbeeld stikstof neutrale houtbouw zorgt ook voor een bijdrage aan de klimaatdoelen.
Kansen voor bufferzones Er liggen kansen in het creëren van extra bufferzones tussen Natura2000 en gebieden met een meer agrarisch karakter. Bijvoorbeeld een zone waarin nieuwe impulsen worden gegeven aan nieuwe (vormen van) landgoederen met meerdere functies binnen een gezamenlijke exploitatie. Hier zou dan ook geëxperimenteerd kunnen worden met nieuwe vormen van landschapsbeheer, natuurontwikkeling en landbouw met zorg voor landschapselementen (zie sectie 4.1). In andere gebieden kan dan juist worden ingezet op het versterken van de landbouw met initiatieven voor andere vormen van bedrijfsvoering en (bedrijfstechnische) maatregelen voor vermindering van emissie naar het milieu (zowel stikstof als broeikasgassen als andere emissies). Daarbij moet ook rekening worden gehouden met het Natura2000 gebied Randmeren. Verscheidene bedrijven op de Noord Veluwe liggen als het ware 'gesandwicht' tussen de Natura2000 gebieden Randmeren en Veluwe. Mogelijk zou hiermee rekening mee moeten worden gehouden als het komt tot het prioriteren van transformatie bestaande agrarische bedrijven, ondanks de hogere gevoeligheid van de habitattypen op de Veluwe. Hoe dan ook moet daarbij het ontwikkelperspectief voor agrariërs naar een toekomstbestendige bedrijfsvoering centraal staan.
Plomp, M., Migchels, G., Quick scan stikstofproblematiek en biologische veehouderij: Mogelijke bijdrage van de biologische sector aan oplossingsrichtingen voor ammoniakproblematiek, Wageningen Livestock Research, 2021 9
51
4.2.3. Landbouw
Spanningen door de onduidelijkheid vanuit het Rijk Op dit moment is er nog veel onduidelijkheid over het perspectief van de landbouw in Nederland. Door agrariërs is meermaals benadrukt dat er eerst duidelijkheid moet komen over piekbelasters, PAS melders en juridische borging van innovatieve/bedrijfstechnische maatregelen. Pas dan kunnen zij zelf een voorstel doen hoe de agrarische sector een bijdrage kan leveren aan het halen van de NPLG doelen. Er is veel wantrouwen richting de overheid vanuit de sector. Er zijn meerdere agrariërs die niet in gesprek wilden gaan over deze vertrekpuntennotitie vanwege participatie vermoeidheid en weinig vertrouwen dat er daadwerkelijk naar wordt geluisterd. Voor piekbelasters wordt steeds duidelijker hoe de regeling eruitziet. Het Rijk geeft daarbij aan: dit is de meest aantrekkelijke regeling en stelt daarbij de deadline op november 2023. Daarna worden de regelingen minder in aantal en aantrekkelijkheid en worden de milieueisen strenger. In de regeling voor piekbelasters koopt de overheid geen grond en ligt ook de functieverandering op de locatie nog open voor invulling vanuit ondernemer en lokale overheid.
Spanning: perspectief voor boeren die willen blijven ondernemen is nog totaal niet duidelijk Veel ondernemers hebben niet de informatie die nodig is om tot een keuze te komen voor hun bedrijf. Met welke eisen krijgen zij (in de toekomst) te maken als ze niet willen stoppen? En wat betekent de locatie van het bedrijf (in de Noord Veluwe veel bedrijven dichtbij Natura2000) voor de regelgeving vanuit de overheid? Zolang dit onduidelijk blijft, is het lastig om met agrarisch ondernemers te werken aan oplossingen voor de transitie. Er is een risico dat de stikstofdoelen gehaald worden, maar dat de natuurdoelen niet behaald worden (bijvoorbeeld door de toenemende droogteproblematiek). Ook is er een risico dat de klimaatdoelen voor 2030 (reductie van methaan en lachgas) opnieuw druk zullen leggen op de veehouderijen zoals de stikstofdoelen dat nu doen. Op dit moment is er nog geen zicht op dat deze doelen behaald gaan worden.
Spanning op financiering De financiering van ontwikkelingen op agrarische bedrijven dichtbij Natura2000 gebieden is een probleem. Banken financieren zeer beperkt en zij verschuilen zich ook achter de onzekere politiek. Hierdoor zitten boeren knel in hun ontwikkeling, ook als die ontwikkeling richting verduurzaming van het bedrijf gaat. Banken benoemen bereid te zijn om de transitie te ondersteunen en diverse pilots te financieren, maar momenteel vindt dit nog niet of zeer beperkt plaats in de regio Noord Veluwe.
Spanning en kansen op de afzetmarkt Er is te weinig afzetmarkt voor veel grootschaliger biologische productie. Wanneer er primair wordt ingezet op het verhogen van de biologische productie (20% in Europese doelstellingen, 15% in Nederlandse doelstellingen), zonder significant iets aan de kant van de afzet te doen, zal dat waarschijnlijk te weinig effect sorteren. Er is zelfs een kans dat het ene negatief effect heeft op de bedrijfsresultaten van al bestaande bio-boeren, omdat de bio-productie de vraag gaat overstijgen. Het is in het huidige marktsysteem nog lastig om lokaal de vraag naar duurzaam, lokaal geproduceerd voedsel aanjagen. Dit gebeurt in de keten, vanuit den Haag of zelfs Europa. Supermarkten willen bijvoorbeeld ook een grote extra marge op bio maken’ de retailmarkten bepalen de prijs. Dat laatste geldt ook voor een kleinere, de lokalere markt, waarbij voedsel wat lokaal geproduceerd is ook lokaal, in een korte-keten wordt afgezet. Het ontwikkelen van initiatieven en projecten -gericht op de consument/de keten om de marktvraag naar lokaal, duurzaam (bio) geproduceerd voedsel te vergroten kan niet volledig in het gebied zelf opgelost worden.
52
Kans: Ontwikkelingen in de landbouwsector In het gebied is al veel beweging in de landbouw zichtbaar. Er zijn verschillende bedrijven die hun bedrijfsactiviteiten hebben verbreed of werken aan extensivering. Ook zijn er al veel stoppers geweest in het gebied. Veel stoppers hebben ook gebruik gemaakt van functieverandering naar wonen. Daarnaast zijn er collectieve acties, zoals GEUS of De Vier Merken. Dit initiatief in Polder Oosterwolde (zie sectie 2.3.2) is een voorbeeld hoe meerdere vliegen in een klap te slaan zijn als de juiste puzzelstukjes op het juiste moment bij elkaar komen. Kan dit een voorbeeld zijn voor anderen in het gebied?