CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

20230512 IP Windpark Horst en Telgt TOE RGL concept OW v0.2

Commissie Ruimte 31 augustus 2023, gemeente PuttenBij agendapunt: Consulterende notitie - Concept provinciaal inpassingsplan windpark Horst en Telgt35.611 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Kader 5.3 Artikel S. van Manen, Medisch Contact (2018)54

NHMRC Statement: Evidence on Wind Farms and Human Health (2015) Deze verklaring is op basis van een literatuurstudie opgesteld door de 'National Heath and Medical Research Council' (NHMRC) van de Australische nationale overheid. In deze verklaring wordt gesteld dat er geen direct bewijs is dat windturbines nadelige gezondheidseffecten kunnen veroorzaken. De volgende conclusies worden gemaakt: 1. Blootstelling aan geluid kan gezondheidseffecten veroorzaken, maar deze gezondheidseffecten kunnen alleen voorkomen bij geluidsniveaus die veel hoger liggen dan het geluidniveau dat wordt

HEADELEMENT (concept)

67

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt ervaren door omwonenden van windparken. 2. Alhoewel individuen windturbinegeluid op grotere afstand kunnen waarnemen, is het onwaarschijnlijk dat windturbinegeluid als hinderlijk wordt ervaren op afstanden groter dan 1.500 meter. 3. Er is geen direct bewijs voor een verband tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidseffecten. Kader 5.4 Onderzoek van M. Alves-Pereira55

Economische aspecten Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Omwonenden met een economisch voordeel van de windturbines ervaren over het algemeen minder hinder56. Lichtschitteringen Wanneer de zon op de turbine schijnt, kan het zonlicht reflecteren op de rotorbladen in de richting van de beschouwer. Tegenwoordig worden windturbines uitgevoerd met een anti-reflecterende coating, zodat lichtschittering niet optreedt. RIVM (2013) bevestigt dit ook in haar informatieblad. 57 Elektromagnetische velden Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspannings-verbindingen). De sterkte van elektromagnetische velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Ook rondom de gondel en de kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet kunnen magnetische velden voorkomen. Het Landelijke Centrum Medische Milieukunde (LCM)58 adviseert situaties te voorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla.

Dit advies richt zich op alle bronnen van magnetische velden die samenhangen met de elektriciteitsvoorziening. Een windturbinegondel (boven op de mast) kan een hoge veldsterkte hebben, maar deze bevindt zich op een grote verticale afstand van plekken waar mensen langdurig verblijven (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen). Recht boven kabels is de veldsterkte in de regel niet hoger dan 1 microtesla, maar deze kabels liggen nooit onder gebouwen waar mensen langdurig verblijven. Het is dan ook niet aan de orde dat de windturbine en de daarbij behorende kabels veldsterkten veroorzaken boven 0,4 microtesla op plaatsen waar mensen langdurig verblijven. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat elektromagnetische velden die in de buurt van windturbines en de daarbij behorende ondergrondse kabelverbindingen voorkomen, een gezondheidsrisico vormen. Het Kennisplatform EMV bevestigt deze conclusie ook in een hun memo.59 Op grond van de normen die gehanteerd worden voor windturbinegeluid, slagschaduw en externe veiligheid wordt reeds een zodanige afstand tussen windturbines en bebouwing aangehouden dat er geen sprake is van elektromagnetische hinder van de windturbines dat er geen sprake is van effecten voor omwonenden door eventuele elektromagnetische velden van het windpark.

68

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Trillingen Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines, mits goed gedimensioneerd, geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft in een brief het volgende laten weten (2013) 60: "de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines". Het Geo-Consultancy bureau Fugro heeft in het verleden bij een aantal windturbines verspreid over Nederland trillingsmetingen uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de optredende trillingsintensiteiten tijdens de regulier in bedrijf zijn van de windturbine. Over de bevindingen van destijds heeft Furgo in briefrapportage gerapporteerd. Fugro heeft metingen verricht bij de volgende locaties:  Afrikahaven te Amsterdam. In oktober/november 2008 zijn metingen bij een drietal opgestelde 3 MW windturbines uitgevoerd;  Noordland (eiland Neeltje Jans/ Roompot). In januari/februari 2009 zijn metingen bij een tweetal 3 MW turbines uitgevoerd;  Eemshaven. In de periode januari - mei 2013 uitgebreide metingen (25 meetlocaties) bij een opgestelde 6 MW windturbine uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van de hierboven beschreven metingen concludeert Fugro dat de invloed van trillingen bij het in gebruik zijn van de windturbines binnen een afstand van circa 15 tot 20 meter uit de windturbine nog enige invloed kan hebben, daarbuiten is deze invloed verwaarloosbaar. Fijnstof Windturbines stoten uiteraard zelf geen fijnstof uit. Fijnstof is vooral afkomstig van wegverkeer en industrie. Windturbines hebben (mogelijk) een effect op de verspreiding van fijnstof doordat de wind in het zog achter de windmolen een hogere mate van turbulentie bevat, waardoor het verspreidingsgebied vergroot kan worden. Voor windpark Horst en Telgt is er gezien de afstand tot luchtverontreinigende bronnen zoals verkeer en industrie en de afstand tot woningen geen sprake van een significant effect door windturbines op de verspreiding van uitstoot van fijnstof. Neodymium Er wordt ook regelmatig aandacht gevraagd voor het gebruik van neodymium in windturbines, ook in relatie tot gezondheid. Neodymium is een zeldzaam aardmetaal en wordt ook gebruikt voor de permanent magneten in windturbines met een 'direct drive' mechanisme (zonder tandwielkast). In bepaalde gebieden waar neodymium wordt gewonnen wordt gerapporteerd over gezondheidseffecten ter plaatse als gevolg van de verwerking van de radioactieve materialen die bij de winning van neodymium vrijkomen.

Er is echter geen bewijs voor een relatie tussen de aanwezigheid van neodymium in windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Neodymium zelf is geen radioactief materiaal. SF6 gas De Telegraaf concludeert in het artikel van 29 oktober 2019 (Windmolen lekt schadelijk gas) dat het toenemend gebruik van het gas zwavelhexafluoride - SF6 - een onbedoeld, maar direct gevolg is van de transitie naar duurzame energie. Het artikel baseert zich op een bericht van de BBC waarin een studie door de Cardiff University naar het Britse elektriciteitsnet wordt aangehaald. Hierin wordt gesteld dat de toename in het gebruik van SF6 een direct gevolg is van de groei van duurzame energiesector. Het klopt dat SF6 wordt toegepast in uiteenlopende onderdelen van het energiesysteem om kortsluiting te voorkomen. Andere fluoride-gassen worden gebruikt in verhittings- en koelapparatuur, zoals koelkasten, warmtepompen en airconditioners. Het BBC artikel stelt dat SF6 voornamelijk door lekkages terechtkomt in de atmosfeer. Bij windturbines kunnen deze lekkages ontstaan door mechanisch falen, slijtage van machines of tijdens onderhoud of ontmanteling van een windturbine. Ter voorkoming van vrijkomen van SF 6 in de atmosfeer wordt het bij reparatie en ontmanteling afgevangen. Vervolgens wordt het hergebruikt in nieuwe apparaten.

Onderzoek van WindEurope61 wijst uit dat alle 100.000 windturbines in Europa jaarlijks naar schatting 150 kilo aan SF6 lekten in de afgelopen zes jaar. Dit staat gelijk aan een jaarlijkse uitstoot van 3.525 ton CO2. Om dit in perspectief te plaatsen: deze 100.000 windturbines bespaarden in dat jaar 255 miljoen ton aan CO2 door 336 TWh aan groene stroom op te wekken. De lekkage van SF 6 vormt dan

HEADELEMENT (concept)

69

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt ook slechts fractie, namelijk 0,001%, van de vermeden uitstoot van CO 2. Er is geen bewijs voor een relatie tussen de eventuele (zeer minimale) lekkage van SF 6 uit windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Windturbines zorgen juist voor een groot aandeel in vermeden emissies van CO2 omdat de elektriciteit duurzaam wordt opgewekt. Desondanks is het de verantwoordelijkheid van de windsector om het gebruik van SF6 waar mogelijk te verminderen en waar dit om praktische redenen niet mogelijk is te zorgen dat het risico op lekkages zo klein mogelijk is. Diverse alternatieven voor SF6 worden momenteel onderzocht, zoals nieuwe combinaties van schone gassen. <update> 5.5.3

Conclusie

Windturbines kunnen bij individuen wel tot het ervaren van hinder leiden en daardoor indirect tot gezondheidseffecten. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen windturbines en gezondheidseffecten aangetoond. Economische aspecten kunnen van invloed zijn op de ervaring van hinder door windturbines. Gelet op de uitkomsten van de onderzoeken naar de effecten op de omgeving (zoals geluid en slagschaduw) kan geconcludeerd worden dat het windpark gerealiseerd kan worden binnen de gekozen normstelling waardoor er blijvend sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij de realisatie van windpark Horst en Telgt. Het aspect gezondheid geeft geen reden hieraan te twijfelen. Er is voor het aspect gezondheid dan ook sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.6

Natuur

5.6.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 201762. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000gebieden. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de plant- en diersoorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten, zoals de realisatie van windturbines, in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen (IHD) zijn uitgesloten. De Nederlandse Natura 2000-gebieden maken ook onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen.

Voor Natuurnetwerk Nederland wordt in Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN) gebruikt. De begrenzing en het beschermingsregime van het GNN is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. De provincie heeft daarnaast ook zogenoemde Groene Ontwikkelingszones aangewezen (GO). Soortenbescherming Relevante wetgeving op het gebied van de soortenbescherming is uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de Wnb. De bescherming van flora en faunasoorten is in de Wnb opgedeeld in twee beschermingscategorieën:  strikt beschermde soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1) en soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5);  overige beschermde soorten: nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Voor beide categorieën geldt dat het verboden is opzettelijk exemplaren te doden, vangen of plukken,

70

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt en voortplantingsverblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of te beschadigen. Een belangrijk verschil tussen beide beschermingsregimes is dat voor de strikt beschermde soorten ook het opzettelijk verontrusten verboden is, terwijl dit voor de overige beschermde soorten niet het geval is. Voor vogels geldt daarnaast dat het opzettelijk storen niet verboden is in geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Voor de verdere uitgangspunten en achtergronden van het natuuronderzoek, zo ook voor de uitgebreide weergave van de resultaten van onderzoek wordt verwezen naar bijlagen @@. 5.6.2

Onderzoek

5.6.2.1 Gebiedsbescherming PM 5.6.2.2 Soortenbescherming PM 5.6.3

Conclusie

PM

5.7

Cultuurhistorie

5.7.1

Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming was in Nederland geregeld in de Monumentenwet 198863. Vanaf 1 juli 2016 geldt de Erfgoedwet64, die de Monumentenwet 1988 vervangt. Het beschermingsniveau van de oude wetgeving blijft gehandhaafd. De Erfgoedwet vormt samen met de nog in te voeren Omgevingswet65 het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. 5.7.2

Onderzoek

5.7.2.1 Archeologie PM 5.7.2.2 Overige cultuurhistorie PM 5.7.3

Conclusie

PM

5.8

Water

5.8.1

Toetsingskader

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, et cetera te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1. en 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen bevoegd gezag, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebied specifieke ruimtelijke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen en afvoeren' moet worden gehanteerd.

HEADELEMENT (concept)

71

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet vervangt een groot aantal wetten op het gebied van water. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt.

Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. De bedoeling is dat op basis van deze structuurvisies plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd. De op 1 januari 2008 ingevoerde Wet gemeentelijke watertaken is ook opgenomen in de Waterwet. Door deze wetgeving hebben de gemeenten een aantal nieuwe zorgplichten: afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en een verbrede zorgplicht inzamelen afvalwater buitengebied. Omgevingsverordening Gelderland De provincie legt provinciaal waterbeleid vast ter bescherming van de provinciale belangen. In de Omgevingsverordening Gelderland worden er geen aandachtspunten voor water gegeven aan het plangebied en directe omgeving. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe Het vigerende waterschap voor het plangebied van Windpark Horst en Telgt is waterschap Vallei en Veluwe. Aansluitend bij de Europese, nationale en provinciale wetgeving, is er door het waterschap een waterbeheerprogramma opgesteld - 'Blauw Omgevingsprogramma' - voor de periode 2022 2027.

In dit waterbeheerprogramma staan de doelen en middelen beschreven hoe het waterschap in deze periode blijft zorgen voor haar drie hoofdtaken: waterveiligheid, schoon water en voldoende water. Voor meer praktische en algemene aangelegenheden, waaronder aanpassingen in het watersysteem of bemalingen, zijn de Keur en Legger van het waterschap Vallei en Veluwe de wettelijke regeling. De Keur van het Waterschap Vallei en Veluwe beschrijft wat wel en niet mag vanwege onder ander oppervlaktewaterlichamen (watergangen, onder ander hoofdwatergangen en schouwsloten). In de keur is een belangrijk onderdeel van oppervlaktewaterlichamen omschreven: de beschermingszone. De beschermingszone is een zone met een breedte van 5 meter, aan beide zijden van een oppervlaktewaterlichaam (type A), gemeten vanuit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam. Deze strook grond is bedoeld om ervoor te zorgen dat de watergang stabiel en toegankelijk voor onderhoud blijft. Deze zone is niet op de legger vermeld. Binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen is het volgens de Keur verboden om zonder watervergunning in de bodem te graven. Ook het dempen van oppervlaktewaterlichamen is zonder vergunning verboden. Daarnaast is het volgens de Keur verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren.

In de Keur van het waterschap Noorderzijlvest is opgenomen dat de versnelde afvoer van neerslag, afkomstig van verhard oppervlak, te beperken. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus in principe, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans neutraal plaatsvinden.

72

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Verder mag het afstromende hemelwater niet worden vervuild, dit kan worden voorkomen door het gebruik van niet-uitlogende (bouw)materialen. Als het af te voeren water wel is vervuild, dient het gezuiverd te worden voordat lozing op het wateroppervlak plaatsvindt. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn regels beschreven voor het lozen op het oppervlaktewater. 5.8.2

Onderzoek

Watersysteem - opppervlaktewater Het plangebied voor Windpark Horst en Telgt valt in zijn geheel onder het beheer van waterschap Vallei en Veluwe. Het maaiveld van het plangebied ligt tussen circa 0 tot 2 meter boven NAP. Ten westen van het plangebied ligt het Veluwerandmeer Nuldernauw. In en om het plangebied lopen verschillende categorie A-watergangen, waarvan het Groenebeekje en de Krakenburgbeek ook een natuurfunctie hebben. Daarnaast liggen er ook verscheidene B- en C-oppervlaktewateren in het plangebied die een belangrijke landbouwkundige functie hebben; ze zorgen voor voldoende drooglegging in zomer en winter. Het plangebied ligt buiten het sleutelgebied voor de regio Noord-Veluwe dat is bepaald in het Blauw Omgevingsprogramma. Voor de instandhouding van een goede waterkwaliteit, grondgebruik en een veilige afwatering speelt het oppervlaktewater een cruciale rol. De fundatiediameter van windturbines is niet alleen afhankelijk van het type windturbine, maar wordt doorgaans tevens sterk bepaald door de eigenschappen van de bodem. Voor het bepalen van de minimaal aan te houden afstand tot watergangen is uitgegaan van een fundatiediameter van 30 meter. Dit betekent dat voor windturbines een minimale afstand tot watergangen van het watersysteem geadviseerd wordt van 15 meter (gerekend vanaf het centrum van de windturbine).

Op deze wijze overlapt het fundatieoppervlak van de windturbine niet met de watergang, waardoor het watersysteem naar verwachting niet op een negatieve wijze beïnvloed wordt. Bovendien hanteert het Waterschap Vallei en Veluwe een beschermingszone van 5 meter voor oppervlaktewateren type A, gerekend vanaf de insteek. De minimaal aan te houden afstand voor windturbines tot deze wateren is daarom 20 meter (halve fundatiediameter + 5 meter beschermingszone). Windturbines die op meer dan 20 meter van de primaire watergang staan hebben naar verwachting geen negatieve invloed. De positionering van de windturbines hebben geen invoed op de watergangen in het plangebied. Figuur 5.@ Plangebied met watergangen

HEADELEMENT (concept)

73

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Waterkeringen Er liggen geen waterkeringen in het plangebied. Grondwater De Noord-Veluwe(flank) is gevoelig voor verdroging. Diverse beken voeren het water snel af naar de randmeren. Binnen het plangebied komt volgens de bodemkaart van Nederland een aantal grondwatertrappen voor. Grondwatertrappen zijn klassen waarin aangegeven wordt waar de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zich bevindt. Tabel 5.@ geeft een overzicht over de grondwaterstanden in de grondwatertrap die voorkomt binnen het plangebied. Een uitsnede van de bodemkaart is zichtbaar in Figuur 5.@. De gemiddeld laagste grondwaterstand van deze bodem is voor een groot deel van het plangebied minder dan 50 centimeter onder maaiveldniveau. Voor een korte strook langs de A28 geldt dat de GLG tussen de 120 en 180 centimer onder maaiveld (-mv) ligt. De gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert van minder dan 25 centimeter onder maaiveld tot maximaal 140 centimeter diepte. Tabel 5.@ Grondwatertrappen

Figuur 5.@ Grondwatertrappen plangebied [bron: BRO Nederland]

74

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

De windturbines krijgen waarschijnlijk een betonnen fundering krijgen en op (een aantal) heipalen geplaatst worden. De fundatie heeft een dikte van circa 3,5 tot 4 meter. In het worst case-scenario is deze dikte ook de begraafdiepte van de fundatie. Daarnaast bestaat er ook de mogelijkheid om de fundatie bovengronds (op grondniveau) te plaatsen of kan er voor een monopile (innovatieve fundatie) worden gekozen. Door gebruik te maken van niet-uitlogende bouwmaterialen, wordt uitspoelen van stoffen voorkomen. Om tijdens het bouwproces activiteiten uit te kunnen voeren in een droge bouwput, is tijdelijke bemaling van het grondwater nodig, aangezien de grondwaterstand in het plangebied gemiddeld tussen minder dan 25 centimeteren 180 centimeter diep ligt. Dit geldt met name voor aanleg van funderingen en bekabeling. Informatie over de aard en omvang van de bemaling dient te worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling van eventuele effecten in het kader van de watervergunning. Uitspoelen van stoffen, en daarmee veranderingen van de grondwaterkwaliteit, wordt niet verwacht. Na afronding van het bouwproces zal de normale grondwaterstand hersteld worden, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet binnen de verwachting liggen. Tijdens de operationele fase, dus als de windturbines in werking zijn, is er geen effect op het grondwater.

Hemelwaterafvoer Door de plaatsing van de windturbines en de eventuele aanleg van ontsluitingswegen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe. Dit verharde oppervlak bestaat uit de fundering van de windturbine, wegen en bij elke windturbine een opstelplaats. Deze werken zijn permanent aanwezig tijdens de gehele levensfase van het windpark. Windturbines met een fundatiediameter van circa 30 meter hebben een verhard oppervlak van ongeveer 707 m2 tot gevolg. Voor kraanopstelplaatsen bedraagt dit circa 1.925 m2, uitgaande van de afmetingen 35 bij 55 meter . Het totale verhard oppervlak per windturbine bedraagt in dit geval naar verwachting circa 2.632 vierkante meter. <PM verhardingen zoals ontsluitingswegen en inkoopstation>

HEADELEMENT (concept)

75

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Door een toegenomen hoeveelheid verhard oppervlak stroomt hemelwater sneller af. Wanneer dit direct versneld in het bestaande oppervlaktewatersysteem terecht komt, kan dit problemen veroorzaken voor de instandhouding van een bepaald peilbeheer. En dit kan vervolgens weer potentieel negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit, de bodemfunctie en een veilige afwatering. Indien negatieve effecten plaatsvinden, dient vertraagde afvoer gerealiseerd te worden. Maatregelen kunnen bestaan uit het niet aanleggen van riolering, maar het direct afvoeren van water via het maaiveld. Op deze manier krijgt het water de tijd om te infiltreren en kan het vertraagd ondergronds naar het oppervlaktewater stromen. Ook kan er worden gekozen voor het aanleggen van halfopen verharding, zodat het water wel kan infiltreren. Tevens kunnen naast wegen, fundaties en opstelplaatsen extra sloten gecreëerd worden, waardoor het waterbergend vermogen toeneemt. PM <berging. evt motiveren sloten. Er is ter plekke voldoende ruimte te infiltreren> Watertoets De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van water huishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Het doel van dit instrument is waarborgen dat de water huishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om water huishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het concept ontwerpinpassingsplan wordt in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap tijden het wettelijk Bro-overleg met instanties. De resultaten van deze afstemming worden zo mogelijk verwerkt in deze paragraaf. De eventueel benodigde wijziging watervergunningen of watervergunning voor de uitvoering en eventuele afstemming daarover volgen hun eigen procedure. 5.8.3

Conclusie

De windturbines hebben geen negatief effect op de waterhuishouding. Een watervergunning is mogelijk nodig voor grondwateronttrekking, voor waterberging en kruising van een watergang. De vergunningen zijn niet noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure. Rekening houdend met de (eventueel) benodigde vergunningen is er voor het aspect water sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.9

Bodemkwaliteit

5.9.1

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient een bodemonderzoek verricht te worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Het bevoegd gezag moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. De Wet bodembescherming (Wbb) is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat eenieder die de bodem verontreinigd verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Daarnaast staat ook beschreven op welke manier te handelen indien het een historische bodemverontreiniging betreft. Als instrument omvat de Wbb bodemkwaliteitseisen voor verschillende type bodems en gebruiksfuncties. Wanneer sprake is van een te hoge concentratie van een bepaalde stof (bodemverontreiniging) en de kans op directe verspreiding aanwezig is, dient bodemsanering uitgevoerd te worden. Verspreiding van een verontreiniging kan bijvoorbeeld plaatsvinden via stroming van grond- en oppervlaktewater. Wanneer sprake is van een te hoge concentratie van een bepaalde stof, maar niet aangetoond kan worden dat het risico van verspreiding aanwezig is, dient sanering uitgevoerd te worden ten tijde van nieuwe ontwikkelingen in het gebied. De bouw van een windpark is een voorbeeld van zo'n nieuwe ontwikkeling, ook wel een natuurlijk moment genoemd.

Voor de realisatie van het windpark zal grondverzet plaatsvinden, waarbij grond (en mogelijk ook asfalt en onderliggend funderingsmateriaal) wordt ontgraven, hergebruikt, toegepast en/of afgevoerd. Bij dergelijke werkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) 66 van toepassing. Het Bbk bevat algemene regels voor het toepassen van grond (en bouwstoffen) en de kwaliteit van toe te passen grond (en bouwstoffen).

76

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Regels voor het graven in de bodem wordt geregeld door de Ontgrondingenwet. In principe is voor het graven in de grond een vergunning nodig. Voor een ontgronding in de landbodem verleent de provincie de vergunning. In afdeling 3.3 van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland staat beschreven wanneer een ontgrondingsvergunning of melding benodigd is. In een aantal gevallen geldt een vrijstelling voor de ontgrondingsvergunning, deze staan beschreven in artikel 3.48 (vrijstelling vergunningplicht). Op grond van de Omgevingsverordening is geen ontgrondingenvergunning nodig bij ontgrondingen van ten hoogste drie meter diep en ten hoogste 3.000 kubieke meter die noodzakelijk zijn voor het realiseren van het geldende bestemmingsplan, inpassingsplan of ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Beleid Bodembeheer regio Noord Veluwe De gemeenten Ermelo, Putten, Harderwijk, Nunspeet, Elburg en Oldebroek hebben gezamenlijk een Nota Bodembeheer opgesteld. Deze Nota is op dit moment nog niet formeel vastgesteld door de gemeenten Ermelo en Putten. De Nota is een instrument gericht op duurzaam omgaan met grond. De basis voor dit document ligt in het Besluit bodemkwaliteit en de voor de regio Noord-Veluwe opgestelde bodemkwaliteitskaart en beleidsregel PFAS.

In de Nota zijn de voorschriften opgenomen voor het grondverzet waarbij zoveel mogelijk wordt ingezet op het hergebruik van grond binnen de regio zonder afbreuk te doen aan de bestaande bodemkwaliteit. Op basis van dit beleid is het mogelijk om tijdens aanleg van het windpark zoveel mogelijk met een gesloten grond balans te werken. Dit bespaart energie en uitstoot van schadelijke stoffen door onnodig vervoer van overtollige grond. 5.9.2

Onderzoek

Volgens de regionale bodemkwaliteitskaart67 ligt het plangebied van Windpark Horst en Telgt in een gebied met bodemfunctieklasse overig en ontgravingsklasse 'gebiedsspecifiek'. De regio heeft ervoor gekozen om gebiedsspecifiek beleid te voeren, met name vanwege de aanwezigheid van arseen van natuurlijke oorsprong. In het verleden is arseenhoudend kwelwater neergeslagen bij het in contact komen met zuurstofrijker water. Arseen komt van nature voor in gebieden waar veel ijzeroer in de grond aanwezig is, aangezien het hier goed aan bindt.

HEADELEMENT (concept)

77

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Figuur 5.@ Bodemopbouw ontgravingen [bron: Bodemnota provincie Gelderland (2014)]

In het gebied zijn geen bekende bodemverontreinigingen aanwezig (zie Figuur 5.@). Figuur 5.@ Bekende bodemverontreinigingen in het plangebied

78

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

PM 5.9.3

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor de realisatie van de windturbines vanuit bodemkwaliteit. Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.10

Overige aspecten

5.10.1 Vliegverkeer en radar Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang is dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur te allen tijde kan worden gegarandeerd. Laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden kennen harde bouwhoogtebeperkingen. Hierbij is van belang dat de rotorbladen van een windturbine de route niet 'doorsnijden'. Er moet dus een afstand van minimaal een halve rotordiameter tot de rand van de laagvlieggebieden worden gehouden. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden. Plaatsing van windturbines kan ook mogelijk leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Afhankelijk van de locatie kan een windpark een verstorende werking hebben op Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS)-apparatuur van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd.

Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)68 en zijn nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)69. Er dient een minimale dekkingsgraad van 90% op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen.

HEADELEMENT (concept)

79

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Onderzoek Vliegverkeer De windturbines bevinden zich buiten hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens. PM <nadere info, raadpleging LVNL> Defensieradar Het Rarro schrijft verstoringsgebieden voor waarbinnen de radarverstoring moet worden getoetst. Voor deze gebieden wordt een normprofiel aangehouden die voor windturbines loopt tot 75 kilometer van de primaire radarposten, zijnde de vijf zogenoemde Millitary Approach Surveillance Systems (MASS)-radars en twee Medium Power Range (MPR)-radars. De locaties van deze radarposten met de 75 kilometer-contouren zijn weergegeven in Figuur 5.@. Figuur 5.@ Ligging radarstations en 75-kilometer contouren [bron: Regeling algemene regels ruimtelijke ordening]

Door TNO is een radarverstoringsonderzoek uitgevoerd

80

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt PM<resultaten>. Vanuit defensieradar is er dus geen belemmering voor realisatie van de windturbines op basis van het radarverstoringsonderzoek. Het Ministerie van Defensie heeft het radarverstoringsonderzoek beoordeeld en een verklaring van geen bezwaar afgegeven over realisatie van de geplande windturbines (zie bijlage @@). Conclusie Vanuit de aspecten vliegverkeer en radar is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.10.2 Straalpaden Toetsingskader Windturbines kunnen van invloed zijn op de zogenaamde straalpaden voor het transport van spraak-, data-, radio- en tv-signalen. Door de aanwezigheid van verschillende windturbines kan de signaaloverdracht van straalpaden worden verstoord of verzwakt. Deze straalverbindingen (ook wel straalpaden genaamd) verzenden informatie (radiocommunicatie) langs een rechtstreekse cilindervormige lijn door de lucht. Verstoring kan optreden doordat deze cilindervormige lijn wordt onderbroken (doorkruising van de tweede fresnelzone). De uitvoering van de functies van een straalverbinding kunnen mogelijk worden beperkt door de aanwezigheid van de windturbine. Onderzoek Er zijn geen planologisch beschermde straalverbindingen (als zo danig bestemd in het geldende bestemmingsplan) in het plangebied die beïnvloed kunnen worden door de windturbines.

Er bestaat dus geen juridische verplichting om bij ruimtelijke projecten rekening te houden met de straalverbindingen. Er kunnen echter ook onbeschermde straalverbindingen aanwezig zijn in het plangebied. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de aanwezigheid van onbeschermde straalverbindingen nader onderzocht. In het plangebied liggen een aantal onbeschermde straalpaden (zie Figuur 5.@), drie daarvan zijn verbonden met een zendmast bij het Strandparc Nulde. Van deze zendmast loopt een drietal straalpaden naar zendmasten in het gebied:  een mast aan de Zeeweg 143 (op het terrein van Van Nieuwenhuizen Property BV);  een mast aan de Waterweg 93 (eigenaar onduidelijk);  een mast aan de Van den Berghlaan in Ermelo (bij de GGZ). Ten slotte loopt er vanaf dezelfde GGZ Centraal Beukenrode in Ermelo een straalpad in de oost-west richting door het plangebied naar het pand van Staatsbosbeheer ten zuiden van Zeewolde. Figuur 5.@ Straalpaden in het plangebied

HEADELEMENT (concept)

81

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Drie turbines van het windpark staan binnen een halve rotordiameter (85 meter) van een straalpad. Een van deze turbines staat zelfs op enkele meters van dit straalpad en staat daarmee direct in de kern van dat straalpad. De hoogte van de straalpaden is een stuk lager dan de tiplaagte van de windturbines. Het straalpad wordt dus niet onderbroken door de draaiende rotor, en er zijn dan geen effecten te verwachten. Alleen voor de meest zuidelijke turbine, waarbij de mast direct in de kern van het straalpad staat, zijn effecten te verwachten op het straalpad. Gezien het feit dat straalverbindingen nog wel eens kunnen wijzigen plus dat de straalverbindingen feitelijk niet planologisch zijn beschermd levert de nieuwe situatie ook geen belemmeringen op voor de planvorming. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit aanwezige straalverbindingen, er is daarom sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.10.3 Niet-gesprongen explosieven Toetsingskader In de bodem kunnen niet gesprongen explosieven (NGE's) aanwezig zijn die een risico vormen voor de veiligheid van het personeel dat werkzaamheden voor realisatie van het windturbinepark uitvoert. Daarnaast kan de openbare veiligheid in het geding komen.

De aanwezigheid van explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium voor het inpassingsplan, maar het is voor de uitvoering wel van belang om hier inzicht in te hebben teneinde de veiligheid voor personeel en omgeving tijdens de realisatiefase te garanderen. Onderzoek Het benodigde onderzoek wordt voor aanvang van de realisatie uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek wordt bepaald hoe hiermee tijdens werkvoorbereiding omgegaan dient te worden, teneinde de werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. De eventuele aanwezigheid van NGE's zorgen in praktijk niet voor een onuitvoerbaar plan. Conclusie

82

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt De aanwezigheid van explosieven is geen ruimtelijk relevant criterium voor het inpassingsplan en aanwezigheid zorgt ook niet voor een onuitvoerbaar plan. Er is daarom voor dit aspect sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.10.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009)70 kan worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied. Onderzoek Volgens de VNG-richtlijn is de richtafstand voor 'windturbines' met een 'wiekdiameter' van 50 meter tot aan een rustige woonwijk 300 meter, voor een gemengd gebied (waaronder een buitengebied) is deze afstand 200 meter. De dichtst bij het windpark gelegen woning is gelegen op een afstand van ruim 350 meter van de dichtstbijzijnde windturbine. De richtafstand wordt bepaald door het aspect 'geluid'. Het aspect 'slagschaduw' kent de VNG-richtlijn niet. Voor windturbines met een grotere rotordiameter geeft de VNG-richtlijn geen afstanden waardoor nader onderzoek in ieder geval noodzakelijk is ter voldoening aan een goede ruimtelijke ordening.

Aangezien de VNG-richtlijn niet toepasbaar is op de voorliggende situatie is op basis van specifiek onderzoek gekeken naar de effecten van de windturbines op gevoelige objecten. Door middel van akoestisch onderzoek (zie paragraaf 5.2) is aangetoond dat het windpark inpasbaar is in de omgeving, zo ook door middel van slagschaduwonderzoek (zie paragraaf 5.3). Op basis van onderzoek voor geluid en slagschaduw is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ook ten aanzien van de overige milieueffecten is geconcludeerd dat het windpark voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie De VNG-publicatie is in de voorliggende situatie niet toepasbaar. Op basis van specifiek onderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 5.10.5 Luchtkwaliteit Toetsingskader Op 15 november 2007 is een wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. De hoofdlijnen van deze regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet Milieubeheer (Wm).

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien deze voldoet aan één van deze voorwaarden:  er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  een project 'in niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat in werking treedt nadat de EU derogatie (toestemming) heeft verleend. Van een verslechtering van de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:  woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;  infrastructuur: minimaal 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);  kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen. Onderzoek Onderhavig plan maakt een ontwikkeling mogelijk dat niet onder één van bovenstaande categorieën onder te brengen is en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren.

Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan door middel van onderzoek.

HEADELEMENT (concept)

83

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Conclusie Voor het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

84

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de juridische regeling van het inpassingsplan toegelicht. Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) Dit inpassingsplan voor het windpark Horst en Telgt is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 201271. De SVBP bevat standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het inpassingsplan, zowel digitaal als analoog. Verhouding met geldende bestemmingsplannen Als uitgangspunt is gehanteerd dat het inpassingsplan zo min mogelijk ingrijpt in de geldende ruimtelijke plannen. Waar mogelijk blijft de geldende regeling in stand (zoals in een zogenoemd 'paraplubestemmingsplan'), alleen waar nodig wordt een nieuwe regeling toegevoegd. In dit inpassingsplan wordt dan ook volstaan met het vaststellen van de enkelbestemming 'Bedrijf Windturbinepark' voor de plaatsing van het windturbinepark. Op de plaatsen waar de rotoren van windturbines over (kunnen) draaien en waar de opstelplaatsen, onderhouds- en toegangswegen kunnen komen, is daarvoor een specifieke aanduiding opgenomen over de geldende bestemmingen uit het onderliggende gemeentelijke bestemmingsplan. Er wordt dus als het ware een 'extra laag' over deze bestemmingen heen gelegd.

De reden voor deze werkwijze is dat op deze manier de onderliggende vigerende bestemmingen niet worden aangetast. Dit inpassingsplan en het geldende bestemmingsplan bestaan dus naast elkaar als zelfstandige documenten. Deze documenten moeten in samenhang worden gelezen voor een compleet beeld van de juridisch-planologische situatie in het gebied.

6.2

Bestemmingsregels

6.2.1

Algemeen

In het inpassingsplan is gekozen voor een bestemmingsregeling, waarbinnen alleen datgene dat noodzakelijk is, wordt vastgelegd. Dit houdt het volgende in:  De nieuwe bedrijfsbestemmingen voor het windturbinepark zijn toegekend aan gronden die deel uitmaken van de windturbineopstelling.  Het betreft momenteel hoofdzakelijk agrarische gronden die zijn voorzien van een agrarische bestemming. Het opwekken van energie middels windturbines verhoudt zich niet met deze bestemmingen. Daarom is, overeenkomstig de SVBP2012, gekozen voor het toekennen van een bedrijfsbestemming specifiek voor windturbines. 6.2.2 Bestemmingen, gebiedsaanduidingen en dubbelbestemmingen Bestemming ‘Bedrijf – Windturbinepark’ Om de omliggende gronden zo min mogelijk te beperken is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. De fundering en masten zijn bestemd als ‘Bedrijf - Windturbinepark’ met een bestemmingsvlak waarbinnen voldoende ruimte is voor de benodigde fundering voor verschillende windturbinetypes. Hierdoor is er ook een (mogelijke) schuifmarge van maximaal 2,5 meter naar alle zijden opgenomen. Om te voorkomen dat de (schuif)ruimten waar geen windturbines gerealiseerd worden, niet meer ten behoeve van de onderliggende bestemming 'Agrarisch met waarden' gebruikt kunnen worden is tevens agrarisch gebruik toegestaan. Bijbehorende voorzieningen

HEADELEMENT (concept)

85

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt Naast windturbines, worden binnen de bestemming ‘Bedrijf - Windturbinepark’, ook bij het windturbinepark behorende voorzieningen mogelijk gemaakt. Denk daarbij aan kabels en leidingen (parkbekabeling), toegangs- en onderhoudswegen en kraanopstelplaatsen voor het opbouwen, onderhouden en demonteren van windturbines. Ook een zogenoemde 'inkoopstation' voor het leveren van de opgewekte energie aan het landelijke hoogspanningsnetwerk, worden hiermee bedoeld. Er mag maximaal één inkoopstation worden worden gebouwd voor het gehele windturbinepark. Voorzieningen ten behoeve van het windpark, alsmede kabels en leidingen en waterberging, ten behoeve van de aanleg van het windturbinepark, zijn tevens binnen de bestemming ‘Bedrijf Windturbinepark' toegestaan. De voorzieningen bestaan uit alle type bouwwerken die niet als gebouw beschouwd kunnen worden. Gedacht moet worden aan bijvoorbeeld opslagplaatsen, voorzieningen ten behoeve van bouwinstallaties, nuts- en verkeersvoorzieningen en verlichting ten behoeve van de aanlegfase. Bouwmogelijkheden en flexibiliteit Het is nu nog niet exact bekend welke turbinetypen gebouwd gaan worden. Met de keuze van een turbinetype hangen onder meer de omvang en de exacte situering van de windturbinemasten samen.

Daarom is enige mate van flexibiliteit geboden in de planregeling:  de ashoogte en rotordiameter van turbines zijn voorgeschreven met een marge. Deze marge bedraagt minimaal @@ en maximaal @@ meter voor de ashoogte (inclusief eventueel @@ meter fundering boven het maaiveld), maximaal 250 meter voor de tiphoogte en minimaal @@ meter en maximaal 170 meter voor de rotordiameter van de windturbines. Dit geeft de initiatiefnemers nog enige mate van vrijheid om straks een definitieve keuze te kunnen maken qua te bouwen turbinetype;  de situering van de turbines is op de verbeelding zoveel mogelijk vastgelegd met bestemmingsvlakken. Binnen een bestemmingsvlak mag maximaal 1 windturbine gerealiseerd worden. Binnen het bestemmingsvlak is enkele meters schuifruimte, deze ruimte wordt ondervangen door de resultaten van onderzoek gezien de afwijking van enkele meters (zie nadere toelichting hieronder); Voor de windturbines is in het onderzoek uit gegaan van een concrete positie. Dit inpassingsplan biedt voor de realisatie van windturbines (uitgaande van de maximale afmetingen van de windturbine) binnen de bestemming ‘Bedrijf - Windturbinepark' een beperkte schuifruimte van maximaal circa 2,5 meter naar alle zijden vanwege praktische inpassing van het windpark.

Specifieke gebruiksregels Specifieke gebruiksregels zijn opgenomen om te verzekeren dat de windturbines worden voorzien van obstakelverlichting. Daarnaast zijn gebruiksregels opgenomen om locatiespecifieke normen voor geluid (inclusief handhavingssystematiek), slagschaduw, maar ook lichtschittering en NENcertificering ruimtelijk vast te leggen. Voor een (inhoudelijke) nadere toelichting op de gebruiksregels voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid, maar ook voorlichtschittering en NEN certificering wordt vooral verwezen naar paragraaf @@. Hieronder wordt nog apart ingegaan op de Handhavingsen rekenmethodiek. PM <regeling wespendief> Handhavings- en rekenmethodiek In artikel 3.3.1 is de normering voor geluid van windpark Hortst en Telgt vastgelegd. Dit is een cumulatieve norm van alle zeven de windturbines in het windpark. De windturbines in windpark Horst en Telgt gezamenlijk mogen de gestelde norm in de planregels op toetspunten niet overschrijden. De basis voor handhavend optreden is norm in de planregels van dit inpassingsplan. In Bijlage 1 van de planregels is de Handhavings- en rekenmethodiek voor windturbinegeluid opgenomen. Voor de formulering is aangesloten op de formulering uit de (bijlage bij de) windturbinebepalingen.

PM <dubbelbestemmingen/overige bestemmingen> Gebiedsaanduidingen ten behoeve van het windpark Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - windturbine' Voor de overdraai van de wieken van de windturbine is in het inpassingssplan een specifieke regeling opgenomen. Hiermee wordt te kennen gegeven dat naast de geldende bestemming, het overdraaien van rotoren van windturbines ook mogelijk is. De opstelplaatsen zijn vooral mogelijk binnen de

86

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt aanduiding 'vrijwaringszone - windturbine' (maximaal 1 opstelplaats per windturbine). In aanvulling op de overdraai en opstelplaatsen zijn ook aanvullende bouw- en aanlegmogelijkheden ten behoeve van het windpark geboden (zoals inkoopstations, parkbekabeling, tijdelijke voorzieningen en toegangs- en onderhoudswegen). Ook is bij wijze van signaleringsfunctie opgenomen dat er geen (beperkt)kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de gebiedsaanduiding. Gebiedsaanduiding 'overige zone - parkinfrastructuur' Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone-parkinfrastructuur' zijn toegangs- en onderhoudswegen ten behoeve van het windturbinepark toegestaan. Dit gebied is vrijwel het gehele plangebied voor windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. Een provinciaal aangewezen te beschermen bosgebied is buiten het plangebied gelaten. Er is een maximale breedte van 5 meter voor de ontsluitingsweg opgenomen. Deze geldt echter niet ter plaatse van kruisingen met andere wegen en/of bochten, teneinde voldoende ruimte te hebben voor de draaicirkels van vrachtwagens. Per windturbines wordt er uiteindelijk maximaal één onderhoudsweg aangelegd, zo mogelijk wordt de ontsluiting van verschillende windturbine gedeeld. Medegebruik van de onderhoudswegen voor agrarisch gebruik is toegestaan.

Gebiedsaanduiding 'overige zone - veiligheidszone' Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - veiligheidszone' mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Binnen de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' wordt de vestiging van kwetsbare objecten dan ook uitgesloten. Overige gebiedsaanduidingen PM

6.3

Artikelsgewijze toelichting bestemmingsregeling

PM

HEADELEMENT (concept)

87

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Hoofdstuk 7 7.1

Participatie

7.1.1

Rol gemeenten

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

PM 7.1.2

(Financiële) participatie en compensatie

PM 7.1.3

Procesparticipatie en communicatie

PM

7.2

Overleg

Het concept-ontwerpinpassingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het inpassingsplan is toegezonden aan de volgende vooroverlegpartners: PM <na overleg met instanties nader in te vullen>

7.3

Zienswijzen

Het inpassingsplan heeft van <datum> tot en met <datum> (6 weken) ter inzage gelegen. Tijdens de periode van terinzagelegging zijn <aantal> zienswijzen ingediend op het ontwerp-inpassingsplan en ontwerp-omgevingsvergunningen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in <Bijlage @>. <resultaten later toe te voegen>

88

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Hoofdstuk 8

Financieel-economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal Krachtens de Wro, waarin in afdeling 6.4 bepalingen zijn opgenomen betreffende de grondexploitatie, geldt de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Op grond van het Bro is kostenverhaal verplicht in geval van:  de bouw van één of meer woningen en hoofdgebouwen;  uitbreidingen van gebouwen met ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren bij ingebruikname voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte ten minste 1.000 m2 bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m 2. Het voorliggende inpassingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 7 windturbines en de daarbij behorende voorzieningen. Aangezien hiermee sprake is van de bouw van meerdere hoofdgebouwen zoals bedoeld in artikel 6.2.1. sub b van het Bro, is kostenverhaal verplicht.

In het kostenverhaal wordt voorzien middels een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemers en de provincie Gelderland, waarin onder andere voorzien wordt in planschade, afspraken over het gebiedsfonds en landschappelijke versterking. Vastgelegd wordt dat initiatiefnemers eventuele planschade aan de provincie vergoeden wanneer planschade wordt vastgesteld. De anterieure overeenkomst is voor vaststelling van het inpassingsplan door initiatiefnemers en provincie ondertekend. Planschade Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan planschade ontstaan. De Wro voorziet in een regeling voor vergoeding van planschade. Op basis van artikel 6.1 Wro wordt aan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van het inpassingsplan, tegemoet gekomen, wanneer de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet anderszins is verzekerd. Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van het inpassingsplan, kan bij het bevoegd gezag van dat plan (provincie Gelderland) worden ingediend binnen de periode van 5 jaar na het onherroepelijk worden van het vastgestelde inpassingsplan. Financiële uitvoerbaarheid Het initiatief wordt gefinancierd door de initiatiefnemer.

De investeringen voor de aanleg van de windturbines, toegangswegen, kabels en transformatorstations worden gedragen door de initiatiefnemers. De initiatiefnemer verdienen de investeringen terug door de verkoop van de opgewekte elektriciteit. Voor de totstandkoming van dit windpark is een subsidie op grond van de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE++) aangevraagd, waarmee de zogeheten onrendabele top van de elektriciteitsproductie van dit windpark via een bedrag per aan het elektriciteitsnet geleverde kilowattuur wordt gecompenseerd. Met de SDE++ vult het Rijk de elektriciteitsopbrengsten voor de initiatiefnemer aan tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te kunnen verdienen binnen een redelijke termijn. Conclusie Het windpark Horst en Telgt is financieel-economisch uitvoerbaar. Het windpark draagt bij aan de energietransitie door het opwekken van duurzame energie en daarmee aan een vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het windpark is financieel haalbaar en de provincie hoeft niet zelf te investeren. Alle kosten en risico's worden hoofdzakelijk door de initiatiefnemer gedragen. Via een anterieure overeenkomst is het kostenverhaal verzekerd.

HEADELEMENT (concept)

89

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

90

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Bijlagen bij toelichting

HEADELEMENT (concept)

91

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Bijlage 1

92

Milieueffectrapport Windpark Horst en Telgt

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Bijlage 2

Onderbouwing lokale normen

HEADELEMENT (concept)

93

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Bijlage 3

94

Onderzoek geluid en slagschaduw

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Bijlage 4

Risicoanalyse externe veiligheid

HEADELEMENT (concept)

95

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

96

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Regels

HEADELEMENT (concept)

97

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder: 1.1

plan:

het inpassingsplan 'Windpark Horst en Telgt' met identificatienummer NL.IMRO.9925.IPWPHorstTelgt-von1 van de provincie Gelderland; 1.2

inpassingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

archeologisch deskundige:

een deskundige met betrekking tot archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen kwalificaties; 1.5

archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende, of naar verwachting voorkomende, waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden; 1.6

automatische stilstandvoorziening:

voorziening op een windturbine die de windturbine automatisch afschakelt indien meer slagschaduw optreedt dan in de planregels is vastgelegd ter plaatse van gevoelige of overige objecten binnen het slagschaduwgebied en voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van objecten ramen bevinden; 1.7

bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk enkel bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is; 1.8

beperkt kwetsbaar object:

a. verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en b. dienst- en bedrijfswoningen van derden; c. kantoorgebouwen, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.26, lid c, vallen; d. hotels en restaurants, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.26, lid c, vallen; e. winkels, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.26, lid c, vallen; f. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen; g. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.26, lid d, vallen; h. bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder de definitie van kwetsbaar object onder 1.26, lid c, vallen; i. objecten die met de onder lid a tot en met lid f en lid h genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en; j.

objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval; 98

HEADELEMENT (concept)

inpassingsplan Windpark Horst en Telgt 1.9

bestaand:

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het inpassingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;  bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het inpassingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldende planologische regime; 1.10 bestemmingsvlak: 

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12978771/1