16.1 Bestuurlijk memorandum Advies besluitvorming windinitiatieven
Tekst van het document
1
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
4
Kaart 1.3: Oorspronkelijke studiegebied + Windpark Putten
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
5
2
UITGANGSPUNTEN
2.1 Inleiding De afmetingen van de turbines bepalen in grote mate de mogelijkheden die het studiegebied biedt voor windturbines. Daarom is het belangrijk om expliciet te maken met welke turbines in deze analyse rekening is gehouden. Het principeverzoek van Windpark Putten gaat uit van drie turbines met een rotordiameter van 170 meter. In de eerder uitgevoerde haalbaarheidsanalyse is uitgegaan van turbines met een ashoogte van 120 meter en een rotordiameter van 160 meter. Om niet teveel van die analyse af te wijken en omdat het principeverzoek van Windpark Putten qua rotordiameter dicht in de buurt ligt van de eerdere uitgangspunten, is ook in deze analyse uitgegaan van een ashoogte van 120 meter en een rotordiameter van 160 meter. Daarnaast zijn de afmetingen in de principeverzoeken ook meer te zien als indicatie en zullen definitieve afmetingen nog bepaald moeten worden. Daar waar relevant in deze analyse wordt ingegaan op de consequenties van een eventueel grotere turbine. Het gaat dan met name om afstanden tot infrastructuur en externe veiligheidsafstanden, omdat deze veelal worden bepaald door exacte afmetingen. Er zijn ook aspecten die de haalbaarheid van windturbines bepalen die minder afhankelijk zijn van de afmetingen van windturbines. In paragraaf 2.3 gaat het dan over het Gelders Natuur Netwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO).
Paragraaf 2.4 gaat over de overig beschouwde aspecten als luchtvaart, straalpaden en archeologie.
2.2 Concrete uitgangspunten Om de haalbaarheid van de turbines in beeld te brengen, zijn afstanden tot geluidgevoelige objecten (met name woningen) en infrastructuur aangehouden. Deze afstanden zijn opgenomen in tabel 1. Ook slagschaduw is een factor van belang. In de praktijk kan echter vrijwel altijd aan de normen voor slagschaduw worden voldaan met behulp van een stilstandvoorziening op de windturbine. De afstand die aangehouden dient te worden voor geluid zorgt er tevens voor dat de meeste slagschaduw wordt voorkomen. Slagschaduw wordt derhalve verder niet in deze analyse meegenomen. Andere dan genoemde afmetingen zijn in de praktijk ook mogelijk, maar dan kunnen aan te houden afstanden tot bijvoorbeeld infrastructuur wel wijzigen. Met andere afmetingen komen de haalbaarheidskaarten er dan ook wat anders uit te zien. De verwachting is dat de gehanteerde afmetingen van de turbines het benodigde inzicht biedt. Tabel 1. Infrastructuur-objecten en bijbehorende effectafstanden bij 120m ashoogte en 160m rotordiameter (o.a. conform Handboek Risicozonering Windturbines) Object
Toetsafstand (m)
Toelichting
Gevoelig (o.a. woningen)
400
Vuistregel m.b.t. geluid voor deze turbinegrootte. Is indicatief, geen harde grens. Op basis van geluidberekeningen is exact te bepalen welke afstand is benodigd.
Kwetsbaar (o.a. scholen)
80
PR=10-5. Vuistregel: halve rotordiameter cf Handboek Risicozonering Windturbines
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
6
Object
Toetsafstand (m)
Toelichting
Beperkt kwetsbaar (o.a. individuele woningen)
200
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental cf Handboek Risicozonering Windturbines
Risicovolle inrichtingen
200
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental cf Handboek Risicozonering Windturbines
Buisleidingen
200
Ashoogte + halve rotordiameter OF werpafstand bij nominaal toerental cf Handboek Risicozonering Windturbines
Snelwegen
100(80+20)
Halve rotordiameter (vanaf rand van de weg) cf Handboek Risicozonering Windturbines en 20 m vanwege mogelijke wegverbreding/rijksgrond naast weg
Spoorwegen
nvt
Halve rotordiameter + 7,85m cf Handboek Risicozonering Windturbines
Hoogspanning
nvt
Ashoogte + halve rotordiameter cf Handboek Risicozonering Windturbines
2.3 GO en GNN In en nabij het studiegebied liggen gebieden die vanuit provinciaal natuurbeleid relevant zijn. De provincie Gelderland heeft haar natuurbeleid uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Gelders Natuurnetwerk is per deelgebied gedefinieerd in kernkwaliteiten. Daarnaast is binnen de provincie sprake van de Groene Ontwikkelingszone (GO) die uit alle gebieden binnen de voormalige Gelderse Ecologische hoofdstructuur (EHS) bestaat die niet als natuur zijn bestemd. In het GNN zijn geen windturbines mogelijk, tenzij: ο
er geen reële alternatieven aanwezig zijn;
ο
sprake is van redenen van groot openbaar belang;
ο
de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
ο
en de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
In gronden gelegen binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied; evenals in de GNN geldt ook hier het 'nee, tenzij'principe. Natura 2000-gebieden liggen in GNN en daarvoor gelden dus dezelfde provinciale regels.
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
7
2.4 Overige aspecten 2.4.1 Luchtvaart Vanuit luchtvaart kunnen hoogtebeperkingen gelden voor windturbines. Deze eventuele beperkingen zijn opgevraagd bij IL&T en LVNL, om te bezien of deze consequenties hebben op de plaatsing van windturbines in het studiegebied.
2.4.2 Archeologie Voor het aspect archeologie is de indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) en de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geraadpleegd. Ze geven aan welke gebieden een hoge, middelhoge, lage of zeer lage trefkans op archeologisch waardevolle 2 resten in de bodem hebben en waar zich archeologische monumenten (terreinen) bevinden. Terreinen die aangeduid zijn als archeologische monument kennen geen instandhoudingsplicht, maar wel regels voor een wijziging of aanpassing. Zo is er voor het verstoren van een archeologisch rijksmonument (ook onder water) altijd een monumentenvergunning nodig. Bijvoorbeeld wanneer er bouwplannen zijn of plannen om het monument opnieuw in te richten.
2.4.3 Straalpaden Een straalpad is een draadloze verbinding tussen twee plaatsen, waartussen transport van spraak-, data-, radio- en tv-signalen plaatsvindt. De twee connectiepunten van een dergelijke verbinding moeten ‘in zicht’ van elkaar staan. Dat betekent dat het pad vrij moet zijn van fysieke obstakels. De aanwezigheid van windturbines kan de signaaloverdracht van straalpaden verstoren of verzwakken. Er is sprake van een effect op straalpaden indien de mast van een windturbine in een straalpad wordt geplaatst, of wanneer er wiekoverdraai met het straalpad plaatsvindt. In het laatste geval is er alleen sprake van een mogelijk effect als de hoogte van het straalpad zich tussen de tiphoogte en tiplaagte van de windturbine bevindt.
2.4.4 Defensie In een straal van 75 km vanaf een radarpost heeft een bouwwerk van een bepaalde hoogte een verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Defensie nodig. Vanwege de hoogte van de turbines én vanwege de ligging van het studiegebied binnen 75 kilometer van radarposten van Defensie is dus een verklaring van Defensie nodig. Op basis van een verstoringsberekening zal door TNO inzichtelijk gemaakt moeten worden in hoeverre de dekkingsgraad van de radarpost wordt beïnvloed. De vereiste dekkingsgraad is minimaal 90%. Indien de dekkingsgraad boven de 90% ligt, zal Defensie de verklaring van geen bezwaar in principe afgeven.
Archeologische waardevolle resten zijn overblijfselen (in het landschap) van menselijke activiteiten uit het verleden.
2
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
8
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
9
3
HAALBAARHEIDSKAARTEN
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de aspecten uit het voorgaande hoofdstuk op kaart gepresenteerd. Zo wordt duidelijk waar mogelijkheden voor windenergie in het gebied zijn en of er ruimtelijke optimalisatiemogelijkheden bestaan. In paragraaf 3.2 wordt voor het gebied waarin Windpark Putten is gelegen de mogelijkheden weergegeven, rekening houdend met de belangrijkste belemmeringen vanuit windenergie. Paragraaf 3.3 tot en met 3.6 gaan over die aspecten die eerder nog niet expliciet op kaart zijn weergegeven, maar die wel als aandachtspunt voor het vervolg bekeken moeten worden. Het gaat dan concreet over ecologie (3.3), luchtvaart (3.4), archeologie (3.5) en straalpaden (3.6).
3.2 Haalbaarheidskaart omgeving Windpark Putten Op de volgende kaart is weergegeven waar mogelijkheden bestaan voor turbines met als uitgangspunt een ashoogte van 120 meter en een rotordiameter van 160 meter. Hierbij zijn vooral de 400 meter contouren rondom woningen en de contour van 100 meter tot de snelweg A28 bepalend voor de plaatsingsruimte voor windturbines. Te zien is dat de twee zuidelijke turbines van Windpark Putten gepland zijn buiten deze contouren. De noordelijk geplande turbine valt net binnen de woningcontour. Dit laatste betekent dat de afstand tot een woning daar net iets minder bedraagt dan 400 meter (ca. 370 meter). Zoals eerder aangegeven is 400 meter een vuistregel. Aan de hand van geluidberekeningen is te bepalen of een dergelijke afstand kan voldoen, waarbij op voorhand vanuit expert judgement wel kan worden aangegeven dat er turbinetypes (al dan niet met mitigerende geluidsmaatregelen) bestaan waarbij deze afstand afdoende is om aan de geldende geluidnormen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt in het principeverzoek voor Windpark Putten genoemd dat het hier gaat om de woning aan de Voordijk 3. Het is de woning van één van de grondeigenaren van Windpark Putten en wordt als sfeerwoning (of molenaarswoning) aangemerkt.
Dit betekent dat deze woning niet aan de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer hoeft te voldoen en is 400 meter afstand derhalve ook niet noodzakelijk. Om woningen als sfeerwoningen aan te kunnen merken zijn juridische voorwaarden verbonden. Op basis van recente jurisprudentie rond Windpark Koningspleij in Arnhem is de conclusie echter gerechtvaardigd dat de aanwijzing van een sfeerwoning met grote juridische risico’s gepaard gaat. Om die reden is geen sfeerwoning in de noordelijk gelegen initiatieven van RWE en Prowind/buurtvereniging/Veluwe Energie opgenomen. De meest noordelijke en meest zuidelijke turbines zijn daarnaast net buiten de contour van de snelweg A28 gelegen. In deze analyse is rekening gehouden met 80 meter vanwege het voorkomen van wiekoverslag (een halve rotordiameter) én 20 meter extra vanwege de mogelijke wegverbreding/rijksgrond naast de weg. Een grotere rotor, zoals in het principeverzoek van Windpark Putten gesteld op 170 meter, betekent dat er minimaal 85 meter in plaats van 80 meter afstand tot de rand van de weg moet zijn gelegen.
Het is aan te bevelen om in de nadere uitwerking van het windpark aandacht te besteden aan de exact aan te houden afstand in overleg met de wegbeheerder Rijkswaterstaat, omdat eventuele uitbreiding van de snelweg direct invloed kan hebben op de locatie van de windturbines. Op voorhand vormt deze afstand tot de snelweg geen probleem, want er is reeds rekening mee gehouden en afhankelijk
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
10
van de wegverbredingsplannen van Rijkswaterstaat zal verschuiving van turbines slechts over hooguit enkele meters al een oplossing kunnen zijn. Verder wordt in de figuur duidelijk dat de drie turbines niet op een onderling gelijke tussenafstand van elkaar staan. Dit heeft te maken met de afstand van 400 meter tot de woningen die zijn gelegen aan de Arlersteeg. Dat betekent dat de middelste van de drie turbines zuidelijker geplaatst moet worden. Ook relevant om hier te noemen is het tankstation aan de A28. Dat is een risicovolle inrichting en voldoende afstand tot dit tankstation is vereist om te voorkomen dat windturbines teveel risico toevoegen. De afstand tussen de middelste turbine en het tankstation bedraagt circa 267 meter, hetgeen op voorhand als afdoende wordt beschouwd. Een minimale afstand van ashoogte + halve rotordiameter is namelijk afdoende en resteert slechts een verwaarloosbaar risico. De turbines uit het principeverzoek voor Windpark Putten voldoen hieraan. Wel zal dit risico in het vervolg nader bepaald moeten worden. Tot slot is het belangrijk om op te merken dat twee van de drie windturbines buiten het studiegebied zijn geplaatst. Het studiegebied is aan de zuidzijde zodanig begrensd, dat de turbines van Voordijksewind er binnen vielen en in de haalbaarheidsstudie meegenomen konden worden.
Vanuit de gemeente Putten is aangegeven dat het vanuit landschap, ruimtelijke impact en ecologie minder wenselijk is om turbines ten zuiden van de (verlenging van de) Zeedijk te plaatsen. Alle drie de turbines liggen ten zuiden van deze (verlenging van de) Zeedijk. Hierbij kan echter worden opgemerkt dat er noordelijker van deze lijn geen mogelijkheden bestaan voor windturbines, anders dan de mogelijkheden die door de initiatieven aan de noordzijde van het studiegebied worden ingevuld. Zie daarvoor kaart 3.3 uit de eerder uitgevoerde haalbaarheidsanalyse 3.
Pondera Consult, Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windenergie studiegebied A28 Putten Ermelo, 10 februari 2021
3
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
11
Kaart 3.2 Haalbaarheidskaart omgeving Windpark Putten (turbines met 200 meter tiphoogte)
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
12
3.3 Gelders Natuur Netwerk, Groene Ontwikkelingszone en Natura 2000 Op de volgende kaart zijn de begrenzingen van het GNN, GO en Natura 2000 weergegeven. De drie windturbines liggen in gebied dat de status van GO heeft. Dat betekent dat aangetoond moet worden dat de windturbines geen significante aantasting veroorzaken van de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone, of dat aangetoond kan worden dat: ο
er geen reële alternatieven aanwezig zijn;
ο
sprake is van redenen van groot openbaar belang;
ο
de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt;
ο
en de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd.
Het is aan te bevelen in contact met de provincie Gelderland te treden om dit grondig af te stemmen en hier concreet invulling aan te geven. Verder ligt de meest zuidelijke turbine dicht tegen GNN aan. Wiekoverslag vormt hier een aandachtspunt en dient voorkomen te worden. Ook liggen er een aantal Natura 2000-gebieden in de nabijheid. Op korte afstand, aan de overzijde van de A28, ligt het Arkemheen. Verder ligt ten westen van het windpark de Veluwe en ten noorden de Veluwerandmeren. De ligging van al deze gebieden noodzaakt tot een ecologische effectstudie, waarin onderzocht wordt wat het effect is van het windpark op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. Denk daarbij met name aan effecten op vogels 4 en vleermuizen, maar ook het effect van stikstofdepositie. Naast gebiedsbescherming bestaat er ook soortenbescherming. Onderzocht zal moeten worden wat het effect is op soorten. Indien nodig zal een ontheffing aangevraagd moeten worden.
In opdracht van de vier Veluwse RES-regio’s en de provincie Gelderland is een onderzoek gestart naar de mogelijkheden voor windenergie op en rondom de Veluwe (Altenburg&Wymenga en SOVON, Windenergie op en rondom de Veluwe, Effecten op Wespendief en andere soorten, rapport 20-140, 2020). Aanleiding voor het onderzoek zijn de conclusies uit de eerdere onderzoeken rond de A28 en de A50/IJsselvallei, waarbij naar voren kwam dat de Wespendief (roofvogel, zomergast) van grote invloed kan zijn op de mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie in dit gebied. Uitkomst van het onderzoek is dat er – afhankelijk van de afstand tot de Veluwe en het treffen van mitigerende maatregelen zoals stikstand in augustus – tussen 4 en 22 turbines mogelijk zijn in de zone 1-8 kilometer rondom de Veluwe. Dit aantal is minder dan er momenteel aan plannen voor windturbines zijn. Wat dit betekent voor de mogelijkheden in Ermelo en Putten is momenteel nog ongewis.
4
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
13
Kaart 3.3 Ecologische gebieden
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
14
3.4 Luchtvaart Zoals ook bij Voordijksewind liggen de turbines van Windpark Putten in het toetsingsvlak voor de VDF zone Nijkerk (zie de volgende figuur). Een VDF is een CNS-systeem om de richting te bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd door de luchtverkeersleider. Windturbines die binnen dit vlak vallen moeten voorgelegd worden aan de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT). Er is reeds door LVNL getoetst aan de correcte werking van de VDF Nijkerk, zo blijkt uit het principeverzoek. Uit de toetsing blijkt dat het windpark geen negatieve invloed zal hebben op de correcte werking.
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
15
Kaart 3.4 Luchtvaart
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
16
3.5 Archeologie De volgende figuur geeft weer wat de trefkans is voor het vinden van archeologische resten in het gebied. Hoe donkerder de kleur rood des te groter is de kans op een archeologische vondst. De gele kleur staat voor een lage kans op een archeologische vondst. Zoals te zien is in de figuur liggen de twee meest zuidelijke turbines in gebied met een middelhoge archeologische verwachting en de meest noordelijke turbine in gebied met een hoge archeologische verwachting. In de gebieden met verhoogde vindkans is archeologisch bureau- en mogelijk veldonderzoek nodig voorafgaand aan de realisatie van windturbines. Er ligt één terrein van hoge (bekende) archeologische waarde tussen de windturbines. Dit terrein overlapt niet met een van de windturbineposities. Wel vormt dit terrein een aandachtspunt indien er grondwerkzaamheden plaats dienen te vinden ten behoeve van de windturbines, zoals voor wegen of kabels. Bovenstaande betekent niet dat de plaatsingsmogelijkheden van windturbines in het gebied worden beperkt, maar wel dat er bureau- en vervolgens mogelijk ook veldonderzoek is benodigd.
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
17
Figuur 3.5: Archeologische waarden, trefkans archeologische resten (geel: lage verwachtingswaarde, rood / oranje hogere verwachtingswaarde, blauw: archeologisch monument)
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
18
3.6 Straalpaden Via Agentschap Telecom is een overzicht ontvangen van de zendmasten en straalpaden die momenteel in de omgeving zijn vergund. In de volgende figuur zijn de aanwezige zendmasten en straalpaden weergegeven in of rondom het studiegebied. Geen van de drie windturbines van Windpark Putten ligt in de nabijheid van een straalpad.
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
19
Figuur 3.6: Straalpaden
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
20
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
21
4
CONCLUSIE Uit deze haalbaarheidsanalyse is een aantal conclusies te trekken. De belangrijkste: •
De twee zuidelijke windturbines van het Windpark Putten liggen buiten het studiegebied, zoals dat in de kadernotitie is afgebakend. Vanuit de gemeente is aangegeven dat het vanuit landschap, ruimtelijke impact en ecologie minder wenselijk is om turbines ten zuiden van de (verlenging van de) Zeedijk te plaatsen. Alle drie de turbines liggen ten zuiden van deze (verlenging van de) Zeedijk.
•
De turbines van het principeverzoek van Windpark Putten zijn zodanig gepositioneerd, dat zoveel als mogelijk is rekening wordt gehouden met de afstand tot woningen. De noordelijke windturbine staat echter wel net binnen 400 meter van woningen (op circa 370 m). Dat betekent dat geluid een aandachtspunt is, maar op voorhand is een dergelijke afstand tot woningen niet als onmogelijk ingeschat.
•
De woning die op de kortste afstand is gelegen van de windturbines is de woning aan Voordijk 3. Het is de woning van één van de grondeigenaren van Windpark Putten en wordt als sfeerwoning (of molenaarswoning) aangemerkt. Dit betekent dat deze woning niet aan de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer hoeft te voldoen. Op basis van recente jurisprudentie rond Windpark Koningspleij in Arnhem is de conclusie echter gerechtvaardigd dat de aanwijzing van een sfeerwoning met grote juridische risico’s gepaard gaat.
Verder volgt het volgende uit de analyse: •
De turbines liggen op voldoende afstand tot de A28 en ook de afstand tot het tankstation van de A28 is voldoende;
•
Er is reeds door LVNL getoetst aan de correcte werking van de VDF Nijkerk. Uit de toetsing blijkt dat het windpark geen negatieve invloed zal hebben op de correcte werking.
•
Er lopen geen straalpaden in de nabijheid van de turbines waarmee rekening dient te worden gehouden;
•
Optimalisatiemogelijkheden zijn beperkt. Er is weinig schuifruimte voor de turbines. De onderling verschillende tussenafstand is hiervan het resultaat, wat landschappelijk gezien niet ideaal is. Er zijn meer mogelijkheden verder naar het zuiden toe, daar ontbreken woningen, alleen wordt dan afgeweken van het studiegebied uit de kadernotitie.
Indien voor het windpark groen licht wordt gegeven zal er bij de nadere uitwerking van het plan aandacht dienen te zijn voor in elk geval: •
Geluid: de afstand tot woningen is bij de twee noordelijke turbines circa 400 meter. Mogelijk dat geluidbeperkende maatregelen aan de turbines nodig zijn om aan de geluidnormering te kunnen voldoen;
•
Ecologie: de turbines liggen alle drie in de Groene Ontwikkelingszone. Contact met de provincie hierover is aan te bevelen, zodat helder is wat dient te worden onderzocht en hoe de voorwaarden voor plaatsing in GO gebied dienen te worden toegepast. Tevens ligt de meest zuidelijke turbine dicht tegen het Gelders Natuur Netwerk aan, wiekoverslag dient hier voorkomen te worden. Tevens zal in het vervolg aandacht besteed moeten worden op de effecten op instandhoudingsdoelen van omliggende
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
22
Natura 2000 gebieden. Denk daarbij aan de effecten op met name vogels 5 en vleermuizen, maar ook het effect van stikstofdepositie. •
Afstand tot A28: Het is aan te bevelen om in de nadere uitwerking van het windpark aandacht te besteden aan de exact aan te houden afstand in overleg met de wegbeheerder Rijkswaterstaat, omdat eventuele uitbreiding van de snelweg direct invloed kan hebben op de locatie van de windturbines. Op voorhand vormt deze afstand tot de snelweg geen probleem, want er is reeds rekening mee gehouden en afhankelijk van de wegverbredingsplannen van Rijkswaterstaat zal verschuiving van turbines slechts over hooguit enkele meters al een oplossing kunnen zijn.
•
Externe veiligheid: een minimale afstand van ashoogte + halve rotordiameter tot het tankstation langs de A28 is afdoende en die afstand wordt gehaald. Wel zal het resterende risico in het vervolg nader bepaald moeten worden, waarbij dit op voorhand als een erg klein resterend risico wordt geschat.
•
Archeologie: de twee meest zuidelijke turbines liggen in gebied met een middelhoge archeologische verwachting en de meest noordelijke turbine in gebied met een hoge archeologische verwachting. In de gebieden met verhoogde vindkans is archeologisch bureau- en mogelijk veldonderzoek nodig voorafgaand aan de realisatie van windturbines. Ook ligt één terrein van hoge (bekende) archeologische waarde tussen de windturbines. Dit terrein overlapt niet met een van de windturbineposities. Wel vormt dit terrein een aandachtspunt indien er grondwerkzaamheden plaats dienen te vinden ten behoeve van de windturbines, zoals voor wegen of kabels.
•
Defensieradar: in een straal van 75 km vanaf een radarpost heeft een bouwwerk van een bepaalde hoogte een verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Defensie nodig. Vanwege de hoogte van de turbines én vanwege de ligging van het studiegebied binnen 75 kilometer van radarposten van Defensie is dus een verklaring van Defensie nodig. Op basis van een verstoringsberekening zal door TNO inzichtelijk gemaakt moeten worden in hoeverre de dekkingsgraad van de radarpost wordt beïnvloed. De vereiste dekkingsgraad is minimaal 90%. Indien de dekkingsgraad boven de 90% ligt, zal Defensie de verklaring van geen bezwaar in principe afgeven;
•
Landschap: windturbines zijn vanaf grote afstand zichtbaar. Daarom moet in de uitwerking van de plannen ingegaan worden op het effect op landschap. De kadernotitie geeft een voorwaarde mee: “een initiatiefnemer moet bij de aanvraag een voorstel (landschapsplan) laten uitwerken door een erkende landschapsarchitect. Hierin moet een goede ruimtelijke inpassing worden geborgd. De aanwezige ruimtelijke en/of landschappelijke waarden mogen niet verslechteren, c.q. moeten elders in het gebied voldoende gecompenseerd worden;
In opdracht van de vier Veluwse RES-regio’s en de provincie Gelderland is een onderzoek gestart naar de mogelijkheden voor windenergie op en rondom de Veluwe (Altenburg&Wymenga en SOVON, Windenergie op en rondom de Veluwe, Effecten op Wespendief en andere soorten, rapport 20-140, 2020). Aanleiding voor het onderzoek zijn de conclusies uit de eerdere onderzoeken rond de A28 en de A50/IJsselvallei, waarbij naar voren kwam dat de Wespendief (roofvogel, zomergast) van grote invloed kan zijn op de mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie in dit gebied. Uitkomst van het onderzoek is dat er – afhankelijk van de afstand tot de Veluwe en het treffen van mitigerende maatregelen zoals stikstand in augustus – tussen 4 en 22 turbines mogelijk zijn in de zone 1-8 kilometer rondom de Veluwe. Dit aantal is minder dan er momenteel aan plannen voor windturbines zijn. Wat dit betekent voor de mogelijkheden in Ermelo en Putten is momenteel nog ongewis.
5
719228 | BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten 10 februari 2021 | Definitief
Pondera Consult
23
Recreatie en toerisme: omdat de omgeving ook wordt gebruikt voor recreatie en toerisme, is het aan te bevelen aandacht te schenken aan eventuele effecten van een windpark. Om tot realisatie van een windpark over te kunnen gaan, moet voorafgaand een planologisch •
traject worden doorlopen. Dit traject verloopt via een nieuw bestemmingsplan of via een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Naast voorgaande moet ook worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer 6. Om dit aan te tonen is nader onderzoek nodig, zoals onderzoek naar geluid en slagschaduw van de windturbines op de definitieve locaties. Verder is de Wet natuurbescherming van kracht. Dit betekent dat mogelijke effecten op soorten en gebieden in kaart moeten worden gebracht. Op voorhand is onderzoek naar het effect op vogels (zoals de wespendief) en vleermuizen nodig en zal berekend moeten worden wat het effect is van stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase van de windturbines. De keuze voor zowel het type turbines als de exacte locaties moet echter nog plaats vinden. Daarom is deze haalbaarheidsanalyse uitgegaan van vuistregels die bij benadering de haalbaarheid van de initiatieven inzichtelijk maken in technisch-ruimtelijke zin.
6
https://wetten.overheid.nl/BWBR0022762/2020-07-01
BIJLAGE 2: Ruimtelijk-technische haalbaarheidsanalyse Windpark Putten | 719228 10 februari 2021 | Definitief
Bijlage 3 Kadernotitie: Bestaande kaders samengevat
In de bestaande kaders van de gemeenten Ermelo en Putten is onderscheid gemaakt in een aantal uitgangspunten:
Algemene uitgangspunten 1.
Alle aanvragen worden getoetst aan de (m.n. bovenlokale) kaders die volgen uit het vigerende beleid en regelgeving, zoals het Handboek Risicozonering Windturbines;
2.
Er worden geen duurzame energie-opties uitgesloten en er wordt ook geen taakstelling opgenomen per energiebron, zoals aantal hectare zon of aantal windturbines;
3.
Projecten die snel tot realisatie kunnen komen (binnen nu en 5 jaar) krijgen voorrang boven aanvragen die een lange realisatietermijn nodig hebben (meer dan 5 jaar).
Maatschappelijke uitgangspunten 4.
Een zorgvuldige afstemming met de omgeving (omwonenden/direct betrokkenen) is voorwaardelijk. Door de initiatiefnemer moet daarom een communicatie- en participatieplan worden opgesteld;
5.
Geen voorwaarde, maar wel een wens is draagvlak voor grootschalige energieopwekking;
6.
De ambitie is dat 50% van de hernieuwbare energieproductie in eigendom komt van de lokale omgeving;
7.
Aanvullend wordt gesteld dat minimaal 20% van een project wordt opengesteld voor deelname vanuit de omgeving middels ‘zonnepanelen delen’ of een soortgelijke constructie;
8.
Is voorwaarde 7 niet mogelijk of gewenst dan geldt (voor niet coöperatieve projecten) dat de initiatiefnemer zich verplicht tot het leveren van een substantiële bijdrage van € 0,20 tot € 0,50 per MWh per jaar aan de lokale gemeenschap door middel van een bijdrage aan het Puttense en/of Ermeloos energietransitiefonds;
9.
Een belangrijke pré is als de initiatiefnemer ook inzichtelijk kan maken dat het lokale bedrijfsleven meeprofiteert in het project;
10. De gemeente Ermelo voegt hieraan toe dat het eraan hecht dat projecten bijdragen aan het versterken van de bestaande sociale netwerken en economische vitaliteit van Ermelo. De gemeente Ermelo daagt initiatiefnemers uit om in het project aantoonbaar - of aannemelijk te maken – dat het project positieve lokale economische en sociale effecten zal hebben.
Ruimtelijke uitgangspunten 11. De gemeente Ermelo hanteert het uitgangspunt dat voorrang wordt gegeven aan initiatieven die zoveel als mogelijk aansluiten op bestaande bebouwing (bijvoorbeeld zon op dak) en infrastructuur (landschappelijke lijnelementen) en die zich het best verhouden tot de eerder genoemde algemene uitgangspunten onder 1. De gemeente Putten sluit - gelet op de reeds geldende kaders en restricties - op voorhand geen verdere gebieden uit; 12. Beide gemeenten streven zoveel mogelijk naar meervoudig grondgebruik. Multifunctioneel (meervoudig) ruimtegebruik krijgt daarom de voorkeur boven enkelvoudige aanvragen; 13. Een initiatiefnemer moet bij de aanvraag een voorstel (landschapsplan 1) uitwerken door een erkende landschapsarchitect op welke wijze een goede ruimtelijke inpassing wordt geborgd en de aanwezige ruimtelijke en/of landschappelijke waarden niet verslechteren, c.q. voldoende gecompenseerd worden elders in het gebied; 14. De maximale termijn voor duurzame energieprojecten wordt gesteld op 25 (Putten) of 30 jaar (Ermelo); 15. De gemeente Ermelo zet zich ervoor in dat in geval er meerdere initiatiefnemers zijn binnen een zoekgebied voor de grootschalige opwekking van duurzame energie (wind en zon) dat deze in principe onderling tot samenwerking en 1 totaalplan komen.
Uitwerking De gemeenten Ermelo en Putten hebben de volgende aanvullende kaders voor windenergie in het plangebied Horst-Nulde. 16. Gestreefd wordt naar een optimale invulling van de mogelijkheden van windenergie in het plangebied. Met een optimale invulling wordt bedoeld: a.
een zo groot mogelijke windopbrengst met zo min mogelijk negatieve effecten, zoals hinder van geluid en slagschaduw en zo min mogelijk negatieve effecten op ecologie;
b.
met zoveel mogelijk lokale participatie, werkgelegenheid, behoud van revenuen binnen de lokale/regionale gemeenschap door mede-eigendom, invloed en betrokkenheid.
17. Windturbines bevinden zich binnen de begrenzing van het plangebied dat hiervoor is aangeduid.
Voor Ermelo en Putten gelden dezelfde eisen voor dit landschapsplan, echter wordt er in Ermelo een eis aan het plan toegevoegd, namelijk: “De meerwaarde van het project voor het gebied door extra toevoegingen. Landschapskwaliteit. Extra toegankelijkheid. Herstel van oude structuur.”
1
Bijlage 4 Weergave gesprekken initiatiefnemers noordelijk deel studiegebied Vooraf: -
Normale tekst: verslaglegging; Schuingedrukte tekst: reactie van partijen; Kaders: nadere toelichting op een onderwerp;
28 april 2020
eerste gesprek RWE
Voorgeschiedenis Het initiatief ontstond in 2014. RWE zag het gebied als potentieel kansrijk en enkele grondeigenaren gingen in op een aanbod van RWE, nadat een aantal andere grondeigenaren en de kerkrentmeesters 1 terughoudend waren. RWE heeft deelgenomen aan de ateliers in het kader van de pilot RES. In 2017-2018 heeft RWE aan de buurtvereniging voorgesteld om één windturbine als
REFLECTIE RWE heeft aangegeven in 2014 met een groot aantal grondeigenaren in de lijn van een beoogd windpark een overeenkomst te willen afsluiten. Uiteindelijk is dit gelukt met drie grondeigenaren. De reden dat de andere grondeigenaren niet ingingen op het voorstel is niet volstrekt helder; enerzijds wordt aangegeven dat er mogelijk sprake was van terughoudendheid en koudwatervrees en anderzijds wordt gezegd dat het vertrouwen ontbrak. Tijdens een van de gesprekken heeft een van de grondeigenaren die wel heeft getekend aangegeven dit te goeder trouw te hebben gedaan met het idee dat anderen wel zouden volgen. Het resultaat is echter dat er (enige) onmin is ontstaan tussen grondeigenaren die wel en die niet hebben getekend bij RWE. Het eerste bod dat RWE heeft gedaan – één windturbine van een toekomstige windpark als participatieturbine – heeft er voor een belangrijk deel toe geleid dat vanuit de buurtvereniging op zoek is gegaan naar mogelijkheden voor een groter aandeel in de cake. Dit aanbod heeft er eveneens mede voor gezorgd dat grondeigenaren niet met RWE in zee gingen. Terugblikkend wordt door RWE aangegeven dat dit een openingsbod is geweest en dat er geen kans is geweest om een andere manier van participatie in te brengen. Dit komt later in dit document terug.
1
Kerkrentmeesters beheren de goederen van de kerkelijke gemeente, zoals gebouwen en gronden.
participatieturbine of dorpsmolen in te zetten, maar de buurtvereniging wilde zelf graag meer ontwikkelen.
Contact buurtvereniging RWE vernam dat de buurtvereniging in zee was gegaan met Prowind (dit was in 2018, EV), waarop RWE heeft geprobeerd om nog aan tafel te komen. Dit werd door de buurtvereniging afgewezen en sindsdien is er geen contact geweest, aldus RWE.
REFLECTIE Zie het vorige punt. De buurtvereniging is op zoek gegaan naar een ontwikkelaar en samenwerkingsvorm waarbij het eigen aandeel groter zou zijn dan één turbine. In de tussentijd zijn er geen contacten geweest met RWE.
Ideeën participatie RWE vindt het belangrijk dat niet alleen de grondeigenaren maar ook de ruimere omgeving kan deelnemen, waarbij de lusten en de lasten eerlijk worden verdeeld. Voordat Veluwe Energie (en later ook PutterZon) zich aansloot bij het initiatief van Prowind had RWE ook contact gelegd met de energiecoöperatie om participatie vorm te gaan geven. Veluwe Energie was wat afwachtend, aldus RWE. Wel is er contact geweest met Voordijksewind (het huidige principeverzoek Windpark Putten) voor eventuele samenwerking in het zuidelijk deel van het plangebied. Daar is geen vervolg aan gegeven. RWE wil daar indien mogelijk ook hogere turbines ontwikkelen.
REFLECTIE RWE heeft ten tijde van het schrijven van dit advies nog geen keuze gemaakt t.a.v. de wijze van participatie in een mogelijk windenergieproject en geeft aan dat hierin meerdere keuzes en combinaties van opties mogelijk zijn. De ontwikkeling van Windpark Putten is tijdens dit adviestraject opgepakt door Prowind, nadat zowel Prowind als RWE als mogelijke samenwerkingspartners aan de betreffende initiatiefnemer zijn aangedragen door procesregisseur en windexpert.
Optimalisatie Op de vraag welke optimalisatiemogelijkheden RWE ziet werd geantwoord dat RWE met een inkoopstrategie [bijvoorbeeld turbines groot inkopen, zodat prijzen lager zijn, SVDB] de taart voor de deelnemers kan vergroten met alle voordelen van dien. Een ander voordeel is dat RWE veel ervaring heeft en deze kan inzetten voor het windproject. Ook wil RWE gedurende de looptijd van het project een goede buur zijn, in tegenstelling tot veel andere projectontwikkelaars die weer vertrekken als het windpark er eenmaal staat. REFLECTIE De voordelen die RWE noemt bekijken we in relatie tot de voordelen die het initiatief van Prowind met zich meebrengt. De voordelen t.a.v. de inkoopstrategie en de ervaring van RWE worden als vrij beperkt ingeschat. Ook het willen zijn van een goede buur is niet onderscheidend gezien de relatie die Prowind inmiddels met buurtvereniging en omgeving heeft opgebouwd. In het tweede gesprek zijn verdere voordelen genoemd, zoals de inbreng van gronden van RWE om het verlies door windvang te verminderen en meer windopbrengst te genereren. Ook de optie om door inbreng van een grondpositie een extra turbine in de gemeente Putten toe te voegen is als meerwaarde genoemd. In het eerste geval blijkt dat de extra energieopbrengst zich beperkt tot hooguit één of enkele procenten.
Wat betreft de positie in Putten heeft Prowind daar inmiddels ook een overeenkomst getroffen waardoor dat voordeel vervalt.
28 april 2020
eerste gesprek Prowind en buurtvereniging Horst en Telgt
Samenwerking buurtvereniging met Prowind Terugblikkend op de keuze om met Prowind samen te werken geeft de buurtvereniging aan dat in een mogelijke samenwerking met RWE slechts één turbine voor de buurt zou worden ontwikkeld. De andere turbines zouden voor RWE zijn. Daarop is besloten van een partnerschap met RWE af te zien. Vervolgens heeft de buurtvereniging met diverse partijen gesproken, waaronder Prowind. In 2018 is ervoor gekozen om de samenwerking met Prowind aan te gaan. De aanpak met een sociale grondvergoeding (ook inkomen voor grondeigenaren op wiens land geen turbine wordt geplaatst, 25% voor de grondeigenaren, 25% voor de directe omgeving en 50% voor Prowind) was hierin van grote invloed. RWE viel als mogelijke samenwerkingspartner af omdat zij niet in een sociale grondvergoeding voorzien (RWE heeft een grondcontract met drie eigenaren van de grond waarop de turbines moeten komen, EV).
REFLECTIE Aanvulling op de eerdere reflectie t.a.v. de wijze van participatie van RWE: de buurtvereniging geeft hier aan dat het gebrek aan een grondvergoeding voor eigenaren die geen turbine op hun land krijgen ook reden is geweest om niet met RWE in zee te gaan, naast de reden dat slechts één turbine voor de buurt zou worden. De redenen hiervoor zijn dus meerderlei. Later zal RWE in reactie hierop aangeven dat de wijze van participatie nog niet vaststond en dat zij open staan voor andere, ruimere vormen.
Participanten vanuit het gebied Prowind en de buurtvereniging hebben gesproken met de buurtbewoners binnen 750 meter van het plangebied. Daaruit is gekomen dat 1% van de opbrengsten in een omgevingsfonds wordt gestort en 50% daarvan wordt geïnvesteerd in Horst en Telgt. Er is draagvlak, maar er zijn ook diverse families in de directe omgeving die kritisch zijn. Volgens de buurtvereniging zijn er drie grondeigenaren gecontracteerd door RWE. Zij kúnnen ook niet meer deelnemen in het initiatief van Prowind en de buurtvereniging. Volgens de buurtvereniging schijnt er een verbod op communicatie met de grondeigenaren te zijn van het initiatief van Prowind. “RWE heeft mooie woorden, maar Prowind en de buurtvereniging hebben geen vertrouwen meer in RWE”. Dat is een reden voor de buurtvereniging en Prowind om niet met hen samen te werken.
Vergelijking participatie Een objectieve vergelijking van de manier waarop RWE en Prowind participatie vormgeven is in dit advies niet te maken. Waar Prowind de gekozen wijze van participatie duidelijk op papier heeft gezet en heeft afgestemd met alle betrokkenen, is in het geval van RWE nog geen sprake van een definitieve vorm van participatie. De reden hiervan is dat RWE dit stadium nog niet heeft bereikt. Op dit moment presenteert RWE een aantal mogelijke manieren van participatie, welke tijdens het schrijven van dit memo nog mogelijkheden zijn. Dat geldt ook voor de in deze paragraaf genoemde optie dat een enkele turbine voor de buurt zou zijn bestemd. Prowind heeft participatie al geconcretiseerd.