CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Van Damhof - Toelichting

Gemeenteraad 18 december 2025, gemeente PuttenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Van Damhof15.903 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2

Ecofect B.V., Van Damhof 5 a-d Putten Toelichting en stikstofberekening Aerius calculator, SO 52786.1, Nunspeet, 19 december 2024

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

26

stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing soortenbescherming Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de bestaande bebouwing toegankelijk is voor vleermuizen en dus geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De bebouwing heeft open stootvoegen / ventilatiekanalen die kunnen dienen als verblijfplaats. Bij de sloop- of bouwwerkzaamheden zullen er mogelijk verblijfplaatsen verloren gaan of aanwezige soorten verstoord of gedood worden. Daarom is een nader onderzoek3 naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd. Tijdens dat onderzoek zijn er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in (de te slopen) bebouwing. Ook zijn er geen essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de (te slopen) bebouwing en zijn er evenmin paarroepjes en baltsgedrag waargenomen. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute. Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. Er gaan geen verblijfplaatsen verloren door of tijdens de geplande ingreep. Een vergunning schadelijke handelingen flora en fauna activiteit wordt niet noodzakelijk geacht. Op het perceel is gekeken naar overige beschermde soorten en verblijfplaatsen.

Deze zijn niet waargenomen of te verwachten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor die soorten is niet nodig. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Conclusie De planontwikkeling heeft geen wezenlijke invloed op de gunstige instandhouding van beschermde soorten en/of gebieden. Het aspect flora en fauna levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

3

Ecofect B.V., Van Damhof 5 a-d Putten Nader onderzoek vleermuis, Vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021, NOV51678.1, Nunspeet, 21 november 2024

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

27

4.7.

Luchtkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen. Toetsing In het plangebied neemt het aantal woningen met 8 toe. Dit aantal ligt ver onder de 3%-grens van 1.500 woningen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2022, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (11,0 microgram per m³) en fijn stof (17,5 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (9,6 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8.

Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Een gemeente legt in het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vast. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn regels voor belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen opgenomen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (voor functies zoals wonen, onderwijs of zorg) en locaties nabij een geluidsbron. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) (lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsver-

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

28

ordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor lokale wegen (een verharde gemeente- of waterschapsweg met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen (een spoorweg die niet is aangewezen bij omgevingsverordening). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Binnen het geluidaandachtsgebied is akoestisch onderzoek nodig om een geluidgevoelig gebouw toe te laten. Afbeelding 14: Standaardwaarden en grenswaarden. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarde

Grenswaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight

65 Lden 70 Lden 70 Lden 60 Lden 50 Lnight

Toetsing Er is een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd. De woningen zijn geprojecteerd binnen het aandachtsgebied van de gemeentewegen: Voorthuizerstraat, Garderenseweg, De Engweg, Van Damstraat, Da Costastraat en de Veldstraat. De overige geluidbronnen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering, dat deze geluidbronnen niet relevant zijn met betrekking tot het geluid. Uit het onderzoek blijkt dat het geluid vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen maximaal 50 Lden bedraagt en ruim lager is dan de standaardwaarde. Omdat er alleen sprake is van de geluidbronsoort gemeentewegen, is het gecumuleerde en het gezamenlijke geluid op de nieuwe woningen gelijk aan het berekende geluid vanwege deze geluidbronsoort. Omdat het gecumuleerde geluid op de nieuwe woningen ruim lager is dan de standaardwaarde, wordt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie. Om een goed woon- en leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 50 Lden. Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal 20 dB moet bedragen.

Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoen aan een geluideis van R q;a ≥ 0 dB) voldaan aan de minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. De benodigde karakteristieke geluidwering van de gevels moet voldoen aan de minimumwaarde van GA;k=20 dB om te voldoen aan de eisen uit het Bbl.

4

SPA WNP ingenieurs, Nieuwbouw aan de Van Damhof in Putten Akoestisch onderzoek omgevingsplan Geluid door wegen, 2400117.3400.r01a, Ede, 24 juli 2024

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

29

Conclusie Het aspect geluid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9.

Geur Algemeen Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Conform de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat (BS) bevat regels over: ▪ geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); ▪ geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); ▪ geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); ▪ geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Toetsing In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd met een geuremissie die tot het plangebied reikt. Conclusie Het aspect geur levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10. Milieuzonering In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven (of andersom) mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygiënische aspecten van die bedrijven. Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'.

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

30

Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Putten heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk. Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) een handreiking5 gedaan ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de grond die is aangewezen voor de functie bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. Afbeelding 15: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter

De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-publicatie hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in

5

In oktober 2024 is de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze handreiking is in hoofdzaak is bedoeld voor de inrichting van het nieuwe omgevingsplan en niet om te onderzoeken of er bij milieugevoelige functies (zoals woningen) nabij milieubelastende functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd kunnen worden. De handreiking ziet vooral op het inrichten van een omgevingsplan met milieubelastende functies. Om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen, is de handreiking uit 2009 nog steeds bruikbaar.

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

31

dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Er wordt een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk/buitengebied' en 'gemengd gebied'. Toetsing Omdat voor het perceel ten noorden van het plangebied aan de Da Costastraat 8c een bedrijfsbestemming geldt, is milieuzoneringsonderzoek 6 uitgevoerd. Uitgangspunt voor het onderzoek is dat de bedrijfsbestemming van de bestaande bedrijfshal direct ten noorden van het plangebied in dit TAM-omgevingsplan een woonfunctie krijgt. Binnen die woonbestemming zijn uitsluitend hobbymatige activiteiten toegestaan.

Uit de literatuur blijkt dat de grens tussen hobbymatige en bedrijfsmatige activiteiten moeilijk objectief is vast te stellen. Bij hobbymatige activiteiten is in ieder geval geen sprake van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie. Daarnaast hebben de activiteiten naar het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak niet een zodanige omvang dat zij boven het hobbymatige karakter uitstijgen. Er is geen sprake van een bedrijvigheid met een omvang alsof deze bedrijfsmatig is. Behalve de omvang van de bedrijvigheid is voor het criterium 'bedrijfsmatige omvang' tevens bepalend de regelmaat of continuïteit waarmee de bedrijvigheden worden verricht. Welke mate van 'regelmaat of continuïteit van de bedrijvigheden' echter is vereist, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en waarschijnlijk ook van het soort activiteit dat ter beoordeling staat. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door met name woonbestemmingen. Er wordt daarom uitgegaan van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Op de Da Costastraat 8c zijn bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Deze hebben een richtafstand van 30 meter. Vanwege de afschermende werking die aanwezig is in het plangebied, wordt er ter plaatse van de nieuwe woningen geen hinder verwacht.

Er wordt eveneens geen belemmering in de bedrijfsvoering voorzien, doordat een aangrenzende woonbestemming en woningen zich op kortere afstand bevinden van het bedrijf dan de nieuwbouw. Op basis van dit onderzoek is dan ook de conclusie dat met de realisatie van het plan er sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

6

SPA WNP ingenieurs, Woningbouw Van Damhof in Putten Onderzoek bedrijven en milieuzonering, 2400117.4000.r01, Ede, 26 april 2024

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

32

Conclusie Vanuit oogpunt van milieuzonering is het plan uitvoerbaar.

4.11. Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). ▪ buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege, en is een gebied rond activiteiten met gevaarlijke stoffen dat zichtbaar maakt waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

33

afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Toetsing Uit de risicokaart blijkt dat het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. Het plangebied maakt evenmin onderdeel uit van een aandachtsgebied. Afbeelding 16: Fragment risicokaart

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12. Trilling Algemeen Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

34

maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn er geen activiteiten die trillingshinder veroorzaken. Conclusie Het aspect trilling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot: ▪ repressief welstand (artikel 22.7), oftewel de excessenregeling, en ▪ beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29). Als een gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft, dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De bruidsschat geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Toetsing Er heeft inmiddels een voorlopige beoordeling plaatsgevonden, waarbij positief is gereageerd op de plannen door de welstandscommissie.

4.14. Archeologie, cultuurhistorie en landschap 4.14.1. Algemeen In de Omgevingswet wordt onder cultuur erfgoed verstaan monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. In artikel 5.130 Bkl zijn bepalingen opgenomen om in het omgevingsplan cultureel erfgoed te beschermen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.14.2. Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

35

natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Artikel 5.130, lid 3 Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van onderzoek bij activiteiten die een te verwachten archeologisch monument kunnen verstoren. Voor projecten kleiner dan 100 m² mag geen archeologisch onderzoek gevraagd worden, tenzij in het omgevingsplan anders is bepaald. Toetsing Uit het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3) blijkt dat archeologisch onderzoek nodig is indien bodemingrepen plaatsvinden die respectievelijk groter zijn dan 100 m² en dieper dan 40 centimeter. Uit advies van de regio-archeoloog van 25 augustus 2023 blijkt dat geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden, omdat de bodem al is geroerd bij de realisatie van de huidige bebouwing en dat deze opvatting is bevestigd door onderzoek in vergelijkbare situaties in de directe omgeving.

Indien tijdens de werkzaamheden resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze resten van cultuurhistorische waarde zijn, geldt een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Het aspect archeologie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is niet noodzakelijk om aan de gronden een functie voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden toe te kennen in het TAM-omgevingsplan. 4.14.3. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Met uitzondering van de ligging in de molenbiotoop van de korenmolen 't Hert aan de Halvinkhuizerweg 1 is het perceel in cultuurhistorisch opzicht niet waardevol. Op die molenbiotoop wordt ingegaan in paragraaf 4.17. Daarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan geen onevenredige invloed heeft op de molenbiotoop. Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.15. Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor het aspect bodem instructieregels in het opgenomen. Er worden

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

36

drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: ▪ het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); ▪ het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); ▪ het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing Om de milieukundige bodemgesteldheid te bepalen is een verkennend bodemonderzoek 7 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is voor deellocatie A van het plangebied de onderzoekshypothese 'verdachte locatie' en voor deellocatie B 'onverdachte locatie' gebruikt voor het verkennend bodemonderzoek.

Beide hypothese zijn op grond van de analyseresultaten van de grondmonsters verworpen. Op deellocatie B zijn enkele parameters licht verhoogd aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt echter niet noodzakelijk geacht. Conclusie De milieukundige bodemgesteldheid is geschikt voor het beoogde gebruik.

4.16. Weging van het waterbelang Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op grond van artikel 5.37 Bkl rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken. Dit betekent dat een zogenaamde 'weging van het waterbelang' (voorheen: watertoets) dient plaats te vinden. Toetsing Het plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Ten behoeve van de planontwikkeling is een waterparagraaf8 vervaardigd.

7

8

PJ Milieu BV, Verkennend bodemonderzoek Van Damhof 5 - Da Costastraat 8bc Putten, 23043501A, Nijkerk, 11 september 2023 SPA WNP ingenieurs, Waterparagraaf woningbouw Van Damhof Putten, Memo 2400117.m01b, Ede, 29 november 2024

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

37

Huidige en toekomstige situatie In de huidige situatie is er sprake van circa 520 m² verharding. Omdat er in de toekomstige situatie 645 m² verharding is, neemt het aandeel verhard terrein toe met 134 m². Oppervlaktewater Rondom het plangebied zijn geen wateren aanwezig die water uit het plangebied zouden kunnen opvangen. Op basis van de Keur van het waterschap zijn er geen verdere eisen voor de watergangen binnen het plangebied. Grondwater Het plangebied ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of binnen het invloedsgebied van een industriële of particuliere grondwateronttrekking. In het plangebied bevindt het maaiveld zich op een hoogte variërend rond +18,62 meter. Het grondwater bevindt zich op meer dan 5,5 meter – mv9. De woningen worden niet onderkelderd. Daarmee is invloed van het plan op grondwaterstand beperkt. Bodemopbouw Op basis van de informatie van de provinciale website Dinoloket/bodemonderzoek blijkt de bodem ter plaatse een zandbodem. Uit de onderzoeksresultaten van het bodemonderzoek (zie paragraaf 4.15 is geconcludeerd dat ter plaatse van de bouwlocatie geen aanwijzingen zijn voor bodemverontreiniging. Riolering In de nabijheid van het plangebied is een gescheiden rioleringssysteem aanwezig. Het afvalwater afkomstig van de woningen zal op dit systeem worden aangesloten.

Hemelwater Om het hemelwater op te vangen, worden op het eigen terrein van de woningen infiltratiekratten geplaatst. Het hemelwater kan hierin worden opgeslagen om vervolgens de bodem te infiltreren. Daarnaast worden de verticale systemen van de gemeente doorgezet binnen het openbare gebied in het plangebied. De parkeerplaatsen worden voorzien van open bestrating, zodat het hemelwater hier de bodem kan infiltreren. Bij de verdere (technische) uitwerking worden de eisen vanuit het gemeentelijk beleid aangehouden. Door deze maatregelen wordt voldaan aan de bergingseis van een piekbui van 70 mm/uur.

9

Uit meetgegevens van de gemeente Putten blijkt dat de GHG in het plangebied aan de Van Damhof 4,59-4,93 meter onder maaiveld ligt.

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

38

Advies waterschap Vallei en Veluwe Voor het plan is géén digitale watertoets uitgevoerd op www.dewatertoets.nl. De beoordeling is opgesteld in overleg met het waterschap Vallei en Veluwe. Hiervoor is gekozen omdat de website www.dewatertoets.nl niet functioneert naar behoren ten tijde van het opstellen van deze memo. Uit het advies van waterschap Vallei en Veluwe blijkt het volgende: Er is geen aanleiding voor nader onderzoek of nader te nemen maatregelen vanuit het waterschap voor het plan. Er is geen substantiële toename van verhard oppervlak en er is geen waterkering of waterlichaam in de buurt. Conclusie Voor het plan heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Vallei en Veluwe. Uit de beoordeling volgt dat de ontwikkeling geen watergangen van het Waterschap raakt. Met de inachtneming van bovengenoemde zijn er geen belemmeringen voor het realiseren van het plan. Het aspect weging van het waterbelang levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.17. Molenbiotoop Het plangebied ligt in de molenbiotoop van korenmolen 't Hert aan de Halvinkhuizerweg 1 op ongeveer 342 meter ten westen van het plangebied. Om een monumentale molen met een vrije windvang te laten functioneren, geldt dat binnen een straal van 400 m gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. De biotoopformule is een eenvoudige manier om de maximaal aanvaardbare hoogte van obstakels rond een molen te berekenen, dusdanig dat de molen hier geen onoverkomelijke hinder van ondervindt. Bij de afweging tot welke hoogte er gebouwd kan worden, mag daarbij rekening gehouden worden met de al aanwezige tussenliggende bebouwing. De biotoopformule wordt dus vooral toegepast om te kunnen bepalen of een obstakel op een bepaalde afstand van de molen al dan niet 'te hoog' is. Deze biotoopformule luidt als volgt: H=X/n+cxz of X=n(HX-cxz), waarin: ▪ H = hoogte obstakel ▪ X = afstand obstakel tot molen ▪ n = 140 voor open gebied, 75 voor ruw gebied, 50 voor gesloten gebied ▪ c = constante = 0,2 ▪ z = askophoogte (helft van lengte vlucht + de eventuele hoogte van de stelling) Wanneer de omgeving van de beschouwde molen voldoet aan de eisen uit de formule is er sprake van een toelaatbare situatie.

Om de berekening te kunnen maken is gebruikgemaakt van de volgende basisgegevens (https://www.molendatabase.nl/molens/ten-bruggencate-nr00104) voor de korenmolen 't Hert:

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

39

▪ X = 341,9 meter ▪ stellinghoogte = 6,8 meter ▪ vlucht = 23,5 meter ▪ z = (½ x vlucht) + stellinghoogte = 18,55 meter ▪ n = 50 Uit de berekening blijkt dat de toegestane bouwhoogte 10,55 meter is. Het maaiveld ter plaatse van de molen ligt op 17,3 m +NAP (bron: AHN-viewer) en aan de Van Damhof op 18,5 m +NAP. Dat betekent dat het bouwplan een hoogte mag hebben van 9,35 meter. Met uitzondering van één hoekwoning voldoen alle woningen aan die maximale bouwhoogte10. De hoekwoning heeft een hoogte van 10,46 meter. In de zichtlijn tussen de molen en het plangebied staat aan de Engweg 48-102 het appartementengebouw De Pastorije op een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de molen. Het maaiveld ter plaatse van de Pastorije ligt op 17,8 m +NAP en het appartementengebouw heeft een hoogte van ongeveer 9 meter en daarnaast staat een boom van 18 meter. Dit appartementengebouw en deze boom zorgen er nu reeds voor dat de windvang vanaf de Van Damhof wordt beperkt. De overschrijding van de toegestane hoogte volgens de molenbiotoop-formule is daarnaast relatief beperkt. Deze overschrijding bedraagt 1,11 meter over een breedte van 1,36 meter. Bovendien is het bouwplan ten oosten van de molen gesitueerd (niet de overheersende windrichting). Gelet op deze combinatie van factoren zal de windvang van de molen niet onevenredig worden geschaad door realisatie van het bouwplan.

Ook zal de nieuwbouw geen effect hebben op de cultuurhistorische waarde van de molen vanwege de afstand tot de molen, de relatief geringe overschrijding van de bouwhoogte en de aanwezigheid van de bomenrij tussen de molen en de beoogde nieuwbouw. De nieuw op te richten bebouwing zal het zicht op de molen niet verder beperken.

10

SamenThuis Vastgoedontwikkeling, Putten – Molenbiotoop, Bilthoven, 4 november 2024

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

40

5.

Juridische planbeschrijving

5.1.

Algemeen Dit TAM-Omgevingsplan besluit vormt een alternatieve mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de nieuwe standaard kan worden gedaan. Het doel van dit TAM-Omgevingsplan besluit is om te voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt onder de Omgevingswet. Het TAM-Omgevingsplan is met de techniek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld, maar wel conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet. Daardoor zijn de IMROstandaarden gebruikt. Met dit TAM-Omgevingsplan besluit worden zoveel mogelijk de regels uit het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing verklaard in het omgevingsplan (via dit TAM-Omgevingsplan besluit). Wel zijn aanvullende regels nodig om te zorgen dat wordt voldaan aan de Omgevingswet. Het bestemmingsplan voldoet immers niet geheel aan de Omgevingswet. Het juridische deel van dit TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een verbeelding waarop de toegelaten functies zijn aangegeven. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Van Damhof in Putten en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22h) van het omgevingsplan van de gemeente Putten. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

41

van het omgevingsplan van de gemeente Putten. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22h' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22h' gelezen worden.

5.2.

Regels Het TAM-omgevingsplan bestaat uit 4 hoofdstukken. In de benaming is daarbij zo dicht mogelijk bij de IMRO-standaarden gebleven: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten (voorheen: bestemmingsregels) Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels (voorheen: overgangs- en slotregels). Hoofdstuk 1 Inleidende regels In artikel 1 is het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan aangegeven. Hiermee wordt voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet c.a. zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (artikel 1.1 Omgevingswet) en dus ook op TAM-omgevingsplannen. Voor zover de begripsbepalingen (artikel 2) en de wijze van meten (artikel 4) van het Omgevingsplan van de gemeente Putten en van de Omgevingswet en de bijbehorende besluiten (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling) afwijken van de bepalingen uit hoofdstuk 1 van dit TAM-omgevingsplan, dan gaat dit hoofdstuk voor. In artikel 3 zijn aanvullende begripsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten In het plangebied komen twee functies (voorheen: bestemmingen) voor: "Verkeer – Verblijf" en "Wonen".

Deze bevatten beoordelingsregels voor bouwen en specifieke functieregels. Inhoudelijk zijn deze beoordelingsregels zoveel als mogelijk overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Kom Noord en Zuidoost. Een aantal regels die niet relevant zijn voor de onderhavige planontwikkeling is geschrapt. Bij de functie "Wonen" is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd, die bepaalt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning als bedoeld slechts kan worden verleend indien wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van tenminste 70 liter hemelwater per vierkante meter bebouwd en verhard oppervlak. Hoofdstuk 3 Algemene regels In artikel 7 zijn de zogenaamde aanvraagvereisten opgenomen. In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (onder andere binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

42

van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAMomgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Putten. De anti-dubbeltelregel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen met betrekking tot legaal gebouwde bouwwerken, die afwijken van de in de regels gegeven maatvoering en een regeling voor ondergronds bouwen onder gebouwen. Voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met de bestemmingen uit een bestemmingsplan is in de Wabo (artikel 2.1, eerste lid, onder c) een algemene vergunningplicht opgenomen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze vergunningplicht komen te vervallen. Daarom bevatten de algemene gebruiksregels een verbod om gronden of bouwwerken zonder omgevingsvergunning te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Verder is in de algemene gebruiksregels verboden om grond te gebruiken als stort- of opslagplaats of ten behoeve van een seksinrichting, waaronder een prostitutiebedrijf.

Tot slot zijn hierin beoordelingsregels voor het parkeren opgenomen: Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering dient te worden voorzien in voldoende parkeerruimte overeenkomstig de Nota parkeernormen van de gemeente Putten. Hierbij is een dynamische verwijzing gebruikt. Als er een nieuwe Nota parkeernormen wordt vastgesteld, is die nieuwe Nota van toepassing. De algemene afwijkingsregels bevatten afwijkingsbepalingen die betrekking hebben op alle bestemmingen. Deels betreft het, met het oog op de feitelijke situatie of een concreet bouwplan, een in beperkte mate kunnen aanpassen van de reeds gegeven regels met betrekking tot het gebruik en/of de bebouwing. Deels betreft het ook het kunnen inspelen op een latente bij de planvoorbereiding niet concreet voorziene behoefte aan kleinschalige voorzieningen. Ook onzelfstandige woonruimten zijn via een algemene afwijking toegelaten, waarbij aan een aantal te stellen randvoorwaarden moet worden voldaan. Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 4 bevat alleen nog overgangsregel. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Deze worden opgenomen conform het voormalige Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 23 van het omgevingsplan van de gemeente Putten bevat slotbepalingen met een artikel genaamd citeertitel: Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Putten. Aangezien het TAMomgevingsplan juridisch onderdeel wordt van dit, voor heel Putten geldende, omgevingsplan wordt geen slotbepaling opgenomen

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

43

6.

Uitvoerbaarheid

6.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1. Bestuurlijk vooroverleg P.M. 6.1.2. Participatie omgeving In het kader van het participatietraject zijn er twee bijeenkomst-momenten (4 juli 2023 en 10 juni 2024) geweest en daarnaast verschillende 1-op-1 gesprekken gehouden. In de plannen is rekening gehouden met opmerkingen van de omwonenden, onder meer voor wat betreft de oriëntatie van de woningen, de bouwhoogte (geen hoogbouw) en het voorkomen van inkijk op korte afstand van nabijgelegen woningen. De woningen en kapvorm achter de Van Damstraat zijn naar aanleiding van de reacties van omwonenden verlaagd en aangepast, zodat er minder bouwmassa wordt gerealiseerd (1 laag met kap). Ook wordt de bestaande hal in overleg met omwonenden behouden, waardoor het plangebied is verkleind ten opzichte van het oorspronkelijke plan. Met de aanwonenden vanuit de Da Costastraat zijn tijdens de 1-op-1 gesprekken afspraken gemaakt, om de situatie ook goed vanuit hun perspectief te kunnen bekijken. De zorg om inkijk vanuit de verdieping van de woningen (hier: 1 laag + kap) wordt herkend en de woningontwerpen zijn hier op aangepast. De aangepaste ontwerpen zijn opnieuw aan de betreffende bewoners gepresenteerd en komen op deze manier volledig tegemoet aan hun zorgen rondom inkijk. Met de bewoners worden privaatrechtelijke afspraken vastgelegd om alles ook juridisch goed te borgen.

Met een andere bewoner is het perspectief vanuit de achtertuin nader in beeld gebracht. Ook hier zal het uitzicht veranderen, maar de afstand is in deze situatie groter en geeft geen aanleiding op de bebouwing aan te passen. Wel is in overleg besproken om de inpassing van een extra boom mogelijk te maken, om zo tot een wat groenere inpassing te komen.

6.2.

Financiële haalbaarheid Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld door de initiatiefnemer. Deze initiatiefnemer is ook de eigenaar van de gronden. De financiering van alle kosten die samenhangen met de ontwikkeling van de bebouwing komt voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn derhalve geen kosten voor de gemeente aan het bouwplan verbonden. Dit is tussen de gemeente en initiatiefnemer met een nadeelcompensatieovereenkomst/anterieure overeenkomst vastgelegd.

6.3.

Belangenafweging Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In Hoofdstuk 3 Beleidskader en Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu is aangegeven dat sprake is van

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

44

een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. Conclusie beleid De voorgenomen ontwikkeling omvat de vervanging van een voormalige dierenartspraktijk, die recent als bedrijfsverzamelgebouw voor paramedische praktijken is gebruikt, door 8 grondgebonden woningen aan de Van Damhof 5. De woningen worden binnen de bebouwde kom gebouwd in een bestaand hofje. De planontwikkeling is getoetst aan de spelregels uit de Omgevingsvisie Putten 2020. Uit die toets blijkt dat de planontwikkeling hieraan voldoet. Ook voor het overige past de bouw van woningen in het beleid van de gemeente Putten en van Rijk en provincie. Conclusie omgevingsaspecten Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu en andere relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving zijn.

6.4.

Ontwerp TAM-Omgevingsplan Het ontwerp van het TAM -Omgevingsplan Van Damhof heeft van 5 juni 2025 tot en met woensdag 16 juli 2025 ter visie gelegen. Tijdens die periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Er zijn een zestal zienswijzen ingediend. De zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven om het ontwerp-omgevingsplan aan te passen.

Motivering Gemeente Putten – TAM-Omgevingsplan Van Damhof

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16155993/1