CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

RSW 1.0 Noord Veluwe - 2021 04 21

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente PuttenBij agendapunt: RES 1.017.761 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

21 april 2021

Regionale Structuur Warmte 1.0 Regio Noord-Veluwe

Colofon RSW 1.0 Noord-Veluwe © RES-regio Noord-Veluwe Contact: Marnix Brongers (Procesregisseur RES Noord-Veluwe - adviesbureau Over Morgen): marnix.brongers@overmorgen.nl Vormgeving en fotografie: Inzpire design & communicatie, Harderwijk Eindredactie: Ingrid Giebels (Over Morgen) De RES-regio Noord-Veluwe is een samenwerkingsverband van zeven Noord-Veluwse gemeenten, provincie Gelderland, waterschap Vallei en Veluwe en netbeheerder Liander.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

Voorwoord Beste lezer, Voor u ligt de Regionale Structuur Warmte (RSW) voor de Noord-Veluwe; een eerste stap naar een aardgasvrije toekomst. Hier vindt u antwoord op de vragen: Hoeveel warmte hebben we met zijn allen nodig in de regio Noord-Veluwe? Welke warmtebronnen zijn er in ons gebied nu we aardgas niet langer willen gebruiken? Waar wordt warmte geproduceerd die we als duurzame warmtebron kunnen gebruiken? Van welke warmtebronnen willen we de potentie nader onderzoeken? En tot slot: via welke infrastructuur komt die warmte op de gewenste plek? We brengen dit in kaart om in 2050 klimaatneutraal te zijn in de regio Noord-Veluwe. Een nieuwe warmtevoorziening zonder aardgas maakt daar deel van uit. Ook werken we samen aan een strategie voor opwek van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (Regionale Energie Strategie, RES). Deze RSW is zowel een mijlpaal als een eerste stap. Een mijlpaal omdat dit eerste inzicht in belangrijke bronnen het resultaat is van een mooie samenwerking. Een gezamenlijk doorlopen proces waar tientallen mensen aan werkten. Onder professionele begeleiding is alle inbreng gedeeld, verwerkt in kaarten, illustraties, toelichtingen en uitgewerkt naar teksten. Tot uiteindelijk dit resultaat waar we trots op kunnen zijn. Samen met u gaan we concreter nadenken over gezamenlijke oplossingen voor een aardgasvrije toekomst in onze buurten, wijken, dorpen, kernen.

De RSW krijgt verdere invulling. Via pilots en proefprojecten onderzoeken we de komende tijd wat mogelijk en haalbaar is in onze gemeenten. Betrokkenheid van inwoners, bedrijven, woningcorporaties en netbeheerder is hierbij onmisbaar! Vooruitlopend daarop doe ik een oproep aan andere overheden (provincie Gelderland en het Rijk) om invulling te geven aan het belangrijke uitgangspunt van de ‘woonlastenneutraliteit’. Ik bedank iedereen hartelijk danken voor alle inbreng en inzet van de afgelopen tijd én vooruitlopend voor de komende periode. Er zijn volop kansen in onze regio waar we samen mee aan de slag kunnen, laten we die kansen samen benutten!

Bob Bergkamp Wethouder Oldebroek Voorzitter stuurgroep Regionale Energie Strategie Noord-Veluwe

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

3

Inhoud Samenvatting

5

Hoofdstuk 1: Inleiding

7

1.1

RSW en de RES

7

1.2 Samenhang RSW, Transitievisies Warmte en (wijk)uitvoeringsplannen

8

1.3

Wie hebben er meegedacht over de RSW?

8

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2: Huidige en toekomstige warmtevraag en warmte-oplossingen

10

2.1

De warmtevraag zal afnemen

10

2.2

Energievraag overige sectoren

11

2.3

Identificatie van warmtevraaggebieden

11

2.4

All-electric als dominante verwarmingsoptie

12

2.5

Kansen voor lokale warmtenetten in grootste kernen

14

Hoofdstuk 3: Aanwezige warmtebronnen in de regio

16

3.1

Toekomstige warmtebronnen voor de regio Noord-Veluwe

16

3.2

Richting individueel en elektrisch

16

3.3 Hoogwaardige warmte is schaars, maar er zijn kansen voor lokale warmtenetten

17

3.4

Dekkingsgraad van kansrijke bronnen voor warmtenetten

17

3.5

Beschikbaarheid en potentie van hernieuwbaar gas

19

Hoofdstuk 4: Afwegingskader

21

4.1

Criteria

21

4.2

Toepasbaarheid van bronnen voor (lokale) warmtenetten

22

4.3

Toepassing hernieuwbaar gas en individuele oplossingen

24

Hoofdstuk 5: Bestaande en geprojecteerde infrastructuur

25

5.1

Op beperkte schaal bovenlokale warmte-infrastructuur gewenst

25

5.2

Toename elektriciteitsvraag

25

5.3

Opgave netbeheerder Liander

26

Hoofdstuk 6: Kansen en uitdagingen waarop samengewerkt kan worden

28

6.1

Kansen

28

6.2

Uitdagingen

31

Hoofdstuk 7: Regionale aanpak

33

7.1

Gedeelde ambities en belangen

33

7.2

Organisatiestructuur: hoe organiseren?

33

7.3

Lerend netwerk

34

Hoofdstuk 8: Conclusies en aanbevelingen

39

8.1

Conclusies

39

8.2

Aanbevelingen

39

Bijlagen

41

1. Wamtebronnen

41

2. Energieverbruik

49

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

4

Samenvatting RES 1.0 NoordVeluwe

De Regionale Structuur Warmte (RSW) is een belangrijk onderdeel van de Regionale Energie Strategie (RES) Noord-Veluwe. Het doel van de RSW is om de warmtevraag, het warmteaanbod en de benodigde energie-infrastructuur inzichtelijk te maken en zo in vogelvluchtperspectief de kansen en knelpunten in de regio te beoordelen. Op deze manier wordt duidelijk waar de gemeenten en partijen elkaar nodig hebben, hoe ze van elkaar kunnen leren en voor welke warmtebronnen ze moeten samenwerken. Dit alles om voortvarend te kunnen starten met de warmtetransitie en zo te zorgen dat de warmtevraag in de regio Noord-Veluwe in 2050 aardgasvrij wordt ingevuld. De RSW wordt tegelijk met de RES elke twee jaar herijkt. Voor het opstellen van deze Regionale Structuur Warmte hebben de gemeenten samengewerkt met Liander, Waterschap Vallei en Veluwe, provincie Gelderland, de woningcorporaties en energiecoöperaties. Ook Veluwe Duurzaam, Natuur en Milieu Gelderland, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en VNO-NCW zijn betrokken. Deze partijen vormden samen de regionale werkgroep warmte waarmee dit document en de aanpak die erin beschreven staat is opgesteld. Het beeld dat uit deze RSW naar voren komt ziet er als volgt uit. Voor de regio Noord-Veluwe geldt dat de warmtevraag in 2030 door energiebesparende maatregelen licht zal dalen ten opzichte van de huidige vraag.

Er zijn weinig warmtebronnen in de regio die de grenzen van de gemeente overstijgen om in te zetten als bron voor de gebouwde omgeving. Het algemene beeld voor de regio is dat de voorkeursoplossing voor de gebouwde omgeving vanuit het vastgoed bekeken grotendeels richting individuele all-electric oplossingen neigt, met een aantal plekken (in de centra van de grotere kernen) waar kleinschalige, lokale warmtenetten het meest kansrijk en betaalbaar lijken. Harderwijk is hierop een uitzondering. Daar zijn verhoudingsgewijs de meeste kansen voor de ontwikkeling van een warmtenet naast buurten waar all electric het beste lijkt te passen. De bronnen waarmee de warmtenetten gevoed gaan worden, worden lokaal met name ingevuld met lagetemperatuur warmtebronnen zoals omgevingswarmte (bv. aquathermie en lage temperatuur aardwarmte) naast biomassa als tijdelijke bron. Gevolg hiervan is dat de elektriciteitsvraag zal gaan stijgen in de regio, omdat een groot gedeelte van de gebouwde omgeving over zal gaan op all-electric warmteoplossingen. Dit heeft dan ook consequenties voor de elektriciteitsnetten. Bovendien wordt de behoefte aan duurzaam opgewekte elektriciteit groter. Regionaal liggen er ook kansen voor biogas.

Inzet hiervan in de gebouwde omgeving zal vooral daar moeten gebeuren waar isoleren van het vastgoed niet of alleen tegen zeer hoge kosten mogelijk is zoals in de vestingen van Elburg en Hattem. In de toekomst wordt deze visie steeds verder aangescherpt en aangepast als er verdiepende studies worden uitgevoerd en uitvoeringsplannen worden opgesteld. Ook het inzicht met betrekking tot de bronnen zal verder verdiept gaan worden. Daarmee is het beeld dat geschetst wordt in deze RSW 1.0 zeker geen statisch beeld. Het is een startpunt van waaruit iedereen aan de slag kan. Nieuwe inzichten worden verwerkt in toekomstige revisies van de RSW, lokale Transitievisies Warmte, en in (wijk) uitvoeringsplannen.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

5

Ondanks dat individuele all-electric warmteoplossingen veelal naar voren komen als meest kansrijk, betekent dit niet dat de gemeenten alles lokaal moeten oplossen. Er komen vanuit de lokale Transitievisies Warmte veel opgaven naar voren waar alle gemeenten voor staan, zoals de isolatieopgave, de financiering van de warmtetransitie en het bereiken van draagvlak. Het is dan ook logisch om kennis te delen en op een aantal van die opgaven samen te werken wanneer dat toegevoegde waarde heeft voor de gemeenten. Suggesties voor onderwerpen om op samen te werken zijn naast eerder genoemde thema’s:

• een regionale aanpak voor het isoleren van de gebouwde omgeving en individuele all electric en hybride oplossingen;

• nader onderzoek naar de haalbaarheid van lage temperatuur aardwarmte; kansen voor aquathermie en de potentie van diepe geothermie voor lokale warmtenetten;

• het regionaal inzetten van het in de regio geproduceerde groen gas en het verhogen van de productie van groen gas;

• het in kaart brengen van de warmtevraag van industrie en landbouw; • het ontwikkelen van een aanpak voor het verduurzamen van bedrijven(terreinen), vakantieparken en defensieterreinen;

• een subsidieaanvraag proeftuin aardgasvrije wijken bij Ministerie van BZK; • kennisdeling op gebied van innovatie; • een gezamenlijke communicatiecampagne; • koppelkansen op gebied van klimaatadaptatie. Uitgangspunt voor samenwerking is dat alleen gemeenten die meerwaarde zien in samenwerken op een onderwerp dit oppakken. Het is dus niet zo dat alle gemeenten op alle onderwerpen moeten gaan samenwerken. De regio wil deze samenwerking organiseren binnen de al bestaande organisatiestructuur van de RES en de Regionale Samenwerkingsagenda CO2-reductie | energietransitie.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

6

Hoofdstuk 1: Inleiding De gemeenten in de regio Noord-Veluwe zetten de schouders onder de energietransitie. Een belangrijk onderdeel van die energietransitie is dat alle woningen en gebouwen op een andere manier verwarmd gaan worden in een aardgasvrij gebouwde omgeving. Een grote opgave, waar alle zeven gemeenten in de regio individueel aan werken en invulling aangeven in een lokale Transitievisie Warmte (TVW). Dit doen de gemeenten niet alleen, maar in overleg met organisaties als Liander, woningcorporaties en energiecoöperaties. Tegelijkertijd biedt de energietransitie gezamenlijke kansen en uitdagingen in de regio. Deze vinden een plek in de Regionale Structuur Warmte (RSW).

Regio

Warmtevraag, aanbod (bronnen) en afweging

Regionale Structuur Warmte (RSW) & Regionale Warmtevisie

Warmtevraag en lokale afwegingen

Aanbod en toedeling regionale warmtebron

Gemeente

Tijdspad van wijken en voorkeusoplossing per wijk

Warmte (TVW)

Lessen planvorming en uitvoering

Wijk (gebied)

Uitvoering(splan) en besluit wijkinfrastructuur

Onzekerheid neemt af met de tijd

Warmtebronnen en - oplossingen

Keuze eerste aardgasvrije wijk(en)

Wijkuitvoeringsplan aardgasvrij

Kennis neemt toe met de tijd

Samenhang lokaal vs. regionaal

1.1 RSW en de RES De RSW is een belangrijk onderdeel van de RES (zie schema hierboven). Het doel van de RSW is om de warmtevraag, het warmteaanbod en de benodigde energie-infrastructuur inzichtelijk te maken en zo in Handreiking 1.1 NPRES

vogelvluchtperspectief de kansen en knelpunten in de regio te beoordelen. Op deze manier wordt duidelijk waar de gemeenten en partijen elkaar nodig hebben, hoe ze van elkaar kunnen leren en voor welke warmtebronnen ze moeten samenwerken. Dit alles om voortvarend te kunnen starten met de warmtetransitie en zo te zorgen dat de warmtevraag in de regio Noord-Veluwe in 2050 aardgasvrij wordt ingevuld. Het is daarmee de basis voor een afwegingsdocument over toekomstige publieke investeringen in warmtebronnen en mogelijk benodigde regionale infrastructuur. De RSW zal tegelijk met de RES elke twee jaar herijkt worden.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

7

Voor het onderdeel RSW binnen de RES moeten de volgende vragen worden beantwoord voor de regio Noord-Veluwe: 1. Wat is de warmtevraag in de regio Noord-Veluwe nu en over 10 jaar (in 2030)? Hoe is deze vraag verdeeld over de verschillende sectoren? 2. Welke warmtebronnen zijn er en kunnen deze de warmtevraag invullen? 3. Wat is er nodig aan regionale infrastructuur om warmtebronnen en warmtevraag met elkaar te verbinden?

1.2 Samenhang RSW, Transitievisies Warmte en (wijk)uitvoeringsplannen Alle gemeenten in Nederland moeten uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte (TVW) hebben vastgesteld. Deze TVW geeft inzicht in de opgave om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken, in kansrijke oplossingen, in een logische volgorde en tempo voor het aardgasvrij maken van alle wijken of buurten in de betreffende gemeente. De TVW wordt vervolgens geconcretiseerd in het (wijk) uitvoeringsplan1. Een eerste stap vanuit de TVW naar een (wijk)uitvoeringsplan is het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie om de kansen voor het aardgasvrij maken van woningen en ander vastgoed in die buurt verder te verkennen. Lokale Transitievisies Warmte en (wijk)uitvoeringsplannen blijven daarmee leidend voor de aanpak naar aardgasvrije buurten op lokaal niveau. Gaandeweg vindt er iteratie plaats tussen de lokale en regionale schaalniveaus. Dat houdt in dat de opties in de TVW en de keuzes in de uitvoeringsplannen effect hebben op de RSW en andersom (zie ook het schema hierboven). Plannen – zowel op lokaal als regionaal niveau - worden dan ook steeds bijgesteld en concreter. Deze RSW 1.0 is globaal en richtinggevend over warmtebronnen, -vraag en regionale infrastructuur.

In de regio Noord-Veluwe kunnen we al wat concreter worden doordat alle gemeenten al een TVW hebben vastgesteld of bezig zijn in een traject om te komen tot een TVW. De eerste inzichten uit deze TVW’s zijn dan ook al verwerkt in deze RSW. Dit geldt ook voor nadere informatie die beschikbaar is gekomen over de omvang en beschikbaarheid van mogelijke bronnen. Deze wisselwerking tussen het lokale en regionale niveau is geen eenmalige exercitie. Juist de continue iteratie tussen beide schaalniveaus zorgt voor optimale inzet van alle beschikbare warmte-opties en draagt bij aan een aanscherping van zowel de lokale plannen als de regionale strategie. Het beeld wat in deze RSW naar voren komt zal dan ook zeker nog bijgesteld worden in de toekomst als inzichten voortschrijden.

1.3 Wie hebben er meegedacht over de RSW? De warmtetransitie is niet een opgave voor de gemeenten alleen. Om deze te realiseren is samenwerking tussen veel verschillende partijen nodig. Voor het opstellen van de RSW hebben de gemeenten samengewerkt met Liander, Waterschap Vallei en Veluwe, provincie Gelderland, de woningcorporaties en energiecoöperaties. Ook Veluwe Duurzaam, Natuur en Milieu Gelderland, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en VNO-NCW zijn betrokken. Bij de actualisatie tot RSW 1.0 zijn de gemeenten en het Waterschap betrokken. De regio Noord-Veluwe is voor het opstellen van de RSW ondersteund door bureau Over Morgen en de provincie Gelderland. De provinciale ondersteuning bestond uit de inzet van een dataplatform en inhoudelijke expertise door Royal Haskoning DHV (RHDHV). De provincie biedt daarmee eenduidigheid voor alle regio’s binnen haar grenzen. Omdat de gemeenten binnen Noord-Veluwe reeds een duidelijk beeld hebben van de richting en inhoud van de Transitievisies Warmte, is deze kennis dan ook

1

In het klimaatakkoord wordt gesproken over wijkuitvoeringsplannen. In de praktijk zal dit plan vaak een buurt of een gebied omvatten en niet per se een wijk. Vandaar dat wij in dit stuk spreken over een (wijk)uitvoeringsplan.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

8

samengevoegd en verrijkt met de informatie van RHDHV. De Transitievisies Warmte bieden daarmee een verdieping op de kansrijke warmteoplossingen in de regio.

1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 maakt inzichtelijk wat de huidige en toekomstige regionale warmtevraag en de warmteoplossingen zullen zijn in de gebouwde omgeving. Vervolgens gaat hoofdstuk 3 in op de beschikbare warmtebronnen in de regio. Hoofdstuk 4 gaat in op een afwegingskader als tactisch hulpmiddel voor te nemen besluiten. Hoofdstuk 5 geeft een uiteenzetting weer van de benodigde warmte-infrastructuur in 2030 en de impact van de warmtetransitie op het elektriciteitsnet. Op basis van de inzichten uit de eerste vijf hoofdstukken én op basis van de lokale Transitievisies Warmte gaat hoofdstuk 6 in op de gedeelde opgaven binnen de warmtetransitie voor de gemeenten in de regio en de daaruit voortkomende kansen voor regionale samenwerking. Dit is verder uitgewerkt in een uitvoeringsstrategie in hoofdstuk 7. Hoofdstuk 8 sluit af met de conclusies.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

9

Hoofdstuk 2: Huidige en toekomstige warmtevraag en warmte-oplossingen Analysekaarten NPRES

De toekomstige warmtevraag is gebaseerd op cijfers uit het Nationaal Programma RES aangevuld met biomassa- en biogasdata van adviesbureau RHDHV. Daarnaast is ook de output van de verschillende Transitievisies Warmte (TVW's) die momenteel voor alle gemeenten zijn opgesteld, gebruikt om inzicht te krijgen hoe deze warmtevraag ingevuld kan worden in de toekomst.

2.1 De warmtevraag zal afnemen Voor alle gemeenten is door een consortium in opdracht van het Nationaal Programma RES de warmtevraag van woningen en dienstverlening voor 201 en voor 2030 (zie tabel 1). De warmtevraag Data RHDHV

wordt uitgedrukt in Terajoule (TJ) per jaar dat nodig is om de gebouwen te verwarmen en warm tapwater te bereiden. De toegepaste techniek bepaalt echter uiteindelijk de energievraag per drager. Zo heeft een warmtepomp met een hoog rendement 0,2 tot 0,4 TJ aan elektriciteit nodig per geleverde TJ aan warmte, en een biomassaketel +/- 6 tot 6,5 ton hout per TJ warmte.

Gemeente

Warmtevraag 2017

Warmtevraag 2030

Elburg

617 TJ/jaar

171 GWh

574 TJ/jaar

159 GWh

Ermelo

890 TJ/jaar

247 GWh

794 TJ/jaar

221 GWh

Hattem

253 TJ/jaar

70 GWh

237 TJ/jaar

66 GWh

Harderwijk

1.262 TJ/jaar

351 GWh

1.167 TJ/jaar

324 GWh

Nunspeet

748 TJ/jaar

208 GWh

679 TJ/jaar

189 GWh

Oldebroek

626 TJ/jaar

174 GWh

554 TJ/jaar

154 GWh

Putten

654 TJ/jaar

182 GWh

587 TJ/jaar

163 GWh

Totaal

5.050 TJ/jaar

1.403 GWh

4.592 TJ/jaar

1.276 GWh

Tabel 1 – Warmtevraag woningen en dienstverlening uitgedrukt in Terajoule per jaar / Gigawattuur voor ruimteverwarming en warmtapwater conform NP-RES

De huidige warmtevraag voor 2017 is gebaseerd op data vanuit de Klimaatmonitor. De warmtevraag voor 2030 is een inschatting die met name is bepaald door de verwachte energiebesparing vanwege het isoleren van gebouwen (op basis van de Nationale Energieverkenning, NEV, van 2017). In deze inschatting is ook een voorspelling van de groei van woningen en dienstverlening opgenomen (op basis van data van PRIMOS, WLO). Op basis hiervan is de warmtevraag in 2030 naar verwachting zo’n 9% lager dan in 2017. Per gemeente is de daling 6 tot 11% afhankelijk van de (samenstelling) van de gebouwvoorraad en de warmtevragers in de betreffende gemeente.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

10

Met het inzicht in de totale warmtevraag kan in eerste instantie worden bepaald in hoeverre de in de regio aanwezige warmtebronnen theoretisch invulling kunnen geven aan de warmtevraag. In hoofdstuk 3 gaan we hier verder op in. Deze theoretische potentie zal voor relevante bronnen verder verfijnd moeten worden om inzicht te krijgen in de praktische en financiële potentie van de bronnen.

2.2 Energievraag overige sectoren Naast een warmtevraag van woningen en dienstverlening zijn er ook andere sectoren met een energievraag die deels uit warmte bestaat. Hiervan zijn echter zeer beperkt data voor handen. Denk o.a. aan de sectoren landbouw en industrie. Daarom is op regionale schaal inzicht nodig in welke andere warmtevragers of -aanbieders er zijn naast de gebouwde omgeving. Samen met de Omgevingsdienst kan hier mogelijk meer inzicht in verkregen worden.In onderstaande tabel 2 is een uitsplitsing te vinden van de energievraag (gas en elektriciteit) binnen deze verschillende sectoren.

Overige sectoren Landbouw, Bosbouw en visserij Winning van Delfstoffen Industrie

Energievraag 2018 241 TJ/jaar

67 GWh

0 TJ/jaar

0 GWh

2.312 TJ/jaar (2014)

Afval en Water

Nb.

Bouwnijverheid

136 TJ/jaar

642 GWh

38 GWh

Tabel 2 - Energiegebruik naar branche uitgedrukt in Terajoule per jaar / Gigawattuur (bron: CBS)

Het overzicht toont een beperkt inzicht in het energiegebruik van andere branches. De sector industrie kenmerkt zich door een omvang aan energiegebruik, waarvan een deel ook uit potentiële restwarmte bestaat. In aanvulling hierop is in bijlage B het gas- of energieverbruik van grootste bedrijventerreinen en de defensieterreinen te vinden.

2.3 Identificatie van warmtevraaggebieden Om te kunnen gaan bepalen of er een regionale warmte-infrastructuur nodig is in de regio Noord-Veluwe heeft RHDHV een eerste grove analyse uitgevoerd naar gebieden met een concentratie aan warmtevraag. Daarbij heeft zij in kaart gebracht welk deel van de warmtevraag door middel van een warmtenet zou kunnen worden ingevuld. Dit zijn gebieden met een hoge dichtheid aan warmtevraag en dus een hogere bebouwingsdichtheid. Als uitgangspunten zijn daarbij genomen minimaal 30 woningequivalenten per ha en tenminste 1.500 woningen. Deze gebieden duiden de maximale potentie voor warmtenetten aan. Onder de huidige marktomstandigheden is het echter niet aannemelijk dat binnen deze gebieden een grootschalig warmtenet zal ontstaan. De hoge kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van de infrastructuur noodzaken dat een groot deel van de woningen tegelijkertijd over gaat op een warmtenet. Dat is door regelgeving, energiekosten en maatschappelijke acceptatie van warmtenetten op het moment nog niet realiseerbaar. Buiten deze gebieden is de waarschijnlijkheid dat daar een warmtenet komt heel laag. In figuur 2 is deze maximale potentie aan warmtevraaggebieden weergegeven. Daaruit valt op te maken dat de rol voor grootschalige warmtenetten voor Noord-Veluwe ook in een, voor warmtenetten uiterst gunstig scenario, beperkt zal zijn.

Lokaal zijn er echter wel kansen voor kleinschalige warmtenetten.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

11

De regio heeft inmiddels dan ook een veel duidelijker beeld vanuit de Transitievisies Warmte hoe de warmtevraag naar verwachting ingevuld zal gaan worden. Hier gaan we in de volgende paragraaf nader op in.

Figuur 2 – Warmtevraaggebieden met kansen voor collectiviteit en restwarmtebronnen (Bron: RHDHV)

2.4 All-electric als dominante verwarmingsoptie Bijna iedere gemeente in de regio Noord-Veluwe heeft inmiddels een beeld bij welke warmte-oplossing het beste past bij het type bebouwing in de gemeente. Daarnaast is gekeken naar kansrijke buurten om voor 2030 aan de slag te gaan met de opgave aardgasvrij. Dit komt voort uit de landelijke verplichting voor alle gemeenten om uiterlijk in 2021 een TVW vast te stellen. De gemeenten in de regio Noord-Veluwe lopen hiermee voorop ten opzichte van het landelijke tempo. Lokaal zijn analyses uitgevoerd en zijn criteria opgesteld op basis waarvan buurten met potentie in beeld komen of zijn gekomen. Dit in een gezamenlijk traject met de gemeente, Liander, woningcorporaties en energiecoöperaties. Ook inwoners en bedrijven zijn hier in meer of mindere mate bij betrokken geweest. Op basis van diverse analyses zijn gezamenlijk met deze partijen potentiebuurten in beeld gebracht waar kansen lijken te liggen om voor 2030 aan de slag te gaan met het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Voor een specifieke beschrijving verwijzen we graag naar de lokale TVW’s. Met name door de toch vrij lage bebouwingsdichtheid in de meeste kernen in de regio Noord-Veluwe lijkt het – op basis van de huidige stand van de techniek – te kostbaar om breed in te zetten op een grootschalige warmte-infrastructuur.

De verwachting is dat in Harderwijk wel meer kansen zijn voor

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

12

een collectief warmtenet vanwege het type bebouwing, de dichtheid en aanwezigheid van bronnen. Harderwijk is dit momenteel nog aan het onderzoeken. Uit nadere analyses van bureau Over Morgen en DWA2 komt op dit moment dan ook in de meeste gemeenten een individuele ‘all-electric’ warmteoplossing als dominante verwarmingsoptie naar voren. Deze zijn aangeduid met de kleur blauw in figuur 3. De kosten voor all electric zijn hier minimaal 10% en vaak meer dan 30% goedkoper dan het aanleggen van een warmtenet. Voor Harderwijk zijn de potentiebuurten die in beeld zijn aangegeven. Hiervoor is nog geen analyse beschikbaar met betrekking tot de alternatieve duurzame warmte-oplossing. Om over te kunnen gaan naar een all-electric warmteoplossing is het noodzakelijk dat woningen zeer goed geïsoleerd worden. De regio kent dan ook een flink uitdaging op het gebied van isolatie.

Figuur 3 - Voorkeurs warmteoplossingen uit de Transitievisies Warmte per gemeente

2 Er zijn analyses uitgevoerd voor Putten, Ermelo, Nunspeet, Elburg en Hattem, DWA voor Oldebroek.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

13

2.5 Kansen voor lokale warmtenetten in grootste kernen Ondanks dat voor een groot deel van de regio Noord-Veluwe een individuele warmteoplossing voor de hand lijkt te liggen, zijn er gebieden waar de warmtevraag voldoende dichtheid kent voor een collectieve infrastructuur. De warmtevraag bepaalt voor een groot deel of de infrastructuur ook bekostigd kan worden. De kansen voor warmtenetten zijn sterk afhankelijk van concentratie aan warmtevraag door aangesloten gebouweigenaren. In de verschillende Transitievisies Warmte zijn dan ook gebieden geïdentificeerd waar er potentie is voor een kleinschalig, collectief warmtenet (‘startgebieden’, zie figuur 4 en tabel 3). Voor verkennen van de kansen voor collectieve warmtenetten is daarbij gekeken naar gebieden waar de warmtevraag zodanig is dat onder de huidige marktomstandigheden een haalbare start kan worden gemaakt. Dit zijn minder startgebieden en kleinschaliger dan uit de analyse van figuur 2 volgt. Daar zie je de maximale potentie voor warmtenetten. De haalbaarheid van deze kleinschalige warmtenetten zal uiteraard verder uitgezocht moeten worden. Voor realisatie van een collectieve oplossing is het noodzakelijk dat het overgrote deel van het vastgoed rond zo’n warmtenet aangesloten wordt op dat net om de infrastructuur te kunnen bekostigen. Dit vraagt organisatiekracht.

Transitievisie Warmte

Dronten

L elyst ad

Zwolle

A6

Wezep

Biddinghuizen

Hatt em

Elburg

Hein

A28

't Harde Heerde

Wijhe

Nunspeet

Harderwijk

Epe

A28

Olst

Zeewolde

Ermelo Vaassen

Deventer

Putt en

-Spakenburg

Twello Nijkerk

Apeldoorn Voorthuizen

gland

ersfoort

Ugchelen

A1 Figuur 4 – Potentiële startgebieden voor lokale, kleinschalige warmtenetten Hoevelaken A1

1:37:50

entegrenzen regio Noord-Veluwe

0

2.2

tie-eiland warmtenet

0

3.7

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

14

Belangrijk om daarbij op te merken is dat al deze startgebieden voor een lokaal warmtenet binnen de maximale warmtevraaggebieden liggen die RHDHV heeft geïdentificeerd voor de regio Noord-Veluwe (zie figuur 2). Deze startgebieden hebben een potentiële omvang van 1.000 – 1.500 woningequivalenten.

Gemeente

Potentieel startpunt voor

Toelichting

een lokaal warmtenet Elburg

Lijkt er niet direct te zijn

De bebouwingsdichtheid in de vesting is groot genoeg voor een warmtenet. Echter, gezien de monumentale status en de weinige ruimte in de ondergrond ligt een oplossing met groen gas hier meer voor de hand

Ermelo

Aanwezig in de kern Ermelo

In het centrum rond het gemeentehuis en het winkelgebied

Hattem

Aanwezig in Hattem

Ten westen van het historische centrum

Harderwijk

Gaat nog nader onderzocht worden

Als eerste zal voor de 10 potentiebuurten onderzocht worden welk alternatief daar het beste past. Een warmtenet is daarbij één van de mogelijke oplossingen.

Nunspeet

Aanwezig in de kern Nunspeet

In het centrum rond het gemeentehuis en het winkelgebied

Oldebroek

Aanwezig in kernen Wezep en Oldebroek

In Wezep en Oldebroek rond de centra

Putten

Aanwezig in de kern Putten

In het centrum rond het gemeentehuis en het winkelgebied

Tabel 3 – Aanwezigheid van potentiële startgebieden voor een lokaal warmtenet

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

15

Hoofdstuk 3: Aanwezige warmtebronnen in de regio Zoals geschetst in hoofdstuk 2 komt voor het grootste gedeelte van de gebouwde omgeving uit de lokale Transitievisies Warmte naar voren dat de voorkeursoplossing all-electric is. Echter, er komen ook meerdere kansen naar voren voor (veelal kleinschalige) collectieve warmtenetten. Om die warmtenetten te voeden is een warmtebron nodig.

3.1 Toekomstige warmtebronnen voor de regio Noord-Veluwe De regio Noord-Veluwe heeft een aantal unieke eigenschappen. Hierop inspelend kan invulling gegeven worden aan een toekomstbestendige warmtevoorziening. Enkele onderscheidende kenmerken van de regio Noord-Veluwe zijn:

• De aanwezigheid van veel natuur (grotendeels Natura2000-gebied) en de lage bebouwingsdichtheid; • De gemeenten grenzen aan (open) water (Veluwemeer, Drontermeer of de IJssel), waarbij de meeste kernen op afstand liggen van dit water en van elkaar;

• Er is geen zware industrie gevestigd. Wel zijn er ‘lichtere’ industrieën met bijbehorende potentiële laagtemperatuur restwarmtebronnen;

• De ondergrond is uitermate geschikt voor met name ondiepe geothermie en warmtekoude opslag. De potentie voor (ultra)diepe geothermie lijkt vooralsnog beperkt of is onbekend. In bijlage 1 zijn de verschillende warmtebronnen en hun potentie voor de regio Noord-Veluwe nader beschreven. Bijlage 1 Warmtebronnen

3.2 Richting individueel en elektrisch Vanuit de huidige stand van de techniek bekeken zijn individuele elektrische oplossingen het meest voor de hand liggend. Individuele systemen gebaseerd op een warmtepomp ontrekken energie uit de omgeving zoals de bodem, de lucht of uit de zon om de gebouwen en warm tapwater te verwarmen. De werking van dit principe wordt nader toegelicht in de bijlage. Daaruit volgt dat er elektriciteit nodig is om de warmtepomp te laten werken. Het rendement van deze systemen is hoog (300-400%). Om gebouwen op deze manier comfortabel warm te kunnen krijgen is echter wel een zeer goed geïsoleerde en kierdichte schil nodig. Willen we naar een CO2-neutrale gebouwde omgeving gaan dan zal de benodigde elektriciteit op termijn ook duurzaam moeten worden opgewekt. Voor het voeden van warmtepompen is windenergie het meest geschikt, aangezien het aanbod van wind in het stookseizoen vele malen hoger ligt dan dat van de zon. Inzetten op bronnen waarbij de warmte- en elektravraag gedurende de dag en het jaar aansluit op het warmte- en elektra aanbod voorkomt dat er later op grote schaal moet worden gebufferd. Er zijn ook andere individuele, elektrische oplossingen zoals infraroodpanelen die de woningen duurzaam kunnen verwarmen. Het rendement hiervan is echter veel lager. Als een woning compleet met

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

16

infraroodpanelen wordt uitgerust dient deze ook zeer goed geïsoleerd te worden om overbelasting van het net en een hoge energierekening te voorkomen. Deze techniek kan echter wel vooral als bijverwarming een rol gaan spelen. Met name als aanvulling op lagetemperatuur systemen (zoals warmtepompen) die traag reageren op de ingestelde kamerthermostaat. In plaats van een houtgestookte open haard of gaskachel als bijverwarming kan toch de woonkamer comfortabel en snel in stralingswarmte worden voorzien.

3.3 Hoogwaardige warmte is schaars, maar er zijn kansen voor lokale warmtenetten Ondanks dat voor een groot deel van de regio Noord-Veluwe een individuele warmteoplossing voor de hand ligt, zijn er in de centra van de grootste kernen kansen voor lokale warmtenetten. In Harderwijk zijn er naar verwachting meer kansen door naast elkaar gelegen buurten met een hoge concentratie aan warmtevraag. De meeste warmtenetten in Nederland zijn tot nu toe gestart door de beschikbaarheid van (rest)warmte op hogere temperaturen (>90°C). Dit is echter geen voorwaarde om een warmtenet succesvol te initiëren en te exploiteren. Andere, relevante potentiële bronnen om lokale warmtenetten te voeden zijn:

• Bodemenergie • Restwarmte op lagere temperaturen (<70°C) • Biomassa • Hernieuwbaar gas Zie voor een nadere beschrijving van deze bronnen en hun potentie bijlage A. In de warmtestructuurkaart (op de volgende pagina) zijn alle gevalideerde beschikbare energiebronnen die voor warmte ingezet kunnen worden getoond. Tevens volgt een toelichting per bron.

3.4 Dekkingsgraad van kansrijke bronnen voor warmtenetten Binnen de Regionale Structuur Warmte wordt gevraagd om te bepalen of en hoe de warmtevraag van warmtenetten in de regio ingevuld kan worden. Om deze vraag te kunnen beantwoorden hebben we inzicht nodig in de maximale warmtevraag van warmtenetten en de potentie van de bronnen die warmte zouden kunnen leveren aan deze netten. In paragraaf 2.3 hebben we al in kaart gebracht welk deel van de warmtevraag maximaal door middel van een warmtenet zou kunnen worden ingevuld in de toekomst. Deze zogenaamde warmtevraaggebieden zijn weergegeven in figuur 1. Op basis hiervan kan worden bepaald in hoeverre de beschikbare bronnen toereikend zijn om de gebouwen binnen deze gebieden collectief te verwarmen. Ook kan worden bepaald of er bronnen zijn die een grotere beschikbaarheid hebben dan deze vraaggebieden en daarmee wellicht als bovenlokaal kunnen worden bestempeld. Bij deze bronnen kunnen immers meerdere gebieden aanspraak maken op de beschikbaarheid. In tabel 4 zijn de resultaten van deze analyse weergegeven.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

17

Gemeente

Maximale

Aandeel lokale bronnen voor het warmtevraaggebied binnen de

omvang

gemeenten

warmtevraag gebieden

Bodemenergie (<250m)

Ondiepe geothermie

Aquathermie

Restwarmte

Vaste biomassa

100%+

100%+

+/-10% bij benadering

23%

100+%

Elburg

82 TJ/jaar

Ermelo

103,8 TJ/jaar

13%

100+%

Hattem

99,7 TJ/jaar

71%

14%

Harderwijk

478,2 TJ/jaar

13%

31%

Nunspeet

47,2 TJ/jaar

23%3

100+%

Oldebroek

357,2 TJ/jaar

57%

63%

Putten

97,6 TJ/jaar

12%

100+%

Tabel 4 – Warmtevraaggebieden (= maximale potentie warmtenetten) en theoretische aandeel per bron

Per gemeente is de warmtevraag van de warmtevraaggebieden bepaald en berekend hoeveel theoretische potentie de kansrijke bronnen binnen Noord-Veluwe beschikbaar hebben. Dit geeft inzicht in de dekkingsgraad per bron. In theorie is er voldoende thermische energie om de warmtenetten van warmte te voorzien. De realistische potentie (oftewel is het financieel, technisch, organisatorisch en sociaal haalbaar om de bron te ontsluiten) zal nader onderzocht en uitgewerkt moeten worden. Daarnaast is de potentie van warmtekoude opslag (WKO) in kaart gebracht. Er volgt een korte toelichting:

• Warmtekoude opslag (WKO) is interessant als seizoensopslag: warmte in de zomer kan gebruikt worden voor verwarming in de winter en koude uit de winter voor koeling in de zomer. In combinatie met een warmtepomp levert dit een bewezen systeem voor bedrijfsgebouwen waar de koudevraag meer de boventoon voert. De thermische opbrengst van de bodem is hiervoor goed in de regio. Belangrijk aandachtspunt hierbij is de balans tussen warmte- en koudevraag. WKO wordt ook vaak gebruikt in combinatie met aquathermie en zonthermie.

• Ondiepe geothermie is een relatief onbewezen techniek met hoge potentie. Deze diepere aardlagen kunnen hogere temperaturen bieden dan WKO maar ook tegen hogere kosten. De theoretische potentie is in principe onbeperkt. Dit is een potentieel interessante bron voor de voorziene (kleinschalige) warmtenetten in Putten, Ermelo, Harderwijk en Nunspeet. Echter, voordat deze bron inzetbaar is moet er wel al een warmtenet zijn met een zekere schaal (>1.000 woningen of weq). Tijdens de ontwikkeling van een warmtenet zal dan ook een tijdelijke warmtebron nodig zijn.

• De potentie van diepe geothermie is op dit moment nog onbekend. Het landelijke SCAN onderzoek kan hier meer duidelijkheid over geven. Deze bron is - als er potentie is - alleen interessant om in te zetten in Harderwijk of bij industrie met grote warmtevraag.4

3 Dit is exclusief restwarmte van de industrie omdat deze naar verwachting niet beschikbaar zal zijn voor de gebouwde omgeving. 4 Dit komt omdat een diepe geothermie bron heel veel warmte geeft. Grofweg voor 5.000 woningequivalenten (weq). Dat betekent dat er ook al een warmtenet moet zijn voordat deze bron ingezet kan worden.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

18

• Aquathermie ofwel thermische energie uit oppervlakte-, afvalwater en drinkwaterleidingen is in voldoende mate aanwezig. Deze bronnen bevinden zich echter vaak op behoorlijke afstand van de warmtevraaggebieden. Voor Harderwijk, Elburg en Hattem waar zowel oppervlaktewater als RWZI’s zijn, liggen hier wel kansen5. Toepassing in combinatie met WKO is hierbij mogelijk en vaak wenselijk. De theoretische potentie van deze RWZI’s is in tabel 5 weergegeven.

• Restwarmte als bron voor het verwarmen van de gebouwen wisselt sterk per gemeente en is nooit in voldoende mate aanwezig om de potentiële warmtenetten geheel van warmte te voorzien. De beschikbare bronnen zijn laagwaardig en noodzaken veelal lokale opwaardering door warmtepompen om deze toe te kunnen passen. Daarbij is het ook onzeker of bedrijven bereid zijn om langjarige contracten aan te gaan voor de levering van restwarmte aan een warmtenet.

• Lokale vaste biomassa is in voldoende mate aanwezig om te kunnen dienen als (tijdelijke) warmtevoorziening voor de potentiële warmtenetten. Dit is relatief gezien ook een goedkope brandstof. Het advies is om deze bron slechts tijdelijk in te zetten en om toe te werken naar andere duurzame bronnen (zoals ondiepe geothermie) die de warmtenetten op termijn van warmte kunnen voorzien. Van restwarmte is ook bepaald in welke mate deze bronnen, die in de directe nabijheid van de warmtevraaggebieden liggen, invulling kunnen geven aan de warmtevraag in deze gebieden (zie figuur 2). Hieruit volgt ook dat er geen bronnen zijn die meer restwarmte bieden dan de lokale vraag. Een infrastructuur om deze warmte te verdelen over de gebieden is niet nodig. Daar komen we in hoofdstuk 4.1 op terug. Een nieuwe restwarmtebron van buiten de regio die in beeld is, is een nieuw datacenter dat mogelijk in Zeewolde gerealiseerd gaat worden. Uitkoppeling van de restwarmte kan een interessante warmtebron voor Harderwijk zijn.

Gemeente

Maximale omvang

Technische potentie

Potentieel

warmtevraag gebieden

RWZI als warmtebron

aandeel

Elburg

82 TJ/jaar

23 GWh

87 TJ/jaar

24 GWh

100%

Hattem

99,7 TJ/jaar

28 GWh

55 TJ/jaar

15 GWh

51%

Harderwijk

478,2 TJ/jaar

133 GWh

174 TJ/jaar

48 GWh

36%

Tabel 5 - Potentieel warmte uit RWZI voor gemeenten waar deze aanwezig is

3.5 Beschikbaarheid en potentie van hernieuwbaar gas Hernieuwbaar gas is een verzamelnaam voor alle soorten gas die worden opgewekt uit hernieuwbare bronnen. Dit betekent Bijlage 1 Warmtebronnen

dat de grondstoffen van het gas snel te ‘vernieuwen’ zijn, zoals GFT, houtsnippers of mest. Anders dan fossiele brandstoffen raken deze hernieuwbare grondstoffen niet op. De meest

Groen gas is biogas dat opgewerkt is naar aardgaskwaliteit.

bekende hernieuwbare gassen zijn groen gas maar ook waterstof. Op dit moment is waterstof niet beschikbaar vanuit een bestaand regionaal initiatief6 dus richt de inventarisatie zich op lokaal beschikbare en vergistbare biologische reststromen. 5 In Harderwijk wordt gewerkt aan uitkoppeling van de warmte van de RWZI naar een nieuwbouwgebied en in een latere fase naar een bestaande wijk. In Elburg en Hattem liggen kansen voor uitkoppeling van warmte vanuit de RWZI’s naar de bedrijventerreinen waarop deze gevestigd zijn. 6 Waterstof is een energiedrager, geen energiebron en wordt nu nog grotendeels (>95%) gemaakt uit aardgas. In de toekomst zal er (beperkt) groene waterstof geproduceerd uit water met behulp van duurzame elektriciteit beschikbaar komen.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

19

Gemeente

Warmtevraag 2030

Theoretische potentie biogas

Potentieel aandeel

Elburg

574 TJ/jaar

159 GWh

268 TJ/jaar

74 GWh

47%

Ermelo

794 TJ/jaar

2221 GWh

295 TJ/jaar

82 GWh

37%

Hattem

237 TJ/jaar

66 GWh

32 TJ/jaar

9 GWh

14%

Harderwijk

1.167 TJ/jaar

324 GWh

103 TJ/jaar

29 GWh

9%

Nunspeet

679 TJ/jaar

189 GWh

439 TJ/jaar

122 GWh

65%

Oldebroek

554 TJ/jaar

154 GWh

433 TJ/jaar

120 GWh

78%

Putten

587 TJ/jaar

163 GWh

416 TJ/jaar

116 GWh

71%

Totaal

4.592 TJ/jaar

1.276 GWh

1.986 TJ/jaar

552 GWh

43%

Tabel 5 – warmtevraag en theoretische potentie biogas

Zoals uit tabel 5 naar voren komt blijkt biogas een aanzienlijke theoretische potentie te kennen om de warmtevraag van de gebouwde omgeving in de regio Noord-Veluwe in te vullen. Groen gas is daarmee een troefkaart van de regio. En kan invulling kan geven aan de uitdaging die blijkt uit de transitievisies warmte in buurten met monumentaal vastgoed en in een omvangrijk buitengebied met gebouwen die alleen tegen hoge kosten geïsoleerd kunnen worden. Idealiter in een opstelling waarbij een CV-ketel gecombineerd wordt met een hybride warmtepomp om de warmtevraag zo ver mogelijk terug te dringen. De opgave voor de regio m.b.t. biogas zal met name bestaan uit het bijeen krijgen van alle reststromen om vergisting op schaal te kunnen realiseren. Momenteel wordt er in de regio in totaal zo’n 350 TJ/jaar biogas geproduceerd. Zo wordt op dit moment door Waterschap Vallei en Veluwe ongeveer 30 TJ/jaar (8 GWh) geproduceerd bij haar rioolwaterzuiveringsinstallatie in Elburg. Deze energie wordt lokaal omzet naar biogas en warmte. In Harderwijk wordt 319 TJ/jaar (89 GWh) geproduceerd bij de bio-energiecentrale Harderwijk (BECH), een initiatief van Jan Bakker en het Waterschap. Hiervan wordt het grootste deel opgewerkt naar groengas en ingevoed op het bestaande aardgasnetwerk van netbeheerder Liander.

Hier liggen kansen om bestaande installaties uit te breiden en in te zetten op restwarmte, elektriciteit of groengas aansluitend op de lokale behoefte.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

20

Hoofdstuk 4: Afwegingskader In dit hoofdstuk gaan we in op criteria die van belang zijn bij het afwegen van bronnen. Ook gaan we dieper in op de toepasbaarheid van bronnen voor warmtenetten en de toepasbaarheid van hernieuwbaar gas en individuele oplossingen op basis van biomassa.

4.1 Criteria Waar je welke warmtebronnen in gaat zetten hangt af van diverse zaken waaronder de aanwezigheid van bronnen en de geschiktheid van het vastgoed. Daarnaast zijn er nog diverse andere factoren die relevant zijn in de afweging. Dit zijn:

• Betaalbaarheid: de energierekening moet betaalbaar blijven en lasten moeten zoveel mogelijk evenredig worden verdeeld. Warmteoplossingen met de laagste kosten krijgen voorrang boven duurdere oplossingen. De kosten worden bepaald door de investeringskosten voor een gebouweigenaar, de maandlasten en de totale maatschappelijke kosten.

• Duurzaamheid: hoe duurzaam een bron is, weegt uiteraard ook mee. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan duurzame warmtebronnen met de meeste CO2-besparing.

• Beschikbaarheid: de voorkeur wordt gegeven aan warmtebronnen die lokaal aanwezig zijn. Daarnaast moet ook gekeken worden wanneer bronnen beschikbaar zijn. Daarbij zijn verschillende tijdschalen van belang: zijn deze bronnen de hele dag beschikbaar? Is er sprake van seizoensvariatie? Is er innovatie nodig voordat bronnen ingezet kunnen gaan worden? Sommige bronnen zijn er nu al, maar in de toekomst mogelijk niet meer. Of andersom: deze bronnen zijn er nu nog niet maar komen mogelijk in de toekomst beschikbaar.

• Leveringszekerheid: de betrouwbaarheid van energielevering in Nederland is zeer hoog. Ook bij de overschakeling naar andere bronnen en andere verwarmingssystemen is het van groot belang om verzekerd te zijn van een betrouwbare energielevering. Hierbij dient dan een goede afweging te worden gemaakt tussen de mate van betaalbaarheid en de robuustheid van het totale systeem.

• Draagvlak: ook het maatschappelijk draagvlak weegt zwaar mee in de keuze voor een warmtebron. Bewoners en andere belanghebbenden moeten nadrukkelijk worden betrokken in het proces.

• Comfort: Warmteoplossingen moeten vanzelfsprekend aansluiten bij de behoeften van de gebruikers. Mensen willen prettig blijven wonen en hun huizen op een comfortabele manier warm kunnen krijgen. Het beeld dat nu bestaat over de toekomstige warmtevoorziening voor de regio Noord-Veluwe kan de komende jaren zeker nog wijzigen. Technieken schrijden voort en lokaal zullen bij het maken van (wijk)uitvoeringsplannen nieuwe inzichten naar voren komen. Ook de koppeling tussen extra benodigde duurzame elektriciteit en daarmee extra duurzame opwek en de gewenste toekomstige verwarmingsopties speelt hierin een rol. Als bijvoorbeeld blijkt dat er lokaal maar ook landelijk te weinig duurzame elektriciteit kan worden opgewekt zullen andere bronnen voor verwarming mogelijk (weer) in beeld komen. Bovenstaande criteria zijn daarbij uiteraard ook van groot belang en bepalen mede welke bron waar het beste in te zetten is. Dit alles zal dan ook invloed hebben op de uiteindelijke warmtevoorziening die gerealiseerd gaat worden. De komende jaren zal het beeld steeds aangescherpt worden. Dit zal terugkomen in de geactualiseerde TVW van de gemeenten en in de aangescherpte en verder uitgewerkt RSW.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

21

4.2 Toepasbaarheid van bronnen voor (lokale) warmtenetten In figuur 5 is schematisch weergegeven op welk temperatuurniveau de bronnen binnen de regio beschikbaar zijn en toegepast kunnen wordt binnen warmtenetten. De bulk van de bronnen ligt onder het niveau van warmtapwater (<55°C7) en de benodigde temperatuur om oudere gebouwen te verwarmen (70°C). Dit betekent dat vaak warmtepompen nodig zullen zijn om de warmte op te waarderen naar een bruikbaar niveau. Ook in het geval van een warmtenet waarbij de warmte wordt onttrokken uit duurzame bronnen op een lage temperatuur zal een hoge impact kennen op het elektriciteitsnet en benodigde duurzame opwek van elektriciteit. Bij restwarmte speelt de vraag hoe betrouwbaarheid deze bronnen zijn (leveringszekerheid) en wat de beschikbaarheid ervan daadwerkelijk is. Deze eigenschappen geven aan hoe groot het risico is dat een bron geen of maar een deel van de warmte kan leveren en wat de waarschijnlijkheid is. Restwarmte uit een productieproces kan immers wegvallen als het productieprofiel variabel is. Tevens zullen marktpartijen vaak geen langdurige contracten willen afsluiten afhankelijk van de grilligheid van de marktactiviteiten in hun branche. Dat zegt iets over de leveringszekerheid op de lange termijn. Zoals uit figuur 4 blijkt speelt ook de temperatuur van de restwarmte een rol.

Als deze lager is dan 70°C zal deze eerst, middels warmtepompen, opgewaardeerd moeten worden voor een warmtenet waar ook woningen op aangesloten zijn. In de praktijk zal dan ook maar een klein deel van de restwarmtebronnen daadwerkelijk in te zetten zijn voor een warmtenet. In de regio Noord-Veluwe is geen grootschalige industrie aanwezig. De meeste van de geïdentificeerde restwarmtebronnen zijn daarom naar verwachting van een lage temperatuur (20-40°C).

120 °C

Biomassa Ultradiepe geothermie

90 °C

Warm tapwater (woningen) WP

65-70 °C

Diepe geothermie 70 °C

Verwarming

35 °C

0 °C

Restwarmte Ondiepe geothermie RZWI

WP

30-70+ °C

Aquathermie WKO Bodemlus Buitenlucht

Electriciteit

Figuur 5 Relatie tussen brontemperatuur en impact op het elektriciteitsnet; WP staat voor warmtepomp.

7 In verband met kans op legionellabesmetting dient warm-tapwater op >55°C aan het tappunt te zijn. In de praktijk betekent dit dat de warmte met +/- 70°C aan de woning geleverd moet worden door thermische verliezen.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

22

Warmte-koude opslag (WKO) is een bewezen rendabele duurzame techniek. WKO kan niet overal worden toegepast, doordat diverse ongewenste gevolgen kunnen optreden (schade aan bodemlagen, veranderingen in grondwaterstromen of de grondwaterstand en wijzigingen in het chemisch evenwicht op een plek). Omdat de vrijkomende temperaturen relatief laag zijn, is toepassing voorbehouden aan systemen die geen hoge temperaturen vereisen, zoals vloer- en wandverwarming. De meeste woningen hebben echter andere verwarmingssystemen en een beperkte koudevraag. Daarom wordt WKO met name toegepast binnen (grote) kantoren, industrieterreinen of de glastuinbouw. De ondergrondse situatie is zeer relevant bij het vaststellen van WKO-kansen: de bodemgeschiktheid, archeologische waarden, drinkwaterwinning, en drinkwaterbeschermingsgebieden bepalen of WKO lokaal überhaupt een optie is. Ook de locaties van bestaande WKO-systemen zijn relevant, aangezien clustering kan leiden tot interferentie. Bij de toepassing van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit stromend water of diepe plassen. De combinatie van TEO met opslag van deze warmte in de bodem (WKO) zal in de praktijk beperkt potentie hebben in de regio Noord-Veluwe.

Dit komt vooral doordat de hoeveelheid vastgoed dat aangesloten kan worden op een lokaal warmtenet met TEO als bron sterk afhankelijk is van de afstand tot de bron. Op dit moment is er nog geen duidelijkheid over de maximaal rendabele afstand tot de bron en de minimale schaal voor een warmtenet met TEO als bron. Alleen in Harderwijk, Elburg en Hattem zijn hiervoor naar verwachting kansen in de toekomst doordat daar vraag en aanbod bij elkaar ligt. Bij ondiepe geothermie zijn temperaturen van max. circa 40°C uit de bodem te halen. Dat betekent dat voordat dit inzetbaar is voor warmtenetten in de bestaande bouw ook hier warmtepompen ingezet moeten worden om de temperatuur omhoog te brengen. Daarnaast is er nog veel onzekerheid met betrekking tot geothermie, zowel qua hoeveelheid beschikbare energie, de techniek om het rendabel te exploiteren als de zuiverheid, betrouwbaarheid en levensduur van de bronnen. Ook hier moet uiteraard – net als bij WKO systemen – in kaart gebracht worden of de lokale situatie ondiepe geothermie toelaat.8 De potentie van ondiepe geothermie voor verwarming van woningen in de regio Noord-Veluwe is echter hoog. Voor de toekomst is dit dan ook zeker een interessante bron om de lokale warmtenetten te voeden. Momenteel is er nog weinig bekend is over de ondergrondse warmtepotentie van diepe geothermie in Gelderland.

Het landelijke SCAN onderzoek kan hier meer inzicht in verschaffen (zie ook bijlage A). Mocht blijken dat er potentie is voor diepe geothermie dan is deze bron naar verwachting potentieel alleen interessant voor Harderwijk en industrie met een grote warmtevraag. Dit omdat een grote afzet van warmte noodzakelijk is bij het aanboren van een geothermische bron.9 Rond biomassa bestaan allerlei beelden in de maatschappij. Er wordt hardop de vraag gesteld of deze bron wel duurzaam is en de (maatschappelijke) acceptatie is laag. Bij verbranding van biomassa komt inderdaad CO2 vrij. Deze CO2 is echter eerder opgeslagen door deze bomen en planten. Biomassa is een verzamelbegrip voor allerlei plantaardig en dierlijk (rest)materiaal, dat als grondstof wordt gebruikt voor de energieopwekking of direct als biobrandstof. Voor deze inventarisatie is uitgegaan van lokale beschikbaarheid van reststromen zoals brandbare reststromen uit akkerbouw, huishoudelijk (GFT) afval, mest en snoeiafval uit bossen en omgeving. Er hoeven dus geen extra bomen voor gekapt te worden. Ook als deze restproducten in de natuur achterblijven komt het overgrote deel van de CO2 die erin is opgeslagen vrij. Uiteraard is en blijft het belangrijk om goed af te wegen waarvoor biomassa wel en niet wordt ingezet. 8 Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens geven aan dat zij WKO en geothermie potentieel als risicovol zien.

Zij vragen dan ook extra aandacht voor een zorgvuldige afweging om nadelige effecten op het grondwatersysteem te voorkomen. Idealiter zien zij dat het aantal boringen maximaal beperkt blijft. 9 Bij diepe geothermie is de vuistregel dat er een minimale afzet van 5.000 woningequivalenten nodig is.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

23

Vooral als transitiebrandstof kan vaste biomassa bij de gemeenten in de regio Noord-Veluwe een rol spelen. Deze biomassa kan dan als warmtebron dienen voor collectieve warmtenetten die in opbouw zijn. In een later stadium kan dan eventueel worden overgeschakeld op andere bronnen zoals (ondiepe) geothermie. Het grote voordeel van biomassa is dat er hoge temperaturen (>70°C) mee kunnen worden bereikt. Er zijn dus geen extra warmtepompen en daarmee extra duurzame elektriciteit nodig om deze temperaturen te behalen. Hiermee kunnen alle huizen dus direct verwarmd worden zonder dat deze extreem geïsoleerd hoeven te zijn. Uitdaging kan wel zijn om inwoners mee te krijgen bij het inzetten van deze warmtebron. Biomassa voor collectieve installaties heeft daarnaast als voordeel dat de eisen die gesteld worden aan deze installaties m.b.t. fijnstof en dergelijke veel hoger zijn dan bij toepassing in pellet- en houtkachels. Bij grotere en collectieve installaties is het ook praktisch realiseerbaar om te handhaven en de kwaliteit te borgen waarmee de effecten van uitstoot tegen kunnen worden gegaan.

4.3 Toepassing hernieuwbaar gas en individuele oplossingen Voor een deel van het vastgoed is een aansluiting op een warmtenet niet haalbaar. En is ook het realiseren van een all electric oplossing niet haalbaar omdat de mogelijkheden voor isolatie beperkt zijn. Om ook dit vastgoed in de toekomst aardgasvrij te kunnen maken zijn andere alternatieven nodig. Daarbij kun je denken aan het inzetten van biomassa of hernieuwbaar gas. Ook innovatie kan in de toekomst een mogelijke oplossing bieden voor deze woningen in met name het buitengebied of in monumentale kernen. De ontwikkelingen van de warmtetechnologieën staat namelijk niet stil en niet elke woning hoeft morgen al over een aardgasvrije warmteoplossing te beschikken. Individuele oplossingen op basis van houtige biomassa, zoals open haarden, dienen echter te worden vermeden in gebieden waar de huizen dichter op elkaar staan om overlast door fijnstofuitstoot en stank te voorkomen. Over deze vorm van biomassa is recent veel negativiteit ontstaan en het draagvlak is sterk verminderd. Pelletkachels die gevoed worden door van een keurmerk voorziene, duurzame pellets hebben echter veel minder uitstoot en bijbehorende overlast. Deze kunnen wel als transitiebrandstof ingezet kunnen worden bij grote vrijstaande huizen in de buitengebieden, totdat andere technieken verder ontwikkeld zijn en ook toegepast kunnen worden.

Daarnaast kan biomassa zoals aangegeven in paragraaf 3.5 als transitiebron dienen voor een in opbouw zijnd lokaal warmtenet. Hiervoor gelden strengere eisen ten aanzien van bijv. fijnstofuitstoot. Een individuele oplossing op basis van hernieuwbaar gas (groen gas of waterstof) kan het beste worden ingezet bij gebouwen die moeilijk geïsoleerd kunnen worden, zoals bijvoorbeeld monumentale panden in de vestingen van Elburg en Hattem. De schaal van opwekking van hernieuwbaar gas zal voorlopig echter te klein zijn om een flink deel van de warmtevraag in te vullen. Daarnaast zullen groengas en waterstof ook ingezet gaan worden voor mobiliteit en (proces)industrie waar nauwelijks of geen duurzame alternatieven voor handen zijn en de hoge kwaliteit van hernieuwbaar gas beter past.10 Het verbranden van gas (>1900°C) voor het verwarmen van gebouwen en tapwater (20-70°C) is dan minder logisch.

10 Contouren en instrumenten voor een Routekaart Groengas 2020-2050, CE Delft, november 2018 en De positie van waterstof in de energietransitie – een nuancering van de belofte, Over Morgen, november 2018

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

24

Hoofdstuk 5: Bestaande en geprojecteerde infrastructuur Een ander belangrijk onderwerp binnen de Regionale Structuur Warmte (RSW) is de benodigde warmte-infrastructuur. In de RSW dient nagedacht te worden over welke warmte-infrastructuur er uitgebreid of opgericht kan en moet worden om beschikbare bronnen te ontsluiten.

5.1 Op beperkte schaal bovenlokale warmte-infrastructuur gewenst Uit de analyse van tabel 4 in hoofdstuk 3.4 valt op te maken dat omgevingswarmte de maximale, toekomstige vraag naar warmte voor warmtenetten volledig kan invullen. De restwarmtebronnen kunnen dit ten dele invullen en vaste biomassa voor een groot deel. In de praktijk zullen de warmtenetten naar verwachting kleiner worden dan de grootte van de warmtevraaggebieden (zie ook hoofdstuk 2). Omdat de restwarmtebronnen binnen de regio volledig ingezet kunnen worden binnen de warmtevraaggebieden in de betreffende gemeente is het niet nodig om bovenlokale warmteinfrastructuren (zoals transportleidingen) te creëren om deze succesvol te kunnen ontsluiten over de gebieden heen. Er is wel warmte-infrastructuur nodig in de vorm van een warmtenet (o.a. een distributienet) om de warmte binnen het vraaggebied op lokaal niveau te kunnen verdelen. Wel is er een potentiële restwarmtebron in Zeewolde in beeld. Om de toekomstige restwarmte hiervan te kunnen ontsluiten is warmte-infrastructuur nodig vanuit Zeewolde naar Harderwijk.

5.2 Toename elektriciteitsvraag Net als in alle sectoren, gaat ook voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, elektriciteit een nog grotere rol spelen. Omdat naar verwachting een groot deel van de aardgasvrije verwarmingsoplossingen in de regio Noord-Veluwe middels individuele warmtepompen zal worden gaan ingevuld, is extra elektriciteit nodig. Ook de collectieve warmtenetten die een laagtemperatuur bron benutten zullen middels een collectieve warmtepomp de benodigde temperatuur verkrijgen. Deze technieken vragen allen om elektriciteit. Deze elektriciteit moet dan wel verduurzaamd (kunnen) worden. Zon en wind zijn daar de meest logische bronnen voor in Nederland op dit moment. Dit is een grote opgave op zichzelf. De huidige elektriciteitsmix in Nederland bestaat namelijk nog voor circa 80% uit fossiele bronnen. Binnen de RES wordt dit deels ingevuld. Daarnaast wordt er vol ingezet op wind op zee en zon op daken. Op dit moment is elektriciteit altijd beschikbaar, omdat kolen-, gas en kerncentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst zal het elektriciteitsaanbod veel minder constant en ook deels seizoensafhankelijk zijn door een groter aandeel van zonne-energie en windenergie. Het opslaan van energie en in dit geval dus warmte is noodzakelijk.

Bij de keuze voor de energie-infrastructuur is het daarom handig om meer rekening te houden met de (on)mogelijkheid om energie op te slaan. Belangrijk daarbij is te vermelden dat voor het voeden van warmtepompen elektriciteit uit windenergie veel meer geschikt is dan zonne-energie, omdat in het stookseizoen het aanbod van wind vele malen hoger ligt. In de hele Veluwe zijn er echter naar het zich laat aanzien geen mogelijkheden om extra windcapaciteit te realiseren.

RSW 1.0 Noord-Veluwe | 21 april 2021

25

De precieze verwachte toename in elektriciteit door de warmtetransitie is nu nog zeer lastig te bepalen. Dit hangt af van welke technieken er uiteindelijk toegepast gaan worden en in welke mate er geïsoleerd gaat worden. Het beeld met betrekking tot de extra benodigde elektriciteit zal verder ingevuld kunnen worden als uitvoeringsplannen op lokaal niveau worden uitgewerkt en er keuzes voor technieken en bronnen worden gemaakt.

5.3 Opgave netbeheerder Liander Liander is onderdeel van Alliander en staat als onafhankelijk netwerkbedrijf voor het borgen van het publieke belang bij de (her)inrichting van de energie-infrastructuur. De missie van Liander is iedereen onder gelijke condities toegang tot betrouwbare, betaalbare en duurzame energie te geven. Nederland wil in 2050 een samenleving met fors minder CO2-uitstoot gerealiseerd hebben. Om dit te realiseren zullen we, onder andere, veelal moeten stoppen met het gebruik van aardgas voor het verwarmen van onze woningen. De warmtetransitie heeft ook voor netbeheerders zoals Liander grote gevolgen. In de grond ligt voor een enorm maatschappelijk kapitaal aan fijnmazige gasnetten. Alliander ziet het als haar maatschappelijke opdracht om te helpen bij de uitfasering van aardgas en de omschakeling naar nieuwe energiebronnen. Alliander helpt dan ook bij de realisatie van de lokaal best passende warmteoplossing tegen de laagste maatschappelijke kosten. Dit doet zij door geen nieuwe aardgasnetten aan te leggen bij nieuwbouw. Het slim afbouwen of hergebruiken van gasnetten in de bestaande bouw. Het aanleggen van warmtenetten die voor meerdere partijen toegankelijk zijn en het slim en op tijd uitbreiden of verzwaren van elektriciteitsnetten.

De warmtetransitie vraagt een zorgvuldige planning en afweging bij het afbouwen of hergebruiken van de fijnmazige gasnetten en het implementeren van alternatieven om ongewenste kapitaalvernietiging zoveel als mogelijk te voorkomen. Liander werkt met een gebiedsgerichte aanpak om samen met alle stakeholders te komen tot de juiste keuze voor een duurzame warmtevoorziening in een gemeente, wijk of buurt. Zo raakt de overgang naar een andere warmtevoorziening aan de plannen en planningen van verschillende belanghebbenden. Denk aan riolering, waterleiding, wegen, renovaties door woningcorporaties. Naast de warmtetransitie en de grootschalige opwek ziet Liander veel ontwikkelingen in de maatschappij die de toekomstige elektriciteitsvraag significant kan laten stijgen. Denk hierbij aan de toename van elektrisch vervoer of aan de bouw van datacenters. De rol van de netbeheerder is om ook deze (lokale) ontwikkelingen vroegtijdig te kunnen duiden om daarop de infrastructuur aan te kunnen passen. Zoals geschetst zal door de genoemde warmtepompen in woningen, gebouwen en buurten de vraag naar elektriciteit de komende jaren toe gaan nemen als gevolg van het uitfaseren van aardgas. Dit zal gepaard gaan met een bijbehorende druk op het elektriciteitsnet. Op veel plaatsen zal dit ook leiden tot een noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10355111/1