Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora- en fauna-activiteit Aanleg rotonde, N798 Putten
Opdrachtgever: Provincie Gelderland Dhr. W. De Hoog Markt 11 6811 CG Arnhem
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
207578 1-4-2025 Eline Kuijper Rowan Karssen Marcel van der Heide Concept 1
© 2025 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt. Disclaimer: Dit rapport is opgesteld als onafhankelijke toets, met inachtneming van de informatie die is aangeleverd door de opdrachtgever en de beschikbare informatie over het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten op of nabij het plangebied. Dit voor zover deze bekend zijn op het moment van onderzoek en rapportage. Het veldonderzoek is met de grootste zorgvuldigheid en deskundigheid uitgevoerd. Desondanks kan niet volledig worden uitgesloten dat bepaalde soorten niet zijn opgemerkt. Evenmin kan worden uitgesloten dat na het veldbezoek soorten zich alsnog op het plangebied hebben gevestigd. Eelerwoude kan niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele (gevolg) schade als gevolg van later beschikbaar komende informatie of kennis. Aan de in het rapport opgenomen conclusies kunnen geen rechten worden ontleend.
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling .............................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................5
3
Methode ................................................................................................................................................. 16
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................16
3.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................16
3.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................16
4
Resultaten en effectbeoordeling ............................................................................................................ 18
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................18
4.2
Beschermde soorten.............................................................................................................................18
4.3
Rode Lijst soorten .................................................................................................................................24
4.4
Beschermde gebieden ..........................................................................................................................25
4.5
Houtopstanden .....................................................................................................................................25
4.6
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................26
5
Conclusies ............................................................................................................................................... 27
5.1
Beschermde soorten.............................................................................................................................27
5.2
Beschermde gebieden ..........................................................................................................................27
5.3
Houtopstanden .....................................................................................................................................28
5.4
Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................28
Literatuurlijst ......................................................................................................................................................... 29 Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 30
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De provincie Gelderland is voornemens het kruispunt ter hoogte van Schoonderbeeklaan 35 aan de N798 in Putten (gemeente Putten, provincie Gelderland) te vervangen door een rotonde. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van het natuurbeschermingsrecht. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied omvat een kruispunt en bevindt zich ter hoogte van Schoonderbeeklaan 35 aan de Oude Rijksweg (N798) in Putten, in de provincie Gelderland en de gemeente Putten (afbeelding 1). Het betreft de volgende kadastrale percelen: • • •
PTN01-C-10905 PTN01-C-10156 PTN01-C-9840
Het kruispunt ligt buiten de bebouwde kom van Putten en is verbonden met de Schoonderbeeklaan en de Hoofdlaan (afbeelding 2, 3, 4 en 5). Het bestaat uit de provinciale weg N798, fietspaden en gemaaide bermen tussen de wegen (afbeelding 5). Langs de wegen staan lantaarnpalen. Verspreid over het plangebied bevinden zich meerdere bomen, waaronder beuken en gewone esdoorns (afbeelding 6). De voorgenoemde bomen hebben een diameter op borsthoogte (DBH) variërend van ongeveer 20-40 cm. In het noordwesten van het plangebied, aan de Schoonderbeeklaan, bevindt zich een houtsingel bestaande uit acacia, es, gewone esdoorn, zoete kers en zomereik (afbeelding 7). De ondergroei in de houtsingel bestaat uit braam, fluitenkruid, hedera, hondsdraf, hulst, veldesdoorn en wilde liguster (afbeelding 8 en 9). Gebouwen en watervoerende elementen zijn afwezig binnen het plangebied. Verder wordt het plangebied omgeven door een open agrarisch landschap, bos van de Veluwe en woningen in Putten.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens het bestaande kruispunt te vervangen door een rotonde om de verkeersveiligheid te verbeteren. Voor de aanleg hiervan worden acht beuken en één gewone esdoorn gekapt, en een gedeelte van de houtsingel in het noordwesten van het plangebied wordt verwijderd. De bouw van de rotonde maakt deel uit van de aanleg- en bouwfase. Na voltooiing van de bouwfase zal de gebruiksfase aanvangen, waarin de rotonde in gebruik wordt genomen door weggebruikers en wordt verbonden met het wegennet. De aanvangsdatum van de werkzaamheden is momenteel nog niet vastgesteld. Een tekening van de voorgenomen ontwikkeling is weergegeven in afbeelding 10.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 5
Afbeelding 1. Weergave van de ligging van het plangebied in Putten (ESRI, 2025).
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 6
Afbeelding 2. Luchtfoto van het plangebied in Putten (ESRI, 2025).
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 7
Afbeelding 3. Zicht vanaf de Schoonderbeeklaan op het kruispunt.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 8
Afbeelding 4. Zicht vanaf de Hoofdlaan op het kruispunt.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 9
Afbeelding 5. Zicht vanuit het zuidwesten van het plangebied op het kruispunt.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 10
Afbeelding 6. Zicht vanaf de Hoofdlaan op de te kappen beuken aan de rechterzijde van de weg.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 11
Afbeelding 7. Zicht vanaf de Schoonderbeeklaan op de te verwijderen houtsingel aan de linkerzijde van de weg.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 12
Afbeelding 8. Zicht vanaf de Schoonderbeeklaan op de ondergroei in de houtsingel.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 13
Afbeelding 9. Zicht vanaf de Schoonderbeeklaan op de ondergroei in de houtsingel.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 14
Afbeelding 10. Situatietekening van de voorgenomen ontwikkeling (Provincie Gelderland, 2025).
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 15
3 Methode 3.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
3.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database; • kaartweergaves van de beschermde gebieden en houtopstanden.
3.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door Rowan Karssen uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (Kader – Ecologisch deskundige). Het veldbezoek is uitgevoerd op 12 maart 2025 bij 6°C, halfbewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 16
Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige: •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of;
•
op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt het natuurbeschermingsrecht, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of;
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of;
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied) en/of;
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
RVO voegt hier nog de volgende criteria aan toe: Een ecologisch deskundige is een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring. Hij of zij geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats (natuurlijke leefgebieden) en soorten. En heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hiermee bedoelen we dat de ecologisch deskundige:
• • • •
de functionaliteit van leefgebieden en beschermde soorten (her)kent; kennis heeft van algemene erkende onderzoeksmethoden; ecologische werkprotocollen kan uitwerken; specifieke maatregelen kan begeleiden.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 17
4 Resultaten en effectbeoordeling 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. In paragraaf 4.2 worden de (verwachte) waarnemingen vermeld van soorten waarvoor onder de Omgevingswet mogelijk een vergunningsplicht (of vrijstelling) geldt en de mogelijke effecten op deze soorten. In paragraaf 4.3 worden de waarnemingen vermeld van aangetroffen of mogelijk aan te treffen soorten die niet specifiek beschermd zijn op basis van de artikelen 11.37, 11.46 of 11.54 van het Bal maar die op een Nederlandse Rode Lijst zijn vermeld en waarvoor een specifieke zorgplicht geldt. Vervolgens wordt nog ingegaan op de andere onderdelen van de wet- en regelgeving omtrent natuur.
4.2 Beschermde soorten 4.2.1 Planten Voorkomen en functie Tijdens het veldbezoek zijn de volgende algemene plantensoorten aangetroffen: acacia, beuk, braam, duizendblad, es, fluitenkruid, gewone esdoorn, gewoon biggenkruid, hedera, hondsdraf, hulst, narcis, paarse dovenetel, ridderzuring, veldesdoorn, vogelmuur, wilde liguster, zevenblad, zoete kers en zomereik. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Ook vanuit de omgeving zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde plantensoorten (NDFF, 2025). Vrijwel alle beschermde plantensoorten komen voor in zeer specifieke biotopen als hoogvenen, kalkgraslanden, veenmosrietlanden en eeuwenoude muren. Deze specifieke biotopen zijn niet aanwezig binnen het plangebied en daarmee zijn beschermde plantensoorten hier niet te verwachten. Effecten en vergunning In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde voor beschermde planten.
4.2.2 Zoogdieren Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook meervleermuis.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 18
Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (Kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen.
Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig en daarmee ontbreken verblijfplaatsen voor gebouw bewonende vleermuizen. Echter, de acht te kappen beuken (afbeelding 6) kunnen mogelijk dienen als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. Deze bomen beschikken over een voldoende grote stamdiameter, een vrije aanvliegroute en holtes waar vleermuizen naar binnen kunnen kruipen. De gewone esdoorn en de bomen in de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) zijn daarentegen niet geschikt als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen. Deze bomen hebben een onvoldoende stamdiameter en missen holtes, spleten, loshangende schors en een vrije aanvliegroute. Foerageergebieden en vliegroutes Vleermuizen gebruiken graag luwe zones om langs te foerageren. Een voorbeeld hiervan is een houtsingel. Dergelijke luwe zones zijn binnen het plangebied aanwezig. De omgeving van het plangebied is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van watervoerende elementen en houtsingels. Deze houtopstanden kunnen vleermuizen tevens gebruiken als vliegroute om zich langs te verplaatsen (zie ook kader – Foerageergebieden en vliegroutes). Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt.
Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 19
Effecten en vergunning De acht beuken (afbeelding 6) zullen worden gekapt. Hierdoor verdwijnen mogelijk ook verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. Daarom is nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of het aanvragen van een omgevingsvergunning benodigd is. Nader onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes is niet noodzakelijk, aangezien essentiële functies ontbreken.
Grondgebonden zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de systematiek van de Omgevingswet (zie Bijlage 1) geldt dat voor de in de wet benoemde soorten of soortgroepen in geval van schade, verstoring of vernieling van vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen een vergunningplicht geldt. Op deze vergunningplicht gelden een aantal uitzonderingen. De provincies kunnen in hun omgevingsverordening een vrijstelling van vergunningplicht bepalen. Soorten waarvoor een vrijstelling geldt In de omgevingsverordening van de provincie Gelderland (Omgevingsverordening Gelderland, gepubliceerd op 20-02-2025, in werking op 03-03-2025) is voor de volgende (mogelijk) in het plangebied voorkomende soorten een vrijstelling van vergunningplicht opgenomen voor ruimtelijke inrichting: egel, haas, konijn, woelrat en diverse (woel- en spits-) muizensoorten. Deze soorten kunnen het plangebied (mogelijk) gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal mogelijk van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals de eekhoorn, steenmarter en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), zouden in het plangebied kunnen voorkomen.
In de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) kunnen zich burchten, (muizen)holen of takkenhopen bevinden die dienen als verblijfplaats voor de kleine marterachtigen. Daarnaast vond het veldbezoek plaats in de winter, wanneer loofbomen geen bladeren hebben en (blad)nesten van eekhoorns goed zichtbaar zijn. Er zijn echter geen nesten aangetroffen. Wat betreft de steenmarter fungeert het plangebied enkel als foerageergebied aangezien gebouwen, en daarmee verblijfplaatsen, ontbreken. Bovendien zijn er binnen het plangebied geen sporen van de genoemde soorten aangetroffen, zoals prenten, uitwerpselen of prooiresten. Effecten en vergunning Soorten waarvoor een vrijstelling geldt De ingreep heeft geen invloed op de gunstige Staat van Instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig zijn en het relatief algemene soorten betreft. Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt De houtsingel in het plangebied (afbeelding 7, 8 en 9) vormt mogelijk een essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. Omdat een gedeelte van de houtsingel wordt verwijderd, zullen eventuele verblijfplaatsen van deze dieren verdwijnen. Daarom is nader onderzoek naar kleine marterachtigen noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of het aanvragen van een omgevingsvergunning benodigd is.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 20
4.2.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd onder de Omgevingswet. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Waarnemingen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats betreffen uitsluitend huismus. Huismussen nestelen vaak onder de pannendaken van woningen, maar dergelijke nestlocaties ontbreken binnen het plangebied. Mogelijk dat enkele soorten met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd, gierzwaluw, kerkuil en sperwer, wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun foerageergebied. Er zijn echter geen sporen, bijvoorbeeld braakballen of uitwerpselen, aangetroffen van deze soorten.
Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Onder de vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving (zie kader) vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Tijdens het veldbezoek (d.d. 12 maart 2025) zijn geen vogelsoorten behorende tot deze categorie waargenomen. Echter, soorten als bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, glanskop, grote bonte specht, spreeuw en torenvalk, zijn wel te verwachten binnen het plangebied. Deze soorten kunnen hun verblijfplaatsen in de beuken en houtsingel hebben en/of het plangebied gebruiken om te foerageren. Kader – Functionele leefomgeving De functionele leefomgeving van een nest en rustplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om ze als zodanig te laten functioneren. Een nest kan alleen succesvol functioneren als er voldoende habitat van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen, schuilen en slapen moet er plaats kunnen vinden. Voor de huismus zijn enkele voorbeelden winterharde struiken, droge zandige plekken en een waterbron met dichtbij dekkingsmogelijkheden.
Voor soorten met een jaarrond beschermde neststatus geldt dat het omliggende habitat ook van afdoende kwaliteit moet blijven voor het nest om te functioneren. Daarnaast kunnen er zwaarwegende redenen van ecologische aard zijn die bepalen dat een nest én de functionele leefomgeving jaarrond beschermd zijn. Afhankelijk van de lokale Staat van Instandhouding en de verdere kwaliteit van het leefgebied kunnen elementen die cruciaal zijn voor het nestsucces beschermd zijn.
Overige (broed)vogels De overige vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, houtsingels en struwelen. Onder andere de volgende vogelsoorten zijn binnen het plangebied te verwachten: ekster, fitis, gaai, heggenmus, houtduif, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning en zwartkop.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 21
Effecten en vergunning Vogels met jaarrond beschermde nesten Van enkele vogelsoorten zijn de nesten het gehele jaar door beschermd, evenals hun functionele leefomgeving. Wanneer de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving worden aangetast, is een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten vereist. De huismus valt onder deze beschermde soorten. Echter, nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus ontbreken binnen het plangebied. Voor de overige genoemde soorten geldt dat het plangebied enkel wordt gebruikt als foerageergebied. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn daarom uitgesloten. Nader onderzoek en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor vogels met jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Het is mogelijk dat nesten van de boomklever, boomkruiper, bosuil, glanskop, grote bonte specht en spreeuw aanwezig zijn in de beuken en houtsingel binnen het plangebied. De nestlocaties van deze algemeen voorkomende soorten zullen door de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast. Het gaat slechts om enkele broedparen van deze soorten. In de omgeving zijn bovendien voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden.
Compenserende maatregelen of het aanvragen van een omgevingsvergunning is om deze redenen dan ook niet noodzakelijk. Echter, voor de Omgevingswet zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en de zeldzaamheid van de soort. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Omgevingswet. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de Staat van Instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat schadelijke handelingen worden uitgevoerd waar een vergunning voor nodig is (artikel 11.37, lid 2 onder a t/m d van het Besluit activiteiten leefomgeving). De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige, middels een broedvogelinspectie, voorafgaand aan de werkzaamheden is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
Voor de Omgevingswet zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Indien gedurende de werkzaamheden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden een in gebruik zijnd nest wordt aangetroffen dient, ongeacht het tijdstip van het jaar en de soort, gewacht te worden met de werkzaamheden tot de jongen het nest op eigen kracht hebben verlaten. Vangen en doden van vogels en vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, rustplaatsen en eieren betreffen een overtreding van respectievelijk art. 11.37 lid 1 a en lid 1 b van het Bal (zie bijlage 1). Verstoren van het nest is eveneens strafbaar, indien er sprake is van een negatief effect op de gunstige Staat van Instandhouding van de soort (art. 11.37 lid 1 d van het Bal). Zodra een nest verlaten wordt als gevolg van verstoring wordt dit als vernielen van een nest beschouwd (overtreding artikel 11.37 lid 1 b van het Bal). De begeleidend ecoloog kan bepalen of er sprake is van overtreding van de voorgenoemde verboden handelingen. Tot die tijd dienen de werkzaamheden rondom het nest te worden gestaakt.
1 In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een
broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 22
4.2.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen, vergaafbare humeuze bosgrond en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2025). Effecten en vergunning Aangezien geschikt habitat ontbreekt en er geen waarnemingen bekend zijn is nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor reptielen niet noodzakelijk.
4.2.5 Amfibieën Op basis van de systematiek van de Omgevingswet (zie Bijlage 1) geldt dat voor de in de wet benoemde amfibieën in geval van schade, verstoring of vernieling van vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen een vergunningplicht geldt. Op deze vergunningplicht gelden een aantal uitzonderingen. De provincies kunnen in hun omgevingsverordening een vrijstelling van vergunningplicht bepalen. Voorkomen en functie Soorten waarvoor een vrijstelling geldt In de omgevingsverordening van de provincie Gelderland (Omgevingsverordening Gelderland, gepubliceerd op 20-02-2025, in werking op 03-03-2025) is voor de volgende (mogelijk) in het plangebied voorkomende amfibieën een vrijstelling van vergunningplicht opgenomen voor ruimtelijke inrichting: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Door het gebruik van het plangebied door wegverkeer en het maaien van de wegbermen kunnen deze soorten het plangebied slechts in zeer beperkte mate als landbiotoop gebruiken. In het plangebied zijn geen watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van een voortplantingsbiotoop is daarom op voorhand uitgesloten. Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten.
Zo ontbreken watervoerende elementen in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën in en rondom het plangebied (NDFF, 2025). Effecten en vergunning Soorten waarvoor een vrijstelling geldt De ingreep zal alleen leiden tot een zeer beperkt verlies van landbiotoop van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de vergunningplicht opgesteld. Daarnaast blijft er in de omgeving van het plangebied voldoende geschikt habitat voor deze soorten behouden. Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor amfibieën niet noodzakelijk.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 23
4.2.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en vergunning Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op beschermde vissen zijn daarmee uitgesloten. Nader onderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit voor vissen is derhalve niet aan de orde.
4.2.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, platte schijfhoren en sierlijke witsnuitlibel niet verwacht binnen het plangebied. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit venranden, krabbenscheervegetaties, heldere beekjes en specifieke waardplanten als de boswilg, grauwe wilg en iep. Wel is de waardplant van de grote vos aanwezig. Het gaat hier om de zoete kers in de houtsingel (Nederlands Soortenregister, sd). De grote vos is een zeldzame standvlinder, maar vertoont de afgelopen jaren een stijgende populatietrend. Ondanks dat deze soort in de laatste tien jaar geen één keer binnen het plangebied is waargenomen (NDFF, 2025), is het mogelijk dat deze zich hier toch voortplant. Effecten en vergunning Aangezien een gedeelte van de houtsingel wordt verwijderd zijn negatieve effecten op de grote vos te verwachten. Daarom is nader onderzoek naar de grote vos noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of het aanvragen van een omgevingsvergunning benodigd is.
4.3 Rode Lijst soorten Voorkomen en functie Naar aanleiding van het veldbezoek en het bureauonderzoek worden er, naast de in voorgaande hoofdstukken reeds genoemde soorten, geen Rode Lijst soorten verwacht in het plangebied 2. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van Rode Lijst soorten in en rondom het plangebied (NDFF, 2025). Effecten Binnen het plangebied zijn geen Rode Lijst soorten aanwezig. Negatieve effecten op Rode Lijst soorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen derhalve worden uitgesloten.
2 Het kan niet worden uitgesloten dat bepaalde soorten niet zijn opgemerkt, of ten tijde van het veldbezoek niet aanwezig waren of waarvan geen
algemeen beschikbare informatie over voorkomen in of rond het plangebied bekend is. Op basis van de zorgplichtbepalingen blijft initiatiefnemer of uitvoerder (eenieder) zelf verantwoordelijk om vooraf na te gaan of bepaalde soorten die op een Rode Lijst zijn geplaatst nadelige gevolgen kunnen ondervinden door de uit te voeren activiteit. Is dit het geval dan is degene ook wettelijk verplicht alles te doen wat in zijn of haar macht ligt om deze nadelige gevolgen te voorkomen of – indien dat niet meer mogelijk is – deze gevolgen te niet te doen of te mitigeren. Het niet naleven van deze zorgplicht kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 24
4.4 Beschermde gebieden Ligging Het plangebied ligt op circa 0,5 km afstand van het Natura 2000-gebied Veluwe. Effecten Niet stikstof-gerelateerde effecten De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing van niet stikstofgerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. In dat kader is voor zowel de aanleg-/bouwfase als de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom weer een stikstofdepositieberekening benodigd. In de aanleg-/bouwfase van dit project wordt door bouwmachines en ander materieel stikstof uitgestoten. Het betreft het vervangen van een kruispunt door een rotonde waarbij in de toekomstige gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie wordt verwacht.
Enkel voor de aanleg/bouwfase is daarom een stikstofberekening noodzakelijk.
4.5 Houtopstanden Het plangebied bevindt zich deels binnen en deels buiten de bebouwingscontour houtkap. Hieronder wordt voor beide gebieden afzonderlijk toegelicht wat de gevolgen zijn van de voorgenomen ontwikkeling. Binnen de bebouwingscontour houtkap De acht beuken (afbeelding 6) en één gewone esdoorn bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. Volgens de gemeentelijke regelgeving kan voor het kappen van deze bomen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vereist zijn. Dit is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Om zekerheid te verkrijgen over de vergunningsplicht wordt geadviseerd contact op te nemen met de gemeente Putten. Buiten de bebouwingscontour houtkap Het is op dit moment nog niet vastgesteld welke en hoeveel bomen in de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) zullen worden gekapt. Conform artikel 11.111, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt dat houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen), zijn vrijgesteld van de meld- en herplantplicht voor het kappen. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, dient de te kappen oppervlakte/het aantal te kappen bomen worden vastgesteld en op basis daarvan worden bepaald of een meld- en herplantplicht van toepassing is.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 25
4.6 Gelders Natuurnetwerk Ligging Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Effecten Het plangebied ligt niet binnen het GNN en de GO. Het GNN en de GO kennen in deze provincie geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 26
5 Conclusies In dit hoofdstuk worden beknopt de conclusies beschreven met betrekking tot de onderdelen waarvoor nader onderzoek of maatregelen nodig zijn.
5.1 Beschermde soorten Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen niet worden uitgesloten. Voor de volgende soortgroepen zijn maatregelen noodzakelijk: •
•
•
•
Vleermuizen: in de acht beuken (afbeelding 6) zijn mogelijk verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen aanwezig. Met het kappen van de bomen zullen deze mogelijke verblijfplaatsen verdwijnen. Daarom is nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren: de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) vormt mogelijk een essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. Met het verwijderen van een gedeelte van de houtsingel zullen eventuele verblijfplaatsen verdwijnen. Daarom is nader onderzoek naar kleine marterachtigen m.b.v. Struikrovervallen® noodzakelijk. Vogels: de werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen voor vogels uitgevoerd te worden. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige, middels een broedvogelinspectie, voorafgaand aan de werkzaamheden is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Omgevingswet zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en de zeldzaamheid van de soort. Ongewervelden: in de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) is een zoete kers aanwezig. De zoete kers is een waardplant van de grote vos. Met het verwijderen van een gedeelte van de houtsingel zijn negatieve effecten op de grote vos te verwachten.
Daarom is nader onderzoek naar de grote vos noodzakelijk.
Uit de nadere onderzoeken zal blijken of aanvullende maatregelen nodig zijn en/of een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Het is mogelijk om volgens de Gedragscode Provinciale Infrastructuur te werken met de bijbehorende werkprotocollen, waardoor nader onderzoek niet nodig is. Indien voor deze werkwijze wordt gekozen, is het echter wel verplicht om een projectplan op te stellen en een vergunningsaanvraag in te dienen. Deze vergunningsaanvraag is noodzakelijk voor boom bewonende vleermuizen, kleine marterachtigen en de grote vos, omdat de werkzaamheden de functionaliteit van eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen aantasten of wezenlijk verstoren.
5.2 Beschermde gebieden Negatieve effecten van stikstof op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. In de gebruiksfase wordt geen toename van stikstofdepositie verwacht. Enkel voor de aanleg-/bouwfase is daarom een stikstofberekening noodzakelijk.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 27
5.3 Houtopstanden Het plangebied bevindt zich deels binnen en deels buiten de bebouwingscontour houtkap. Hieronder wordt voor beide gebieden afzonderlijk toegelicht wat de gevolgen zijn van de voorgenomen ontwikkeling. Binnen de bebouwingscontour houtkap De acht beuken (afbeelding 6) en één gewone esdoorn bevinden zich binnen de bebouwingscontour houtkap. Volgens de gemeentelijke regelgeving kan voor het kappen van deze bomen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit vereist zijn. Dit is geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Om zekerheid te verkrijgen over de vergunningsplicht wordt geadviseerd contact op te nemen met de gemeente Putten. Buiten de bebouwingscontour houtkap Het is op dit moment nog niet vastgesteld welke en hoeveel bomen in de houtsingel (afbeelding 7, 8 en 9) zullen worden gekapt. Conform artikel 11.111, onder j, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt dat houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen), zijn vrijgesteld van de meld- en herplantplicht voor het kappen. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd, dient de te kappen oppervlakte/het aantal te kappen bomen worden vastgesteld en op basis daarvan worden bepaald of een meld- en herplantplicht van toepassing is.
5.4 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 28
Literatuurlijst • • • •
ESRI Nederland (2025). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF (2025). Nederlandse Databank Flora en Fauna. https://www.ndff.nl/ Nederlands Soortenregister. (sd). Grote vos. Opgehaald van Nederlands Soortenregister: https://www.nederlandsesoorten.nl/linnaeus_ng/app/views/species/nsr_taxon.php
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 29
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Inleiding Het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn in de meeste gevallen het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In deze bijlage wordt kort ingegaan op de relevante regels waaraan voldaan moet worden.
Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming (toetsing flora- en fauna-activiteit) is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “Andere soorten”. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet Het systeem van de Omgevingswet wijkt af van wat eerder in de Wet natuurbescherming was opgenomen; er is niet langer sprake van absoluut verbod met een mogelijkheid om ontheffing van dit verbod te krijgen, maar van verbod behoudens wanneer men beschikt over een daartoe bedoelde omgevingsvergunning. De Omgevingswet gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal schadelijke handelingen genoemd (zie tabel 1). De schadelijke handelingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Andere (nationaal) beschermde soorten’). Voor welke situaties een omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit nodig is vastgelegd in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Vogels (Vogelrichtlijnsoorten) Dit regime betreft alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn.
Hiervoor gelden de volgende schadelijke handelingen: • er geldt vergunningplicht voor activiteiten die kunnen leiden tot het opzettelijk doden of vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 Vogelrichtlijn; • tevens geldt vergunningplicht voor het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren én het opzettelijk storen van vogels. Dit is vastgelegd in artikel 11.37 van het Bal. Europees beschermde soorten Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. Hiervoor gelden de volgende schadelijke handelingen:
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 30
•
er geldt vergunningplicht voor het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk verstoren, doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; • er geldt vergunningplicht voor het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren én het verstoren en het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van bedoelde diersoorten; • er geldt ook vergunningplicht voor het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Dit is vastgelegd in artikel 11.46 van het Bal. Andere (nationaal) beschermde soorten Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Hiervoor gelden de volgende schadelijke handelingen: • er geldt vergunningplicht voor het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten zoals genoemd in bijlage IX, onder A van het Bal; • vergunningplicht geldt ook voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van de hiervoor bedoelde dieren; • vergunningplicht geldt ook voor het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B van het Bal. Dit is vastgelegd in artikel 11.54 van het Bal. Tabel 1. Overzicht schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtige situatie onder de Omgevingswet. Beschermingsregime soorten
Beschermingsregime soorten
Beschermingsregime Andere soorten (art.
Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal)
Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal)
11.54 Bal)
Lid 1, onder a het is verboden van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen
Lid 1, onder a het is verboden in het wild levende dieren in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of opzettelijk te vangen
Lid 1, onder b het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten weg te nemen
Lid 1, onder b het is verboden in het wild levende dieren opzettelijk te storen
Lid 1, onder c het is verboden eieren te rapen of onder zich te hebben
Lid 1, onder c het is verboden eieren van in het wild levende dieren opzettelijk te vernielen of te rapen
Lid 1, onder a het is verboden beschermde, in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijke te vangen en te doden Lid 1, onder b het is verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a opzettelijk te beschadigen of te vernielen Lid 1, onder c het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen
Lid 1, onder d het is verboden opzettelijk vogels te storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de Staat van Instandhouding van de vogelsoort
Lid 1, onder d het is verboden voortplantings- of rustplaatsen van in het wild levende dieren te beschadigen of te vernielen Lid 1, onder e het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen
Deze schadelijke handelingen mogen niet overtreden worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling van vergunningplicht geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve vergunning); • de activiteit deel uitmaakt van een vastgesteld programma;
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 31
•
een vergunning is verkregen.
Voor een aantal handelingen zijn vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. De schadelijke handelingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de Staat van Instandhouding van de soort (artikel 5.1, lid 2 onder g Ow gelezen in samenhang met § 11.2 Bal). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de Staat van Instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de Staat van Instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 11.54 lid 2 sub a Bal). Vrijstellingen De vergunningplicht zoals hiervoor benoemd is niet absoluut. Het verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde handelingen uit te voeren bestaat niet als er voor bepaalde handelingen of activiteiten een vrijstelling is verleend. Dergelijke vrijstellingen kunnen landelijk gelden en worden door de Minister vastgesteld. De provincies kunnen in hun omgevingsverordening ook bepaalde vrijstellingen verlenen. Deze vrijstellingen verschillen per provincie. Er bestaan ook andere wetsinstrumenten die een vergunningplicht uitsluiten. Dit kan doordat bepaalde activiteiten zijn opgenomen in een programma, of dat de handelingen worden uitgevoerd op grond van een aangewezen gedragscode. Wanneer dit aan de orde is wordt dit verderop in het rapport toegelicht. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de schadelijke handelingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren vrijgesteld van de vergunningplicht.
Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet en Wet natuurbescherming is reeds ervaring opgedaan met een dergelijke programmatische aanpak. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een generieke vergunningen verleend. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 32
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes. Afwijken van schadelijke handelingen Om af te mogen wijken van de schadelijke handelingen (en deze toch te mogen overtreden) via een vergunning of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de Staat van Instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een vergunning worden verleend. Hieronder worden de drie vereisten nader toegelicht. Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de schadelijke handeling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten.
De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen vergunning worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van Instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de Staat van Instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van Instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende vergunningen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken.
Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. de SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied); 2. het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 33
Kader - Staat van Instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de Staat van Instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige Staat van Instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige Staat van Instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding schadelijke handelingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de schadelijke handelingen van het natuurbeschermingsrecht onder de Omgevingswet kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld).
Aanleg rotonde, N798 Putten | Eelerwoude | 34
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan vergunning worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan vergunning worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de vergunning of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de vergunning of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan vergunning worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;