11.1 Jaarverslag Stichting Proo 2020
Tekst van het document
Zijn de middelen die niet direct noodzakelijk zijn om liquide aa n te houden, ondergebracht bij de staat (schatkistbankieren). De tegoeden op deze rekeningen zijn direct opeisbaar. Alle rekeningen-courant zijn ondergebracht bij de Rabobank;
•
Zijn geen leningen aangevraagd en zijn er daardoor ook geen financieringskosten;
•
Zijn er geen beleggingen binnen Stichting Proo;
• •
Zijn geen leningen verstrekt; Is het betalingsverkeer van Stichting Proo zo ingericht dat het kosteneffectief wordt beheerd.
Allocatie middelen Het uitgangspunt is dat de middelen worden toebedeeld aan het bevoegd bovenschools gezag. Dit gebeurt op basis van de criteria bij de scholen. De financiële budgetten die aan de diverse kostenplaatsen/scholen zijn toebedeeld zijn hierbij beperkt. Ze zijn met name gericht op materiële zaken, die beïnvloedbaar zijn door de scholen. Uitgangspunten voor de materiële budgetten: 1. De materiele budgetten worden vastgesteld op basis van de leerlingaantallen. Het gaat om een vast bedrag per locatie. 2. Het resultaat van de begroting hoeft niet op ‘nul’ uit te komen
Onder bovenschoolse kosten vallen: onderhoud, schoonmaakwerkzaamheden, extra kosten vanwege de coronapandemie en waterschapslasten. Maar ook: ICT-kosten (bijna volledig), scholing (voor het overgrote deel), ARBO-maatregelen, werving en selectie, kosten voor (ambt)jubilea, afschrijvingskosten, administratie, accountant, bedrijfsauto’s (bestelbussen voor de conciërges), telefoon, overige beheerlasten, marketing- en communicatiekosten, verzekeringen en kosten bestuurskantoor. De personele kosten van het bestuurlijk apparaat bedragen in 2020 ca € 800.000 (verrekening binnen Aurora moet nog plaatsvinden);
2. Verantwoording beleid
28
Op personeelsgebied wordt de inzet van de formatie toebedeeld. Daarbij houden we rekening met: leerlingenaantallen, hoe deze verdeeld zijn over de groepen (werkbare combinatiegroepen), de achterstanden van de leerlingen, passend onderwijs, zorgbehoefte (inzet IB en extra ondersteuning) en projecten (HB, KCO). De schooldirecteuren hebben hierin een adviesfunctie. In de realisatie zijn alle salariskosten bovenschools gealloceerd. In principe is de inzet op de school in evenwicht met het toegekende budget. Ook budgetten voor scholing, Arbo e.d. zijn vrijwel geheel bovenschools toegekend. In het bestuursformatieplan is een voorstel opgenomen voor de allocatie van de personele inzet. In de jaarbegroting staat een voorstel voor de allocatie van de overige middelen. Beide worden binnen de GMR en MT (bestaande uit regiodirectie en directeuren), behandeld. Er wordt instemming gegeven door de P-GMR. Het budget van de werkdrukmiddelen wordt geheel op basis van t-1 aan de scholen toegekend. Het werkverdelingsplan wordt in de MR ingebracht ter instemming. Onderwijsachterstandenmiddelen Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft het onderwijsachterstandenbeleid voor het primair onderwijs herzien. In 2019 is er nieuw beleid van kracht geworden.
In dit beleid maakt het ministerie gebruik van de onderwijsachterstandenindicator die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aanlevert. Door deze indicator kan OCW de onderwijsscores per leerling berekenen. Daarnaast kunnen de achterstandsscores per basisschoolvestiging achterhaald worden. Deze scores (zie onderstaande afbeelding) drukken dan de verwachte onderwijsachterstanden op onze scholen uit. Op basis daarvan verdeelt OCW het onderwijsachterstanden budget over de scholen.
leerlingen 2018
score score score leerlingen onderbouw bovenbouw 2018 2019 2019 2019
toename score afname score 2019 18/19
Wereldweide
39
65,85
43
* 33,07
* 48,87
81,94
16,09
Ontdekking/Schakel
79
240,03
62
* 68,09
* 27,73
95,82
144,21
Schovenhorst/Korenbloem
208
206,09
211
92,51
93,67
186,18
19,91
Jan Ligthartschool
102
105,70
109
62,77
62,93
125,69
19,99
Arendshorst
80
113,61
74
* 47,95
* 70,48
118,43
4,82
Jenaplanschool
110
53,66
121
35,72
16,69
52,41
1,25
Horsthoekschool
81
18,52
76
* 9,27
4,48
13,75
4,77
De Spreng
95
139,39
90
76,76
46,47
123,22
De Cantharel
161
112,15
163
55,51
48,40
103,91
De Sprenge Vaassen
65
42,11
57
* 6,14
18,82
24,96
Montessori Sterrenschool
68
15,32
77
*0
* 9,52
9,52
De Sprenge Emst
94
66,29
94
22,18
41,16
63,34
16,17 8,24 17,15 5,80 2,95 15,33 2,12 16,43 12,41 49,92 24,85 163,44 18,16 25,94
De Bongerd/Zuukerschool
89
41,61
58
* 9,42
* 16,86
26,28
Gildeschool
182
112,46
195
55,98
58,60
114,58
Nieuwe Wisselseschool
63
125,62
62
* 55,98
* 86,07
142,05
Hoge Weerdschool
152
112,86
163
52,28
48,17
100,45
Innova
41
71,33
52
* 46,4
* 74,85
121,25
De Blerck
51
60,80
58
* 51,15
* 34,5
85,65
Talent/De Vlieger
225
749,57
204
282,00
304,13
586,13
De Veste
128
138,37
129
86,62
69,91
156,53
De Bogen Totaal
165 2278
215,37 2.806,71
141 2239
60,11 882,44
129,32 942,75
189,43 2.521,52
285,19
* De achterstandsscore van de bouw (boven en/of onderbou) is onvoldoende betrouwbaar omdat de score is gebaseerd op te weinig (<= 40) leerlingen. ** zonder drempel
In totaal neemt de score met 285,18 punten af. Dit komt door een daling van het leerlingenaantal op onze AZC-school. Op basis van deze daling zou de toegekende rijksbijdrage voor onderwijsachterstanden moeten afnemen in schooljaar 2020/2021. Door de overgangsregeling nemen deze middelen juist toe.
2. Verantwoording beleid
29
Hoe heeft de besluitvorming over de verdeling van de OAB-middelen plaatsgevonden? De onderwijsachterstandenmiddelen zijn toegevoegd aan de lumpsumbudgetten. Voorheen maakten deze rijksbijdragen deel uit van andere rijksbijdragen die als lumpsum werden ingezet. Hierover hebben we geen expliciete besluitvorming gehad. In schooljaar 2020/2021 zijn ze vooral toegevoegd aan de personele formatie. Daardoor zijn er meer groepen geformeerd, maar is er minder toegekend voor knelgevallen.
Uit de onderwijsachterstandenmiddelen worden de nu volgende maatregelen (deels)bekostigd: • Aanstellen van extra teamleden (OP/OOP). Dit doen we om de groepen klein te houden, of om grotere groepen te ondersteunen Daardoor krijgen de kinderen meer aandacht tijdens het leerproces; •
Extra ondersteuning van kinderen, om hen nog intensiever te ondersteunen in hun ontwikkeling.
2. Verantwoording beleid
30
2.6 Risico’s en risicobeheersing Interne risicobeheersingssysteem De risicobeheersing is gebaseerd op de risico-inventarisatie in 2015 en verdeeld over een aantal aandachtsgebieden. Jaarlijks schatten we de kans in dat een bepaald risico optreedt. Dit gebeurt in het overleg tussen CvB en controller. Tijdens het jaar vindt structurele controle plaats van een aantal risico’s met een verhoogde kans van optreden. Deze controle wordt uitgevoerd door de regiodirectie, HRM-afdeling, controller en het CvB. Verschillende bronnen worden daarbij geraadpleegd. Denk bijvoorbeeld aan ParnasSys|WMK, waarbij de onderwijskwaliteit wordt gemonitord. Voor de bespreking van deze analyses beleggen we tweemaal per jaar een studiedag. Na de middentoetsen (maart) en eindtoetsen (september). Op financieel gebied wordt vanaf rapportagemaand februari elke maand een prognose van het te verwachten jaarresultaat opgesteld en besproken. Daarnaast fiatteren we alle personele mutaties in het overleg tussen controller en HRM-adviseur. Mogelijke uitbreidingen worden beoordeeld in het overleg tussen regiodirectie en het CvB. Tijdens dit proces wordt het specialistenteam geraadpleegd als dat nodig is. Het specialistenteam bestaat uit de HRadviseur en controller. Het ziekteverzuim wordt gevolgd. Belangrijke trends of signalen delen we tijdig en bespreken we consequent. Stichting Proo is eigenrisicodrager.
Adequate opvolging van verzuim is dus noodzakelijk om kosten te beheersen. Nieuwe inschrijvingen (van kinderen >3 jaar) van leerlingen worden maandelijks verzameld, geanalyseerd en besproken. In 2021 zal een nieuwe risico-inventarisatie plaatsvinden. Belangrijkste risico’s Dreigend lerarentekort en kwaliteit Arbeidsmarktknelpunten, lerarentekort en kwaliteit, risico op extra kosten voor werving, opleiding, begeleiding, inhuur derden (bv interim-directie). In de begroting 2020 en de meerjarenbegroting is hier op geanticipeerd. Daarnaast bestaat het risico van verlies van onderwijskwaliteit. De opbouw van het personeelsbestand kent een aantal risico’s: a. Deel oudere medewerkers: >50 jaar; de GGL-bekostiging is dan niet toereikend (32% van onze medewerkers). b. Jonge leerkrachten met startende gezinnen maken (gelukkig) gebruik van ouderschapsverlof regeling waarvoor 55% van de lasten voor de werkgever zijn. In 2020 was dit (0,86 FTE). c. Populariteit deeltijdwerken. Dat betekent extra overdrachtsmomenten en afstemming binnen een groep en op school. Daarnaast is de formatie hierdoor ieder jaar een complexe puzzel. De uitdaging is medewerkers te verleiden om meer uren te gaan werken. Wet arbeidsmarkt in balans Sinds 1 januari 2020 is de Wet arbeidsmarkt in balans een feit.
De belangrijkste wijzigingen op een rij: De maximale duur voor tijdelijke contracten wordt verruimd van 24 naar 36 maanden. Vanaf 1 januari mag een werkgever in 36 maanden tijd niet meer dan drie contracten afsluiten met een werknemer. Zit tussen twee contracten meer dan zes maanden tijd, dan ontstaat een nieuwe keten. Voor invalleerkrachten in het primair onderwijs wordt nu ook in de wet (dit stond al in de cao) opgenomen dat er een uitzondering komt op de ketenregeling. Zij kunnen meerdere tijdelijke contracten achter elkaar krijgen, zonder dat er een vast dienstverband ontstaat.
2. Verantwoording beleid
31
Payrollwerknemers hebben recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers die bij de werkgever in dienst zijn, met uitzondering van pensioen. Werkgevers gaan een lagere WW-premie betalen voor werknemers met een vast contract dan voor een werknemer met een flexibel contract. De werkgever moet jaarlijks een aanbod doen voor een vast aantal uren aan oproepkrachten. Dit aanbod is gebaseerd op de gemiddelde gewerkte arbeidsduur in de voorgaande twaalf maanden. Daarnaast moet de werkgever een oproepkracht straks minimaal vier dagen van tevoren oproepen (in de cao kan hiervan worden afgeweken). Ontslag wordt ook mogelijk als er sprake is van een optelsom van omstandigheden, de zogenaamde cumulatiegrond. Nu moet de werkgever volledig aan één van de acht ontslaggronden voldoen. Deze nieuwe grond geeft straks de mogelijkheid om ontslaggronden met elkaar te combineren. Daar tegenover staat dat de rechter in zo’n geval een hogere transitievergoeding kan toekennen. De opbouw van de transitievergoeding wordt verlaagd bij lange dienstverbanden. Nu is het nog zo dat een werknemer na 10 jaar een half maandsalaris per dienstjaar opbouwt. Straks gaat voor elk dienstjaar de transitievergoeding een derde maandsalaris bedragen, ook als het dienstverband langer is dan 10 jaar.
De overgangsregeling die bepaalt dat oudere werknemers met een lang dienstverband aanspraak kunnen maken op een hogere transitievergoeding komt te vervallen. Maar: werknemers hebben vanaf dag één recht op transitievergoeding, niet pas na twee jaar (Bron: Verus.nl) Vereenvoudiging bekostiging PO Scholen voor het basisonderwijs en speciaal onderwijs krijgen vanaf 1 januari 2023 een basisbedrag per leerling en school. Schoolbesturen kunnen dit geld naar eigen inzicht besteden. Vanaf dat moment wordt dit bedrag per kalenderjaar vastgesteld. Zo is de volledige bekostiging op hetzelfde moment bekend. Dit staat in het wetsvoorstel vereenvoudiging bekostiging PO. Met het wetsvoorstel wil het kabinet de bekostiging voor scholen in het basisonderwijs en speciaal onderwijs: Duidelijker maken: Scholen krijgen één basisbedrag per leerling en per school. Ze krijgen niet langer aparte budgetten voor personeel en materieel. Onder materieel valt onder andere leermiddelen en onderhoud van de gebouwen. Eenvoudiger maken: De 130 rekenregels moeten naar ongeveer 30 regels. Dat maakt de berekening en de verdeling van het geld eenvoudiger voor de scholen. Ook wordt het voor de medezeggenschapsraad of RvT van de school eenvoudiger om de bekostiging te controleren. Beter voorspelbaar maken: De bekostiging wordt per kalenderjaar (in plaats van schooljaar) vastgesteld.
Zo krijgen scholen op hetzelfde moment inzicht in de volledige bekostiging. Het aantal leerlingen dat een school heeft, is belangrijk voor de hoogte van het bedrag dat scholen krijgen. In het wetsvoorstel gaat de teldatum naar 1 februari van het vorige kalenderjaar. Voorbeeld: het bedrag voor het kalenderjaar 2023 wordt vastgesteld met de teldatum op 1 februari 2022. Met het wetsvoorstel verandert de manier van berekenen van het geld waar een schoolbestuur recht op heeft. Door deze andere berekening kan een schoolbestuur vanaf 2023 minder geld krijgen. Voor de eerste drie jaren is er een overgangsregeling. Hierdoor krijgen scholen de tijd om hun uitgaven aan te passen aan de nieuwe situatie. (Bron: Rijksoverheid) Schommeling leerlingenaantallen Het aantal leerlingen vertaalt zich direct in de bekostiging (zowel materieel als personeel). Scholen streven naar een zo gunstig mogelijke leerkracht-leerling ratio. Als de ratio ongunstig is, liggen te hoge personele lasten op de loer. Voornamelijk De Vlieger heeft onze speciale aandacht. Daarnaast kan concurrentie van omliggende scholen en concurrerende onderwijsconcepten in ons werkgebied een risico vormen voor de 2. Verantwoording beleid
32
leerlingenaantallen. Daarnaast is het een groot risico dat verdere segregatie in de hand wordt gewerkt doordat stakeholders zich vaak onevenredig beroepen op onze openbare grondslag. Risico’s kwaliteit van ons onderwijs Gebrekkige onderwijskwaliteit kan leiden tot een negatief imago, extra scholings- en begeleidingskosten van medewerkers of vertrek van leerlingen. Onderwijsopbrengsten onder de gemiddelde streefwaarden Gevolg: De school kan onder verscherpt toezicht van de inspectie komen. Dit kan leiden tot teruglopend leerlingaantal. Maatregel: Analyse tussenopbrengsten (referentieniveaus, signalering en streefwaarden). Goed functionerend systeem van kwaliteitszorg. Toezicht vanuit het CvB als de tussen- of eindopbrengsten twee jaar onder de streefwaarden zitten. Disfunctioneren van medewerkers Gevolg: Kwaliteit van het onderwijs neemt af, daling van onderwijsopbrengsten. Kans op daling leerlingaantal. Maatregel: Adequaat functioneren van de gesprekkencyclus. Hulp en coaching tijdig aanbieden, wel in tijd en doel limiteren. Dossieropbouw (strikt) bij dreigend disfunctioneren. Jaarlijkse analyse van de oorzaak van verzuim en het percentage op schoolniveau. Onveiligheid binnen de school Gevolg: Toename ziekteverzuim/ schoolverzuim. Klachten van ouders. Kans op conflicten. Signalen vanuit de vertrouwenspersoon. Dreiging imagoverlies school. Kans op daling leerlingaantal.
Maatregel: Snelle, open en korte communicatie tussen directie en ouders. Geweldincidenten of incidenten met dreiging imagoverlies altijd melden bij het CvB. Bij calamiteiten vorming van crisisteam. Vastgestelde klachtenprocedure en een actueel PSA- beleid. (Financiële) continuïteit van de organisatie Onverwachte uitschieters in rentabiliteit Gevolg: Veel onderwijsmiddelen (geld) overhouden of tekortkomen. Geplande investeringen blijven achterwege of kunnen niet worden gedaan. Maatregel: Duidelijke en vastgelegde afspraken m.b.t. planning & control. Deskundigheid borgen bij personeel dat verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering en HR-beleid. Zorgvuldige financiële rapportages. Risico bij hoge investeringen, bijvoorbeeld op onderhoud gebouwen en ICT Gevolg: Bedreiging financiële positie organisatie. Imagoverlies. Maatregel: Er is vastgelegd dat bij bepaalde investeringen het CvB vooraf overlegt met toezichthouders. Jaarlijkse actualisering meerjarenbegroting. Vijfjaarlijks een meerjaren onderhoud planning (MOP). Tussentijdse loonkostenstijgingen: CAO-afspraken, bijstellen sociale premies, of wijzigingen premie ABP Gevolg: Bedreiging van de vermogenspositie van Stichting Proo. Kan leiden tot tussentijdse ingreep in de formatieomvang op de scholen. Kan leiden tot onrust en taakverzwaring personeel. Maatregel: Voldoende buffer houden in de personele exploitatie.
Niet passende formatie Gevolg: te veel formatie Maatregel: Stevig inzetten op mobiliteitsbeleid, en het breed inzetbaar houden (ob/bb) van teamleden en werken met een flexibele schil. 2. Verantwoording beleid
33
Effect van COVID-19 De uitbraak van COVID-19, eind februari 2020, heeft een enorme impact op ons allemaal. De wereldwijde pandemie leidt tot ongekende omstandigheden. De effecten van deze crisis voor de lange termijnontwikkelingen op globaal en nationaal niveau zijn op dit moment nog niet duidelijk. Corona legt een zware druk op iedereen binnen onze stichting. In hoog tempo digitale lesmethodes ontwikkelen, digitaal lesgeven en nog tal van andere initiatieven zijn uitgerold. Dit heeft veel energie en aanpassingsvermogen gevergd van onze teamleden. We blijven onder alle omstandigheden ons uiterste best doen om goed onderwijs te bieden. Gezien de snelheid en onduidelijkheid van de ontwikkelingen rondom deze crisis, kunnen we de financiële gevolgen op dit moment niet betrouwbaar kwantificeren. Te veel zaken zijn onduidelijk. Hoe lang duurt de crisis nog? Hoe verspreidt het virus zich? Welke maatregelen neemt het kabinet? Op basis van de beschikbare informatie verwachten we op korte termijn geen continuïteitsrisico. De liquiditeits- en solvabiliteitspositie is solide genoeg vanwege de omvang van ons weerstandsvermogen. De financiële impact van COVID-19 is voor de totale baten, het resultaat en de liquiditeit op de korte termijn gelukkig zeer beperkt. Al onze financieringsstromen zijn gegarandeerd.
Met de eventuele financiële effecten als gevolg van COVID-19 hebben we in de voorliggende meerjarenbegroting geen rekening gehouden. De impact van het pakket aan maatregelen dat door de diverse overheden is genomen om het virus te bestrijden hebben grote impact op Stichting Proo. Zowel onderwijskundig als voor de bedrijfsvoering. De ernst en duur van de coronapandemie is op dit moment erg onzeker. Zeker na de uitbraak van allerlei nieuwe varianten en mutaties. Met als dieptepunt: de tweede sluiting van de scholen door de Britse variant. De effecten voor Proo zijn daardoor allerminst zeker. Voorop staat dat we alle mogelijke maatregelen nemen om medewerkers en leerlingen te beschermen. Alle risico’s proberen we zoveel mogelijk te beperken of weg te nemen. Uiteraard proberen we de continuiteit zoveel mogelijk te waarborgen. De belangrijkste maatregelen: Eerste Onderwijssluiting Alle Proo-scholen werden als gevolg van de aangescherpte (overheids)maatregelen tussen 16 maart en 11 mei volledig gesloten. Alleen de noodopvang was geopend. Noodopvang toegankelijk voor A: Kinderen waarvan één ouder in de cruciale sector werkt B: Kwetsbare kinderen waarover zorgen zijn, dit wordt op schoolniveau beslist). Het onderwijs werd op afstand verzorgd. Het protocol dat door de sectorraad wordt verstrekt was daarin voor ons leidend. Uiteraard in goede afstemming met de medezeggenschapsraad.
Tussen 11 mei 2020 en 8 juni 2020 werden onze scholen weer gedeeltelijk geopend. Vanaf 8 juni waren onze scholen weer volledig geopend. Tweede onderwijssluiting Woensdag 16 december 2020 tot maandag 18 januari 2021 (verlengd tot 9 februari) zijn alle Proo-scholen gesloten. Uitzondering daarop zijn de Taalklas Innova en De Vlieger. Elke locatie biedt noodopvang aan. Iedere school is overgeschakeld op digitaal onderwijs. Digitaal onderwijs Het onderwijs werd in beide sluitingen digitaal verzorgd. Daar komen dus allerlei gerelateerde aanpassingen en investeringen uit voort.
2. Verantwoording beleid
34
Schrappen eindtoets groep 8 De IEP eindtoets werd dit jaar (2020) niet afgenomen bij leerlingen in groep 8. Het schooladvies (gebaseerd op de ontwikkeling van het kind over de afgelopen jaren) wordt nu het definitieve advies voor de middelbare school. Het schooladvies kan niet worden heroverwogen. We volgen hierbij de adviezen die opgelegd worden door het RIVM.
2. Verantwoording beleid
35
3. Verantwoording financiën In dit hoofdstuk verantwoorden we de financiële staat van Stichting Proo. We geven de belangrijkste financiële resultaten weer. De eerste paragraaf gaat in op ontwikkelingen in meerjarig perspectief. In de tweede paragraaf laten we een analyse zien van de staat van baten en lasten en de balans. In de laatste paragraaf komt de financiële positie van het CvB aan bod.
3.
Verantwoording financiën
36
3.1 Ontwikkelingen in meerjarig perspectief Leerlingen
Aantal leerlingen
2019
2020
2021
2022
2023
2238
2216
2238
2237
2243
De scholen van Stichting Proo staan overwegend in gebieden waarin een stabiel leerlingaantal, of juist een daling wordt verwacht. In een aantal gemeenten wonen veel leerlingen die qua profiel goed passen op een openbare school. Het marktaandeel is naar verwachting vrij stabiel. De Vlieger, een AZC-school, kent een grote in- en uitstroom van leerlingen. Dit is afhankelijk van het aantal leerlingen op de COA-locatie. Naar verwachting is het aantal leerlingen stabiel in de komende jaren. Daardoor leidt alleen de uitstroom van personeelsleden naar pensioen tot vacatures. De ontwikkeling van het aantal leerlingen op De Vlieger wordt nauwlettend gevolgd en waar nodig tijdens het schooljaar aangepast. FTE
2019
2020
2021
2022
2023
Bestuur / management
20
19
22
22
22
Onderwijzend personeel
139
136
136
136
135
Ondersteunend personeel
31
32
29
28
28
De formatie blijft in de komende jaren vrijwel gelijk. Dit komt omdat het aantal groepen bij een vrijwel gelijkblijvend aantal leerlingen stabiel is. Uitstroom van personeelsleden naar pensioen zorgt ervoor dat het aantal fte iets daalt vanwege vervallen DI-verlof. Daardoor zullen er enkele vacatures ontstaan. We streven ernaar om die in te vullen met een aantal WPO’ers (studenten vanuit de Pedagogische academie). We stimuleren ze om na hun stage in dienst te treden.
3. Verantwoording financiën
37
3.2 Staat van baten en lasten en balans Staat van baten en lasten X 1000
Realisatie 2019
Begroting 2020
Realisatie 2020
Begroting 2022
Begroting 2021
Begroting 2023
Verschil 2020 t.o.v. vorig jaar 2019
Verschil realisatie t.o.v. begroting
BATEN Rijksbijdragen
17.424
17.168
17.530
17.078
17.123
17.207
362
106
200
102
147
46
48
46
45
-53
467
201
343
244
244
244
142
-124
18.091
17.471
18.020
17.368
17.413
17.497
549
-71
14.025
14.705
14.580
14.444
14.377
14.305
-125
555
403
403
383
410
400
396
-20
-19
Huisvestingslasten
1.514
1.449
1.470
1.432
1.432
1.432
21
-44
Overige lasten
1.377
1.364
1.267
1.320
1.320
1.320
-97
-107
TOTAAL LASTEN
17.319
17.921
17.700
17.606
17.529
17.453
-221
381
772
-450
320
-238
-116
49
770
-452
-4
-5
-4
-5
-5
-5
1
0
768
-455
316
-243
-121
44
771
-452
Overige overheidsbijdragen en subsidies Baten werk in opdracht van derden Overige baten TOTAAL BATEN LASTEN Personeelslasten Afschrijvingen
SALDO Saldo baten en lasten Saldo financiële baten en lasten Saldo buitengewone baten en lasten TOTAAL RESULTAAT
Analyse resultaat De begroting van 2020 laat een negatief resultaat zien van € 455.000. Boekjaar 2020 eindigt met een positief resultaat van € 316.000, een verschil van € 771.000 met de begroting. Het positieve resultaat over het boekjaar 2019 bedroeg € 768.000. Analyse realisatie 2020 versus realisatie 2019 en realisatie 2020 versus begroting 2020 In het bovenstaande figuur is de staat van baten en lasten voor het kalenderjaar 2020 opgenomen. De gerealiseerde staat van baten en lasten 2020 is vergeleken met de begrote baten en lasten 2020 en de gerealiseerde baten en lasten 2019.
3. Verantwoording financiën
38
Het resultaat 2020 wijkt negatief af ten opzichte van 2019 met € 429.000. De belangrijkste afwijkingen zijn (zowel positief als negatief): Rijksbijdragen OC&W De Rijksbijdragen OC&W zijn € 106.000 hoger dan in 2019. In 2020 zijn de normbedragen van de reguliere Rijkssubsidies verhoogd met ca 2,5 tot 3%. De bijdragen voor werkdrukmiddelen zijn verhoogd met € 70,- naar € 225,- per augustus 2019. Daarnaast is de bijzondere bekostiging van 2019 in 2020 niet van toepassing. De baten voor onderwijsachterstanden nemen met ca € 300.000 toe, omdat deze middelen in 2019 vijf maanden beschikbaar waren en in 2020 het hele jaar. Tenslotte is er minder bekostiging voor eerste opvang asielzoekers geweest door de daling van het aantal leerlingen op onze AZC-school. Personele lasten De personele lasten zijn in 2020 onder andere toegenomen door het afsluiten van een nieuwe CAO met de daaraan verbonden eenmalige salarisuitbetaling in februari. Daarnaast is in het najaar van 2020 een toename geweest van zwangerschapsuitkeringen. Afschrijvingen De afschrijvingslasten zijn afgenomen doordat in 2019 eenmalig is afgeschreven op investeringen in gebouwen die buitengebruik waren gesteld in 2019. Huisvestingslasten De huisvestingslasten zijn per saldo lager dan in 2019 door aanzienlijk lagere uitgaven voor klein onderhoud en energie en een minder grote toename van kosten van schoonmaak.
Overige lasten De overige lasten zijn lager dan in 2019 door met name de lagere kosten voor schoolse activiteiten en minder kosten voor PR. Het gerealiseerde resultaat 2020 wijkt € 796.000 positief af van het begrote resultaat over 2020. De belangrijkste oorzaken van deze afwijking zijn: Rijksbijdragen OC&W De € 362.000 hogere reguliere rijksbijdragen ten opzichte van de begroting. Die komen door een ruim 1% hogere indexatie dan in de begroting is opgenomen. Door eenmalige uitkeringen zijn de bijdragen van de samenwerkingsverbanden met ca € 170.000 gestegen. Overige overheidsbijdragen Bij de overige overheidsbijdragen is sprake van een extra toekenning van een schakelklas. Er wordt gebruik gemaakt van de provinciale subsidie voor vergroening van schoolpleinen. Overige baten Bij de overige baten komt de stijging met name door de toename van de detacheringen (met name is er een toename van detacheringen binnen Aurora) en incidentele middelen in het kader van de EPZ samenwerking. Personele lasten Bij de personele lasten is de belangrijkste afwijking ten opzichte van de begroting de toename van de uitkeringen. Het gaat onder andere over zwangerschapsuitkeringen en transitievergoedingen die teruggevorderd kunnen worden vanwege arbeidsongeschiktheid. Huisvestingslasten Per saldo is het verschil tussen begroting en realisatie verwaarloosbaar.
Binnen de huisvestingslasten is sprake van stijging van de schoonmaakkosten door de maatregelen rondom het coronavirus. Daarnaast zijn de energielasten gedaald en hebben we gunstigere gebruikslasten van enkele MFA’s gerealiseerd.
3. Verantwoording financiën
39
Overige lasten De overige lasten zijn lager dan begroot. De belangrijkste verschillen betreffen een daling voor de kosten van schoolse activiteiten en voor PR. Beide zijn door de invloed van het coronavirus gedaald. Ook hebben we minder extra dienstverlening van het administratiekantoor ObT afgenomen. De werkzaamheden aan netwerken wifivoorzieningen zijn sterk verminderd. Een belangrijke hogere post zijn de licentiekosten vanwege de toename van het thuisonderwijs, en dus de overgang naar meer inzet van digitale leermiddelen. Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen in de meerjarenbegroting? Relatief is sprake van een stabiel beeld. Daarom worden bovenmatige reserves afgebouwd. Hier komt de belangrijkste bestuursdoelstelling terug. Namelijk: investeren in het onderwijs en realisatie van het strategisch beleidsplan (met als bijkomend effect: het verlagen van de enigszins bovenmatige reserves). Het bestuur kiest er voor om de komende jaren negatief te begroten, daar waar dit verantwoord kan. Het belangrijkste verschil bij de baten is de daling van de fusiefaciliteiten. Ten opzichte van de begroting 2020 is bij de baten sprake van verschillen tussen de jaren van maximaal € 103.000 op een totaal bedrag aan baten van ruim € 17.000.000.
De lasten dalen met ca € 300.000 tussen de begroting 2020 en volgende jaren door het vervallen van de eenmalige salarisbetaling in de begroting van 2020. Voor 2021 en latere jaren is uitgegaan van een CAO-indexatie van 1,6% ten opzichte van salarispeil 2020. Verder nemen we een bijstelling van de rijksbijdragen met 1% als uitgangspunt. Balans in meerjarig perspectief (in duizenden euro’s)
Realisatie 2019
Realisatie 2020
Begroting 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
ACTIVA VASTE ACITVA Materiële vaste activa
1.882
1.978
2.053
2.138
2.276
Financiële vaste activa
17
15
15
15
15
1.899
1.993
2.068
2.153
2.291
Vorderingen
1.330
1.395
1.395
1.363
1.370
Liquide middelen
2.854
3.404
3.020
2.607
2.540
TOTAAL VLOTTENDE ACTIVA
4.184
4.799
4.515
3.970
3.910
TOTAAL ACTIVA
6.083
6.792
6.482
6.122
6.201
2.317
3.089
2.926
2.805
2.844
536
80
0
0
0
TOTAAL EIGEN VERMOGEN
2.853
3.169
2.926
2.805
2.844
VOORZIENINGEN
1.396
1.559
1.491
1.299
1.329
LANGLOPENDE SCHULDEN
0
0
0
0
0
KORTLOPENDE SCHULDEN
1.834
2.064
2.064
2.017
2.027
TOTAAL PASSIVA
6.083
6.792
6.482
6.122
6.201
TOTAAL VASTE ACTIVA VLOTTENDE ACTIVA
PASSIVA EIGEN VERMOGEN Algemene reserve Bestemmingsreserves
3. Verantwoording financiën
40
Financiële positie op de balansdatum De ontwikkeling in de balansen is beperkt. Het te verwachten resultaat is beperkt waardoor het eigen vermogen vrijwel constant blijft. Er zijn maar beperkt hogere investeringen gedaan dan de afschrijvingen bedragen. Daardoor stijgt de waarde van de vaste activa licht. De financiële activa blijven de komende jaren constant. De komende jaren is sprake van relatief veel onderhoud waardoor de omvang van de voorziening ‘groot onderhoud’ daalt. Zowel de vorderingen als de kortlopende schulden zijn gerelateerd aan de omvang van de baten, waardoor deze fractioneel dalen. De investeringen blijven de komende jaren beperkt van omvang tot een bedrag van ca € 500.000 per jaar. Hiervan is ca € 200.000 voor investeringen in ICT, € 150.000 in meubilair en ca € 120.000 in leermethoden. De belangrijkste verwachte uitgaven vanuit de voorzieningen zijn: het vervangen van vloer- en dakbedekking. Toelichting op de activazijde van de balans Materiele vaste activa Er is € 483.000 geïnvesteerd in materiële vaste activa, voornamelijk computers, meubilair en lesmethoden. De afschrijvingslasten bedragen € 383.000. Het verlies op desinvesteringen bedraagt € 4.000, waardoor de waarde met € 96.000 is toegenomen tot € 1.978.000. Vorderingen De kortlopende vorderingen bedragen €1.395.000. Daarvan betreft € 820.000 de vordering op het Rijk.
In verband met het betaalritme van het Rijk is er op 31 december altijd een vordering die in de loop van de maanden afloopt naar € 0 per 31 juli. Daarna loopt deze weer op. Liquide middelen De liquide middelen zijn met € 549.000 toegenomen tot € 3.404.000. Voor een overzicht van de mutaties op de liquide middelen verwijzen we naar het kasstroomoverzicht. Toelichting op de passivazijde van de balans Eigen vermogen Het vermogen is met € 316.000 toegenomen tot € 3.169.000 door het positieve exploitatieresultaat. Voorzieningen De post voorzieningen gaat over een tweetal voorzieningen. De voorziening groot onderhoud en de jubilea voorziening. De voorziening onderhoud is toegenomen, omdat er meer toegevoegd, dan onttrokken is (€ 102.000). De voorziening jubilea is toegenomen per 31 december. Voor een belangrijk deel hangt dat samen met de verlaging van de rekenrente. De voorziening langdurig ziekte is nieuw. Deze hangt samen met het eigen risicodragerschap met betrekking tot ziekteverzuim Kortlopende schulden De kortlopende schulden zijn met € 230.000 toegenomen tot € 2.064.000. De salaris gebonden schulden bedragen € 1.187.000. De overige kortlopende schulden bedragen € 877.000. Het gaat dan met name over nog te besteden subsidies, crediteuren, vooruit ontvangen bedragen en nog te betalen posten.
3. Verantwoording financiën
41
3.3 Financiële positie Kengetallen
Kengetal
Realisatie 2019
Realisatie 2020
Begroting 2021
Begroting 2022
Begroting 2023
Solvabiliteit
0,47
0,47
0,45
0,46
0,46
Ondergrens: <0,30
Liquiditeit
2,28
2,33
2,14
1,97
1,93
Ondergrens: <0,75
Rentabiliteit
4,2%
1,8%
-1,4%
-0,7%
0,2%
Afhankelijk van reservepositie van het schoolbestuur.
Indicator reservepositie (per einde verslagjaar)
101%
108%
97%
90%
88%
.Maximaal 100%
Signalering
Reservepositie De gewenste reservepositie is ca € 2 miljoen. Dit uitgangspunt is eind 2018 behaald. Vanaf 2019 willen we deze omvang minimaal handhaven. In 2020 is geconstateerd dat de signaleringswaarde van de overtollige reserves is overschreden per ultimo 2019. Hiermee is de werkelijke reservepositie hoger dan de gewenste reservepositie. In de meerjarenbegroting is opgenomen om te investeren in de onderwijskwaliteit. Daarmee daalt de reservepositie onder de grens van de signaleringswaarde van de overtollige reserves. Solvabiliteit De solvabiliteit geeft de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen aan. Dit percentage verschaft dus inzicht in de financieringsopbouw. De solvabiliteit geeft ook aan in hoeverre Stichting Proo op langere termijn aan haar verplichtingen kan voldoen. 46% van het totale vermogen bestaat uit eigen vermogen. De solvabiliteit is voor 2020 hoger dan de signaleringswaarde van de onderwijsinspectie. In vergelijking met 2019 is de solvabiliteitspositie gelijk gebleven. Liquiditeit De liquiditeit geeft aan in hoeverre Stichting Proo op korte termijn aan haar verplichtingen kan voldoen. De liquiditeitsratio geeft aan dat 2,27 keer kan worden voldaan aan de uitstaande kortlopende schulden. Stichting Proo heeft op 31 december 2020 de beschikking over € 3.404.000 aan liquide middelen. Daarnaast staat er € 1.395.000 open aan nog te ontvangen bedragen.
Deze bedragen zijn binnen één jaar opeisbaar. Daardoor kan worden voldaan aan de openstaande schulden die binnen één jaar voldaan moeten zijn. Dit is een bedrag van € 2.064.000. De liquiditeit is voor 2020 hoger dan de signaleringswaarde van de onderwijsinspectie. In vergelijking met 2019 is de liquiditeitspositie gelijk gebleven. Rentabiliteit De rentabiliteit geeft aan hoeveel van de totale opbrengsten omgezet wordt in het uiteindelijke resultaat. Stichting Proo heeft met de totale baten, € 18.020.000, een resultaat behaald van € 316.000. Dit houdt in dat 0,018 deel van de baten wordt omgezet in het uiteindelijke resultaat. Anders gezegd: van elke euro die wordt ontvangen, wordt € 0,018 behouden en wordt € 0,982 besteed. De rentabiliteit is voor 2020 hoger dan de signaleringswaarde van de onderwijsinspectie. In vergelijking met 2019 is de rentabiliteit gedaald. Signaleringswaarde bovenmatige reserves De signaleringswaarde bovenmatige reserves geeft inzicht in welke mate overtollige reserves aanwezig zijn. Hierbij worden de werkelijke reserves afgezet tegen een norm die als maximum geldt. De werkelijke reserves van Stichting Proo bedragen ultimo 2020 € 3.169.000. De norm bestaat uit een berekening op basis van de aanschafwaarde onroerend goed, de waarde van de overige activa op de balans en de totale baten.
Met betrekking tot het onroerend goed wordt uitgegaan van de aanschafwaarde van € 144.000. Deze waarde wordt gecorrigeerd voor de bouwkostenindex en het uitgangspunt dat 50% met eigen vermogen gefinancierd wordt. De boekwaarde van de overige materiële vaste activa bedraagt ultimo 2020 € 1.928.000. Het laatste element is een bedrag voor risico’s en wordt berekend als 5% van de totale baten. In totaal komt de norm uit op € 2.920.000. Hierdoor zijn de reserves dus € 275.000 boven de signaleringswaarde per einde 2020. Uitgedrukt in een
percentage is het verhouding 100:109 of wel 109%. Dit is een stijging van 8% ten opzichte van 2019. Het CvB vindt de financiële positie boven niveau en streeft er naar deze terug te brengen. Ze streven een evenwichtige begroting na. Het CvB ziet mogelijkheden om de komende jaren een impuls te geven aan de kwaliteit van ons onderwijs en zet acties in om te voorkomen dat deze bovenmatige reserves blijven oplopen. Een voorbeeld hiervan zijn de tussentijdse rapportages waarop bijgestuurd kan worden.
Bekijk hier de Jaarrekening 2020.
Bijlage 1 : Jaarrekening 2020
Stichting Proo Noord-Veluwe Jaarrekening 2020
B Jaarrekening 2020 B1 Grondslagen
Algemeen De jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de stellige uitspraken van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, die uitgegeven zijn door de Raad voor de Jaarverslaggeving waaronder Richtlijn 660 Onderwijsinstellingen. Deze bepalingen zijn van toepassing op grond van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs. Activa en verplichtingen worden in het algemeen gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs of de actuele waarde. Indien geen specifieke waarderingsgrondslag is vermeld vindt waardering plaats tegen de verkrijgingsprijs. Baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop deze betrekking hebben. Winsten worden slechts opgenomen voor zover deze op balansdatum zijn gerealiseerd. Verplichtingen en mogelijke verliezen die hun oorsprong vinden voor het einde van het verslagjaar, worden in acht genomen indien deze voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Alle bedragen zijn opgenomen in euro’s. Continuïteit De in de onderhavige jaarrekening gehanteerde grondslagen van waardering en resultaatbepaling zijn gebaseerd op de veronderstelling van continuïteit van de stichting. Verbonden partijen Als verbonden partij worden alle rechtspersonen aangemerkt waarover overheersende zeggenschap, gezamenlijke zeggenschap of invloed van betekenis kan worden uitgeoefend.
Ook rechtspersonen die overwegende zeggenschap kunnen uitoefenen, worden aangemerkt als verbonden partij. Ook de statutaire bestuursleden, andere sleutelfunctionarissen in het management van de stichting en nauwe verwanten zijn verbonden partijen. Transacties van betekenis met verbonden partijen worden toegelicht voor zover deze niet onder normale marktvoorwaarden zijn aangegaan. Hiervan wordt toegelicht de aard en de omvang van de transactie en andere informatie die nodig is voor het verschaffen van het inzicht.
Vergelijking met voorgaand jaar De gehanteerde grondslagen van waardering en van resultaatbepaling zijn ongewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar. Als vergelijkende cijfers zijn boekjaar 2019 en begroting 2020 opgenomen. Schattingen Om de grondslagen en regels voor het opstellen van de jaarrekening te kunnen toepassen, is het nodig dat de leiding van de instelling zich over verschillende zaken een oordeel vormt en dat de leiding schattingen maakt die essentieel kunnen zijn voor de in de jaarrekening opgenomen bedragen. Indien het voor het geven van het in art. 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de betreffende jaarrekeningposten.
Grondslagen voor de waardering van activa en passiva Materiële vaste activa De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen en indien van toepassing met bijzondere waardeverminderingen. De afschrijvingen worden gebaseerd op de verwachte economische levensduur en worden berekend op basis van een vast percentage van de verkrijgingsprijs, rekening houdend met een eventuele restwaarde. Er wordt afgeschreven vanaf het moment van ingebruikname van het materieel vast actief. Over terreinen wordt niet afgeschreven. De gehanteerde activeringsgrens bedraagt € 1.000. De gehanteerde afschrijvingstermijnen zijn: Categorie Gebouwen en verbouwingen
Termijn tussen 10 en 40 jaar
Inventaris en apparatuur
tussen 3 en 40 jaar
Andere vaste bedrijfsmiddelen
tussen 5 en 25 jaar
Investeringssubsidies Subsidies op investeringen worden in mindering gebracht op de verkrijgingsprijs van de activa waarop de subsidies betrekking hebben.
46
Financiële vaste activa De leningen en vorderingen worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs, welke gelijk is aan de nominale waarde, onder aftrek van noodzakelijk geachte voorzieningen. Bijzondere waardevermindering van vaste activa De stichting beoordeelt op iedere balansdatum of er aanwijzingen zijn dat een vast actief aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief vastgesteld. Indien het niet mogelijk is de realiseerbare waarde voor het individuele actief te bepalen, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de kasstroom genererende eenheid waartoe het actief behoort. Van een bijzondere waardevermindering is sprake als de boekwaarde van een actief hoger is dan de realiseerbare waarde; de realiseerbare waarde is de hoogste van de opbrengstwaarde en de bedrijfswaarde. Een bijzonder waardeverminderingsverlies wordt direct als een last verwerkt in het exploitatieoverzicht.
Indien wordt vastgesteld dat een bijzondere waardevermindering die in het verleden verantwoord is, niet meer bestaat of is afgenomen, dan wordt de toegenomen boekwaarde van de desbetreffende activa niet hoger gesteld dan de boekwaarde die bepaald zou zijn indien geen bijzondere waardevermindering voor het actief zou zijn verantwoord. Vorderingen De vorderingen worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs. De reële waarde en geamortiseerde kostprijs zijn gelijk aan de nominale waarde. Noodzakelijk geachte voorzieningen voor mogelijke verliezen als gevolg van oninbaarheid worden in mindering gebracht. Deze voorzieningen worden bepaald op basis van individuele beoordeling van de vorderingen. Liquide middelen De liquide middelen zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde. Indien middelen niet ter vrije beschikking staan, dan wordt hiermee bij de waardering rekening gehouden. Eventuele rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder de schulden aan kredietinstellingen onder de kortlopende schulden.
Algemene Reserve Deze post betreft de niet-gebonden reserve die voortkomt uit de door (semi-)overheidsinstellingen gefinancierde activiteiten. De algemene reserve betreft publiek vermogen. De algemene reserve vormt een buffer ter waarborging van de continuïteit van de stichting. Deze wordt opgebouwd uit de resultaatbestemming van overschotten welke ontstaan uit het verschil tussen de gerealiseerde baten en de werkelijk gemaakte lasten. In geval van een tekort wordt dit resultaat ten laste van de algemene reserve gebracht. Bestemmingsreserves Hieronder zijn opgenomen de reserves die bedoeld zijn voor specifieke toekomstige uitgaven die uit de huidige beschikbare middelen gedekt moeten worden, waarbij om die reden door het bestuur een beperktere bestedingsmogelijkheid is aangebracht. De gehanteerde bestemmingsreserve is: De personele reserve ter dekking van vooruit ontvangen baten voor uitgestelde CAO stijgingen. Deze reserve bedraagt op balansdatum € 80.000. Het bestuur van de instelling heeft deze beperking aangebracht.
Voorzieningen Voorzieningen worden gevormd voor in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen die op de balansdatum bestaan, waarbij het waarschijnlijk is dat een uitstroom van middelen noodzakelijk is en waarvan de omvang op betrouwbare wijze is te schatten. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen per balansdatum af te wikkelen. De voorzieningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen, tenzij anders vermeld. Voorziening ambtsjubileum Op basis van Richtlijn 271 van de Raad van de Jaarverslaggeving is een voorziening opgenomen voor verplichtingen uit hoofde van toekomstige uitkeringen bij ambtsjubilea voor personeelsleden.
47
Voor op balansdatum bestaande verplichtingen uit hoofde van ambtsjubilea is een voorziening gevormd. De voorziening is opgenomen tegen de contante waarde van de verwachte uitkeringen gedurende het dienstverband en is afhankelijk van de ingeschatte blijfkans en gemiddelde salarisstijging. Betaalde bedragen inzake jubileum worden ten laste van deze voorziening gebracht. Voor op balansdatum bestaande verplichtingen uit hoofde van ambtsjubilea is een voorziening gevormd. De voorziening is bepaald ter dekking van de kosten van jubileumgratificaties die op grond van de CAO dienen te worden betaald. Onderhoudsvoorziening Deze voorziening wordt gevormd ter dekking van groot planmatig onderhoud. Dagelijks onderhoud wordt rechtstreeks ten laste van het exploitatieoverzicht gebracht. De meerjarenonderhoudsvoorziening is gevormd op basis van eigen dotaties en verminderd met uitgaven voor groot onderhoud. Er is voor 2020 evenals voorgaand jaar, gebruik gemaakt van de tijdelijke aanpassingen van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. Schulden Opgenomen leningen en schulden worden bij eerste verwerking opgenomen tegen de reële waarde en vervolgens gewaardeerd tegen de geamortiseerde kostprijs.
Grondslagen voor de bepaling van het exploitatieoverzicht Baten Onder baten wordt verstaan de van overheidswege ontvangen (normatieve) bijdrage OCW, overige OCW subsidies en overige overheidsbijdragen, alsmede de van derden ontvangen overige bijdragen. De baten worden toegerekend aan het boekjaar waarop deze betrekking hebben. Opbrengsten van diensten worden opgenomen naar rato van de mate waarin de diensten zijn verricht, gebaseerd op de tot balansdatum in het kader van de dienstverlening gemaakte kosten in verhouding tot de geschatte kosten van de totaal te verrichten dienstverlening. Personele lasten Onder de personele lasten worden de lasten opgenomen van de personeelsleden die in dienst zijn van de rechtspersoon, alsmede de overige personele lasten die betrekking hebben op onder
andere het inhuren van extra personeel, scholingskosten en bedrijfsgezondheidszorg. Pensioenen De onderwijsinstelling heeft haar pensioenregeling ondergebracht bij bedrijfstakpensioenfonds ABP. De pensioenverplichtingen uit de regeling worden gewaardeerd volgens de ‘verplichting aan de pensioenuitvoerder benadering’. In deze benadering wordt de aan de pensioenuitvoerder te betalen premie als last in het exploitatieoverzicht verantwoord. Voor bestaande verplichtingen (anders dan de te betalen premies) jegens de pensioenuitvoerder en/of werknemers wordt een voorziening opgenomen (indien relevant). Ultimo 2020 en 2019 waren er voor de stichting geen pensioenvorderingen en geen verplichtingen naast de betaling van de jaarlijkse aan de pensioenuitvoerder verschuldigde premie. Ultimo 2019 was de beleidsdekkingsgraad van het ABP 95,8%. De beleidsdekkingsgraad eind 2020 is 93,2%. De overheid eist een beleidsdekkingsgraad van 104,2% of hoger. Hiermee voldoet de beleidsdekkingsgraad niet aan de minimale vereisten van de toezichthouder. Afschrijvingen Materiële vaste activa worden vanaf het moment van ingebruikneming afgeschreven over de verwachte toekomstige gebruiksduur van het actief. Indien een schattingswijziging plaatsvindt van de toekomstige gebruiksduur, dan worden de toekomstige afschrijvingen aangepast.
Boekwinsten en -verliezen uit de incidentele verkoop van materiële vaste activa zijn begrepen onder de afschrijvingen. Lasten De lasten worden bepaald met inachtneming van de hiervoor reeds vermelde grondslagen van waardering en toegerekend aan het verslagjaar waarop deze betrekking hebben. Financiële baten en lasten De financiële baten en lasten betreffen de op de verslagperiode betrekking hebbende ontvangen en betaalde rente-ontvangsten en -uitgaven van uitgegeven en ontvangen leningen en overige kredietfaciliteiten.
48
Grondslagen voor het kasstroomoverzicht Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. De geldmiddelen in het kasstroomoverzicht bestaan uit de liquide middelen en vlottende effecten, met uitzondering van deposito’s met een looptijd langer dan drie maanden. Ontvangen en betaalde interest zijn opgenomen onder de kasstroom uit operationele activiteiten. Transacties waarbij geen ruil van geldmiddelen plaatsvindt, waaronder financiële leasing, worden niet in het kasstroomoverzicht opgenomen. De betaling van de leasetermijnen uit hoofde van het financiële leasecontract wordt voor het gedeelte dat betrekking heeft op de aflossing als een uitgave uit financieringsactiviteiten aangemerkt en voor het gedeelte dat betrekking heeft op de interest als een uitgave uit operationele activiteiten.
49
B2
Balans per 31 december 2020 (na bestemming van het resultaat over 2020)
31-12-2020 x € 1.000
31-12-2019 x € 1.000
Materiële vaste activa Gebouwen en terreinen Inventaris en apparatuur Andere vaste bedrijfsmiddelen Materiële vaste activa
50 1.674 254 1.978
59 1.622 201 1.882
Financiële vaste activa Overige financiële vaste activa Financiële vaste activa
15 15
17 17
1.993
1.899
1
Activa Vaste activa
1.2 1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.2 1.3 1.3.7 1.3
Totaal vaste activa Vlottende activa 1.5 1.5.1 1.5.2 1.5.7 1.5.8 1.5
Vorderingen Debiteuren Ministerie OCW Overige vorderingen Overlopende activa Vorderingen
132 820 133 310 1.395
70 809 137 314 1.330
1.7 1.7.2 1.7
Liquide middelen Banken Liquide middelen
3.404 3.404
2.854 2.854
Totaal vlottende activa
4.798
4.184
6.791
6.083
Totaal activa
50
31-12-2020 x € 1.000
31-12-2019 x € 1.000
3.089 80 3.169
2.317 536 2.853
2 2.1 2.1.1 2.1.2 2.1
Passiva Eigen vermogen Algemene Reserve Bestemmingsreserve publiek Eigen vermogen
2.2 2.2.1 2.2.3 2.2
Voorzieningen Personeelsvoorzieningen Overige voorzieningen Voorzieningen
196 1.363 1.559
135 1.261 1.396
2.4 2.4.2 2.4.3 2.4.7 2.4.8 2.4.9 2.4.10 2.4
Kortlopende schulden Vooruitontvangen gelden Crediteuren Belastingen en premies soc.verz. Schulden terzake pensioenen Overige kortlopende schulden Overlopende passiva Kortlopende schulden
72 139 581 175 0 1.096 2.064
81 261 509 173 53 757 1.834
6.791
6.083
Totaal passiva
51
B3
Exploitatieoverzicht 2020
3
Baten
3.1 3.2 3.5
Rijksbijdragen OCW Overige overheidsbijdragen en -subsidies Overige baten Totaal baten
4
Lasten
4.1 4.2 4.3 4.4
Personeelslasten Afschrijvingen Huisvestingslasten Overige lasten Totaal lasten
Saldo baten en lasten 5 5.5
Financiële baten en lasten Financiële lasten Saldo financiële baten en lasten Totaal resultaat
Realisatie 2020 x € 1.000 17.530 147 343 18.020
Begroting 2020 x € 1.000 17.168 102 201 17.471
Realisatie 2019 x € 1.000 17.424 200 467 18.091
Realisatie 2020 x € 1.000 14.580 383 1.470 1.267 17.700
Begroting 2020 x € 1.000 14.705 403 1.449 1.364 17.921
Realisatie 2019 x € 1.000 14.025 403 1.514 1.377 17.319
320
450-
772
4 4-
5 5-
4 4-
316
455-
768
52
B4 Kasstroomoverzicht over 2020 Kasstroomoverzicht over 2020 x € 1.000
Referentie
Kasstroom uit operationele activiteiten Saldo baten en lasten Aanpassingen voor: - Afschrijvingen - Mutaties voorzieningen Veranderingen in vlottende middelen: - Vorderingen (-/-) - Kortlopende schulden Totaal kasstroom uit bedrijfoperaties - Betaalde interest (-/-)
772
4.2 2.2
383 163
403 147-
1.5 2.4
64230 1.031
1422884
5.5
4 4-
4 4-
1.028
880
5 4842 478-
51332 1 480-
549
400
2.854 549
2.454 400
3.404
2.854
1.2 1.2 1.3 1.3
Mutatie liquide middelen Beginstand liquide middelen Mutatie liquide middelen Eindstand liquide middelen
2019
320
Totaal kasstroom uit operationele activiteiten Kasstroom uit investeringsactiviteiten (Des)investeringen verlies (-/-) (Des)investeringen materiële vaste activa (-/-) (Des)investeringen materiële vaste activa subsidie(-/-) Mutaties leningen (-/-) Totaal kasstroom uit investeringsactiviteiten
2020
1.7 1.7
53
B5 Toelichting op de balans per 31 december 2020 1.2 1.2
Activa x € 1.000 Materiële vaste activa
Aanschafprijs Investeringssubsidies Cumulatieve afschrijvingen en waardeverminderingen Stand per 1 januari 2020 Mutaties 2020 Investeringen Investeringssubsidies Desinvesteringen aanschafwaarde Afschrijvingen Desinvesteringen cummulatieve afschrijvingen Saldo
Aanschafprijs Investeringssubsidies Cumulatieve afschrijvingen en waardeverminderingen Stand per 31 december 2020
1.2.1 Gebouwen en terreinen
1.2.2 Inventaris en apparatuur
1.2.3 Andere vaste bedr.middelen
Totaal
173 -
5.047 28-
1.232 4-
6.452 32-
114 59
3.397 1.622
1.027 201
4.538 1.882
295-
379 554327-
105 38352-
484 966384-
25 8-
554 52
383 52
962 96
144 -
4.872 28-
953 4-
5.970 32-
94 50
3.170 1.674
696 254
3.960 1.978
54
1.3
Mutaties 2020
Financiele vaste activa Stand per 1-1-2020 x € 1.000
1.3.7
Overige financiële vaste activa
Stand per 31-12-2020 x € 1.000
Aflossen x € 1.000
17 17
2 2
-
15 15
Betreft een langlopende vordering op de gemeente Elburg als gevolg van duurzaamheidsinvesteringen in het gebouw waar de Blerck in gehuisvest is. 31-12-2020 x € 1.000
31-12-2019 x € 1.000
132
70
Te vorderen personele bekostiging Te vorderen materiële instandhouding Te vorderen prestatiebox Te vorderen onderwijsachterstandenbeleid Ministerie van OCW Overige vorderingen Overige vorderingen Overlopende activa Vooruitbetaalde kosten ** Vooruitbetaalde huisvestingskosten Overlopende activa Totaal vorderingen
782 (1) 039 820 133 133 17 119 174 310 1.395
791 1734 809 137 137 78 120 116 314 1.330
* verbonden partijen/groepsmaatschappijen ** verbonden partijen/groepsmaatschappijen
101 2
45 -
1.5
Vlottende activa
1.5
Vorderingen
1.5.1
Debiteuren *
1.5.2 1.5.7
1.5.8
De vorderingen hebben per einde 2020 en 2019 een looptijd korter dan een jaar.
1.7
Liquide middelen
1.7
Liquide middelen
1.7.2
Banken Totaal liquide middelen
31-12-2020 x € 1.000
31-12-2019 x € 1.000
3.404 3.404
2.854 2.854
De liquide middelen staan ter vrije beschikking van de onderwijsinstelling.
2.1
Mutaties 2020
Passiva Saldo 1-1-2020 x € 1.000
2.1
Eigen vermogen
2.1.1 2.1.2
Algemene Reserve Bestemmingsreserve publiek* Totaal eigen vermogen
2.317 536 2.853
Bestemming resultaat x € 1.000 772 456316
Stand per 31-12-2020 x € 1.000
Overige mutaties
-
3.089 80 3.169
* Bestemmingsreserve convenantsgelden 2019 en reservering uitgestelde CAO bestemmingsbedrag.
55
2.2
Voorzieningen
Mutaties 2020 Stand per 1-1-2020 x € 1.000
2.2.1
Personeelsvoorzieningen Voorziening jubilea Voorziening langdurig ziekte
135 -
Overige voorzieningen Onderhoudsvoorziening
Totaal voorzieningen
Onttrekkingen
Stand per 31-12-2020 x € 1.000
Vrijval
61 28
28 -
-
168 28
89
28
-
196
1.261 1.261
280 280
178 178
-
1.363 1.363
1.396
369
206
-
1.559
135 2.2.3
Dotaties
,
Onderverdeling saldo per 31-12-2020 x € 1.000 < 1 jaar > 1 jaar 2.2.1
2.2.3
Personeelsvoorzieningen Voorziening jubilea Voorziening langdurig ziekte
40 6
128 22
168 28
Overige voorzieningen Onderhoudsvoorziening Totaal
641 687
722 873
1.363 1.560
2.4
Kortlopende schulden
2.4.2
Vooruitgefactureerde en -ontvangen termijnen OHW Crediteuren * Afdr. / inh. loonheffing Afdr. / inh. Participatiefonds Afdr. / inh. Vervangingsfonds Belastingen en premies sociale verzekeringen Afdr. / inh. ABP Schulden terzake pensioenen Overige kortlopende schulden Netto salarissen Overige kortlopende schulden Overlopende passiva ** Te betalen vakantie-uitkering Overige subsidies OCW/geoormerkt Overige subsidies OCW/niet geoormerkt Overlopende passiva Totaal kortlopende schulden * verbonden partijen/groepsmaatschappijen ** verbonden partijen/groepsmaatschappijen
2.4.3
2.4.7 2.4.8
2.4.9
2.4.10
Stand per 31-12-2020 x € 1.000
31-12-2020 x € 1.000
31-12-2019 x € 1.000
72
81
139 547 33 1 581 175 175 6 60 512 437 147 1.096 2.064
261 478 29 2 509 173 173 44 9 53 373 411 27757 1.834
13 84
33 -
De kortlopende schulden hebben per einde 2020 en 2019 een looptijd korter dan een jaar.
56
Model G G1 Subsidies zonder verrekeningsclausule x € 1.000 Omschrijving toewijzing
Toewijzing Kenmerk Datum
Regeling lerarenbeurs voor scholing en zijDL/B/110284 instroom Regeling lerarenbeurs voor scholing en zijDL/B/110284 instroom Regeling lerarenbeurs voor scholing en zijDL/B/110284 Inhaal- en ondersteuningsprogramma's onderwijs IOP2-41345-PO 2020-2021 tijdvak 2
13-8-2019 13-8-2019 13-8-2019 16-10-2020
Bedrag toewijzing
Ontvangen t/m 2020
€
€
De prestatie ultimo 2020 conform subsidiebeschikking Geheel afgerond Niet geheel afgerond
12
12
x
10
10
x
6
6
x
145
145
173
173
x
57
B6 Niet in de balans opgenomen verplichtingen (passief)/niet uit de balans blijkende rechten (actief) Verplichtingen één tot vijf jaar Overige contracten Voor de energielevering heeft Stichting Proo, vanuit een collectieve aanbesteding, contracten lopen met één leverancier voor de termijn van 5 jaar voor een bedrag van ca € 200.000 op jaarbasis. Dit contract is ingegaan per 1 januari 2021. Tevens is er een servicecontract met Konica Minolta voor reproductieapparatuur afgesloten voor een bedrag van ca € 50.000 per jaar. Huurverplichtingen Er is een huurcontract voor het bestuurskantoor gestart op 1-7-2019 tot 1-10-2023. Voor een deel wordt dit door gefactureerd aan de overige verbonden partijen binnen de Aurora Onderwijsgroep. De huurlast bedraagt ca € 88.000. Voor diverse locaties zijn langlopende ingebruikgevingsovereenkomsten afgesloten met een totale waarde van ca € 315.000 op jaarbasis. Verplichtingen langer dan vijf jaar Overige contracten Er is een leaseovereenkomst afgesloten met International Solar Projects BV voor de lease van zonnepanelen voor de duur van 10 jaar. Dit project is gestart op 20 mei 2015. De totale leaseprijs bedraagt € 23.000 op jaarbasis.
Overige Er is sprake van een fiscale eenheid binnen de Aurora OnderwijsGroep, hierbij is sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid inzake de belastingschulden van de groep en de groepsonderdelen binnen deze fiscale eenheid. Bij de Rabobank Randmeren heeft Stichting Proo de beschikking over een krediet van maximaal € 750.000. Deze hangt samen met de kredietfaciliteit bij het ministerie van financiën.
Duurzame inzetbaarheid In de CAO PO zijn afspraken gemaakt over het opnemen van verlof voor duurzame inzetbaarheid. Mederwerkers hebben recht op een basisbudget van 40 uur. Daarnaast is vanaf 57 jaar het sparen van ouderenverlof mogelijk. Uit inventarisatie blijkt dat bij PROO medewerkers in heel beperkte mate gebruik maken van sparen met betrekking tot duurzame inzetbaarheid. Er wordt door de beperkte mate van gebruik over het kalenderjaar 2020 niet gespaard kan er per ultimo 2020 geen voorziening worden gevormd.
58
B7
Toelichting op de exploitatierekening over 2020
3
Baten
3.1
Rijksbijdragen OCW
3.1.1 3.1.2 3.1.3
Rijksbijdragen OCW Overige subsidies OCW Doorbetalingen rijksbijdragen SWV Totaal Specificatie
3.1.1
3.1.2
Rijksbijdragen OCW Rijksbijdragen personeel OCW Rijksbijdragen materieel OCW Totaal Overige subsidies OCW Geoormerkte subsidies Niet-geoormerkte subsidies Totaal
3.2 3.2.1 3.2.2
Overige overheidsbijdragen en -subsidies
3.5
Overige baten
3.5.1 3.5.2 3.5.5 3.5.6
Verhuur Detachering personeel Ouderbijdragen Overige Totaal
Gemeentelijke bijdragen Overige overheidsbijdragen en -subsidies Totaal
Realisatie 2020 x € 1.000
Begroting 2020 x €1.000
15.557 1.171 803 17.530
15.257 1.276 635 17.168
-
Realisatie 2019 x € 1.000 14.933 1.637 854 17.424 1-
13.455 2.102 15.557 -
13.189 2.068 15.257 -
12.836 2.097 14.933 -
8 1.163 1.171 -
1.276 1.276 -
1.637 1.637 -
133 13 147
102 102
172 28 200
87 138 2 115 343
70 56 25 50 201
91 20 28 328 467
59
4
Lasten
4.1
Personeelslasten
4.1.1 4.1.2 4.1.3
Lonen en salarissen Overige personele lasten Af: uitkeringen Totaal
Realisatie 2020 x € 1.000
4.1.2
Realisatie 2019 x € 1.000
13.527 1.278 22614.580
13.535 1.220 5014.705
12.838 1.254 6714.025
-
-
1
Lonen en salarissen Brutolonen en salarissen Sociale lasten Pensioenpremies Totaal
10.270 1.745 1.513 13.527
13.535 13.535
9.627 1.653 1.558 12.838
Overige personele lasten Reiskosten (woon- werkverkeer) Dienstreizen Personeel niet in loondienst Dotatie personele voorzieningen Scholing Personeels- en arbeidsmarktbeleid Arbo-dienstverlening Overige Totaal
81 19 639 90 286 2 38 124 1.278
40 578 40 350 10 50 152 1.220
93 42 534 18 351 4 42 171 1.254
2020 21,06 134,03 31,53 186,62
2019 20,20 139,32 30,86 190,38
Uitsplitsing 4.1.1
Begroting 2020 x €1.000
Gemiddeld aantal FTE's - Directie - Onderwijzend Personeel - Onderwijs Ondersteunend Personeel
Realisatie 2020 x € 1.000 4.2
Afschrijvingen
4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5
Gebouwen Inventaris en apparatuur Overige materiële vaste activa Leermiddelen Totaal
4.3
Huisvestingslasten
4.3.1 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.3.6 4.3.7 4.3.8
Huur Onderhoud Energie en water Schoonmaakkosten Heffingen Dotatie onderhoudsvoorzieningen Overige huisvestingslasten Totaal
Begroting 2020 x €1.000
2018
Realisatie 2019 x € 1.000
5 326 11 41 383
5 338 12 48 403
25 331 11 36 403
364 149 218 414 44 280 1 1.470
390 160 242 314 61 280 2 1.449
382 227 247 321 56 280 1 1.514
60
Realisatie 2020 x € 1.000 4.4
Overige lasten
4.4.1 4.4.2 4.4.4
Administratie en beheerslasten Inventaris en apparatuur Overige Totaal
Begroting 2020 x €1.000
Realisatie 2019 x € 1.000
356 497 414 1.267
382 489 493 1.364
370 499 508 1.377
Administratie en beheerslasten Administratie- en advieskosten Accountantskosten * Kantoorbenodigdheden Reis- en verblijfkosten Telefoonkosten Internet- / Glasvezelverbinding Overige beheerslasten Totaal