Ruimtelijke onderbouwing Beulekampersteeg 4
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Beulekampersteeg 4 Putten
25-08-2023
Colofon Rapport: Ruimtelijke onderbouwing Beulekampersteeg 4 te Putten Project: 3984BS02 Status: defintief Datum: 25-08-2023
Opdrachtnemer Geling Advies BV Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gelingadvies.nl
Contactpersonen J.W. de Vos Senior Adviseur 0493-597500 jdevos@gelingadvies.nl Drs. S. de Crom Adviseur ruimtelijke ontwikkeling 0493 – 597 500 sdecrom@gelingadvies.nl
© November 2016
Geling Advies
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke Toestemming van Geling Advies. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Geling Advies verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
1
INHOUD 1.1 ALGEMEEN 1.2 AANLEIDING EN DOEL 1.3 PLANGEBIED 1.4 LEESWIJZER 2.1 BOUWGESCHIEDENIS EN RUIMTELIJKE STRUCTUUR 2.1.1 Bouwgeschiedenis 2.1.2 Ruimtelijke structuur 2.2 FUNCTIES 3.1 ONTWIKKELING 3.2 RUIMTELIJKE STRUCTUUR 3.3 FUNCTIES
4 5 5 6 7 7 8 8 10 11 11
4 BELEIDSKADER 4.1 RIJKSBELEID 4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 4.1.3 Nationaal Waterbeleid 4.1.4 Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) 4.1.5 Mestverwerking 4.1.6 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.1.7 Conclusie 4.2 PROVINCIAAL PLANOLOGISCH KADER 4.2.1 Omgevingsvisie Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland 4.2.2 Omgevingsverordening 4.2.3 Kernkwaliteiten Geldersnatuur netwerk en Groene ontwikkelingszone 4.3 GEMEENTELIJK BELEID 4.3.1 Bestemmingsplan 4.3.3 Structuurvisie Putten 2030 4.3.2 Conclusie
13 13 13 14 14 15 15 16 17 18 18 22 25 27 27 29 32
5 UITVOERINGSASPECTEN 5.1 MILIEUASPECTEN 5.2 FYSIEKE ASPECTEN 5.2.1 Externe veiligheid 5.2.2 Water 5.2.3 Natuur
33 33 38 38 40 41
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
2
5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.2.8
Cultuurhistorie Archeologie Mobiliteit Duurzaamheid Leidingen
43 44 46 47 48
6 VERANTWOORDING 6.1 ECONOMISCHE ASPECTEN 6.2 INSPRAAK 6.3 VOOROVERLEG
49 49 49 49
7 BIJLAGEN
50
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
3
1 1.1
INLEIDING ALGEMEEN Loonbedrijf Dekker exploiteert aan de Beulekampersteeg 4 in Putten een rundvee-, varkens-en pluimveehouderij, een loonbedrijf en een mestvergistingsinstallatie. De planopzet is om de veehouderijtak van het bedrijf te beëindigen en de capaciteit van de mestvergistingsinstallatie verder te optimaliseren en beter te benutten. Binnen de inrichting is er vergunning aanwezig voor het verwerken van 24.500 ton dierlijke mest en maximaal 6.000 ton co-producten. Opzet is om de doorzet te verhogen naar maximaal 135.000 ton dierlijke mest en 15.000 ton co-producten. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing op het perceel dan wel van bebouwing waarvoor reeds een omgevingsvergunning bouwen verleend is. Er worden twee nieuwe silo’s en een biofilter gerealiseerd. De toekomstige bebouwing past binnen het huidige bouwvlak en vereist geen bouwkundige aanpassingen aan de reeds bestaande bebouwing. Voor de opvang van loosbaar water uit het proces wordt een infiltratiesloot aangelegd. Op 19 mei 2016 heeft een vooroverleg plaats gevonden met de beleidsmedewerkster en de bestuurder van de gemeente Putten.
Dit heeft geleid tot het opstarten van de diverse onderzoeken, de opstelling van een aanmeldnotitie op grond van het Besluit mer en in 2018 tot het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning en een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming. De aanvraag omgevingsvergunning aspect milieu bevindt zich in de afrondende fase. Met betrekking tot de aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming heeft de provincie Gelderland inmiddels een besluit in ontwerp genomen.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
4
1.2
AANLEIDING EN DOEL Het doel van deze procedure is het verkrijgen van toestemming om de bestaande dan wel de vergunde bebouwing op het perceel te gebruiken ten behoeve van de mestbe- en verwerking met een capaciteit van 150.000 ton per jaar, waarvan 15.000 ton co-producten. Het na de vergisting vrijkomende digestaat wordt verwerkt tot een dikke fractie, een concentraat en loosbaar water die wordt geïnfiltreerd in de bodem binnen de inrichting. Met het toestaan van de mestbe- en verwerking zal de agrarische functie van de locatie komen te vervallen. Alle ten behoeve van de mestbe- en verwerking noodzakelijke bebouwing is reeds aanwezig waarbij voor de betreffende bouwwerken omgevingsvergunningen bouwen aanwezig zijn. Ook past de ontwikkeling binnen het bouwvlak dat in het vigerende plan is toegekend aan het agrarische bedrijf. De noodzakelijke aanleg van een infiltratiesloot vindt buiten het daartoe bestemde bouwvlak plaats. De voor u liggende ruimtelijke onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat de gewenste ontwikkeling passend is in het buitengebied van de gemeente Putten. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt dit nader onderbouwd en gemotiveerd. Door middel van een omgevingsvergunning handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening kan het gewenste gebruik worden toegestaan.
In overleg met de gemeente Putten kan de toekomstige uitbreiding aan de zuidzijde met een nieuw kantoorgebouw ruimtelijk worden igepast.
1.3
PLANGEBIED De planlocatie is gelegen op het perceel plaatselijk bekend als Beulekampersteeg 4 te Putten en is kadastraal bekend onder: gemeente, Putten, sectie F nummer 2785.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
5
1.4
LEESWIJZER In het vervolg van deze toelichting wordt eerst de huidige situatie op de locatie beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het plan beschreven. In hoofdstuk 4 wordt beschreven hoe het plan zich verhoudt tot het beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in hoe het plan zich verhoudt tot de uitvoeringsaspecten, zoals milieu en fysiek. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het juridische kader. Hoofdstuk 7 gaat in op het vooroverleg. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 een overzicht van de bijlagen gegeven.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
6
2
HUIDIGE SITUATIE
2.1
BOUWGESCHIEDENIS EN RUIMTELIJKE STRUCTUUR
2.1.1
Bouwgeschiedenis Het bedrijf is reeds lange tijd op de locatie gevestigd. In 1870 was reeds bebouwing in het gebied gekarteerd. De oudste nu nog aanwezige bebouwing is in 1924 opgericht. De locatie is daarna door de jaren heen flink verder ontwikkeld. De eerste grootschalige ontwikkeling heeft plaatsgevonden in 1969. Daarna heeft het bedrijf in de tweede helft van de jaren 80 een tweede grote uitbreiding doorgevoerd. De laatste uitbreiding is uit 2013.
Figuur 1_______________ Luchtfoto planlocatie, Beulekampersteeg 4 te Putten
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
7
2.1.2
Ruimtelijke structuur In 1870 was reeds sprake van bebouwing in het plangebied. Het landschap is in deze tijd te kenmerken als een oude kampontginning. Kampontginningen zijn nieuwe huiskampen die vanaf het eind van de Middeleeuwen aangelegd werden op iets minder vruchtbare grond aan de rand van het markegebied in het zandlandschap. De kampontginningen in de omgeving van putten zijn kleinschaliger van opzet dan die rondom bijvoorbeeld de gemeente Barneveld. De ligging van de natuurlijke dekzandruggen zijn hierbij bepalend geweest. Het kampenlandschap is een halfopen landschap door de in het verleden aanwezige beplanting op de perceelgrenzen. De beplantingen bestonden vooral uit houtwallen en heggen. Tijdens een gang door dit landschap ziet men hierachter landschapselementen verdwijnen en even later weer verschijnen. Dit landschap is tot halverwege van de vorige eeuw grotendeels in stand gebleven. Onder invloed van de schaalvergroting van de landbouw zijn de houtwallen en hagen voor het grootste deel verdwenen. Ten oosten van het plangebied is nog een gedeelte van de oude beplanting aanwezig. In de huidige situatie heeft het landschap een meer open karakter. De verkaveling laat echter (voor een deel) de structuur van het oude kampenlandschap nog zien.
2.2
FUNCTIES In het vigerende bestemmingsplan Westelijk buitengebied is op het westelijke deel van de locatie een agrarische (intensieve) bestemming gevestigd en op het oostelijke deel is een functieaanduiding loonbedrijf gevestigd.
Figuur 2_______________ Bebouwing op de locatie
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
8
Milieutechnisch vormen de beide takken van agrarische bedrijfsvoering één inrichting. Ten behoeve van dit bedrijf is bebouwing aanwezig. In figuur 3 is de aanwezige bebouwing weergegeven. De werkzaamheden zullen in de toekomst wijzigen. Het zwaartepunt ligt op dit moment bij de veehouderij. Daarbij is als nevenactiviteit mestbe-en verwerking aanwezig. De veehouderij zal beëindigd worden. De nevenactiviteit zal verder ontwikkeld worden tot een volwaardig mestbe- en verwerkingsbedrijf. De verwerkingscapaciteit zal in de toekomst 150.000 ton gaan bedragen. De relatie met het naastgelegen loonbedrijf zal hierdoor nog sterker worden. De locatie wordt omgeven door agrarische gronden, voornamelijk grasland voor de beweiding van melkvee en voor voederwinning. In deze landen liggen verspreid verschillende burgerwoningen. Ten oosten is tevens een kerk gelegen. Tegenover de kerk is een voormalig aquariumbedrijf gelegen, met daarnaast een vleesverwerkingsbedrijf. Deze twee bedrijven zijn gelegen in de kern Huinen. Deze kern kent een sterke functie menging. Naast woningen, komt er detailhandel, recreatie en andere bedrijvigheid voor. Ten zuiden en ten noorden van de bedrijfslocatie zijn agrarische bedrijven gelegen.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
9
3 3.1
PLANBESCHRIJVING
ONTWIKKELING De concrete ontwikkeling van loonbedrijf Dekker is weergegeven op de situatietekening die is opgenomen als bijlage 1. De ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op een functieverandering. De aanwezige en vergunde bebouwing wordt in gebruik genomen ten behoeve van de mestbe- en verwerking. Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. In de onderstaande figuur is de bebouwing met de nieuwe functies benoemd:
Onderstaand is de ligging van het toekomstige kantoorgebouw aangegeven binnen de landschappelijke inpassing die door hoveniers-en ontwerpbureau Stip uit Elspeet is weergegeven:
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
10
F i g RUIMTELIJKE STRUCTUUR u Het u bedrijf is zoals aangegeven gelegen in een gemengd gebied. Landschappelijk is het gebied niet direct te herleiden tot een specifieke r uitstraling die zo typerend is voor de omgeving waarin het bedrijf is gelegen. Beplanting en bossages worden afgewisseld met bebouwing en 3 mais-en grasland. Om het bedrijf is reeds een beplantingslint aangelegd. _ Naast _ het beplantingslint zal nog een infiltratiesloot worden uitgegraven. _ FUNCTIES _ _ De functie van het plangebied zal als gevolg van dit project wijzigen. _ _ _ _ _ _ _ _ _ _
3.2
3.3
Bebouwing op de locatie
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
11
In de huidige planologische aanduiding is het westelijke deel aangeduid als groot agrarisch bedrijf en het oostelijke deel heeft de bestemming specifieke vorm van bedrijf – loonbedrijf en handelbedrijf in agrarische goederen. In 2012 is voor het bedrijf een milieuvergunning verleend voor het in werking hebben van een mestvergistingsinstallatie. In de gewenste situatie vindt de opslag van mest, de be- en verwerking van digestaat en mest in het westelijke deel van de inrichting plaats en vervalt de agrarische functie. Het oostelijke deel behoudt de functie loon- en handelsbedrijf maar hier bevindt zich ook een deel van de mestopslag en wordt de infiltratiesloot aangelegd.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
12
4
BELEIDSKADER
4.1
RIJKSBELEID
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
13
Het Rijk heeft drie doelen geformuleerd en per doel een aantal nationale belangen. Voor deze nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil zij resultaten boeken op de middellange termijn (2028). De provincies dienen deze nationale belangen te verankeren in hun eigen structuurvisies. Via de provinciale belangen en de provinciale Verordening wordt het beleid vastgelegd voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid. De gemeenten zijn vervolgens gehouden om het provinciale kader te vertalen in hun eigen beleid. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het sluitstuk van rijkszijde van het nieuwe stelsel van ruimtelijke ordening, zoals dat in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking is getreden. De eerste tranche, dat in januari 2010 voor advies naar de Raad van State gezonden is, bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. De kaders zijn afkomstig uit PKB’s, Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam. De tweede tranche zou het meer recente rijksbeleid bevatten dat moet doorwerken tot in de ruimtelijke plannen van andere overheden. Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de Barro als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd. Op 30 december 2011 is de Barro in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Op 1 oktober 2012 is de Barro uitgebreid met nieuwe projecten, zoals reserveringen voor infrastructuur. De onderwerpen geregeld in het Barro moeten op provinciaal niveau vertaald worden. Doen de provincies dat niet dan schaden zij de nationale belangen. De Barro werkt in deze hetzelfde als de provinciale verordeningen ruimte voor gemeenten.
4.1.3
Nationaal Waterbeleid In het kader van dit bestemmingsplan geldt onder andere onderstaand beleid op het gebied van water. In het jaar 2000 is de nieuwe Europese ‘Kaderrichtlijn water’ (KRW) in werking getreden. De KRW heeft tot doel de oppervlaktewateren – waaronder ook overgangswater en kustwater – en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen. In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 20092015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
14
Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. De klimaatverandering en de daarmee samenhangende stijging van de zeespiegel, nattere winters en hogere neerslagentiteiten in de zomerperioden vragen een ander waterbeheer in de 21e eeuw en meer ruimte voor water. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten spraken in het Nationaal Bestuursakkoord Water-Actueel (2008) af dat de regionale watersystemen in 2015 op orde moeten zijn. Samenwerking en afstemming tussen de overheden is hierbij erg belangrijk. In het NBW is afgesproken dat water een medesturend aspect is binnen de ruimtelijke ordening en dat het watersysteem ‘op orde’ moet worden gebracht. Dit betekent dat het watersysteem robuust en veerkrachtig moet zijn en moet voldoen aan de normen voor wateroverlast, nu en in de toekomst. De watertoets vormt hierbij een waarborg voor de inbreng van water in de ruimtelijke ordening. Een bijlage bij het NWP is het stroomgebiedbeheerplan (SGBP) voor de Maas.
Dit beheerplan geeft onder meer een beschrijving van het stroomgebied Maas, de doelen voor de oppervlakteen grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden. 4.1.4
Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) In 2001 verscheen de kabinetsnota ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid’, beter bekend als het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). In dit beleidsplan licht het kabinet het te voeren milieubeleid toe. Het NMP4 wil een einde maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen. Want met de huidige manier van produceren en consumeren schuiven we nog steeds onze milieulasten door naar anderen. Volgens het NMP moet het lukken binnen 30 jaar te zijn overgestapt naar een duurzaam functionerende samenleving.
4.1.5
Mestverwerking Met ingang van 1 januari 2014 is het stelsel van verplichte mestverwerking, als onderdeel van de Meststoffenwet, in werking getreden. Op basis van dit stelsel zijn veehouders, die op hun bedrijf meer fosfaat produceren dan zij binnen de gebruiksnormen kunnen aanwenden, verplicht een deel van
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
15
het fosfaatoverschot te verwerken. Doel van de verplichte mestverwerking is het bereiken van evenwicht op de Nederlandse mestmarkt. Het stelsel van verplichte mestverwerking voorziet in de mogelijkheid om het percentage van het overschot dat verwerkt moet worden jaarlijks vast te stellen op basis van actuele gegevens over de nationale fosfaatproductie en de plaatsingsruimte. De nationale fosfaatproductie van de Nederlandse veestapel bedroeg volgens het CBS in 2014 172 miljoen kilogram fosfaat. Dit is net onder het plafond dat is gesteld door Brussel van 173 miljoen kilogram fosfaat. Voor 2015 heeft staatssecretaris Dijksma de verwerkingspercentages als volgt vastgesteld: 50% voor de regio van concentratiegebied Zuid, 30% voor de regio Oost en 10% voor de regio overig. Hierdoor moet in 2015, op basis van de mestverwerkingsplicht, 11 miljoen kilogram fosfaat meer verwerkt worden dan in 2014. Voor 2016 zijn de verplichte mestverwerkings-percentages verder aangescherpt, te weten 55% voor de regio zuid, 35% voor de regio oost en 10% voor de regio noord. Daarnaast is op 25 november 2014 het wetsvoorstel ‘Verantwoorde groei melkveehouderij’ (de Melkveewet) aangenomen. Hierin is wettelijk vastgelegd dat melkveebedrijven die vanaf 2015 een hoger melkveefosfaatoverschot hebben dan in 2013 dit extra overschot voor 100% moeten laten verwerken.
Ook krijgen melkveehouders binnenkort te maken met de AMvB ‘Grondgebondenheid’. Het ontwerpbesluit verplicht melkveebedrijven een deel van de groei van fosfaatproductie op te vangen met extra grond. Door deze van overheidswege opgelegde wettelijk verplichting is een toenemende vraag ontstaan naar de mogelijkheid om mest te be- en verwerken. Om te kunnen voorzien in deze behoefte is de initiatiefnemer voornemens de mestverwerkingscapaciteit te vergroten, zodat er kan worden voldaan aan de wettelijk opgelegde mestverwerkingsplicht. 4.1.6
Ladder voor duurzame verstedelijking lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen (hieronder worden ook functiewijzigingen verstaan) in bestemmingsplannen. Per 1 juli 2017 is het tweede lid gewijzigd en luidt deze als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
16
mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. De eerste vraag is echter: is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Doorwerking plangebied Voordat de ladder duurzame verstedelijking wordt doorlopen, zal beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Alle bebouwing ten behoeve van het toekomstige gebruik is reeds aanwezig dan wel vergund als onderdeel van het agrarische bedrijf. De mestbe- en verwerking is ook reeds als nevenactiviteit op de locatie aanwezig. De wijziging van het gebruik zal geen nieuw ruimtebeslag tot gevolg hebben. Omdat er geen sprake is van nieuw ruimtebeslag kan, conform de jurisprudentie van de Raad van State (zie de uitspraken met zaaknummers: 201310555/1/A1 en 201310814/1/R1), gesteld worden dat de Ladder duurzame verstedelijking niet van toepassing is op onderhavig plan. 4.1.7
Conclusie Het rijksbeleid stelt een verplichting voor verwerking van mest. Daarbinnen past het initiatief. Verder geldt dat een watertoets uitgevoerd dient te worden. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.2.1 water. Aan de ladder duurzame verstedelijking wordt voldaan.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
17
4.2
PROVINCIAAL PLANOLOGISCH KADER
4.2.1
Omgevingsvisie Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland Omgevingsvisie van de provincie Gelderland. De Omgevingsvisie is geactualiseerd 19 december 2017 en op 4 januari 2018. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen en in de Omgevingsverordening de regels. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de nieuwe Omgevingsvisie. De hoofddoelen van de visie zijn: een duurzame economische structuurversterking. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. De provincie gaat daarbij uit van: sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken. een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan. Om de doelen in beleid te vertalen, hanteert de provincie drie aandachtsgebieden: Dynamisch, Mooi en Divers Gelderland.
Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, zijn Provinciale Staten bevoegd om bij of krachtens verordening regels te stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
18
toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud beheersverordeningen (artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening).
van
Voor dit plan, is gezien de ligging, het onderwerp Vitaal platteland van belang. Vitaal platteland Voor een vitaal platteland is het streven om gebruik te maken van de kansen die zich aandienen en voortkomen uit de bijzondere kwaliteiten van elk gebied. De provincie ondersteunt de regio's om hun eigen kracht te benutten bij het inspelen op veranderingen. De grootste opgaven voor een vitaal platteland zijn de transitie in de landbouw, demografische transitie en het bieden van ruimte aan energietransitie. De omwenteling op het platteland vraagt om ruimte voor nieuwe economische dragers voor een gezond economisch toekomstperspectief voor de mensen. De provincie zoekt met partijen naar een goede balans tussen duurzame economische structuurversterking en het borgen van unieke, streekeigen kwaliteiten. De landbouw – de grootste grondgebruiker – moet verduurzamen en er is meer aandacht gewenst voor dierenwelzijn, volksgezondheid, milieu en landschappelijke inpassing. Met partners zorgt de provincie voor het realiseren en onderhouden van het Gelders Natuurnetwerk. Provincie en partners kijken daarbij over provinciale en landsgrenzen heen. Voor een vitaal platteland is van groot belang het borgen van de kwaliteit van natuur en landschap, het groene kapitaal van Gelderland. Initiatieven op het platteland bieden kansen die kwaliteit verder te ontwikkelen en benutten.
Mensen worden daartoe uitgenodigd. Voor mensen is het belangrijk dat ze een goede toegang hebben tot kwalitatief goede voorzieningen. Daarbij is digitale bereikbaarheid in specifieke situaties een alternatief voor fysieke bereikbaarheid. Plattelandsgemeenten staan voor moeilijke keuzen. De provincie loopt samen met hen op opdat partners in staat worden gesteld hun verantwoordelijkheid te nemen en met de inzet van middelen goed aansluiten bij de behoefte van burgers en ondernemers. Uitdaging is om vast te stellen voor het bereiken van welke doelen en in welke situaties wederzijds vertrouwen bestaat in de zelfredzaamheid en het zelforganiserend vermogen van burgers. De invulling van het begrip bereikbaarheid is een onderwerp om verder uit te werken in deze context:
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
19
wat betekenen de keuzen voor de bereikbaarheid van werk en de locaties en bereikbaarheid van scholen en voorzieningen? Het doel van de energietransitie is komen tot CO2-reductie en om minder afhankelijk van fossiele brandstoffen te zijn. En hierbij in te zetten op meer hernieuwbare vormen van energie, zoals: zonne-energie; aardwarmte; wind-energie; energie uit biomassa. Deze vormen van energieopwekking vragen veel ruimte en bieden kansen voor stedelijke en plattelandsontwikkeling. Daarnaast biedt ook de biobased economy nieuwe kansen voor de toekomst. In dit geval is sprake van een het winnen van energie uit biomassa. De locatie is gelegen in de regio Noord-Veluwe. Kenmerkend voor de regio Noord-Veluwe zijn: rust en ruimte; afwisselend landschap: water, boerenland, steden, dorpen, bos en hei; een rijke cultuurhistorie; gastvrijheid en mensen die omzien naar elkaar; de recreatieve en toeristische sector en zorg; goede verbindingen met omringende regio's.
De opgaven waar de regio voor staat: Economische ontwikkeling is motor van de regio: versterking van de recreatieve en toeristische sector, innovatie in het bedrijfsleven, vasthouden en versterken van zorgondernemers, een toekomstbestendige agrarische sector; Behouden, versterken en benutten van bestaande kwaliteiten: natuur, landschappen, water, gemeenschappen, steden en dorpen; Verbinden van leefbaarheid in kernen met natuurgebieden en het waterlandschap; Ruimte bieden aan ondernemers om een passend aanbod te ontwikkelen op deze opgaven. De provincie en haar partners streven in de regio naar:
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
20
De inzet van de gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers en provincie is nodig om in te spelen op de opgaven in de Noord-Veluwe. De gezamenlijke inspanningen richten zich op vier speerpunten: Gastvrije regio Veluwe als merk versterken; doorontwikkelen tot dé fietsregio van Nederland; bestaande kwaliteiten beter benutten. Zorgzame regio van zorgen voor naar zorgen dat; dwarsverbanden zoeken in zorgsectoren met sociale en economische activiteiten; een passend woonaanbod voor elke leeftijdsfase en doelgroep; duurzame participatie arbeidsmarkt. Duurzame regio inzet op groene economie en duurzame energiehuishouding; versnelling van de energietransitie; duurzame mobiliteit. Bereikbare regio bereikbare voorzieningen en leefbare kernen; goede ontsluiting van het groene gebied voor recreanten met respect voor de omgeving; goede bereikbaarheid van werklocaties, per auto en met goed openbaar vervoer; garanderen van goede verbindingen met omliggende regio's; verbeteren en stimuleren van de binnenvaart. In het kader van het bovenstaande valt dit project binnen het streven naar een duurzame regio door middel van het versnellen van de energietransitie. Met het project wordt immers uit biomassa energie gewonnen. Daarbij draagt het bedrijf, door middel van het be- en verwerken van mest, bij aan het toekomstbestendige agrarische sector.
Mestbe- en verwerking is verplicht voor veehouderij. Het centraal verwerken van de mest maakt dat dit efficiënter kan. Bovendien zijn er voor
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
21
de individuele agrarische ondernemer geen grote investeringen mee verbonden. Dit draagt bij een het voortbestaan van deze sector. 4.2.2
Omgevingsverordening Op 24 september 2014 heeft de provincie Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Vervolgens is deze op 19 december 2017 en op 4 januari 2018 geactualiseerd. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. In deze verordening is bepaald dat het tijdstip waarop een bestemmingsplan in elk geval in overeenstemming met deze Omgevingsverordening moet zijn vastgesteld, wordt gesteld op de eerste dag nadat twee jaar na inwerkingtreding van deze verordening is verstreken. Indien de gemeenten niet binnen deze termijn hun bestemmingsplannen in overeenstemming met deze verordening vaststellen, gelden de regels van deze verordening in principe rechtstreeks. Tot die tijd gelden de bestaande planologische rechten. De omgevingsverordening geeft regels ten aanzien van de mogelijkheden voor biomassavergistingsinstallaties, mestbewerkingsinstallaties en mestverwerkingsinstallaties. Deze regels zijn opgenomen in artikel 2.65. De voorwaarden luiden als volgt: Artikel 2.65 locaties voor installaties mestbewerking en mestverwerking
voor
biomassavergisting,
1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het landelijk gebied maakt de vestiging van een biomassavergistingsinstallatie, mestbewerkingsinstallaties en mestverwerkingsinstallatie alleen mogelijk als de installatie in hoofdzaak gebruik maakt van biomassastromen uit de directe omgeving en landschappelijk en infrastructureel goed wordt ingepast. 2. Een bestemmingsplan kan vestiging van een biomassavergistingsinstallatie, mestbewerkingsinstallatie of mestverwerkingsinstallatie, die niet in hoofdzaak gebruik maakt van biomassastromen uit de directe omgeving mogelijk maken binnen het
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
22
landelijke gebied. De toelichting bij het bestemmingsplan motiveert de locatiekeuze op basis van de volgende voorkeursvolgorde: a.
op of grenzend aan een bedrijventerrein, een glastuinbouwgebied of locaties bij soortgelijke bedrijven, zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties of mestverwerkers die op een solitaire bedrijfslocatie zijn gevestigd;
b. op of aansluitend op bestaande agrarische bouwpercelen van een agrarisch bedrijf, van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf of een vrijkomende agrarische locatie in overig agrarisch gebied. In het navolgende wordt op deze voorwaarden ingegaan: De mestbe- en verwerking wordt gerealiseerd op een locatie waar nu nog een agrarisch bedrijf aanwezig is. Bij dit bedrijf is mestbe- en verwerking als nevenactiviteit aanwezig. Het agrarische bedrijf stopt, waarmee de locatie aan te merken is als een vrijkomende agrarische locatie. Hiermee past valt het onder lid 1 van dit artikel. Ad a. De grondstoffen ten behoeve van de mestbe-en verwerking worden voor 85% uit de Food Valley en voor 13% vanuit gemeenten in de NoordVeluwe betrokken. Het streven is om dit zoveel mogelijk uit de omgeving te doen. Het is echter ook zo dat het hier om een proces gaat wat constant in beweging moet zijn qua procesbiologie. Daarnaast is een dergelijke installatie te kostbaar om niet constant in werking te zijn; een klein deel wordt dan ook buiten de genoemde gebieden betrokken. In het in 2011 gepubliceerde “Afwegingskader ruimtelijke inpassing biomassa-initiatieven regio Noord-Veluwe” is aangegeven wat kansrijke zoekzones zijn voor mestbe-en verwerkende bedrijven. Het bedrijf van Dekker is hierbij in een gunstige zone gelegen:
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
23
Omdat nog steeds een tekort is aan mestbe-en verwerkingscapaciteit in de provincie Gelderland zeker met de hoge technologische en kostbare uitvoering als bij loonbedrijf Dekker is het een logische stap om van de huidige vergisting op te schalen en ook het digestaat te verwaarden dan wel uit de regio (aangrenzende gemeenten) in de provincie Gelderland (91% van huidige hoeveelheid verwerkte biomassa/mest). In de provincie Gelderland is op dit moment een tekort aan mestverwerkingscapaciteit. In het uitvoeringsprogramma Regio Foodvalley 2016-2019 is het volgende opgenomen met betrekking tot mestbe-en verwerking: “Versterken plattelandseconomie in combinatie met duurzaamheid. Gezocht wordt naar de mogelijkheden om projecten te faciliteren die bijdragen aan de biobased economy en het sluiten van kringlopen. We willen de mogelijkheid van mestverwerking en/of mestbewerking waar nodig aanvullend planologisch uitwerken en kennis en innovatie dichter bij elkaar brengen. Innovaties kunnen uitgroeien tot nieuwe exportproducten.”
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
24
Beleidsmatig wordt nagedacht over hoe circulaire landbouw toe te passen in de regio; een initiatief als deze past goed in het denken over circulaire landbouw. Ad b. De vergisting van de mest en de be-en verwerking van het digestaat en de mest vindt plaats in de bestaande bebouwing. 4.2.3
Kernkwaliteiten Geldersnatuur netwerk en Groene ontwikkelingszone De locatie is gelegen in de Gradiënt Veluwe – Randmeren. De kwaliteiten van dit deelgebied vanuit natuur een landschap zijn als volgt: Gradiënt Veluwe - Randmeren: droog - nat, voedselarm - voedselrijk, gesloten - open; kwel uit de Veluwe evz Veluwe - Flevoland langs de Volenbeek en Oud-Groevenbeek strandwallen langs de vroegere Zuiderzee, hier geheel tracé van de A28 rietmoerassen langs de kust karakteristieke openheid en weidevogels dicht langs de kust leefgebied steenuil leefgebied kamsalamander kleinere beken landgoederen in de gradiënt kleinschalig landschap langs de voet van de Veluwe; houtsingels en graslanden leefgebied das verspreide bebouwing alle door de Flora- en faunawet of Natuurbeschermingswet beschermde soorten en hun leefgebieden in dit deelgebied. Aardkundige waarden Stuwwal van de noordwestelijke Veluwe; Het Spiek In het gebied is sprake van een gebied met een waardevolle verkaveling. Het landschap is niet aangemerkt als een parel. Verder is in het gebied geen sprake van natte landnatuur.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
25
Binnen het gebied zijn verschillende ontwikkelingsdoelen welke worden nagestreefd. Dit zijn: Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap GNN (omvorming, natuurontwikkeling) ontwikkeling bosranden, houtwallen en -singels, schrale graslanden en moeraszones Ontwikkelingsdoelen natuur en landschap Groene Ontwikkelingszone ontwikkeling evz Veluwe - Flevoland: houtwallen en -singels, schrale graslanden en moeraszones ontwikkel de openheid langs de kust ontwikkeling landgoederen ontwikkel de rietmoerassen langs de kust tot een zoveel mogelijk aaneengesloten strook ontwikkel het kleinschalig landschap langs de voet van de Veluwe; houtsingels, beken en (schrale) graslanden verminderen barrièrewerking A28 Het project vindt plaats in bestaande bebouwing. De bestaande bebouwing is omgeven door een groenwal met hogere beplanting. Het bedrijf is gelegen in een gebied met diverse bosaanplant en is omgeven door bosranden:
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
26
Luchtfoto omgeving Beulekampersteeg 4.
4.3
GEMEENTELIJK BELEID
4.3.1
Bestemmingsplan Voor de locatie vigeert het bestemmingsplan “Westelijk Buitengebied”, zoals vastgesteld op 3 juli 2014 bij besluit van de gemeenteraad van Putten en het bestemmingsplan ‘Veegplan Westelijk Buitengebied’, zoals vastgesteld op 14-10-2018 door de gemeenteraad van Putten. De locatie is bestemd als ‘Agrarisch’ en voorzien van een bouwvlak met aan de westelijke zijde de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch groot agrarisch bedrijf’ en ‘intensieve veehouderij’. Het oostelijke deel heeft de functieaanduiding “loonbedrijf en handelsbedrijf in agrarische produkten”.De locatie is aangemerkt als gelegen in de gebiedsaanduiding ‘overige zone – intensief rood zwermgebied’. Tot slot kent de locatie de dubbelbestemmingen ‘waarde – archeologie 2’ en ‘waarde – archeologie 3’:
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
27
Het oostelijke deel van de locatie is bestemd als “Bedrijf” met de functieaanduiding “Specifieke vorm van bedrijf - loonbedrijf en handelsbedrijf in agrarische producten’. Daarnaast zijn aan dit deel van de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – intensief rood zwermgebied’ toegekend. Binnen de huidige bestemming is het in werking zijn van een mestbe-en verwerkingsinstallatie met een capaciteit van meer dan 36.000 ton per jaar niet mogelijk volgens het huidige bestemmingsplan. Op het bedrijf is reeds vergunning aanwezig voor de vergisting van 36.000 ton mest en coproducten. In overleg met de gemeente is aangegeven dat meewerking aan het plan kan worden verleend middels een projectafwijkingsbesluit. In een sterk landbouwgebied waar binnen het bedrijf is gelegen met voldoende aanvoermogelijkheden en ook gelet op het feit dat hier reeds een installatie is gevestigd, heeft de gemeente aangegeven mee te willen werken aan het plan mits aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen die wettelijk worden gesteld. Een dergelijk plan vereist maatwerk. In het bestemmingsplan zit verder een afwijkingsbevoegdheid voor het verwerken van biomassa welke niet afkomstig is van de landbouw.
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en Bijlage 2 Overzicht niet-agrarische functies voor het toestaan van een input van maximaal 25.000 ton per jaar grassen en andere gewassen ten behoeve van verwerking van biomassa uit natuur- en landschapsbeheer en landbouw tot agrarische producten en fermentatieproducten (grasraffinage) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - duurzame energie', mits er geen sprake is van een onevenredige hinder voor gebruikers van de omliggende gronden door de toename van het aantal verkeersbewegingen. Binnen de bestemming Bedrijf is het ten behoeve van het loonbedrijf reeds mogelijk om mest op te slaan. Er zijn wijzigingsbevoegdheden in het plan om over te schakelen naar nietagrarische bedrijvigheid, maar daarmee dient altijd sloop samen te hangen. Dit is niet gewenst. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de gewenste omzetting van het bedrijf te realiseren.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
28
4.3.2
Structuurvisie Putten 2030 Naast het bestemmingsplan heeft de gemeente meer generiek beleid vastgelegd in een structuurvisie, de Structuurvisie Putten 2030. De gemeente staat positief tegenover het opwekken van duurzame energie in de vorm van mestvergisting. Ingezet wordt op het, binnen de milieutechnische kaders, meer ruimte aan duurzame combinaties van teelten en/of dierhouderijen die aanvullend op elkaar werken en waar ook het optimaal benutten van energie of het winnen van energie onderdeel van kan uitmaken. Met name in de landbouwontwikkelingsgebieden kan hiervoor ruimte worden geboden. Belangrijke voorwaarde is dat de landschappelijke kenmerken niet verstoord worden. Hiervoor is in 2011 door de gemeenten in de regio Noord-Veluwe het 'Afwegingskader Ruimtelijke inpassing biomassa-initiatieven regio Noord-Veluwe' opgesteld. Biomassa is een van de belangrijke hernieuwbare bronnen ter vervanging van fossiele brandstoffen. Belangrijke voorwaarde is dat de landschappelijke kenmerken niet verstoord mogen worden en dat mestbeen verwerking in principe passend is binnen het beleid van gemeente. Hierbij zal het initiatief passend moeten zijn binnen het kader dat is vastgelegd in het 'Afwegingskader Ruimtelijke inpassing biomassainitiatieven regio Noord-Veluwe'.
In dit beleid is de locatie gelegen binnen een gebied waar mestvergisting in principe overweegbaar is, meer precies, binnen ‘zoekzone Biomassa’. Om te bepalen of een initiatief passend is in het beleid, is het van belang te weten wat de capaciteit van de installatie wordt. De installatie krijgt een capaciteit van meer dan 36.000 ton per jaar, namelijk 150.000 ton per jaar. Voor deze initiatieven wil de regio kansen creëren binnen 'zoekzones biomassa' (geel op de onderstaande kaart). Deze zoekzones omvatten een strook van 200 meter diep grenzend aan bedrijventerreinen, vestigingsgebied voor glastuinbouw en bestaande locaties van RWZI's en mestverwerkers (KGBI's), voor zover liggend in de groene en geel-oranje gebieden. Hier zijn de infrastructurele voorzieningen en energieafzetmogelijkheden doorgaans gunstig voor initiatieven van een zekere schaalgrootte, zonder dat deze initiatieven direct conflicteren met de ruimtebehoefte van bedrijven op de reeds bestemde terreinen. Bij deze schaalgrootte van installaties is de aan- en afvoer van biomassa doorgaans niet tot het grondgebied van een gemeente beperkt. Geschikte locaties kunnen zich dan ook op subregionaal niveau voordoen, d.w.z. in de gemeente waarin zich het zwaartepunt van de biomassalogistiek voordoet
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
29
en in de buurtgemeenten. De locatie is gelegen binnen een dergelijke gebied (zie ook figuur 4). In het beleid is een nadere onderbouwing gegeven wat gezien wordt als eigen mest. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt conform de Handreiking categorieën A, B, C en D onderscheiden: a. Het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat (de co-vergiste mest) wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt. b. Het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt, of naar derden afgevoerd. c. Het bedrijf verwerkt aangevoerde mest geproduceerd door derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat (de co-vergiste mest) wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt. d. Het bedrijf verwerkt aangevoerde mest van derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt als meststof afgeleverd aan derden.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
30
Figuur 4________________ Uitsnede kaart behorende bij Afwegingskader Ruimtelijke inpassing biomassa-initiatieven regio Noord-Veluwe
Locatie Beulekampersteeg 4 Putten
A, B en C gelden als bedrijfseigen. De regio voegt aan het begrip bedrijfseigen categorie D toe voor zover en indien het gaat om lokaal gevestigde loonbedrijven en mesttransporteurs die mest willen vergisten die ook zonder de realisatie van de vergistingsinstallatie het bedrijf zou passeren in de vorm van op- of overslag ('Dloon'). Het bedrijf is in dit geval aan te merken als een categorie D bedrijf. Hiermee kan gesteld worden dat het initiatief voldoet aan het toetsingskader en hiermee binnen het beleid uit de structuurvisie past. 4.3.3
Duurzaamheid Putten heeft de ambitie om in 2050 een klimaatneutrale gemeente te zijn. Eerder stelde de gemeente al een gemeentelijk beleidskader op waarin deze ambitie is vastgelegd. Samen met 7 gemeenten op de Noord-Veluwe is een (regionale) routekaart opgesteld hoe deze ambitie te realiseren. De gemeente Putten vindt een duurzame leefomgeving belangrijk. In april 2017 stemde het college in met een onderzoek naar de mogelijkheden voor (grootschalige) duurzame energie opwekking in Putten. Bureau Over Morgen voerde deze verkenning voor de gemeente uit. Op basis van deze
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
31
verkenning is een gemeentelijk beleidskader voor grootschalige energieopwekking opgesteld en is een pilot gestart. Samen met bewoners en ondernemers zoeken we naar kansrijke locaties voor zonnevelden, windturbines en kijken we ook naar kansen voor de omzetting van biomassa. Nederland is opgedeeld in energieregio’s en per regio wordt een strategie uitgewerkt om de energiedoelstellingen te halen. Putten werkt samen met gemeenten op de Noord-Veluwe. Samen is er een plan (de RES) opgesteld. Dit plan vertelt wat de komende 10 jaar in de regio plaats zal vinden om met name ook de uitstoot van CO2 te verlagen. Momenteel vindt er een pilot plaats om het aanbod van te vergisten biomassa en de vraag naar hernieuwbaar gas en vrijgekomen warmte in beeld te brengen. 4.3.4
Conclusie Het bestemmingsplan biedt niet de mogelijkheid om rechtstreeks de vergroting en de mestverwerking mogelijk te maken. Om deze reden zal vrijstelling van het bestemmingsplan moeten worden verleend om het gebruik van de gronden als mestbe- en verwerking mogelijk te maken. Het beleid van de gemeente Putten biedt mogelijkheden voor vrijstelling.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
32
5 5.1
UITVOERINGSASPECTEN
MILIEUASPECTEN Op 4 april 2018 is naar aanleiding van het vooroverleg met de gemeente Putten een eerste fase aanvraag omgevingsvergunning ingediend. De eerste fase heeft betrekking op de milieuaspecten. Naast de aanvraag omgevingsvergunning eerste fase is bij de provincie Gelderland op 4 april 2018 een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming ingediend. Onderstaand worden kort samengevat de conclusies van de belangrijkste milieuaspecten uit de eerste fase aangegeven: Geur Uit de rapportage van het uitgevoerde geuronderzoek is gebleken dat in de gewenste situatie wordt voldaan aan de richtwaarden uit het toetsingskader conform het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het bedrijf is gelegen in het buitengebied dat een karakter heeft van een agrarische werkomgeving: op grond van het geurbeleid van de provincie Gelderland geldt een richtwaarde van 5 bij een 98 percentielwaarde, een richtwaarde van 10 bij een 99,5 percentielwaarde en een richtwaarde van 20 bij een 99,9 percentielwaarde. Hieraan wordt in de gewenste situatie voldaan. De lucht uit de loods waar de mestbe-en werking plaatsvindt wordt door middel van een luchtwasser gereinigd; de interne opslag binnen deze loods wordt door een groot biofilter geleid.
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
33
Geluid en vervoer Ten behoeve van de aanvraag is een onderzoek ingesteld naar de toekomstige geluidsbelasting op omliggende gevoelige bestemmingen als gevolg van de gewenste en aangegeven activiteiten. Uit de rapportage van het onderzoek blijkt dat een beperkt aantal overschrijdingen plaatsvindt. Ter plaatse van nabij gelegen woningen van derden kan worden voldaan aan de te stellen grenswaarden ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Ter plaatse van de toetspunten op 50 meter en enkele woningen vinden wel overschrijdingen plaats van de richtwaarde, met name in de nachtperiode tijdens de representatieve bedrijfssituatie en in de dagperiode tijdens de incidentele bedrijfssituatie. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de transportbewegingen met tractoren en vrachtwagens, het lossen van mest en laden van percolaat. De grenswaarde wordt hierbij zoals hiervoor gesteld niet overschreden. Het maximale geluidsniveau voldoet aan een etmaalwaarde van 70 dB(A) ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie. Uitgezonderd hierop betreft de nachtperiode ter hoogte van de woningen aan de Veldwijkweg 19 en 21. De overschrijding bedraagt ten hoogste 4 dB(A) en op zondagen
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
34
in de avond en nachtperiode met ten hoogste 4 dB(A). De overschrijding wordt veroorzaakt door het optrekken en afremmen van voertuigen ter hoogte van de in-/uitrit. Ten tijde van de incidentele bedrijfsactiviteit vinden overschrijdingen plaats van de richtwaarde. De overschrijding wordt veroorzaakt door het geluid van de transportbewegingen met tractoren. De grenswaarde wordt niet overschreden; op grond van het uitgevoerde onderzoek is de gewenste situatie motiveerbaar en vergunbaar. In de rapportage zijn met de berekening van de indirecte hinder de woningen Beulekampersteeg 7 en Veldwijkweg 21 als maatgevend beschouwd. Beide woningen liggen het dichtst bij de ontsluitingsweg: uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de eisen met betrekking tot de indirecte hinder. Luchtkwaliteit De procedure om toestemming op grond van de Wet natuurbescherming is door middel van een aparte aanvraag losgekoppeld aan de aanvraag om omgevingsvergunning. Op dit moment is de toestemming nog niet verleend maar de verwachting is dat het ontwerp van deze vergunning binnenkort verleend kan worden. Uit de depositieberekening blijkt dat ten opzichte van de vergunde situatie sprake is van een afname ten opzichte van de vergunde situatie.
Uit de berekening van het projecteffect volgt echter wel dat de wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie zodanig zijn, dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming aangevraagd moet worden. Afvoer effluent Ondanks het feit dat verdergaande reinigingstechnieken toegepast worden op de dunne fractie waarbij qua gehaltes sprake is van een “schoon effluent” heeft het Waterschap Vallei en Veluwe aangegeven dat lozing zowel via het oppervlaktewater als via de riolering niet uitvoerbaar is. In overleg is aangegeven dat een infiltratiesloot zal worden aangelegd waarop het effluent kan worden afgevoerd zodat dit uiteindelijk in de bodem bezinkt. Toepassing BBT Op het bedrijf wordt een overschotproduct van derden be-en verwerkt tot energie, een mineralenconcentraat en een effluent. De wijze van mest-en digestaatbewerking waarbij omgekeerde osmose en ionenwisseling
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
35
toegepast worden, is te omschrijven als BBT. Met betrekking tot de reductie van geur zijn de luchtwasser en het biofilter als BBT te beschouwen. Op dit moment wordt het digestaat dat naar belangstellenden wordt afgevoerd en gebruikt als een structuurrijke meststof met een geconcentreerd fosfaatgehalte gehygiëniseerd waarbij gebruik wordt gemaakt van propaangas. Als geheel genomen zou de mestbe-en verwerking van mest zoals hier wordt toegepast en uitgevoerd als BBT dienen te worden beschouwd vanwege de verwaarding van een restproduct waardoor het proces past in de gedachte van de circulaire landbouw. Te hanteren afstanden op grond van de planologische inpassing De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ welke is opgenomen in de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van maart 2009. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze ‘Staat’ kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze staat gerangschikt.
Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevant milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel aangehouden moet worden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - Het betreft ‘gemiddelde’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; - De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype ‘rustige woonwijk, rustig buitengebied’ of vergelijkbare omgevingstypen; - De richtafstanden bieden in het beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de afstand: -
Categorie 1: grootste afstand 10 meter;
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
36
-
Categorie 2: grootste afstand 30 meter;
-
Categorie 3.1: grootste afstand 50 meter;
-
Categorie 3.2: grootste afstand 100 meter;
-
Categorie 4.1: grootste afstand 200 meter;
-
Categorie 4.2: grootste afstand 300 meter;
-
Categorie 5.1: grootste afstand 500 meter;
-
Categorie 5.2: grootste afstand 700 meter;
-
Categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter;
-
Categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een dergelijk geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Voor het beoordelen van de milieucategorie kunnen de activiteiten hoofdzakelijk in twee categorieën ingedeeld worden; mestbewerking en loonwerk. De activiteiten loonwerk en transport kunnen volgens het SBI onderverdeeld worden in de categorie 3.1 ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw, algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m2 . Bedrijfsmatig worden schone stoffen (zand, grond (klasse AW en klasse Wonen) en grind opgeslagen. Aan de aan te houden afstanden voor geur, stof, geluid en gevaar wordt voldaan. Mestbewerking valt onder categorie 3 of 5 afhankelijk van de soort bedrijvigheid. In de richtlijn afstandentabel van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG is onder SBI-code 35 B1 aangegeven dat het vergisten, verbranden en vergassen van mest en dergelijke onder categorie 3.2 valt. Mestverwerking of een korrelfabriek valt met SBI-code 382 A1 onder categorie 5.1. Gekeken naar deze SBI-code wordt hier uitgegaan van ‘behandeling van afval’.
In de Kaderrichtlijn Afvalstoffen is in Artikel 2 opgesomd wat er buiten de toepassing van de richtlijn valt. Dierlijke uitwerpselen zijn volgens deze kaderrichtlijn geen afvalstof. Er is sprake van ten hoogste een categorie 3-activiteit. De SBI-codering nr. 382
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
37
(milieucategorie 5.1) van de VNG-brochure (9002.2) is in dit plan niet van toepassing; deze codering is voor bijvoorbeeld kunstmeststoffenfabrieken bestemd. Milieucategorie 3.2 gaat in op covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, GFT en reststromen voor de voedingsindustrie (SBI-codering nr. 35, nr. B1). De maximale afstandseis is 100 meter (zie ook de daaropvolgende categorie “vergisting, verbranding en vergassing van overige biomassa”, SBIcodering nr. 35, nr. B1). Gesteld op de aanwezige functies in de nabijheid van het plangebied gelegen in de nabijheid aan de N303 en de situering van woningen en agrarische bedrijven rondom de Beulekampersteeg 4 moet worden gesproken van een rustig buitengebied. De aan te houden afstand kan bepaald worden tot categorie 3.2 (100 meter). De voorkeursafstand van 100 meter heeft betrekking op de milieufactoren geur en geluid; stof en gevaar komen niet boven de 50 meter. Voor zowel geur als geluid is bij onderhavig plan een onderzoek bijgevoegd. Onderhavig plan voldoet aan de gestelde voorkeursafstanden. De meest nabijgelegen woning van derden aan de Veldwijkweg 21 is gelegen op circa 110 meter vanaf de loods van de mestopslag, mestbe-en verwerking. Deze tweede fase heeft betrekking op Handelingen in strijd met regels RO.
Het doel is het verkrijgen van toestemming om de bestaande dan wel de vergunde bebouwing op het perceel te gebruiken ten behoeve van de mestbe- en verwerking met een capaciteit van 150.000 ton per jaar, waarvan 15.000 ton co-producten.
5.2
FYSIEKE ASPECTEN
5.2.1
Externe veiligheid Onderhavige inrichting is op de risicokaart van Nederland niet nader aangeduid. De activiteiten op onderhavige locatie zijn dan ook niet van invloed op de omgeving, ten aanzien van de externe veiligheid. Ten aanzien van de mestbe- en verwerkingsinstallatie geldt het volgende: Voor een biogasopslag tot 4.000 kubieke meter (met een H2S-gehalte onder 1%) is in normale omstandigheden een veiligheidsafstand van 50 meter voldoende, gerekend vanaf het midden van de biogasopslag. Dit is dezelfde afstand die ook geadviseerd wordt bij zonering in het bestemmingsplan. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen liggen. Indien mogelijk moet ernaar
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
38
gestreefd worden dat binnen die afstand ook geen beperkt kwetsbare objecten liggen, zeker bij oprichting van een nieuwe installatie. Ook moet ernaar gestreefd worden dat de PR 10-6 contour niet buiten de grens van de inrichting komt te liggen. De afstand van de installatie tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten bedraagt meer dan 50 meter. De risicocontour komt niet over de in de omgeving aanwezige risico gevoelige objecten. Hierbij wordt opgemerkt dat de eigen bedrijfswoning niet als kwetsbaar object wordt aangemerkt en vanuit het milieuspoor niet beschermd wordt. Ook in de toekomstige situatie zal er op het terrein geen sprake zijn van de opslag van gevaarlijke stoffen of van activiteiten welke op een andere wijze van invloed zijn op de externe veiligheid in de omgeving. In de omgeving zijn verder enkel agrarisch bedrijven gelegen waarvoor een milieuvergunning is afgegeven. Deze inrichtingen hebben geen risicocontour. Ook voor de andere functies in de omgeving geldt dat er geen sprake is van de aanwezigheid van een risicocontour, door activiteiten welke van invloed zijn de op de externe veiligheid. Via de oostelijk gelegen N303 kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd; zou dit niet het geval zijn, zou het nabijgelegen transportbedrijf een klein probleem hebben met haar vervoer. Figuur 5________________ Uitsnede risicokaart
Ruimtelijke onderbouwing, Beulekampersteeg 4, Putten
39
5.2.2
Water Als gevolg van de bedrijfsactiviteiten (be-en verwerking van mest, digestaat en co-producten) zal per jaar circa 100.000 m3 loosbaar water vrijkomen en op de aan te leggen infiltratievoorziening worden geloosd. Het maximaal debiet dat bij de bedrijfsactiviteiten vrij komt bedraagt circa 12 m3/uur. De toekomstige infiltratievoorziening krijgt een minimale omvang van 552 m3 (LxBxH : 230 m x 2 m x 1,2 m). Op basis van deze kengetallen is in de toekomstige infiltratie- c.q. bergingsvoorziening voldoende berging aanwezig om het vrijkomende proceswater, zelfs bij een langdurige maximale belasting, te verwerken. Tevens is in de voorziening voldoende berging beschikbaar om naast het vrijkomende proceswater tevens een bui T=10 te verwerken. Afvoer van het effluent via de riolering of het oppervlaktewater bleek niet mogelijk; hierover is contact geweest met het Waterschap Vallei en Veluwe. Afvoer van het effluent zal via de infiltratiesloot naar de bodem plaats vinden. In verband met de afvoer van loosbaar water is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebied specifieke aandachtspunten voor water.