CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Putten 2025

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente PuttenBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp gemeente Putten 202510.475 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Concept toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Putten 2025 Toelichting Algemeen deel Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is de gemeente naast het preventieve jeugdbeleid ook verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp en jeugdbescherming en jeugdreclassering. Op grond van de Jeugdwet is de gemeenteraad verplicht om een verordening vast te stellen. De onderwerpen waarover regels opgenomen dienen te worden in de gemeentelijke verordening zijn met name vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet: “De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d.

voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.” Daarnaast is de gemeente ook verplicht bij verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie (zie artikel 2.10 van de wet) en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit voor de levering van jeugdhulp en de continuïteit van de jeugdhulp (zie artikel 2.11 van de wet) en kan zij dit doen als het gaat om de voorwaarden rond het verstrekken van een persoonsgebonden budget voor informele zorg (zie artikel 8.1.1 derde lid van de wet).

Wijzigingen in deze verordening De belangrijkste aanpassingen die zijn doorgevoerd in deze verordening zijn: -

de begrippen zijn aangepast aan de stelsel zoals dit in de gemeente vorm krijgt; bepalingen met betrekking tot dyslexiezorg en vervoer (bij jeugdhulp) zijn toegevoegd; de nieuwe pgb tarieven zijn opgenomen; er is een beschrijving van de beoordeling van de draagkracht van ouders toegevoegd; het pgb proces is uitgebreider vastgelegd, en; de kwaliteitseisen van de door het college gemandateerde verwijzer naar jeugdhulp opgenomen.

Afbakening verordening De basis voor welke verantwoordelijkheid de gemeente heeft bij het bieden van jeugdhulp staat in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Hier staat: indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen

ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Het woonplaatsbeginsel is van toepassing op de reikwijdte van deze verordening. Alleen jeugdigen die op basis van het woonplaatsbeginsel, zoals genoemd in artikel 1.1 van de Jeugdwet, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen kunnen aanspraak doen op een jeugdhulpvoorziening bij de gemeente. Deze gemeentelijke verordening gaat alleen over de algemene en maatwerk(jeugdhulp)voorzieningen. Het jeugdbeschermings- en reclasseringsaanbod betreffen volgens de Jeugdwet geen jeugdhulpvoorzieningen en zijn daarom niet geregeld in deze verordening. Hetzelfde geldt voor de toegang door de gecertificeerde instellingen. Op grond van de Jeugdwet (artikel 3.5) hebben de gecertificeerde instellingen hierin een eigen bevoegdheid, hoewel zij wel verplicht zijn om hierover te overleggen met het college.

In deze verordening zijn ook tal van andere zaken niet geregeld omdat zij al in de Jeugdwet of andere (landelijke) wet- en regelgeving geregeld zijn. Denk aan zaken als de kwaliteitseisen voor gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, het werk van de vertrouwenspersonen in het jeugdstelsel en privacyregels rond het delen van informatie en het instemmen met hulp. Daarbij is bij het opstellen van deze verordening aandacht geweest voor het feit dat de jeugdige zich in een bredere context bevindt. De jeugdige ontvangt jeugdhulp, maar daarbij wordt tevens naar de omgeving/het systeem gekeken. De omgeving/het systeem heeft een belangrijke rol in het leven van de jeugdige, draagt verantwoordelijkheid voor de jeugdige en heeft mogelijk invloed op de hulpvraag en de oplossing hiervan. In deze verordening gebruiken we ‘jeugdigen en ouders’ als het beide betreft. Daarnaast spreken we over ‘de jeugdige of zijn ouders’ als het gaat om beide of één van beide. Het woordje en/of komt de leesbaarheid namelijk niet ten goede. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld zestien jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met één of beide ouders (bij een jeugdige tussen de twaalf en de zestien jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan twaalf jaar)’.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn alle begrippen gedefinieerd die belangrijk zijn om de verordening te begrijpen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet bescherming persoonsgegevens. Een aantal definities staat ook in de wet, maar is voor de leesbaarheid van deze verordening opgenomen.

Algemene voorziening In deze verordening wordt onder deze voorziening de ‘overige voorziening’ bedoeld zoals gegrond in artikel 2.9 onder a van de wet. Andere voorziening Dit betreft de voorziening zoals bedoeld in artikel 2.9 onder b van de wet. Dit zijn voorzieningen op grond van andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. College In deze verordening wordt onder college mede verstaan: de door het college gemandateerde organisatie. Familiegroepsplan Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders en kinderen, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de wet. Het familiegroepsplan is vormvrij. Het recht op het opstellen van een familiegroepsplan vloeit voort uit artikel 2.1, 4.1.1 en 6.1.10 van de wet. Het opstellen van een familiegroepsplan is derhalve geen verplichting. Wanneer de jeugdige en ouders professionele hulp nodig hebben en de jeugdige, de ouders en de sociale omgeving hebben een familiegroepsplan opgesteld, maakt dit plan altijd onderdeel uit van het onderzoek en het uiteindelijke ondersteuningsplan. In een aantal gevallen geeft de wet een uitzondering waarin er niet eerst een mogelijkheid bestaat een familiegroepsplan op te stellen.

Dit betreft de situaties van uitvoering van jeugdreclassering door de gecertificeerde instelling of wanneer de gecertificeerde instelling de voogdij uitoefent in het geval het gezag van de ouders is beëindigd, zie hiervoor artikel 4.1.2 van de wet. Maatwerkvoorziening In deze verordening wordt over maatwerkvoorzieningen. Hieronder wordt een individuele voorziening verstaan, zoals bedoeld in de wet. Ondersteuningsplan Dit plan behelst het onderzoek dat het college heeft verricht zoals bedoeld in artikel 8 van de verordening. Ouder In dit artikel is ouder in enkelvoud opgenomen. Echter, verder wordt meervoud ‘ouders’ als standaard gebruikt, als aangegeven in de wet. Een jeugdige heeft immers doorgaans twee ouders. In de verordening kan onder ouder ook een andere wettelijke vertegenwoordiger worden verstaan, namelijk in die gevallen waarin het begrip ouder betrekking heeft op het wettelijk vertegenwoordigen van de jeugdige. Pgb-plan Het is een verplichting om dit plan op te stellen wanneer de jeugdige of zijn ouders een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wensen. In dit plan geven de jeugdige en zijn ouders onder andere aan op welke wijze zij het pgb wensen in te zetten, welke jeugdhulp zij willen inkopen en wat het beoogde resultaat is (zie artikel 17 van de verordening).

Hoofdstuk 2 Algemene voorzieningen Tezamen met hoofdstuk 3 wordt in dit hoofdstuk nadere uitwerking gegeven aan artikel 2.9 onder a van de wet. Op grond van de Memorie van Toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 648, nr. 3) hebben de jeugdige en de ouders die binnen de reikwijdte van de verordening vallen recht op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.

Artikel 2 Toegang algemene voorziening In dit artikel wordt de toegang tot algemene voorzieningen uiteengezet. Deze voorzieningen zijn voorliggend op de inzet van maatwerkvoorzieningen.

Artikel 3 Beschikbare algemene voorzieningen De voorzieningen die hier zijn opgenomen zijn vrij toegankelijk en dus voorliggend op een maatwerkvoorziening.

Hoofstuk 3 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4 Beschikbare maatwerkvoorzieningen Bij de beschrijving van de beschikbare maatwerkvoorzieningen is aansluiting gezocht bij de door het college gecontracteerde jeugdhulp. Er is voor gekozen om op te nemen dat deze voorzieningen ‘in ieder geval’ beschikbaar zijn, zodat er ruimte is om andere voorzieningen beschikbaar te stellen.

Artikel 5 Dyslexiezorg Tot 1 januari 2015 viel dyslexiezorg voor jeugdigen met) onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de geestelijke gezondheidszorg. Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet valt dyslexiezorg onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid en derhalve onder ‘jeugdhulp'. Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever hiermee niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Dit betekent dat enkel dyslexiezorg verplicht is bij de diagnose (of indicatie) ernstige dyslexie (ED).

Artikel 6 Vervoer Op grond van artikel 2.3 lid 2 van de wet is vervoer tevens jeugdhulp wanneer dit vervoer betreft van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt. In beginsel geldt dat ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer. Met die reden wordt in lid 1 expliciet benoemd dat het college allereerst de reikwijdte beoordeelt van de eigen mogelijkheden zoals bedoeld in artikel 9 van de verordening. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht' van de ouders en staat dit aan de toekenning van de vervoersvoorziening in de weg (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Of vervoer als jeugdhulpvoorziening wordt toegekend, hangt af van de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Wat hieronder (niet) wordt verstaan is nader uitgewerkt in lid 3 en 4. Voor een medische noodzaak of beperking zoals beschreven in lid 2 moet sprake zijn van álle situaties zoals genoemd in lid 3.

Daarbij is het van belang dat er zowel gekeken wordt naar de mogelijkheden van eigen vervoer, zoals bedoeld in de definitie (zie artikel 1), als naar de mogelijkheden met het openbaar vervoer. Artikel 7 en verder (van de verordening) zijn tevens van toepassing op vervoer, als zijnde een maatwerkvoorziening.

Hoofdstuk 4 Toegang tot maatwerkvoorzieningen In dit hoofdstuk worden de verschillende wijzen van toegang tot maatwerkvoorzieningen beschreven. Een hulpvraag kan binnenkomen bij het college waarna deze in behandeling wordt genomen. Ook regelt de wet dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing van de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Tevens is jeugdhulp toegankelijk, op grond van de wet, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.

Paragraaf 1 Toegang jeugdhulp via het college Artikel 7 Toegang jeugdhulp via het college Eerste lid Een aanvraag kan schriftelijk worden ingediend bij het college, hieronder wordt tevens een digitale aanvraag verstaan. Wanneer de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige jonger dan 12 jaar of een minderjarige ouder dan 12 jaar maar die niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, is niet de toestemming van de minderjarige vereist, maar wel van diens wettelijke vertegenwoordiger. Wanneer de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar oud is, behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als van de wettelijk vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In het geval dat de wettelijke vertegenwoordiger weigert in te stemmen met de aanvraag, maar de minderjarige blijft de jeugdhulp wensen en het toekennen van jeugdhulp is noodzakelijk om ernstig nadeel te voorkomen, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen.

Wanneer de jeugdige 16 of 17 jaar oud is en de jeugdige tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, behoeft de aanvraag geen instemming van de wettelijk vertegenwoordiger. Tweede lid Op grond van de wet heeft de jeugdige of zijn ouders het recht om een familiegroepsplan op te stellen (artikel 1.2, 4.1.1 en 6.1.10). Met betrekking tot het familiegroepsplan is onder artikel 1 in deze toelichting nader uitleg gegeven. Derde lid Op basis van de Jeugdwet artikel 2.9 is de gemeente verplicht in de verordening op te nemen hoe de afstemming met andere voorzieningen geregeld is. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het ondersteuningsplan. De afstemming met andere voorzieningen is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. Vierde lid

In crisissituaties kan soms niet gewacht worden met de inzet van een maatwerkvoorziening tot een ondersteuningsplan is opgesteld. In dit soort gevallen is het de jeugdhulpaanbieder toegestaan de spoedhulp te verlenen voordat een gesprek met het college heeft plaatsgevonden en een ondersteuningsplan is opgesteld. Deze maatwerkvoorziening betreft kortdurende inzet. Wanneer daarna langdurig een maatwerkvoorziening jeugdhulp nodig is, dient alsnog een ondersteuningsplan opgesteld te worden door het college.

Paragraaf 1.1 Beoordeling Artikel 8 Onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste en tweede lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er een gesprek wordt gevoerd met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:

Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. De vraag van Stap 2 - breng de onderliggende problematiek in kaart. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Dit zijn de problemen die zijn opgesomd in artikel 2.3 van de wet en worden vastgesteld door een professional zoals genoemd in artikel 12 lid 2 van de verordening.

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Dit komt overeen met artikel 2.3 van de wet.

Stap 4 - onderzoek in hoeverre de eigen kracht toereikend is om de noodzakelijke hulp te bieden.

Dit betreft zowel onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociaal netwerk, als onderzoek of de – op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk – bepaalde hulp hiermee deels of geheel kan worden ondervangen. De wijze waarop de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beoordeeld wordt, is opgenomen in artikel 9 van de verordening. Bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp wordt rekening gehouden met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met dezelfde doelststelling als genoemd in stap drie.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Deze discrepantie tussen de geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht concretiseert uiteindelijk de jeugdhulpplicht, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 2 onderdeel 6 kan bijvoorbeeld sprake zijn van een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.). Derde lid Het kan voorkomen dat een ouder of jeugdige reeds een familiegroepsplan heeft opgesteld. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. In dat geval wordt dit plan als uitgangspunt genomen voor het gesprek tussen de jeugdige of zijn ouders en het college. Dit betekent niet dat enkel op basis van het familiegroepsplan besloten wordt tot de inzet van een maatwerkvoorziening. Vierde lid Op grond van artikel 2.5 van de wet dient het college de jeugdige, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze verplichting is deze opgenomen in dit artikel. Op grond van artikel 4.1.1.

van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • • • • •

de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Vijfde lid Dit plan behelst het onderzoek dat het college heeft verricht na een door een jeugdige of ouders gestelde vraag om jeugdhulp. Zesde lid In het ondersteuningsplan kunnen afspraken gemaakt worden om na een bepaalde tijd de resultaten te evalueren en daarmee het ondersteuningsplan. NB de jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor evaluatie van het opgestelde hulpverleningsplan en de daarin opgenomen behandeldoelen. Eventueel kan samen met het college bekeken worden hoe de beoogde resultaten opgenomen in het ondersteuningsplan zich verhouden met de behaalde resultaten op de later in het hulpverleningsplan geformuleerde doelen.

Zevende lid Het ondersteuningsplan is van de jeugdige of zijn ouders. Als er tot de inzet van een maatwerkvoorziening besloten is, is het van groot belang dat de betrokken jeugdhulpaanbieder kennis heeft betreffende de gezinssituatie en afspraken en beoogde resultaten zoals vastgelegd in het ondersteuningsplan. De relevante informatie uit het ondersteuningsplan kan door de jeugdige of zijn ouders zelf of door het college aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders of jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Natuurlijk gelden bij het delen van het ondersteuningsplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in de Jeugdwet zelf (zie § 7.3). Het is aan de ouders om in samenspraak met het college te bepalen welke informatie in het ondersteuningsplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige of zijn ouders aan de ene kant en het college aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van het kind tegen elkaar afgewogen te worden.

De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy protocollen van de uitvoerders zal hieraan aandacht besteed worden.

Artikel 9 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Algemeen Artikel 2.3 van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouders ontoereikend zijn. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf, dat volgt uit artikel 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dit volgt tevens uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen.

Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

Eerste lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 8 beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: a. b. c. d.

geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; er sprake is van een zeer zware zorgbehoefte waarvoor geen wlz-aanspraak bestaat; overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

Tweede lid Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Het onderzoek wordt gedaan door middel van een objectieve methodiek/instrument.

Artikel 10 Criteria maatwerkvoorzieningen Eerste lid Uit het eerste lid volgt een aantal algemeen geformuleerde criteria voor toekenning van een maatwerkvoorziening. Het onderzoek (zoals opgenomen in artikel 8 van de verordening) zal inzichtelijk maken of aan de criteria wordt voldaan. Tweede lid Gelet op de verantwoordelijkheden van ouders (o.a. op grond van het Burgerlijk Wetboek) is de inzet van een maatwerkvoorziening tijdelijk van aard en zoveel mogelijk gericht op het vergroten van de draagkracht. Uitzondering hierop zijn kinderen met een zeer zware en levenslange hulpvraag en dit niet in aanmerking komen voor ondersteuning vanuit de Wlz. Derde lid Zie in dit verband artikel 9 van de verordening. Vierde en vijfde lid De maatwerkvoorziening dient in eerste instantie doeltreffend te zijn, hiermee wordt bedoeld dat de maatwerkvoorziening leidt tot het beoogde resultaat zoals opgenomen in het ondersteuningsplan.

Hetgeen opgenomen in het vierde en vijfde lid betreffende de effectiviteit van een maatwerkvoorziening, sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een maatwerkvoorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare maatwerkvoorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een maatwerkvoorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/) en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg. Zesde lid Wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk geacht wordt en er zijn meerdere adequate (passend en toereikend) maatwerkvoorzieningen, kiest het college de goedkoopst en tijdig beschikbare maatwerkvoorziening. Dit vergt een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.

Zevende en achtste lid In deze bepaling is als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Bij problemen in de context van het gezin wordt niet automatisme jeugdhulp verstrekt, maar wordt onderzocht of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.

Artikel 11 Inhoud beschikking De beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb (Algemene wet bestuursrecht), maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Aangezien het ondersteuningsplan een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit vormt, wordt dit deze aan de beschikking toegevoegd.

Artikel 12 Kwaliteitseisen toegang jeugdhulp

Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 8 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, dient de jeugdige of zijn ouder(s) mee te werken, in die zin dat alleen op die wijze een antwoord gevonden kan worden op de vraag hoe de hulpvraag aangepakt dient te worden. Immers, wanneer de jeugdige of zijn ouder(s) niet meewerken, zal het onderzoek niet voortgezet kunnen worden, omdat niet vastgesteld kan worden wat in die specifieke casus nodig is. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: • • • • • •

opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld.

Het college moet deze deskundigheid waarborgen en deze concreet kenbaar maken voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 12, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11).

Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.

Paragraaf 2 Toegang jeugdhulp niet via het college Artikel 13 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de algemene voorzieningen als maatwerkvoorzieningen.

Tweede lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. Derde lid Dit lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 8 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt.

Artikel 14 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren kinderbeschermingsmaatregelen uit. Dit zijn (voorlopige) voogdij maatregelen en (voorlopige) ondertoezichtstellingen. Daarnaast voeren zij de jeugdreclasseringsmaatregelen uit. In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5, eerste lid van de wet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, ook andere instanties kunnen besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht.

Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (artikel 2.4, tweede lid onderdeel b van de wet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling of een (voorlopige) voogdijmaatregel uitspreekt en daardoor er geen ouder meer het gezag heeft, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.

Artikel 15 Algemene weigeringsgronden

In dit artikel is beschreven wanneer jeugdige of ouders niet in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Dit is ook van toepassing voor kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de aanvraag (lid 2).

Artikel 16 Weigeringsgronden gelegen in de specifieke aanbieder van jeugdhulp De in dit artikel opgenomen weigeringsgronden gelden voor zowel door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders als aanbieders die via een pgb worden ingezet.

Paragraaf 3 Aanvullende regels persoonsgebonden budget Artikel 17 Het persoonsgebonden budget Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Hiertoe dienen zij een pgb-plan op te stellen. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 20 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten aan de beoogde uitvoering van de jeugdhulp verbonden zijn.

Artikel 18 Verstrekken van persoonsgebonden budget Eerste lid De in dit lid opgenomen voorwaarden vinden de oorsprong in de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Tweede lid In het tweede lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Derde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is bindend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb op een verantwoorde manier wordt verleend.

Artikel 19 Onderscheid formele en informele hulp binnen het persoonsgebonden budget

Eerste lid Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere pgb-tarief. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd.

De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Een voorwaarde voor toekenning van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg). De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb. In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. Het college mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet).

Tweede en derde lid Informele hulp is hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • • • • •

geboorte; afstamming van dezelfde voorvader; erkenning; gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; adoptie.

Bloedverwanten zijn in de:

Eerste graad: • •

(adoptie)ouders; (adoptie)kinderen.

Tweede graad: • • •

grootouders; kleinkinderen; broers en zussen.

Aanverwanten Aanverwanten zijn de bloedverwanten van een echtgenoot of geregistreerd partner. Eerste graad: • • •

(adoptie)ouders van partner; (adoptie)kinderen van partner; partner van (adoptie)kinderen.

Tweede graad: • • •

grootouders van partner; kleinkinderen van partner; broers en zussen van partner.

Artikel 20 Pgb-vaardigheid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf): 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, c.q. zorgvraag); 2. Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); 3. Goed werkgeverschap; 4. Coördinatie van hulpverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; 5. Voeren van een administratie; 6. Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en 7.

In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.

Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgbvaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-89502f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Artikel 21 Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (zie ook bij artikel 16).

Artikel 22 Hoogte van het persoonsgebonden budget Eerste en derde lid In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere tarief gebaseerd op de Wet langdurige zorg (Wlz). Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van de wet Langdurig zorg (Wlz) passend geacht.

Tweede lid Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan wordt uitgegaan van dit lagere tarief.

Vierde lid

Voor informele hulp gelden lagere tarieven. Logeeropvang wordt gezien als een tegemoetkoming, waardoor geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Door de invoering van de wet minimumloon moet in gevallen waarin het sociaal netwerk wordt ingezet, als het niet beroepsmatig wordt gedaan, het minimumloon worden toegekend. Dit had tot gevolg dat bijvoorbeeld bij logeeropvang in het sociaal netwerk voor ieder uur van het logeren tenminste het minimumloon moest worden toegekend, hierdoor zouden de kosten hoger worden dan de kosten bij een ingekochte professionele aanbieder. Om dit ongewenste gevolg tegen te gaan is de regeling Jeugdwet aangepast (Staatscourant 2018 nr. 68315 10 december 2018) waarbij een symbolisch laag bedrag per kalendermaand kan worden uitbetaald aan personen die hulp vanuit het sociaal netwerk verlenen aan een houder van een persoonsgebonden budget (pgb). Deze personen zijn kort gezegd mensen die niet beroeps- of bedrijfsmatig en onverplicht jeugdhulp verlenen op basis van de sociale relatie met de jeugdige of de cliënt. Het maximale bedrag is daarbij op € 141,- per maand gesteld. Daarnaast is een vergoeding voor schoonmaakmiddelen e.d. mogelijk, dit laatste zal in beperkt aantal gevallen aan de orde zijn, hierbij kan worden gedacht aan een jeugdige waarbij veel verschoning als gevolg van een aandoening noodzakelijk is.

Vijfde lid In dit lid is opgenomen welk tarief beschikbaar is voor vervoer waarbij een onderscheid is in vervoer door ouders of het sociaal netwerk of door middel van een (rolstoel)taxi. Zesde lid De formele tarieven worden jaarlijks geïndexeerd en daarmee wijzigt ook het maximale pgb tarief. De afronding om op een bedrag dat deelbaar si door 24 heeft als reden dat de bedragen hierdoor administratief door de SVB verwerkt kunnen worden. Zevende lid Het college draagt zorg voor de bekendmaking van de geïndexeerde tarieven.

Artikel 23 Kosten die zijn uitgesloten Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in dit artikel opgesomd.

Hoofdstuk 5 Herziening, intrekking, terugvordering en controle Artikel 24 Herziening, intrekking, terugvordering en controle Eerste lid Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.

Tweede lid

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een maatwerkvoorziening kan intrekken, herzien of terugvorderen. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de maatwerkvoorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel.

Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of terugvordering is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). Derde lid In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Vierde lid Van een jeugdige of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp.

Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte maatwerkvoorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de maatwerkvoorziening in te trekken.

Artikel 25 Opschorting betaling uit het pgb Eerste lid In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van het verleningsbesluit. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat:

1. 2. 3.

de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e).

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz. Tweede lid Op grond van het tweede lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de (tijdelijke) opname in het kader van de Wlz. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling.

In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Derde lid Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.

Artikel 26 Voorkomen en bestrijding misbruik, oneigenlijk gebruik en ondoelmatig gebruik Eerste lid Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een maatwerkvoorziening in natura. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden informeert en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Tweede lid

In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Desalniettemin kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11). Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Artikel 27 Controle Eerste, tweede en derde lid Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.

Hoofdstuk 6 Afstemming met andere voorzieningen Artikel 28 Gezondheidszorg en langdurige zorg Wanneer jeugdigen levenslang en levensbreed zorg nodig hebben vallen zij onder de Wlz. Bij jeugdigen is dit echter nog niet altijd makkelijk vast te stellen, omdat zij nog volop in ontwikkeling zijn. Als het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz en de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken, dan hoeft het college geen maatwerkvoorziening toe te kennen (artikel 1.2, eerste lid onder c van de wet). Hierbij staat natuurlijk altijd het belang van de jeugdige voorop. De jeugdige mag nooit het slachtoffer worden van onwillige ouders.

Artikel 29 Gecertificeerde instellingen Op grond van artikel 3.5 lid 1 van de wet behoeft er overleg plaats te vinden tussen de gecertificeerde instelling en het college aangaande de uitvoering van de aangewezen jeugdhulp. De wijze waarop zij dit dienen te overleggen behoren zij volgens lid 3 van artikel 3.5 van de wet vast te leggen in een protocol.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15632973/1