Ontwerpbestemmingsplan Verzorgingsplaats Vanenburg - Toelichting
Tekst van het document
TOELICHTING PROJECT
Verzorgingsplaats Vanenburg
STATUS
ontwerp
PROJECTNUMMER
NL.IMRO.0273.BPBGVanenburgA28-ON01
DATUM
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer
info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 - 744 08 38 085 - 744 08 37 Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
6 Aanleiding Plangebied Huidige planologische situatie Leeswijzer
6 6 7 8
Huidige en toekomstige ontwikkeling
9
2.1 2.2
9 10
Huidige situatie Toekomstige situatie
Beleidskader
11
3.1 3.2 3.3
11 13 14
Rijksbeleid Provinciaal/regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Omgevingsaspecten
18
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
18 20 20 20 23 23 24 30 30 32 34 35 35 36
Landschapsinpassing Bedrijven en milieuzonering Geluid Externe veiligheid Luchtkwaliteit Bodem Ecologie Verkeer en parkeren Water Archeologie en cultuurhistorie Niet gesprongen explosieven Kabels en leidingen Duurzaamheid Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Juridische aspecten
38
5.1 5.2 5.3 5.4
38 38 38 39
Inleiding Wettelijk kader Planonderdelen Toelichting op de bestemmingen
Uitvoerbaarheid
42
6.1 6.2
42 42
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bijlagen Bijlage 1
'Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest
Bijlage 2
'Verkennend waterbodemonderzoek
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 3
Bijlage 4
Ecologische voortoets
Bijlage 5
Versterkingsplan
Bijlage 6
'Historisch Vooronderzoek Niet Gesprongen Explosieven
Bijlage 7
Aanmeldnotitie
Bijlage 8
Participatieverslag
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 4
Toelichting
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Sinds 2011 is Rijkswaterstaat gestart met de aanpak van verzorgingsplaatsen. Dit met als doel om de verzorgingsplaatsen op kwantitatief en kwalitatief niveau beter te laten voldoen aan de wensen van de gebruikers. Voor verzorgingsplaats Vanenburg, gelegen langs de Rijksweg A28 tussen hectometerpalen 39.3 m en p t/m 39.5 00 m en p, is circa 2 hectare grond aangekocht om herinrichting van de verzorgingsplaats mogelijk te maken. Dit is onder andere nodig om de veiligheid van de verzorgingsplaats te verhogen. Zo parkeert en rust in de huidige situatie veel vrachtverkeer langs de in- en uitvoegstrook van de verzorgingsplaats en is het vrachtverkeer en personenautoverkeer niet gescheiden. Met het uitbreiden van het areaal van de verzorgingsplaats wordt voldoende plaats geboden aan vrachtverkeer om op een veilige plaats te parkeren en te rusten. Hiermee is het de verwachting dat het ongewenst parkeren/rusten van vrachtverkeer langs de in- en uitvoegstrook tot het verleden behoort. Daarnaast is er met het uitbreiden van het areaal van de verzorgingsplaats voldoende ruimte om het vrachtverkeer te scheiden van het personenautoverkeer, waarmee gevaarlijke situaties in de toekomst tussen vracht- en personenautoverkeer zoveel mogelijk worden voorkomen. Het voornemen is niet realiseerbaar op basis van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Westelijk Buitengebied'.
Om deze reden is een herziening van het bestemmingsplan ter plaatse noodzakelijk.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van de Rijksweg A28 Utrecht - Groningen tussen afrit 9 en 10 in de gemeente Putten. Het plangebied betreft een Nederlandse verzorgingsplaats, en heeft als adres Rijksweg A28 Vanenburg 2. De kadastrale percelen zijn perceelnummers 1672, 1673, 2240 (gedeeltelijk) en 1966 (gedeeltelijk), sectie I van de kadastrale gemeente Putten. Het plangebied wordt in het zuiden en het zuidoosten omringd door agrarische gronden. In het zuidwesten en het noorden grenst het gebied aan de Rijksweg A28. Het tankstation maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Onderstaand figuur toont een luchtfoto waarop het plangebied globaal is weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 6
Figuur 1.1 Globale ligging plangebied verzorgingsplaats Vanenburg (bron: QGIS
1.3
Huidige planologische situatie
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied", vastgesteld door de gemeenteraad van Putten op 4 juli 2014. Daarnaast is het veegplan "Westdelijk Buitengebied", dat 4 oktober 2018 door de gemeenteraad is vastgesteld, van kracht. Het veegplan betreft een herziening op onderdelen van het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" (en reparatiebesluit). Het veegplan heeft tot doel om enkele aanpassingen door te voeren die voortvloeien uit voortschrijdend inzicht dat is ontstaan bij het gebruik van het bestemmingsplan, en om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met een aantal na vaststelling van het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied" verleende vergunningen. Het veegplan brengt geen significante wijzigingen met zich mee voor de gronden van de huidige verzorgingsplaats en de beoogde herinrichting. Voor het plangebied geldt op het moment de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschap' (ter plaatse van de beoogde herinrichting), 'Verkeer' (ter plaatse van de huidige verzorgingsplaats), 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' (ter plaatse van het tankstation en direct omliggend terrein), 'Natuur' (ten noordoosten van het plangebied) en 'Water' (ter plaatse van de beoogde herinrichting).
Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. Binnen de beoogde verzorgingsplaats zijn daarnaast nog enkele gebiedsaanduidingen: 'overige zone - waardevol landschap', 'overige zone - ehs verwerving en verbindingszone' en 'veiligheidszone - lpg'. Onderstaand figuur toont de verbeelding bij het bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied".
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 7
Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Westelijk Buitengebied"
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. In Hoofdstuk 3 wordt het beleidskader behandeld. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In Hoofdstuk 4 wordt hierop ingegaan. In Hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de bestemmingen. Hoofdstuk 6 tenslotte gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 8
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige en toekomstige ontwikkeling
Huidige situatie
In de huidige situatie is het plangebied reeds deels ingevuld als verzorgingsplaats. Voor het overige deel is reeds sprake van agrarische gronden langs de Leembruggerweg. De verzorgingsplaats bestaat voor een deel uit parkeerplaatsen voor vrachtwagens en voor een deel uit het achterterrein van het tankstation dat is gelegen ten zuidwesten van het plangebied. Ook loopt de ontsluitingsroute vanaf de verzorgingsplaats richting de Rijksweg A28 door het plangebied. Op de onderstaande afbeeldingen zijn enkele impressies van het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1 Plangebied gezien vanaf het tankstation
Figuur 2.2 Plangebied gezien vanaf de verzorgingsplaats richting de agrarische gronden
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 9
2.2
Toekomstige situatie
In opdracht van Rijkswaterstaat (RWS) bestaat het voornemen om de bestaande verzorgingsplaats Vanenburg uit te breiden in de richting van de agrarische gronden. RWS heeft tot doel om de verzorgingsplaatsen op kwantitatief en kwalitatief niveau beter te laten voldoen aan de wensen van de gebruikers. Sinds 2011 is RWS gestart met de aanpak van verzorgingsplaatsen. Voor verzorgingsplaats Vanenburg is circa 2 hectare grond aangekocht om herinrichting van de verzorgingsplaats, waarbij de verkeersveiligheid dien te worden vergroot, mogelijk te maken. Zo zal het vrachtverkeer en het personenautoverkeer gescheiden en worden meer parkeerplaatsen gerealiseerd om het parkeren langs de in- en uitvoegstrook van de verzorgingsplaats in de toekomst te voorkomen. Tevens is veel aandacht besteed aan een groene inrichting van de verzorgingsplaats. Ook is er gezocht naar een meest optimaal en functioneel ontwerp voor de weggebruikers, rekening houdend met de veiligheid voor voetgangers. Daarbij is een minimaal aantal kruisingen van verkeersstromen het uitgangspunt geweest. In het kader van de sociale veiligheid is ingezet op het weglaten van struikbeplanting hoger dan 80 centimeter. Parkeermogelijkheden voor vrachtverkeer zijn zowel in directe als indirecte lijn (via tankeiland) bereikbaar. Kort parkeren voor vrachtwagens is gecombineerd met reeds geboden parkeerfaciliteiten voor vrachtverkeer.
Specifieke faciliteiten voor kort parkeren zijn, vanwege de relatief korte afstand tot kiosk en overige verblijfsvoorzieningen, niet aanwezig. De verblijfsvoorzieningen en kiosk zijn via logische en veilige looproutes bereikbaar. Personenauto's worden op de verzorgingsplaats gescheiden van het vrachtverkeer. De parkeerplaatsen zijn verder van de autosnelweg gelegen vanwege de gewenste rust waarbij de vrachtwagens als geluidsbuffer een extra functie vervullen. Automobilisten met aanhangers kunnen terecht in de, dichterbij de kiosk en toiletten gelegen, langsparkeervakken. Aan beide zijden van de parkeerstroken is voorzien in picknicktafels en afvalbakken. Ter plaatse van, en rondom, deze voorzieningen is lichtgrijze gebezemde printbeton bedacht. Vanwege de privacy en intimiteit zijn verspreid over het terrein bomen aangebracht die tevens schaduw verzorgen op zonnige dagen. Er is keuze voor zon of schaduw tijdens het verblijf. De bufferzone tussen de polder en het parkeren is ingericht als aantrekkelijk verblijfs- en recreatiegroen. Om recreanten op het klompenpad van de verzorgingsplaats te weren is voorzien in een brede beek (a-watergang). Deze beek is aan de zuidrand extra breed om natuurvriendelijke oevers te realiseren waar riet zich kan ontwikkelen.
Het riet maskeert de activiteit van de verzorgingsplaats vanuit de omgeving en is tevens een aantrekkelijke aankleding van de begrenzing rondom de verzorgingsplaats. Zichtlijnen naar het buitengebied blijven behouden. Door de rietkraag is een vlonderpad bedacht die voor kinderen uitnodigend is om het terrein te verkennen. De natuurvriendelijke oevers zijn veilig voor kleine kinderen. De groenzone is voldoende breed om ook een speelveld te creëren. Vanwege de mogelijk tot balspelen zijn daar geen bomen geplaatst. Met de herinrichting van de verzorgingsplaats zal het noordelijk deel van de Leembruggerweg, direct ten zuiden van de verzorgingsplaats Vanenburg, komen te vervallen.De oude leembruggerweg die ten zuiden van de huidige verzorgingsplaats ligt wordt omgelegd om de nieuwe verzorgingsplaats. De bereikbaarheid van de aangrenzende percelen blijft daardoor gewaarborgd. Dit pad geldt tevens als schouwpad voor de A-watergang en is 5 meter breed. De beek (A-watergang) die naast dit deel van de Leembruggerweg is gelegen wordt eveneens omgelegd en zal aan de west-, oost- en zuidzijde de verzorgingsplaats begrenzen. Het asfalt op de huidige verzorgingsplaats zal gefreesd worden en waar nodig zal het funderingswerk van de weg herschikt worden.
Op het uitbreidingsgedeelte van de verzorgingsplaats zal eerst een funderingslaag worden aangebracht ter plaatse van de rijstroken en parkeervoorzieningen. De rijstroken vervolgens worden geasfalteerd. De staanplaatsen zullen in beton worden uitgevoerd. Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 10
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Nationale belangen en vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk.
Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven: Prioriteit 1: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Prioriteit 2: Duurzaam economisch groeipotentieel Prioriteit 3: Sterke en gezonde steden en regio's Prioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 11
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden. Het Barro legt geen restricties op voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze verplichte toetsing is verder vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Per 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing als er sprake is van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Als een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing, voorziet in nieuwe planologische bouwmogelijkheden, dan kwalificeren deze bouwmogelijkheden in beginsel als een "stedelijke ontwikkeling" als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het moet wel gaan om bouwmogelijkheden van enige omvang.
Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen "sec" die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag kwalificeren niet als een stedelijke ontwikkeling. Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de herinrichting van een verzorgingsplaats, deels op huidig agrarische gronden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 28 juni 2017 uitspraak over de Ladder (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Onder meer de volgende ontwikkelingen zijn door de Afdeling niet als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, aangemerkt: een weg (uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:448) en gronden waaraan een agrarische bestemming is toegekend (uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1438). Om deze reden is een toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet vereist. Wel wordt nut en noodzaak van dit bestemmingsplan aangetoond middels de toets aan het provinciaal/regionaal beleid (paragraaf 3.2) en de toets aan het gemeentelijk beleid (paragraaf 3.3).
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 12
3.2
Provinciaal/regionaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 1 maart 2019 in werking getreden. Het betreft een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsverordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en bevat algemene verbindende voorschriften. De Omgevingsverordening is vastgesteld op 24 september 2014 en sindsdien diverse malen geactualiseerd. Relatie tot dit bestemmingsplan De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland kent vier themakaarten. Op grond van de themakaart Ruimtelijk beleid is het plangebied gelegen in: 'Grote zonneparken onder voorwaarden mogelijk', 'Windenergie aandachtsgebied' en 'Windenergie mogelijk'. Aangezien niet wordt voorzien in zonneparken en/of windenergie, legt deze kaart geen restricties op voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Op grond van de themakaart Waterbeleid is het plangebied gelegen in 'Intrekgebieden'. Op het thema water wordt nader ingegaan in paragraaf 4.9. Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen op de themakaart Milieubeleid. Op deze themakaart wordt daarom niet nader ingegaan.
Op grond van de themakaart Natuur- en landschapsbeleid is het plangebied deels (ter plaatse van de huidig agrarische gronden) gelegen in 'Groene Ontwikkelingszone'. Deze zone wordt beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities (artikel 2.52 Omgevingsverordening). In de bijlagen bij de Omgevingsverordening zijn de Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone opgenomen. Het plangebied is deels gelegen in Veldbeek Oldenaller (nummer 126). Dit is een waardevol open gebied of verkaveling. In dit gebied wordt samenhang in bosjes, heide, landschapselementen, schraalrandjes, beken in een gordel tussen de Veluwe en Utrechtse Heuvelrug (Voorthuizer Poort) verder ontwikkeld. Tevens vindt herstel van broekbossen, vochtige heide en natte schraalranden door en natuurareaal en opheffen verdroging plaats. Op 31 mei 2022 hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland ingestemd met de nieuwe regels voor de GO. Deze houden in dat als een initiatiefnemer iets wil bouwen in de GO, tegelijk de kernkwaliteiten moeten worden versterkt door natuur- en landschapselementen aan te leggen. De nieuwe regels helpen bij het bepalen hoe en waar die versterking moet plaatsvinden. Hiervoor is een tabel beschikbaar gesteld.
In dit kader is een bufferzone tussen de polder en het parkeren ingericht, waarin de kernkwaliteiten zijn meegewogen en versterkt.In paragraaf 4.7 Ecologie wordt nader op de versterking van de kernkwaliteiten ingegaan. De uitvoering van het bestemmingsplan leidt daardoor niet tot aantasting van de kernkwaliteiten meer tot een versterking van deze kwaliteiten. De uitvoering van het bestemmingsplan is niet strijdig met het provinciale beleid.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 13
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Toekomstvisie Putten Voor het gehele gemeentelijk grondgebied is de 'Toekomstvisie Putten' opgesteld. Deze visie is vastgesteld door de gemeenteraad van Putten op 6 februari 2014. Met deze Toekomstvisie legt de gemeenteraad van Putten haar speerpunten voor de komende 10 tot 15 jaar neer. Speerpunten die tot stand zijn gekomen in een proces waarin de discussie met de gemeenschap nadrukkelijk is gezocht. In deze Toekomstvisie is een antwoord gegeven op de volgende vragen: Wat voor samenleving wil Putten in 2030 zijn? Wat is dan de kerntaak en -rol van de gemeente Putten? Wat is de rol van de bewoners, ondernemers en (maatschappelijke) organisaties binnen de Puttense gemeenschap? De Toekomstvisie Putten is een samenbundeling van richtinggevende ideeën en visies voor de toekomst van Putten. Met de visie geeft de gemeenteraad het bestuur een richtsnoer om naar te handelen. Dit maakt het mogelijk over 'de waan van de dag' heen te stappen en in te zetten op een koers die Putten ook in de toekomst actueel en urgent houdt voor haar gemeenschap. De toekomstvisie dient daarmee als basis voor de uitvoering van de gemeentelijke (beleids)programma's in de komende 10 tot 15 jaar. De toekomstige samenleving van Putten is gestoeld op thema's die sterk naar voren zijn gekomen in het discussiëren over de toekomst van Putten.
Het gaat om de volgende thema's: een sociale vitale gemeenschap voor jong en oud; een samenleving in een groene en gastvrije omgeving met ruimte voor rust en dynamiek; een samenleving om je hele leven in te kunnen wonen; een samenleving waarin ruimte is voor creativiteit en innovatie. Conclusie De Toekomstvisie Putten legt geen restricties op voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 3.3.2 Structuurvisie Putten 2030 De gemeenteraad van Putten heeft op 5 maart 2015 de Structuurvisie Putten 2030 gewijzigd vastgesteld. De Structuurvisie Putten 2030 is opgesteld met de boodschap van de Toekomstvisie Putten als leidraad. Deze is gerelateerd aan actueel beleid ten aanzien van de verschillende beleidsvelden en vervolgens vertaald in een visie op de ruimtelijke ontwikkeling. De inhoud van de structuurvisie is leidend en in principe bindend voor het handelen van de gemeente richting initiatiefnemers, en nieuwe bestemmingsplannen moeten inhoudelijk passen binnen de visie van de structuurvisie. Relatie tot dit bestemmingsplan Onderdeel van de Structuurvisie Putten 2030 is een kaart, waarop de verschillende gebieden en aanduidingen in de gemeente Putten zijn geïllustreerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebied Putter Polder en door het plangebied heen loopt een waterstelsel. Langs het plangebied loopt de Snelweg A28.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 14
Figuur 3.1 Kaart bij Structuurvisie Putten 2030 De ruimtelijke visie voor de Putter Polder ziet op: behoud van het cultuurhistorische landschap, de natuurwaarden, de openheid en het agrarische gebruik van het gebied staan centraal; het beleid is gericht op versterking van de melkveehouderijsector. Inplaatsing van intensieve veehouderijen is niet mogelijk; bestaande intensieve veehouderijen hebben beperkte uitbreidingsmogelijkheden; Omschakeling van deze bedrijven naar grondgebonden of biologische landbouw is gewenst; nieuwvestiging en uitbreiding van recreatieterreinen is niet mogelijk; in het gebied zijn enkel extensieve vormen van dagrecreatie toegestaan; met het oog op de landschappelijke kwetsbaarheid is functieverandering van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf niet mogelijk. Ook dient op de volgende manieren te worden bijgedragen aan de ambities uit de Structuurvisie Putten 2030: het leveren van een bijdrage aan de landelijke en groene uitstraling van de gemeente; het leveren van een bijdrage aan de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente; het leveren van een bijdrage aan het behouden en versterken van de natuurwaarden binnen de gemeente; het leveren van een bijdrage aan de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw.
Conclusie De uitvoering van het bestemmingsplan staat de ruimtelijke visie voor de Putter Polder en de ambities uit de Structuurvisie Putten 2030 niet in de weg. 3.3.3 Landschapsontwikkelingsplan Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Ermelo Putten beschrijft het landschapsbeleid voor de komende 10-15 jaar.Het plangebied bestaat uit het buitengebied van de gemeenten Ermelo en Putten,de kleine kernen en de randen van de kernen Ermelo en Putten. Het buitengebied van Ermelo en Putten heeft bijzondere landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. De gemeenten willen ruimte bieden aan ontwikkelingen en Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 15
initiatieven in het buitengebied, maar willen ook werken aan de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Het doel van de opstelling van het LOP is om in overleg met alle betrokkenen bestuurders, beleidsmakers, bewoners en organisaties - tot een uitvoeringsgericht plan te komen voor behoud en verbetering van de kwaliteit van het landschap. Relatie tot dit bestemmingsplan
Het plangebied behoort tot de 'Randmerenzone' en het landschapstype 'Zuiderzeepolderlandschap'. De randmerenzone bestaat uit de twee delen; het bedijkte polderlandschap (Putterpolder) en het onbedijkte kustlandschap (kuststrook tussen de A28 en Nuldernauw). Voor de Putterpolder wordt gestreefd naar behoud en versterking van het open polderlandschap met weidevogels. Aandachtspunten zijn de verbetering van de beeldkwaliteit van de polder (open landschap) en een goede invulling van de ecologische verbinding Veldbeekroute. Daarbij kan wellicht worden meegelift met de natuurmaatregelen die in het kader van het Natura 2000-gebied Arkemheen worden genomen. Voor dit landschapstype gelden de volgende richtlijnen/opgaven: behoud grote openheid van het landschap; erven als “groene eilanden” in openheid; alleen singelbeplanting en ander opgaand groen bij/op een erf; polderstructuur is richtinggevend voor beplantingsstructuur; erf omzomen met (elzen)singels zodat hoofdzakelijk de dakvlakken zichtbaar zijn vanuit het landschap; Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 16
solitairen voor op het erf; natuurvriendelijke oever(s) langs sloot. Conclusie De inrichting van de verzorgingsplaats zal aansluiten bij de richtlijnen/opgaven van het 'Zuiderzeepolderlandschap'. Zo zal bij het beplanten van het plangebied rekening worden gehouden met het behoud van de openheid van het landschap en zullen de oevers van de watergangen natuurvriendelijk worden uitgevoerd. Hiermee is het plan in lijn met het Landschapsontwikkelingsplan Ermelo Putten.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 17
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Landschapsinpassing
De locatie ligt in het Zuiderzeepolderlandschap. Vooral bestaand uit een zeer open vlak weide landschap. Kernkwaliteiten Specifiek voor deze locatie, met de aansluiting van de snelweg op het landschap, is: de beleefbare openheid van het landschap met zijn vergezichten en de in het gebied voorkomende variatie tussen natte en droge gebieden en de overgangen hiervan. Deze kernkwaliteiten worden geborgd door vanaf de locatie de openheid van het landschap in stand te houden en alleen opgaande boombeplanting aan te brengen aansluitend op de bestaande groep bomen bij het viaduct, binnen de zone van de snelweg. De bomen vormen een onderdeel van de camouflage van bebouwingen en vrachtwagens. Ontwikkelingsdoelen Door het aanbrengen van een plasdrasgebied wordt de biodiversiteit verhoogd, dit in combinatie van het terughoudend aanplanten van struweel met een streekeigen beplanting. De nieuwe natuurvriendelijk oevers sluiten aan op de waterstructuur van het landschap. Door de opbouw en samenhang van de beplanting: bomen in de directe invloedzone van de snelweg, transparante struwelen en het aansluitende plasdrasgebied verzachten de barrière werking van de snelweg.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 18
De uitdaging ligt vooral bij de strijdigheid tussen het open karakter van het hier aanwezige landschap versus de wens de parkeerplaats met auto's, vrachtwagens en allerhande terreinmeubilair aan het zicht te onttrekken. Openheid is daarnaast vanuit het oogpunt van sociale veiligheid van belang. De beleving van het landschap vindt plaats vanaf de snelweg, vanuit de (met 100km/uur) passerende auto's, de mensen die op de verzorgingsplaats verblijven en vanuit het omringende landschap. De snelweg is zo ontworpen dat men door een open landschap rijdt. Alleen ter plaatse van passages (viaducten) is een opgaande boombeplanting aangebracht. De verzorgingsplaats is gesitueerd aansluitend zo'n een passage. Hierop reagerend is een voorzet gemaakt om deze opgaande boombeplanting aan de snelwegzijde uit te breiden met solitair geplaatste bomen van de eerste grootte (populier, wilg en iep). In het midden van de verzorgingsplaats worden op ruime plantafstand, als het ware los gestrooide inheemse boomsoorten van de tweede en derde grootte aangeplant (elzen, berk en lijsterbes), die vanuit het landschap de geparkeerde vrachtwagens achter een soort vitrage plaatsen. In het zuidelijk deel van de verzorgingsplaats wordt de watergang direct aansluitend op het landschap uitgebreid met een natuurvriendelijke oever. Deze loopt onder een flauw talud door tot ca.
1,50 meter boven het parkeerdeel van de personenauto's, welke op deze wijze bijna volledig aan het zicht worden onttrokken. Conclusie Door bij de inrichting van het plangebied de richtlijnen/opgaven van het Landschapsontwikkelingsplan Ermelo Putten te volgen en kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone te versterken is de landschappelijke inpassing van het plan in overeenstemming zowel het provinciale als gemeentelijke beleid.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 19
4.2
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) is een richtafstandenlijst opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten "milieubelastende activiteiten" aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van "milieugevoelige activiteiten". De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Relatie tot dit bestemmingsplan Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de herinrichting van verzorgingsplaats Vanenburg in de richting van de agrarische percelen langs de Leembruggerweg. Ten gevolge van dit bestemmingsplan worden geen "milieugevoelige activiteiten" toegevoegd aan het plangebied. De meest nabijgelegen milieugevoelige activiteit, namelijk wonen, bevindt zich op een afstand van circa 55 meter in noordelijke richting. De verzorgingsplaats wordt echter uitgebreid in zuidelijke richting, waardoor de afstand ten opzichte van de woning gelijk blijft aan de huidige situatie. In zuidelijke richting bevinden zich milieugevoelige activiteiten (woningen) op een afstand van circa 200 meter na herinrichting van de verzorgingsplaats.
In de richtafstandenlijst wordt voor autoparkeerterreinen, parkeergarages milieucategorie 2 aangehouden (SBI-code 2008, 5221.1). Milieubelastende activiteiten met milieucategorie 2 dienen een richtafstand van 30 meter aan te houden ten opzichte van milieugevoelige activiteiten. Voor de stalling van vrachtwagens (met koelinstallaties) wordt milieucategorie 3.2 aangehouden (SBI-code 2008, 5221.2). Milieubelastende activiteiten met milieucategorie 3.2 dienen een richtafstand van 100 meter aan te houden ten opzichte van milieugevoelige activiteiten. Aan de richtafstanden voor milieubelastende activiteiten ten opzichte van milieugevoelige activiteiten kan derhalve worden voldaan. Conclusie Het aspect Bedrijven en milieuzonering leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
4.3
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Relatie tot dit bestemmingsplan Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de herinrichting van de verzorgingsplaats Vanenburg, waarbij tevens het oppervlak wordt uitgebreid om de verkeersveiligheid te bevorderen. Een verzorgingsplaats betreft geen geluidgevoelige bestemming in het kader van de Wet geluidhinder. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is niet vereist. Conclusie Het aspect geluid leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
4.4
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 20
vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.
Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen rekening gehouden met deze risicobenadering. Relatie tot dit bestemmingsplan In onderstaand figuur is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 21
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart plangebied blauw omlijnd Risicovolle inrichtingen Het plangebied en de omgeving is geïnventariseerd op de aanwezigheid van de mogelijke risicobronnen. Het tankstation maakt geen onderdeel uit van het plangebied, maar het plangebied is wel deels gelegen binnen de risicocontour van het tankstation. Om het tankstation is een risicocontour van circa 120 meter opgenomen, in het kader van het LPG-reservoir. Binnen deze risicocontour dient het groepsrisico verantwoord te worden indien kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In dit geval gaat het om herinrichting van de verzorgingsplaats. Dit betreft geen kwetsbaar object waardoor een verantwoording niet noodzakelijk is. Vervoer gevaarlijke stoffen Het plangebied grenst in het noorden aan de Rijksweg A28 en is daarmee gelegen op een afstand van minder dan 200 meter vanaf de rand van het tracé. Over de Rijksweg A28 worden gevaarlijke stoffen vervoerd en deze weg kent een plasbrandaandachtsgebied. Het groepsrisico dient verantwoord te worden indien kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In dit geval gaat het om de herinrichting van de verzorgingsplaats. Dit betreft geen kwetsbaar object waardoor een verantwoording niet noodzakelijk is. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig.
Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 22
4.5
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Relatie tot dit bestemmingsplan Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de herinrichting van verzorgingsplaats Vanenburg. Een dergelijke ontwikkeling kan niet één op één vergeleken worden met bovenstaande voorbeelden. Echter de verzorgingsplaats wordt heringericht om de verkeersveiligheid bevorderen. De herinrichting zorgt niet voor een extra verkeersaantrekkende werking. Hiermee zal het beoogde initiatief niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van de projectlocatie. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect Luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.6
Bodem
Toetsingskader Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Relatie tot dit bestemmingsplan Door BOOT ingenieurs is een Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd in het kader van de herinrichting van verzorgingsplaats Vanenburg (d.d. 14 februari 2020). Het onderzoek is uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707 en opgenomen als Bijlage 1 Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 23
'Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest Conclusie en aanbevelingen De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor de beoogde (her)inrichting van de locatie en het (toekomstige) gebruik als verzorgingsplaats (parkeerplaatsen en groen). De bodem ter plaatse van de verhardingen is niet onderzocht. Voor de uitvoering van grondwerkzaamheden is de basishygiëne van toepassing conform de CROW 400. Geadviseerd wordt om deze resultaten op te nemen in het V&G-plan Ontwerp. Ten aanzien van PFAS voldoet de grond aan Wonen/Industrie dan wel aan Landbouw/Natuur. Indien het niet mogelijk is om bij de ontwikkeling van de locatie met een gesloten grondbalans te werken, dient de grond van de locatie afgevoerd te worden. Alvorens dit materiaal elders toegepast kan worden, dient een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit uitgevoerd te worden. Mogelijk kan in overleg met de gemeente een toepassing worden gezocht in het kader van actief bodembeheer (bodembeheerplan en bodemkwaliteitskaart). Ook is door BOOT ingenieurs een Verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de herinrichting van verzorgingsplaats Vanenburg (d.d. 14 februari 2020). Het onderzoek is uitgevoerd conform NEN 5720 en opgenomen als Bijlage 2 'Verkennend waterbodemonderzoek.
Conclusies In de baggerspecie ter plkaatse van watergangen 100 is PFAS aangetoond boven de bepalingsgrens van 0,1 microgram per kilogram ds. De verhoogde concentraties zijn ten opzichte van de toepassingsnorm Landbouw/natuur niet verhoogd aangetroffen. Voor de baggerspecie uit watergang 100 gelden de volgende restricties: niet toepassen binnen grondwaterbeschermingsgebied; niet toepassen in een ander oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater, niet liggende nabij een kwetsbaar object. Geconcludeerd wordt dat de milieuhygiënische (water-)bodemkwaliteit geen probleem vormt voor de herinrichting van de verzorgingsplaats. Conclusie Het aspect (water-)bodem staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000 -gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 24
instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Relatie tot dit bestemmingsplan FF advies heeft een quickscan flora en fauna (Bijlage 3) uitgevoerd om de effecten van de Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 25
beoogde werkzaamheden op beschermde gebieden - zowel Natura 2000-gebieden als gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland – en beschermde soorten inzichtelijk te maken. Gebiedsbescherming Er zijn mogelijk negatieve gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000- gebied Arkemheen in verband met toename van licht. Er zijn voor dit gebied instandhoudingsdoelen geformuleerd voor lichtgevoelige vogelsoorten, die door de toename van de lichtproductie negatief kunnen worden beïnvloed. Het gaat om de soorten kleine zwaan en smient. Voor het Natura 2000-gebied dient een voortoets te worden opgesteld waarin moet worden bepaald of er al dan niet sprake is van significant negatieve gevolgen van de verlichting op de verzorgingsplaats voor de kleine zwaan en de smient. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, na eventueel te treffen mitigerende maatregelen, dan moet een ‘passende beoordeling’ worden uitgevoerd. FF advies heeft in april 2022 een voortoets uitgevoerd in verband met de toename van licht (Bijlage 4 Ecologische voortoets). Door de toename van lichtproductie op de verzorgingsplaats vanwege de herinrichting naar het oosten, wordt in principe het leefgebied van de kleine zwaan en de smient negatief beïnvloed, aangezien dit op heel korte afstand van het projectgebied ligt.
Echter, beide soorten zijn alleen overdag op korte afstand van het projectgebied aanwezig, omdat het alleen om foerageergebied gaat. Er is gedurende de dag geen sprake van verstoring door licht. In de avond en nacht zijn de vogels op grote afstand (minimaal 600 meter) van het projectgebied aanwezig, waar geen negatieve effecten van de extra lichtproductie meer merkbaar zijn. Significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen zijn daarmee uitgesloten. Groene Ontwikkelingszone Verder is sprake van overlap ter plaatse van het herinrichtingsgebied met het Gelders Natuurnetwerk (Natuurnetwerk Nederland) en de Groene Ontwikkelingszone ter grootte van respectievelijk 1,49 en 1,13 ha. Hierbij is sprake van oppervlakteverlies. In samenspraak met de provincie is toegewerkt naar een ontwerp met een zodanige landschappelijke inpassing, waarbij de kernkwaliteiten van het gebied zijn versterkt en de samenhang van het GO is gewaarborgd. Hiertoe is een versterkingsplan opgesteld door FF advies (Bijlage 5 Versterkingsplan). Landschappelijke inpassing De landschappelijke inpassing is vormgegeven verbeeld in onderstaande tekening van Lindeloof Tuin- en Landschapsarchitecten.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 26
Figuur 4.2 Uitsnede beplantingsplan Natuurontwikkeling Het niet te verharden deel binnen het herinrichtingsgebied heeft een totale oppervlakte van circa 1,1 ha; zie figuur 4.3.
Figuur 4.3: Ontwerptekening met daarop geprojecteerd de Groene Ontwikkelingszone binnen herinrichtingsgebied. In dit deelgebied ligt de focus op het ontwikkelen van natuurwaarden door middel van nat grasland/vochtig hooiland, namelijk ter plaatse van de wadi, die een totale breedte van 8
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 27
meter krijgt. De diepte is zodanig dat de wadi in winter en voorjaar een grondwaterstand heeft van maximaal 15 cm onder maaiveld. Er is binnen de wadi derhalve sprake van vochtig tot nat grasland, zie ook het dwarsprofiel (figuur 4.4).
Figuur 4.4: Dwarsprofiel ter plaatse van de sloot in het zuiden met aansluitend de wadi Verder wordt buiten het projectgebied, maar binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat, een vlak met als bestaand beheertype ‘gesloten beplanting’ (zie figuur 4.5) omgevormd tot het natuurdoeltype ‘natuurlijk bos’.
Figuur 4.5: Tot natuurlijk bos om te vormen beplanting Verder wordt buiten het projectgebied, maar binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat, een vlak met als bestaand beheertype ‘gesloten beplanting’ (zie figuur 4.5) omgevormd tot het natuurdoeltype ‘natuurlijk bos’. Conclusie De natuurontwikkeling in de vorm van de ecotopen ‘nat schraalland/vochtig hooiland’ (0,20 ha) en ‘natuurlijk bos (0,62 ha) zorgen voor voldoende versterkingspunten om de verliespunten, in de vorm van verharding (0,8 ha) in de ecologische verbindingszones, te compenseren. Stikstof Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1 juli 2021, konden tijdelijke stikstofemissies door activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten. De Raad van State deed begin november 2022 uitspraak in de zogenoemde Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 28
zaak-Porthos, die draait om de vrijstelling die gold voor stikstof die wordt uitgestoten tijdens de bouw van grote projecten als woningbouw. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de partiële bouwvrijstelling in strijd is met de Habitatrichtlijn. Hierdoor dient stikstofdepositie in zowel de bouwfase als in de gebruiksfase beschouwd te worden. Bouwfase De bouwtijd van de herinrichting van de verzorgingsplaats Vanenburg bedraagt circa 3 maanden. De korte duur in combinatie met een beperkte inzet van materieel in de bouwfase zal tot een beperkte stikstofemissie leiden. Daarnaast zijn de nabij gelegen Natura-2000 gebieden 'Arkemheen' en 'Veluwerandmeren' geen stikstof gevoelige gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied is op circa 5,7 kilometer afstand gelegen en betreft de Veluwe. Gezien de korte bouwtijd, de beperkte inzet van materieel en de afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied lis de verwachting dat de bouwfase niet leidt tot significante negatieve in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. . Gebruiksfase Aangenomen wordt dat van de herinrichting van de verzorgingsplaats geen verkeersaantrekkende werking uitgaat. Vrachtwagens zullen niet ineens een andere route gaan rijden, het is meer zo dat de verzorgingsplaats veiliger wordt met de ruimere opzet.
Aangezien geen extra verkeersaantrekkende werking van de aangepaste verzorgingsplaats uitgaat en de afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied wordt het niet aannemelijk geacht dat de gebruiksfase leidt tot significante negatieve effecten in stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Hierdoor wordt het niet zinvol geacht om stikstofberekeningen uit te laten voeren. Soortenbescherming Negatieve gevolgen kunnen aan de orde zijn voor algemene zoogdiersoorten (konijn, diverse muizen), broedvogels, wintergasten, algemene amfibieën (bijvoorbeeld bruine kikker) en vissen. Door de zorgplicht in acht te nemen, onderstaande mitigerende maatregelen te treffen en rekening te houden met het broedseizoen van vogels, kan strijdigheid met de Wet natuurbescherming worden voorkomen. Mitigerende maatregelen De werkzaamheden worden bij voorkeur niet uitgevoerd in het broedseizoen, tussen 15 maart en 15 juli. Het is alleen mogelijk in dit seizoen werkzaamheden uit te voeren in het herinrichtingsgebied, indien kort voorafgaand aan de werkzaamheden door de ecoloog is onderzocht of zich broedgevallen voordoen binnen het gebied of direct grenzend daaraan. Indien er sprake is van broedende (weide)vogels, dan dient een nader te bepalen storingsafstand in acht te worden genomen, waarbinnen geen werkzaamheden plaats kunnen vinden tot de broedperiode voorbij is.
Bij werkzaamheden aan de watergang dient rekening te worden gehouden met het kwetsbare seizoen van amfibieën, tussen half maart en eind augustus. In dit seizoen vinden geen werkzaamheden plaats. Is het om planningtechnische redenen toch nodig in deze periode de werkzaamheden uit te voeren, dan dient het terrein voorafgaande aan dit seizoen onbereikbaar te worden gemaakt voor amfibieën bijvoorbeeld met behulp van schermen. Verder dient de ecoloog eventueel aanwezige amfibieën te verplaatsen. Bij het omleggen van de bestaande watergang dienen de aanwezige vissen te worden weggevangen. Bij graafwerkzaamheden moet in één richting worden gewerkt om aanwezige kleine zoogdieren de kans te geven te ontsnappen. Op basis van de Gedragscode soortenbescherming Rijkswaterstaat dient voor aanvang van de werkzaamheden een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. De maatregelen voor zorgvuldig handelen moeten in een ecologisch werkprotocol worden opgenomen. In de gedragscode is hierin voorzien. Dit ecologisch werkprotocol moet op de locatie aanwezig zijn en bekend zijn onder werknemers die betrokken zijn bij de werkzaamheden.
Mees Ruimte & Milieu | Verzorgingsplaats Vanenburg
Pagina | 29
Werkzaamheden moeten volgens dit protocol uitgevoerd worden. Bij werkzaamheden die in opdracht van Rijkswaterstaat worden uitgevoerd wordt dus werken conform het ecologisch protocol opgelegd, zodat bescherming van ecologische waarden geborgd is. Conclusie In het kader van de soortenbescherming is geen ontheffing nodig ingevolge de Wet natuurbescherming, mits de genoemde maatregelen in acht worden genomen. Vanwege de overlap van het herinrichtingsgebied met de Groene ontwikkelingszone is een landschappelijke inpassing tot stand gekomen, die is goedgekeurd door de Provincie Gelderland. Door aan deze inpassing gevolg te gegeven, worden de kernkwaliteiten versterkt en de samenhang van de Groene ontwikkelingszone gewaarborgd.
4.8
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf worden de verkeers- en de parkeersituatie van het nieuwe initiatief getoetst. Verkeer Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een herinrichting van verzorgingsplaats Vanenburg. Van een verkeerstoename als gevolg van de aanpassing van de verzorgingsplaats is geen sprake, aangezien de verzorgingsplaats reeds in gebruik is. De herinrichting ziet toe op de nieuwe inrichting van de huidige verzorgingsplaats, waarbij het vrachtverkeer en het personenautoverkeer gescheiden kan worden om de veiligheid op de verzorgingsplaats te verhogen. Daarnaast wordt het areaal uitgebreid om voldoende parkeerplaatsen voor vrachtverkeer en personenauto's te kunnen bieden zodat parkeren langs de in- en uitvoegstrook van de verzorgingsplaats naar verwachting, dat leidt tot verkeersonveilige situaties, tot het verleden behoort. De verkeersbewegingen kunnen goed worden verwerkt binnen het huidige verkeersnetwerk, aangezien deze vergelijkbaar is met de huidige situatie. Parkeren Met de herinrichting van verzorgingsplaats Vanenburg is gezocht naar naar een meest optimaal en functioneel ontwerp voor de weggebruikers, rekening houdend met de veiligheid voor voetgangers. De parkeersituatie wijzigt minimaal ten opzichte van de huidige situatie, waardoor kan worden aangesloten bij de huidige parkeernorm. Het vrachtverkeer en autoverkeer wordt van elkaar gescheiden.