Ontwerpbestemmingsplan Verzorgingsplaats Vanenburg - Toelichting
Tekst van het document
De parkeermogelijkheden voor vrachtverkeer zijn zowel in directe als indirecte lijn (via tankeiland) bereikbaar. Kort parkeren voor vrachtwagens is gecombineerd met reeds geboden parkeerfaciliteiten voor vrachtverkeer. Personenauto's worden op de verzorgingsplaats gescheiden van het vrachtverkeer. De parkeerplaatsen zijn verder van de autosnelweg gelegen vanwege de gewenste rust waarbij de vrachtwagens als geluidsbuffer een extra functie vervullen. Automobilisten met aanhangers kunnen terecht in de, dichterbij de kiosk en toiletten gelegen, langsparkeervakken. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.
4.9
Water
Algemeen Sinds 14 februari 2001 is het verplicht een Watertoets bij ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren, wat als gevolg heeft dat in alle ruimtelijke plannen - en dus ook in het bestemmingsplan - een zogeheten waterparagraaf moet zijn opgenomen. De waterparagraaf omvat het advies van de waterbeheerder en een gemotiveerd besluit ten aanzien van de wateraspecten. Eventuele afwijkingen van het advies van de waterbeheerder worden gemotiveerd. Daarbij moet door de initiatiefnemer worden aangegeven hoe met die afwijking wordt omgegaan. In de laatste instantie kan worden teruggegrepen op het nemen van verzachtende maatregelen of compensatie inclusief afspraken over financiering en uitvoering. Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 30
Het Rijksbeleid ten aanzien van water is neergelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (1998). Hierin is aangegeven, dat het waterbeheer in Nederland moet zijn gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde duurzame watersystemen. Om dit te bereiken moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van een watersysteembenadering en integraal waterbeheer. In de nota is onder meer aangegeven, dat stedelijk water meer aandacht moet krijgen. Volgens de nota Waterbeheer in de 21e eeuw (2000) moet aan het watersysteem meer aandacht worden gegeven om de natuurlijke veerkracht te benutten. Voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren" staat hierbij centraal. Ook in stedelijke uitbreidingen dient daarom het overtollige hemelwater beter te worden vastgehouden. Het landschap van de gemeente Putten helt naar het westen toe af. Dit heeft gevolgen voor de stromingsrichting van het grondwater en het oppervlaktewater. Het regenwater dat op het Veluwemassief valt, komt jaren later deels als kwel aan de westkant van Putten omhoog. Voor het plangebied Vanenburg is het Waterschap Vallei en Veluwe beheerder. In overleg met het Waterschap Vallei en Veluwe is beoordeeld welke waterbelangen van toepassing zijn. Beoordeling Verharding In het plan wordt 9153,86 m2 aan verharding toegevoegd.
Voor de bergingsopgave zal er in ieder geval 550 kuub (m3) waterberging gerealiseerd worden (60 mm per vierkante meter). De waterberging in de vorm van een plasdrasgebied wordt gecreëerd tussen de meest zuidelijke autoparkeervakken en watergang. Daar worden tegen de watergang aan oevers gerealiseerd met een natuurlijk verloop. Daarvoor is voldoende ruimte beschikbaar in de strook tussen de autoparkeerplaatsen en de A-watergang en zou organisch/landschappelijk ingepast kunnen worden d.m.v. plasdras of een wadi-achtige bergingsvoorziening. Hemelwater dat afvloeit vanaf (vooral de vrachtwagen-)parkeerplaatsen is soms licht verontreinigd met minerale olie en/of zware metalen. Het gehele verhardingsoppervlak wordt volgens het “Kader inrichting verzorgingsplaatsen 2019” omsloten door RWS-banden waarbij het hemelwater afvloeit via goten/kolken naar een OBAS die is aangesloten op de te realiseren wadi. Van hieruit wordt het schone hemelwater via een gecontroleerde overloop (maximale afvoer van 1,5 liter/seconde/hectare) in het oppervlaktewater gebracht. Hiervoor zal een watervergunning worden aangevraagd waarbij de indieningsvereisten zoals dwarsprofielen inmiddels door het Waterschap Vallei en Veluwe zijn beoordeeld en goedgekeurd. Watergang Aan de noordkant van het plangebied is een de A-watergang aanwezig.
deze watergang zal aan de noordzijde worden gedempt en worden omgelegd rondom het nieuwe verzorgingsgebied. Hiermee wordt deze watergang in oppervlakte vergroot t.o.v. de huidige situatie. De nieuwe watergang zal conform de eisen van het waterschap geconstrueerd: geen duiker; van insteek tot insteek maximaal 7 meter; geen haakse bochten i.v.m. het risico op afkalving; Dit lukt niet bij de bochten ter hoogte van de aansluiting op de “oude” watergang. Hier zal oeverbescherming worden aangebracht om afkalving wordt voorkomen. De specifieke toepassing van oeverbescherming wordt nog onderzocht door een hydroloog van het Waterschap. Over de gehele lengte en aansluitend op de watergang buiten het plangebied zal een onderhoudsstrook van 5 meter breed beschikbaar zijn. Hier kan ook aan de ontvangstplicht van maaisel worden voldaan. In de watervergunningaanvraag zullen bovengenoemde uitgangspunten worden aangetoond. Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 31
Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan heeft met het nemen van de bovengenoemde maatregelen geen belangrijk negatief effect op het aspect water. Deze maatregelen worden geborgd in de later aan te vragen watervergunning. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt hiermee niet door onaanvaardbare effecten op het water belemmerd.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. Bij het archeologiebeleid is ook een beleidskaart opgesteld die de zonering van de verschillende archeologische verwachtingswaarden aangeeft. Aan de verschillende verwachtingswaarden zijn voorwaarden gekoppeld wanneer bij bouw- en grondwerkzaamheden archeologisch onderzoek vereist wordt. Relatie tot dit bestemmingsplan Het plangebied is aangewezen met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4'. In onderstaande figuur is terug te zien hoe het plangebied is verdeeld.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 32
Figuur 4.3 Waarde - Archeologie 1 in plangebied De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het is hier verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 40 cm onder het maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 50 m2, waartoe wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage.
Figuur 4.4 Waarde - Archeologie 2 in plangebied De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het is hier verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 40 cm onder het maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 100 m2, waartoe wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 33
Figuur 4.5 Waarde - Archeologie 4 in plangebied De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het is hier verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 40 cm onder het maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2, waartoe wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage. Conclusie Op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan worden bovengenoemde dubbelbestemmingen aangaande de Waarde - Archeologie gehandhaafd. Voor het omleggen van de watergang zal i.v.m. de archeologische waarden een omgevingsvergunning aangevraagd dienen te worden. Hiermee worden de archeologische waarden met voorliggend bestemmingsplan afdoende beschermd.
4.11
Niet gesprongen explosieven
Op 14 juli 2020 is door REASeuro een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar 'Niet Gesprongen Explosieven' (HVO-NGE). Het rapport is opgenomen in Bijlage 6 'Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven. Conclusie In dit HVO-NGE zijn de volgende onderzoeksvragen beantwoord: Er is geen sprake van een NGE-Risicogebied binnen het werkgebied naar de situatie van 1945. Aangezien geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat binnen het onderzoeksgebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden, wordt niet verwacht dat mogelijk NGE zijn achtergebleven binnen het werkgebied. Advies Geadviseerd wordt om de werkzaamheden regulier doorgang te laten vinden, zonder verdere maatregelen. Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan een NGE aangetroffen worden, dan dienen de volgende acties te worden ondernomen:
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 34
1. Het werk ter plaatse van de vindplaats dient te worden stilgelegd. 2. De werklocatie, in ieder geval rondom het NGE, dient te worden afgezet. Het aanwezige personeel dient op de hoogte te worden gebracht van de vondst en geïnstrueerd te worden uit de buurt te blijven. 3. Er dient contact te worden opgenomen met de politie (0900-8844). De vondst dient gemeld te worden aan de politie. De politie neemt vervolgens contact op met de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD). 4. Als de EOD op locatie is, wordt een afspraak gemaakt voor de vernietiging. De EOD maakt deze afspraak met de gemeente, of de politie namens de gemeente. 5. De EOD geeft aan de gemeente, of de politie namens de gemeente, advies over de in acht te nemen veiligheidsmaatregelen. 6. Indien de te nemen veiligheidsmaatregelen dit toelaten, kan de gemeente aan de EOD advies vragen over de mogelijkheden tot doorwerken op de betreffende locatie, dan wel elders in de nabijheid van het werk en de daarbij in acht te nemen veiligheidsmaatregelen totdat het NGE wordt geruimd. 7. Het NGE wordt geruimd. Indien NGE worden aangetroffen binnen het werkgebied, is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige worden vastgesteld of sprake is van een incident of dat er aanleiding is de werkwijze aan te passen.
Conclusie Niet Gesprongen Explosieven vormen geen belemmering de uitvoering van het bestemmingsplan.
4.12
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die een planologische bescherming nodig hebben.
4.13
Duurzaamheid
Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus gelden als volgt: Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/ja. gebruiksoppervlak Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Wettelijk kader Bouwbesluit 2012 De wettelijke eisen volgen uit het bouwbesluit van 2012. Per 1 januari 2015 zijn de eisen ten aanzien duurzaamheid en isolatie aangescherpt. De volgende eisen zijn wettelijk van toepassing: Minimale isolatiewaarden (Rc): 1. Rc=4,5 m2.K/W voor gevels, 2. Rc=6,0 m2.K/W voor daken, 3. Rc=3,5 m2.K/W voor vloeren; Maximale warmtedoorgangscoëfficiënten (Uw): 1. Gemiddelde Uw=1,65 W/m2.K voor alle ramen, deuren en kozijnen, 2. Maximale Uw=2,2 W/m2.K voor afzonderlijke ramen, deuren en kozijnen; Een maximale EPC-waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekent te worden middels de EPG-methodiek; Van de samenstelling van constructieonderdelen van een gebouw met uitsluitend kantoorfuncties en nevenfuncties daarvan met een totale gebruiksoppervlakte van meer Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 35
dan 100 m² is de uitstoot van broeikasgassen en de uitputting van grondstoffen gekwantificeerd volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken; Een soortgelijke bepaling geldt ook voor woningen. In het kort: de milieuprestatie van het materiaalgebruik dient berekend te worden en dient toegevoegd te worden aan de omgevingsvergunning. Gemeentelijk beleid De gemeente Putten hecht veel belang aan duurzaamheid. De gemeente Putten wil uiterlijk in 2050 klimaatneutraal zijn. In 2020 wil de gemeente in ieder geval 14% van het energieverbruik duurzaam opwekken. De energietransitie ziet de gemeente niet als een bedreiging, maar juist als een kans. Een kans om als Putten zelfstandig energieneutraal te worden en daarbij de kwaliteit van onze leefomgeving te versterken. Conclusie Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een herinrichting van de huidige verzorgingsplaats Vanenburg. Er worden geen (woon)gebouwen gerealiseerd. Wel wordt een groene inrichting van de verzorgingsplaats gerealiseerd.
4.14
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.
Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Relatie tot dit bestemmingsplan In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Met dit bestemmingsplan wordt de herinrichting van een verzorgingsplaats Vanenburg (circa 2 hectare) mogelijk gemaakt waarbij ruim onder de drempelwaarde (100 hectare) wordt gebleven. Hierdoor dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Door Mees Ruimte en Milieu is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld (Bijlage 7). In deze notitie wordt beschreven of er mogelijk sprake is van nadelige milieugevolgen in de omgeving door de realisatie van het plan. Het besluit op deze aanmeldnotitie wordt gelijktijdig ter inzage gelegd met het ontwerpbestemmingsplan. Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 36
Het plangebied ligt niet in ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Wel is het in de nabijheid gelegen een tweetal Natura 2000-gebieden. Uit onderzoek blijkt dat alleen lichthinder tot mogelijke negatieve effecten kunnen leiden ter plaatse van het Natura 2000-gebied Arkheem. Het verlichtingsplan zal worden aangepast als uit de voortoets blijkt dat significante negatieve effecten m.b.t. lichthinder niet uit te sluiten zijn. Conclusie Uit de aanmeldnotitie m.e.r. blijkt dat er met de realisatie van het plan geen belangrijke negatieve effecten worden voorzien op de omgeving indien mitigerende maatregelen worden genomen. Gelet op de schaal van de ontwikkeling, alsmede de huidige invulling van de locatie worden er geen nadelige milieueffecten verwacht. Het doorlopen van een m.e.r. procedure en/of formele m.e.r. beoordelingsprocedure wordt niet noodzakelijk geacht.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 37
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Dit bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels en bijlagen bij de regels. Dit hoofdstuk bevat een toelichting op het juridische deel van het bestemmingsplan. De toelichting bevat tevens een uitwerking van het in de vorige hoofdstukken beschreven beleid.
5.2
Wettelijk kader
Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is verder ingevuld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Rsro2008). Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Hierdoor is het omgevingsrecht drastisch gewijzigd. Veel toestemmingen en vergunningen die voorheen apart geregeld waren, zijn nu opgenomen in de Wabo. Hierdoor is voor één project nog maar één omgevingsvergunning nodig, die toestemming geeft voor alle benodigde activiteiten. Een aantal vergunningen die is opgegaan in de omgevingsvergunning, is de bouwvergunning, binnenplanse ontheffing, sloopvergunning en aanlegvergunning. De inhoudelijke toetsingskaders voor deze vergunningen zijn niet gewijzigd. In de regels is de terminologie aangepast aan de Wabo. Zo heet de ontheffing nu 'omgevingsvergunning voor het afwijken'. In het bestemmingsplan zijn geen procedureregels opgenomen.
De procedure voor een wijzigingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening, en de Wabo bevat een procedureregeling voor de omgevingsvergunning.
5.3
Planonderdelen
Het bestemmingsplan verzorgingsplaats Vanenburg bestaat uit een verbeelding met regels en een daarbij behorende toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. De regels en verbeelding zijn aan elkaar gerelateerd. Dit betekent dat de verbeelding en de regels altijd in samenhang moeten worden gebruikt. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de (analoge) verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een topografische ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda van de (analoge) verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan.
De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels. Uitgangspunt is, door het stellen van heldere regels en een duidelijke verbeelding, een zo goed mogelijke handhaafbaarheid te realiseren. De toetsingscriteria in de regels vormen een Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 38
toetsingsgrond voor omgevingsvergunningen voor het bouwen, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, en voor het afwijken van het bestemmingsplan.
5.4
Toelichting op de bestemmingen
5.4.1 Inleiding Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is uitgangspunt geweest de beoogde functies mogelijk te maken. Hierbij is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan Westelijk Buitengebied. 5.4.2 Inleidende regels Het bestemmingsplan voorziet in enkele inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. Begrippen Het opnemen van begripsomschrijvingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijk) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of de technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven bouwhoogten van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. 5.4.3 Bestemmingsregels Verkeer In het plangebied komen wegen voor. Deze zijn overeenkomstig hun aard in de bestemmingen Verkeer (artikel 3) opgenomen. Water De hoofdwatergangen hebben de bestemming Water (artikel 4). Vanwege de aard van de bestemming zijn de bouwmogelijkheden beperkt. Dubbelbestemmingen Naast de hiervoor besproken enkelbestemmingen zijn er ook zogeheten dubbelbestemmingen opgenomen in dit bestemmingsplan. Dubbelbestemmingen zijn bestemmingen die een heel specifiek ruimtelijk belang beogen te beschermen en als het ware over de 'onderliggende' gebiedsbestemming heen liggen.
De dubbelbestemming voegt een gebruiksfunctie aan de betreffende gronden toe en bevat een uitbreiding of juist een beperking van de bouw- en/of gebruiksmogelijkheden van de 'onderliggende' gebiedsbestemming(en). De dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen Waarde Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 4. 5.4.4 Algemene regels In het hoofdstuk 'Algemene regels' zijn regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele bestemmingsplan. Dit zijn onder andere de regels die verplicht zijn gesteld in het Besluit ruimtelijke ordening, zoals de antidubbeltelbepaling. In het navolgende zijn de algemene regels beschreven die specifiek van toepassing zijn op het onderhavige bestemmingsplan. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn de regels met betrekking tot het bouwen opgenomen die van toepassing zijn op het gehele plan of van toepassing zijn op meerdere bestemmingen. Zo is de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen opgenomen.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 39
Algemene gebruiksregels Vergelijkbaar met de bouwregels gelden er voor het gebruik van gronden en bouwwerken ook regels die op het gehele plan op meerdere bestemmingen van toepassing zijn. In dit plan betreft het regels waarin is aangegeven welk gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Het gaat onder andere om het gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels zijn de regels opgenomen met betrekking tot de gebiedsaanduidingen. De gebiedsaanduidingen zijn in de algemene aanduidingsregels geregeld, omdat ze betrekking hebben op meerdere bestemmingen. Met behulp van de aanduidingsregels is ook de Ecologische Hoofdstructuur in het bestemmingsplan vertaald middels de ehs-verweving en verbindingszone. In deze zone geld voor het bouwen en het gebruik van de gronden en bouwwerken enkele afwijkende regels ter bescherming en/of de ontwikkeling van natuur. Tevens is een artikel opgenomen artikelen ter bescherming van specifieke landschappelijke waarden in het plangebied. Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied de aanduiding 'veiligheidszone - lpg'. Binnen deze aanduiding mogen geen nieuwe bouwwerken ten behoeve van (beperkt) kwetsbare objecten worden gebouwd.
Algemene afwijkingsregels Dit artikel omvat regels om via een omgevingsvergunning af te wijken van enkele regels in de voorkomende bestemmingen. Zo bevat het artikel onder andere afwijkingsregels voor het bouwen van antennes met een bouwhoogte van maximaal 15 m, het bouwen van een sirenemast waarvan de bouwhoogte ten hoogste 18 m mag bedragen, indien dit voor de verwerkelijking van een adequaat waarschuwingssysteem noodzakelijk is. Algemene Wijzigingsregels Binnen voorliggend bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders opgenomen zodat zij op één of meer locaties de (dubbel)bestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4' kunnen toevoegen of verwijderen, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie respectievelijk wel of geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 5.4.5 Overgangs- en slotregel Het plan kent tot slot een hoofdstuk met overgangs- en slotregels. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet (overgangsregels). De slotbepaling geeft aan onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald.
Overigens wordt voor beide regelingen verwezen naar de betreffende regels. 5.4.6 Een handhaafbaar bestemmingsplan Het aspect handhaving speelt in het kader van een nieuw bestemmingsplan, en zeker als dat plan betrekking heeft op het buitengebied, een belangrijke rol. Dit kan alleen al gebaseerd worden op de praktijk die laat zien dat de meeste overtredingen op het gebied van bestemmingsplanregelgeving in het buitengebied plaatsvinden. Handhaving is echter niet alleen het feitelijk optreden. Er kan gesproken worden van preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere voorlichting, subsidieverlening en verlening van vergunningen worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporen en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan hangt niet alleen af van het al dan niet optreden tegen overtredingen. Aspecten als communicatie, de planvorm, de kwaliteit van de
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 40
normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen, spelen ook een belangrijke rol. Bij de voorbereiding van het nieuwe bestemmingsplan is, mede in het licht van handhavingsmogelijkheden, in het bijzonder aandacht besteed aan opzet, inhoud en structuur van de verbeelding en de regels.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 41
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1 Overleg met omwonenden In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gevoerd met de buurtbewoners in de vorm van bewonersbezoeken. Dit betreft de adressen: Arlersteeg 8 Arlersteeg 8a Arlersteeg 6B Arlersteeg 6A Arlersteeg 6 Arlersteeg 14 De intentie van dit bewonersbezoek is om de omgeving te informeren en hen op de hoogte te stellen van de aankomende werkzaamheden. Bij het bezoek is tevens een brief overhandigd met daarin nadere gegevens over de werkzaamheden en de contactgegevens van de omgevingsmanager, waar zij terecht kunnen met vragen of opmerkingen. . De bewoners die niet thuis werden aangetroffen hebben de brief in de brievenbus ontvangen. Het bewonersbezoek heeft geen bezwaren naar voren gebracht. Een aantal bewoners was wel geïnteresseerd in de tekening, die vervolgens digitaal is verstrekt aan de geïnteresseerden. Het verslag van het bewonersbezoek en de verstuurde brieven zijn als bijlage in de toelichting van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. 6.2.2 Overleg met overheidsinstanties In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1.
van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners. De reacties uit het vooroverleg zijn, waar nodig, verwerkt in dit bestemmingsplan. In het kader van voorliggend plan heeft m.b.t. het inrichtingsplan uitvoerig overleg plaatsgevonden met het Waterschap Vallei en Veluwe en de Provincie Gelderland. Het Waterschap Vallei en Veluwe en de Provincie Gelderland hebben per mail akkoord gegeven op het inrichtingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 42