R001-04-L231240 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De hogedrukaardgasleiding A-510;
-
De transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de provinciale weg N798 en de spoorlijn Amersfoort – Zwolle;
-
De bovengrondse hoogspanningsleiding ter plaatse van de Henslare.
Om die reden is een nader beoordeling van de genoemde risicobronnen uitgevoerd. De conclusies van deze nadere beoordeling (PM, aanvullend in te dienen) luiden als volgt: -
PM.
De volledige nadere beoordeling inzake externe veiligheid maakt als bijlage II (PM, aanvullend in te dienen) onderdeel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.6.2
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten.
4.7
Bodem
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit door aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.1
Beoordeling
Ten behoeve van beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De Conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: -
Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek geen stand houdt. In het grondwater zijn enkele parameters licht verhoogd aangetoond. Een aanvullend onderzoek met een gewijzigde hypothese wordt echter niet noodzakelijk geacht. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.
R001_04_L231240 | 22 december 2023
27
Het volledige verkennend bodemonderzoek maakt als bijlage III onderdeel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. 4.7.2
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten.
4.8
Waterhuishouding
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. 4.8.1
Beoordeling
Het plangebied is gelegen in het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe. Voor de boogde ontwikkeling is allereerst een digitale watertoets doorlopen, waarvan de uitkomst als bijlage IV onderdeel uitmaakt van deze ruimtelijke onderbouwing. Mede op basis hiervan zijn de hierna beschreven waterthema’s relevant geacht. Oppervlaktewater Aan de westzijde van het plangebied ligt tussen de geprojecteerde parkeerplaatsen en de Bijsterenseweg een sloot die in de legger van het waterschap als C-watergang is aangemerkt. De ontsluiting van het plangebied kruist deze watergang, zodat om deze te realiseren de aanleg van een duiker of het deels verleggen van de sloot nodig is. Hiervoor volstaat naar verwachting een melding bij het waterschap. Riolering Vuilwater wordt vanuit het plangebied afgevoerd naar het bestaande rioleringsstelsel c.q. het gemaal waar ook de nabijgelegen kerk op aangesloten is. De afvoer van hemelwater wordt afgekoppeld en aangesloten op een in het plangebied aan te leggen wadi (met overstort naar de hiervoor al genoemde sloot) die indicatief is opgenomen in het stedenbouwkundig plan (zie ook figuur 2.3).
R001_04_L231240 | 22 december 2023
28
Verhard oppervlak In het kader van de beoogde ontwikkeling is in het plangebied bebouwing met een voetprint van circa 806 m2 voorzien en bijbehorende verhardingen op maaiveld met een gezamenlijke oppervlakte van circa 613 m2 (voetpad, ontsluiting en halfverharde parkeerplaatsen). De totale toename van verhard oppervlak in het plangebied komt daarmee op circa 1.419 m2. Vanuit het waterschap is echter een toename tot maximaal 1.500 m2 vrijgesteld van een compensatie-eis om waterberging aan te leggen. Gelet hierop is voor de beoogde ontwikkeling geen formele waterbergingsopgave aan de orde. 4.8.2
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten.
4.9
Gebieds- en soortenbescherming
De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De NNN is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening
R001_04_L231240 | 22 december 2023
29
vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. 4.9.1
Beoordeling
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd. De relevante conclusies uit deze quickscan zijn in de navolgende tekst overgenomen. De quickscan maakt als bijlage V onderdeel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Veluwe’. Dit gebied ligt op een afstand van meer dan 2,8 kilometer van het plangebied. Het gebied ‘Arkenheem’ ligt op circa 2,9 kilometer afstand en de ‘Veluwerandmeren’ op circa 3 kilometer afstand. Het plangebied ligt op circa 1,2 kilometer afstand van het NNN. Provincie Gelderland kent geen externe werking met betrekking tot het NNN. Wanneer een plangebied niet in het NNN ligt, is toetsing in dat kader niet aan de orde. Voor de genoemde Natura 2000-gebieden geldt dat mogelijke negatieve effecten kunnen worden uitgesloten, met uitzondering van stikstofdepositie als gevolg van de bouw- en gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling. Om die laatste reden is met het rekenprogramma AERIUS een stikstofberekening uitgevoerd. De conclusie van deze berekening is dat de uitstoot (emissie) van stikstof gedurende de bouw- en gebruiksfase niet leidt tot depositie op omliggende Natura 2000gebieden hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Om die reden is geen relevant nadelig effect voor deze gebieden te verwachten.
De volledige stikstofberekening maakt als bijlage VI onderdeel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming is in de ecologische quickscan het volgende geconcludeerd: -
Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli.
-
Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het dan aan te raden het aanwezige snoeiafval en de vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedende vogels.
R001_04_L231240 | 22 december 2023
30
-
Vleermuizen zijn beschermd volgens het Beschermingsregime Habitatrichtlijn. Het plangebied vormt mogelijk een foerageergebied voor gewone, ruige en kleine dwergvleermuizen, laatvliegers en rosse vleermuizen. Daarnaast vormt de bomenrij langs de Bijsterenseweg mogelijk een vliegroute voor gewone, ruige en kleine dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. Mogelijk zijn de bomen langs de Bijsterenseweg ook geschikt als verblijfplaats van gewone, ruige en kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis.
-
Na de ingreep wordt er mogelijk meer of extra verlichting in en buiten het plangebied gerealiseerd. Een negatief effect op vleermuizen wordt voorkomen door deze verlichting aan onderstaande voorwaarden te voldoen. Als dit niet mogelijk is dan dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.
-
Voorwaarden vleermuisvriendelijke verlichting: o
Kies voor een armatuur waarbij uitstraling naar boven, achter en de wijde omgeving wordt beperkt of voorkomen. De boomkronen dienen onbelicht te blijven.
o
Kies voor een kleurtint waar nachtactieve dieren zo min mogelijk last van ondervinden. Uit onderzoek is gebleken dat vleermuizen het minste last hebben van rood licht. Mensen vinden deze kleur vaak niet prettig, daarom kan er gekozen worden voor bijvoorbeeld amber (2100K).
o
Er kan worden gekozen voor het hanteren van een lichtschema waarbij bij zonsondergang wordt gekozen voor warm wit licht (3000K) dat gedurende de nacht overgaat naar amber (2100K) en richting zonsopgang weer overgaat op warm wit licht (3000K). Hierin wordt rekening gehouden met de actieve periode van vleermuizen en de voorkeur van mensen voor witter licht.
4.9.2
Conclusie
De aspecten gebieds- en soortenbescherming vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo) rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk
R001_04_L231240 | 22 december 2023
31
voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden.
4.10.1 Beoordeling Archeologie In het geldende bestemmingsplan ‘Veegplan Westelijk Buitengebied’ is ter plaatse van het projectlocatie, een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen. In artikel 26.2 van deze dubbelbestemming is opgenomen dat bouwwerken slechts toelaatbaar zijn wanneer het een maximale oppervlakte van 500m2 betreft of een bouwwerk dat zonder werkzaamheden dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld wordt gerealiseerd. Aan deze regels voldoet de beoogde ontwikkeling niet, maar op grond van artikel 26.4 geldt daarbij het volgende: Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 26.2 mits op basis van archeologisch onderzoek of op advies van een archeologische deskundige is aangetoond dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de archeologische waarden van het gebied. In dit geval is daarom advies ingewonnen bij een archeologisch deskundige c.q. de regioarcheoloog. Uit dit advies volgt dat het plangebied in een zone ligt met een middelmatige verwachting op het aantreffen van archeologische waarden en dat in de nabijheid van het plangebied eerder al twee archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd. Mede op basis van deze onderzoeken is in het advies het volgende geconcludeerd: Beide onderzoeken doen vermoeden, dat ook het huidige plangebied weinig tot geen archeologische waarden zal bevatten.
Zoals de twee onderzoeken aangaven, is de bodem grotendeels te geroerd. Op basis hiervan adviseert de regioarcheoloog dat een archeologisch onderzoek niet nodig is. Het volledige advies van de regioarcheoloog maakt als bijlage VII onderdeel uit van deze ruimtelijke onderbouwing. Cultuurhistorie Uit de historische topografische kaarten valt af te leiden dat in het plangebied niet eerder bebouwing aanwezig is geweest en dat het plangebied deels als heide en deels als agrarische
R001_04_L231240 | 22 december 2023
32
grond in gebruik was. Daar komt bij dat in en direct rondom het plangebied geen gemeentelijke monumenten of Rijksmonumenten aanwezig zijn en dat het plangebied geen deel uitmaakt van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Gezien het voorgaande valt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting van cultuurhistorische waarden te verwachten. 4.10.2 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten.
R001_04_L231240 | 22 december 2023
33
5
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1
Algemeen
Bij een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Tevens volgt uit de Wro de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en/of plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer. 5.1.2
Grondexploitatie
De beoogde ontwikkeling betreft een initiatief van Woningstichting Putten. De kosten voor de planontwikkeling en de daadwerkelijke realisatie van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels een met de initiatiefnemer te sluiten overeenkomst en door het heffen van leges. De grondslag voor het sluiten van een dergelijke overeenkomst volgt uit Artikel 6.4 onder a van de Wro. 5.1.3
Planschade
Eigenaren van omliggende percelen kunnen in beginsel een zogenoemd ‘planschadeverzoek’ indienen, als zij menen dat de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan een waardevermindering van hun eigendom tot gevolg heeft. Een dergelijk verzoek kan tot de toekenning van een financiële tegemoetkoming in planschade leiden. Artikel 6.1 van de Wro biedt hiervoor de grondslag. In de hiervoor al genoemde overeenkomst wordt daarom opgenomen dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer is. Hiermee is het risico op planschade voor de gemeente afgedekt. 5.1.4
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling financieel uitvoerbaar geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Planvorming
Nadat in de eerste helft van 2021 twee algemene informatiebijeenkomsten zijn gehouden (in vervolg op het raadsbesluit van 20 april 2021, zie ook paragraaf 3.3.3), zijn er tussen september 2021 en december 2023 diverse gesprekken gevoerd en bijeenkomsten gehouden met omwonenden uit de nabije omgeving van het plangebied. In totaal hebben meer dan tien overleggen plaats gevonden, inclusief gesprekken met buurtvertegenwoordigers,. Uit deze gesprekken is naar voren gekomen dat er bij de realisatie van tijdelijke woningbouw aandacht nodig is voor parkeergelegenheid, de materialisatie van de woningen, de landschappelijke
R001_04_L231240 | 22 december 2023
34
inrichting en afbakening qua toekomstige bewonersgroepen. Deze aandachtspunten zijn, voor zover relevant voor deze ruimtelijke onderbouwing, meegenomen en uitgewerkt in het inrichtingsplan (zie verder paragraaf 2.2). 5.2.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een planologisch besluit waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van plan tot plan dient te worden beoordeeld met wie dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van de beoogde ontwikkeling is vooroverleg gevoerd met de relevante overlegpartners. 5.2.3
Procedure
Zoals is toegelicht in paragraaf 3.1.4 kan in dit geval artikel 6 van het Besluit uitvoering Chw worden toegepast voor de benodigde omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo. Dit betekent dat voor deze omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit houdt onder andere in dat geen ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd en dat het bevoegd gezag (in dit geval burgemeester en wethouders van Putten) in beginsel binnen 8 weken een definitief besluit neemt over de aanvraag omgevingsvergunning voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.4
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling maatschappelijk uitvoerbaar geacht.
R001_04_L231240 | 22 december 2023
35
6
Conclusie
In de voorgaande hoofdstukken is de beoogde ontwikkeling van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid en aan de milieu- en omgevingsaspecten. Uit deze beoordeling zijn geen belemmeringen naar voren gekomen voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan worden ingestemd met de voorgenomen realisatie van 20 tijdelijke flexwoningen in het plangebied aan de Bijsterenseweg in Putten, voor een gebruiksperiode van 15 jaar.
LBP|SIGHT BV
ing. MArch C.J.M. (Chris) van Heeswijk
J.J. (Jacob Jan) van Burg MSc
R001_04_L231240 | 22 december 2023
36
Bijlage I Akoestisch onderzoek
R001_04_L231240 | 22 december 2023
Bijlage II Nadere beoordeling externe veiligheid (PM, aanvullend in te dienen)
R001_04_L231240 | 22 december 2023
Bijlage III Verkennend bodemonderzoek
R001_04_L231240 | 22 december 2023
Bijlage IV Uitkomst digitale watertoets
R001_04_L231240 | 22 december 2023
Bijlage V Ecologische quickscan
R001_04_L231240 | 22 december 2023
Bijlage VI Stikstofberekening
R001_04_L231240 | 22 december 2023
Bijlage VII Advies regioarcheoloog
R001_04_L231240 | 22 december 2023