P bijlage-3-bestemmingsplan -toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
Figuur 4.5: Getoonde modellen gedurende 1e en 2e informatiebijeenkomst voor omwonenden
Bij de verdere uitwerking van het bouwplan hebben de blijvend stijgende bouw- en materiaalkosten, de daarmee samenhangende gewijzigde bouwwijze (naar meer gestandaardiseerde wooneenheden), de opmerkingen van omwonenden gemaakt tijdens de 1e informatiebijeenkomst en de optimalisering van de plattegronden van de appartementen geleid tot een aangepast bouwplan. In dit aangepaste bouwplan is geen sprake meer van een hoekaccent in de vorm van een torentje van ±25 meter, maar is sprake van twee bouwdelen, waarbij het hoge bouwdeel ±22 meter is (zie rechter afbeelding in Figuur 4.5) en het lage bouwdeel 10,5 meter is. Een andere reden dat is gekozen voor twee verschillende bouwhoogten is dat het gebouw daardoor visueel minder eentonig wordt en zich daarmee onderscheidt van de standaard portiekflats die veel in de jaren '60 en '70 van de 20e eeuw zijn gebouwd. 4.3.2 Inpassing in de omgeving Om meerdere redenen is ervoor gekozen het gebouw te laten bestaan uit een hoger en een lager deel in plaats van het gehele pand dezelfde bouwhoogte van vijf bouwlagen te geven. Om aan te sluiten bij de omliggende eengezinswoningen van twee bouwlagen met een kap is ervoor gekozen het gedeelte van het gebouw aan de zijde van de Lisdoddestraat te laten bestaan uit drie bouwlagen.
Uitgaande van een bouwdeel van drie bouwlagen aan de zijde van de Lisdoddestraat is aan de zijde van de Gorssloot een bouwhoogte van zeven bouwlagen nodig om daadwerkelijk 38 appartementen te kunnen realiseren. Het plangebied bevindt zich op de grens tussen gebieden met laagbouw en middelhoogbouw. Het gebouw kent twee zijden: de oostzijde ligt aan de overzijde van de laagbouwwijk langs de Lisdoddestraat, de westzijde begeleidt de Gorslaan die een sterke relatie heeft met de middelhoogbouw in de directe omgeving. De oostzijde van het nieuwe gebouw past zich met drie lagen aan de bouwhoogten van de laagbouwwijk aan. De westzijde markeert de 'poort' tussen laag- en hoogbouw, te meer omdat hier ook van een versmalling van het profiel langs de Gorslaan waarneembaar is. Het hogere en smallere profiel langs de Gorslaan leidt de intensiever bebouwde gebied vlak bij de Waterlandlaan in. De onmiddellijke situatie in ogenschouw genomen levert het volgende beeld op:
28
Figuur 4.6: afwegingen hoogbouw
Naast de beschouwing van de actuele situatie is het belangrijk de 'Hoogbouwvisie' voor Purmerend ter hand te nemen om zicht te hebben op de beoogde ontwikkeling van het gebied. Hoogbouw betekent in de 'Hoogbouwvisie' bebouwing met een betekenis voor de stad als geheel met een hoogte van meer dan 25 meter. De 'Hoogbouwvisie' geeft uitgangpunten voor de acceptabele hoogteontwikkeling. De 'hittekaart' in deze visie geeft de potentie aan voor hoogbouw geredeneerd vanuit ruimtelijk oogpunt – in de zin van de plaatsing van accenten in de stadruimte - maar ook vanuit de behoefte aan centraal gelegen woningen, zie afbeelding 4.7. De locatie zelf ligt in een gebied (geel gebied) dat op basis van de op die afbeelding gehanteerde aspecten geen hoge potentie heeft voor hoogbouw.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
Figuur 4.7: uitsnede kaart hoogbouwpotentie
Het plangebied ligt echter vlakbij de Noord-Zuidroute uit de Hoogbouwvisie dat bij uitstek geschikt is voor intensieve bebouwing met een stedelijke uitstraling, zie figuur 4.8. In de Hoogbouwvisie zijn gebieden aangewezen waar door middel van hoogbouw van meer dan 25 meter een bijdrage kan worden geleverd aan de gewilde stedelijke woonbehoefte, leefbaarheid en vitaliteit van Purmerend. Hoogbouw kan zich concentreren langs deze stedelijke assen (ook wel ruggen genoemd) en in het gebied direct gelegen aan deze as. Hoogbouw markeert deze as. Belangrijke knooppunten langs deze assen kunnen worden gemarkeerd met hogere accenten. Van hieruit geredeneerd is in het plangebied ruimte voor een hogere ontwikkeling.
30
Figuur 4.8: visiekaart voorkeursgebieden hoogbouw op stadsniveau
Naast het bovenstaande geeft de 'Hoogbouwvisie' ook een kader mee voor hoogbouwlocaties op wijkniveau: maximaal acht bouwlagen kunnen op wijkniveau bijzondere situaties accentueren. Een situatie zoals die ook aangetroffen wordt in het plangebied: vlak bij de grote vijver langs de Gorslaan en bij een vernauwing van het Gorslaan-profiel. Het accent attendeert ook op de ontmoetingsruimte binnen het nieuwe gebouw, de 'buurthuiskamer', die als 'huiskamer' voor de buurt moet gaan dienen. Met zeven lagen respecteert het nieuwe gebouw de aanbevelingen van de 'Hoogbouwvisie'. Aan de oostzijde sluit het gebouw met drie lagen aan op de karakteristiek van de bestaande woningen met twee lagen plus kap. Het beoogde gebouw op het perceel Lisdoddestraat 40 wordt strikt genomen niet aangemerkt als hoogbouw op basis van de omschrijving van hoogbouw in de Hoogbouwvisie. In het eerste concrete ontwerp van het nieuwe gebouw op het perceel Lisdoddestraat 40 dat is gedeeld met omwonenden was sprake van een hoogteaccent van ±25 meter. Het hoogteaccent van ±25 meter, bestaande uit acht bouwlagen, is destijds passend gevonden binnen het uitgangspunt van de Hoogbouwvisie dat hoogbouw mogelijk is langs de stedelijke assen, aangezien het perceel langs de Noord-Zuidroute uit de Hoogbouwvisie is gelegen (zie figuur 4.8).
Bij de verdere uitwerking van het ontwerp van het gebouw is het hoogteaccent van ±25 meter komen te vervallen en is de maximale bouwhoogte aangepast naar ±22 meter. Ondanks dat feitelijk geen sprake meer van hoogbouw volgens de Hoogbouwvisie, is deze hoogbouwlocatie op wijkniveau evengoed in lijn met de uitgangspunten uit de Hoogbouwvisie.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
Hoofdstuk 5 5.1
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
Archeologie
5.1.1 Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan heeft de locatie de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' op basis waarvan een archeologisch onderzoek wordt voorgeschreven voor ontwikkelen met een oppervlaktemaat boven de 100 m². 5.1.2 Analyse Door bouwwerkzaamheden voor het realiseren van het bestaande pand ten gevolge van het bouwrijp maken van de bouwgrond, het aanleggen van funderingsbalken + funderingspalen en aanleggen van een zwembad is de bodem verstoord. Bij de sloop van de bestaande sportschool worden de bestaande funderingsbalken verwijderd, de funderingspalen worden afgeknepen op de hoogte onderkant van de nieuwe bouwput/fundering. Het zwembad wordt weggehaald en het gat van het zwembad gedempt. Het uitvoeren van deze werkzaamheden op deze wijze moet worden aangegeven in een werkomschrijving en ingediend bij de aanvraag omgevingsvergunning. De funderingsbalken voor de nieuwbouw worden 600 mm hoog en de poeren 1000 mm hoog, conform het voorlopig funderings- en poer ontwerp.
Voor het realiseren van de nieuwbouwfundering wordt niet dieper gegraven dan de bestaande fundering van het bestaande pand waardoor de bodem niet verder wordt verstoord. Het uitvoeren van deze werkzaamheden op deze wijze moet worden aangegeven in een werkomschrijving en ingediend bij de aanvraag omgevingsvergunning. 5.1.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op (potentieel) aanwezige archeologische waarden.
32
5.2
Bezonning
5.2.1 Beleidskader Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De gemeente Purmerend hanteert, zoals meer gemeenten in Nederland, de lichte TNO-norm voor nieuwe bouwontwikkelingen. De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. 5.2.2 Analyse In het kader van onderhavig bestemmingsplan is voor het bouwplan een bezonningsstudie (Bijlage 1) uitgevoerd. In deze bezonningsstudie is de schaduw van het beoogde appartementengebouw op de bebouwing in de directe omgeving in beeld gebracht voor zes dagen in het jaar op meerdere tijdstippen op de dag. Voor het naastgelegen gezondheidscentrum aan de Lisdoddestraat 28-30j geldt dat enkele ruimtes in het gebouw aan de zuidzijde schaduwwerking zullen ondervinden als gevolg van het beoogde appartementengebouw. Daarnaast is in deze studie gekeken naar de bezonning van een drietal meetwoningen (Lisdoddestraat 21, 31 en 41). De woonkamers van de gemeten woningen liggen aan de achtertuinzijde (georiënteerd op het oosten) en ontvangen per dag ruimschoots genoeg zonlicht.
De schaduw van het beoogde appartementengebouw leidt niet tot schaduwwerking in de achtertuinen van de (meet)woningen. Aanvullend hierop is gekeken naar de reductie van zonuren als gevolg van het beoogde appartementengebouw in de periode 1 april - 1 september, gemeten ter plaatse van de keukenramen in de westgevel van de meetwoningen (straatzijde). Hieruit blijkt voor de meetwoningen een reductie van de zonuren van nul minuten tot maximaal 1 uur (Lisdoddestraat 21), 1u30min (Lisdoddestraat 31) en 1u50min (Lisdoddestraat 41), afhankelijk van de periode in het jaar. 5.2.3 Conclusie De voorgenomen nieuwbouw op het perceel Lisdoddestraat 40 zorgt voor enige schaduwwerking op de zuidgevel van het naastgelegen Medisch Centrum en op de voorgevels van de (meet)woningen Lisdoddestraat 21, 31 en 41, afhankelijk van de periode in het jaar. Voor deze woningen wordt voldaan aan de lichte TNO-norm voor bezonning. Voor wat betreft bezonning en schaduwwerking heeft het beoogde appartementengebouw geen onevenredige hinder tot gevolg voor de bestaande woningen en gebouwen in de directe omgeving van het plan. Het aspect bezonning/schaduwwerking vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
5.3
Bodemkwaliteit
5.3.1 Beleidskader Op 7 mei 2020 is het nieuwe bodembeleid vastgesteld door de gemeenteraad. Deze stukken, bestaande uit de “Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend en “Nota bodembeheer Purmerend”, bevatten de regels om grondverzet binnen Purmerend plaats te laten vinden zonder dat daar extra bodemonderzoek noodzakelijk is. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op bodemonderzoek, en daarin zijn ook de PFAS- en PFOA-gerelateerde stoffen meegenomen. Daarbij heeft de gemeenteraad ook de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Beemster geaccepteerd als erkend bewijsmateriaal van de bodemkwaliteit. Hierdoor is voor veel locaties uitwisseling van grond tussen Purmerend en Beemster mogelijk zonder extra bodemonderzoek. Het bodembeleid is voornamelijk generiek (wat schoon is, moet schoon blijven). Voor de rijkswegen, spoorbanen en grond in eigendom van het Hoogheemraadschap zijn uitzonderingen daarop gemaakt en is het beleid specifiek (meer grondverzet mogelijk). In Beemster is het beleid voor alle locaties specifiek. Wat betreft de concrete ontwikkelingen dient in geval van functiewijziging onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. 5.3.2 Analyse Er is door BK Ingenieurs een bodemonderzoek (Bijlage 2) uitgevoerd. In het zand van zowel de bovengrond (0,0 – 0,6 m -mv) als de ondergrond (0,5 – 1,0 m -mv) zijn geen verhoogde gehalten uit het NEN5740 standaardpakket aangetoond.
In de kleilaag van boring 005 (0,4 – 0,5 m -mv) is een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetoond. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de eventuele afvoer van de grond. Het volume van de niet toepasbare kleilaag is niet bepaald. Er kan niet worden uitgesloten dat deze met minerale olie verontreinigde kleilaag zich ook onder het pand bevindt. Het grondwater is niet verontreinigd met stoffen uit het standaard NEN5740 pakket of chloride. De hypothese 'de bodem is verdacht op zware metalen, PAK en chloride' is niet correct gebleken. Er zijn geen verontreinigingen met deze parameters aangetoond. Wél is een licht verhoogd gehalte minerale olie in één kleilaag aangetoond. Deze verontreiniging heeft geen negatieve invloed op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de locatie. Er dient wél rekening gehouden te worden bij de afvoer van de grond. De omvang van de kleilaag met een licht verhoogd gehalte minerale olie is niet vastgelegd. De laag is duidelijk te onderscheiden van de overige schone bodemlagen. Bij toekomstige ontgravingen op de locatie wordt daarom aangeraden om de kleilaag apart te ontgraven. Deze kleilaag komt niet in aanmerking om elders te worden toegepast. 5.3.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
34
5.4
Cultuurhistorische waarden
5.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties; 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van actuele cultuurhistorische waarden. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de in / rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.5
Duurzaamheid en klimaat
5.5.1 Beleid Klimaatbestendige nieuwbouw wordt het uitgangspunt in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en Noord-Holland. Samenwerkende overheden hebben afgesproken om klimaatbestendige nieuwbouw op te nemen in het beleid. De ondertekening van de ‘Intentieovereenkomst Klimaatbestendige Nieuwbouw in MRA en Noord-Holland’ betekent dat binnenkort klimaatbestendigheid – aanpassing aan hitte en wateroverlast – in plannen voor nieuwbouwwoningen in de MRA en Noord-Holland wordt meegenomen als criterium. 5.5.2 Analyse In het kader van klimaatbestendigheid is de nieuwbouw getoetst op de basisveiligheidniveaus: droogte, overstromingen en natuur inclusief & biodiversiteit. Hieronder is per onderdeel samengevat wat is afgesproken. Droogte:
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
In het kader van droogte is het plan beoordeeld op het verwerken van hemelwater op een natuurlijke manier. Zowel het hoge als het lage dak worden voorzien van infiltratiekratten met een hoogte van 80 mm en een substraat laag van 60 mm inclusief groen en diverse grassoorten. Hiermee kan een hemelwaterberging gerealiseerd worden van min. 70 l/m2 welke vertraagd wordt afgevoerd op het naastgelegen oppervlakte water. De totale hemelwater berging van het hoge en lage dak (70×775)/1000 is 90 m3 . Op deze manier wordt het gemeenschappelijke rioolstelsel ontlast. Hiermee wordt voldaan aan de basisveiligheids- niveaus voor droogte. Overstromingen: Er is getoetst op mogelijke overstromingskans van 1/1000 jaar met diepten tussen 1.0 & 1.5 m. In het plan worden er geen woningen op de begane grond gerealiseerd. De eerste appartementen liggen op de 1e verdieping. Deze appartementen bevinden zich op 3350 mm boven peilniveau (b.k. dekvloer begane grond). Hierdoor zijn er voldoende schuil mogelijkheden voor bewoners. Hiermee wordt voldaan aan de basisveiligheidsniveaus voor overstromingen. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit: In kader van natuurinclusiviteit en biodiversiteit is er getoetst op groen in openbare ruimte en op het ruimte bieden voor gebiedseigen soorten. Het ontwerp houdt rekening met sedum bedekking op het hoge en lage dak.
Het binnenhof zal worden ingericht met groen en bomen e.e.a. conform ontwerp Lindeloof tuin- en landschapsarchitecten. Daarnaast staat het gebouw al in een groene omgeving die gehandhaafd blijft. De landschapsarchitect heeft hiervoor ook enkele inrichtingsvoorstellen. Voor de beplanting wordt gekozen voor soorten die een bijdrage leveren voor zowel vogels en insecten (bijv. bottelroos, hondsroos, zwarte bes, kruisbes en kruipwilg, aangevuld met enkele vlinderstruiken). Tevens houdt het ontwerp rekening met nestkasten voor vleermuizen & gierzwaluwen, deze worden opgenomen in het gevelontwerp, conform bijgevoegde tekeningen. Hiermee wordt voldaan aan de basisveiligheidsniveaus voor natuurinclusiviteit en biodiversiteit. Energie De woningen worden gasloos uitgevoerd en worden aangesloten op stadsverwarming. Op het dakvlak komen 93 PV panelen met een opbrengst van 330 Wp/p. 5.5.3 Conclusie Door de beschreven duurzaamheidsmaatregelen wordt voorzien in de duurzaamheidsdoelstellingen van gemeente Purmerend en de MRA.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag.
36
5.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
Figuur 5.2: het bplangebied binnen rode cirkel ten opzichte van risicobronnen (bron: risicokaart.nl)
5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.7
Geluid
5.7.1
Wegverkeerslawaai
5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. 38
Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.
Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.
Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld. 5.7.1.2 Analyse Ten behoeve van het plan is door Peutz een akoestisch onderzoek (Bijlage 3) verricht naar de geluidsbelasting op de gevels van het nieuw te bouwen gebouw. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de ten westen van de projectlocatie gelegen Gorslaan. Vanwege wegverkeer op de Gorslaan treden ter plaatse van de beoogde appartementen geluidbelastingen op tot 57 dB. Plaatselijk wordt daarmee de voorkeursgrenswaarde conform de Wet geluidhinder van 48 dB (per weg) overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Alle woningen beschikken over een geluidluwe zijde. Ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat. Wel dienen hogere waarden vastgesteld te worden voor een deel van de woningen in het bouwplan. Het vaststellen van de hogere waarden geluidhinder is een bevoegdheid van het college van Burgemeester en wethouder. De procedure hiervoor wordt gecoördineerd met de procedure van het bestemmingsplan doorlopen. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan dient – met name aan de zijde van de Gorslaanaandacht besteed te worden aan de materialisering van de gevels van de woningen, zodat een binnengeluidniveau van maximaal 33 dB gerealiseerd wordt.
5.7.1.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de 'Algemene maatregel van bestuur Gevoelige bestemmingen' relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
40
5.8.2 Analyse In de bestaande planologische en feitelijke situatie kende het gebouw een invulling met een fitnesscentrum en fysiotherapie met een oppervlakte van circa 860 m2. Op basis van de kencijfers verkeersgeneratie uit de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) is de verkeersgeneratie in beeld gebracht. In de bestaande planologische en feitelijke situatie kende het gebouw een invulling met een fitnesscentrum en fysiotherapie met een oppervlakte van circa 860 m2. Voor een fitnessstudio/sportschool in 'sterk stedelijk gebied', 'rest bebouwde kom' wordt op basis van de CROW een verkeersgeneratie aangehouden van gemiddeld 33,7 motorvoertuigbewegingen per 100 m2. Dit levert circa 290 motorvoertuigbewegingen per etmaal als gevolg van het gebruik als fitnesscentrum. Op basis van de CROW publicatie kent het plan voor de nieuwbouw van 38 sociale huurwoningen voor een oudere doelgroep een verkeersgeneratie van 152 verkeersbewegingen per etmaal. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het 'sterk stedelijk gebied' in 'rest bebouwde kom' betreft waarbij wordt gerekend met een verkeersgeneratie van 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.9
Milieuzonering
5.9.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. 2. 3. 4.
Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?
Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zijn categorieën opgenomen die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn naast of nabij woningen (en dus ook andersom). Categorie A bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B bedrijven zijn toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C bedrijven zijn toelaatbaar indien zij beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
5.9.2 Analyse Het bestemmingsplan voorziet in een woonbestemming. Het plangebied ligt in een bestaand woongebied. Op het naastgelegen perceel bevindt zich een gezondheidscentrum met een clustering aan (wijkgerichte)zorgvoorzieningen zoals ondermeer tandarts, huisarts en fysiotherapie. Deze activiteiten kwalificeren als categorie A bedrijven en zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen. In de nieuwe situatie komen de woningen niet aanpandig aan de bestaande welzijnsvoorzieningen. De woningen en welzijnsvoorzieningen verhouden zich goed tot elkaar. Op grotere afstand (200 meter) is het Dijklander Ziekenhuis gelegen. Een ziekenhuis kwalificeert als categorie 2 bedrijf met een richafstand van 30 meter tot een woning. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan. 5.9.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.
5.10 Natuurwaarden 5.10.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.
De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet (Ffwet), voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Ffwet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. 42
In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende vogels in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. Hieronder valt ook het begrip "voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.
In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. 4 Gebiedsbescherming: Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangemerkt.
Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
onderhavige project tast deze waarden niet aan. Natura-2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied en ligt ook niet in de nabijheid van een beschermd natuurgebied. Op ruim 4 km afstand ligt het stikstofgevoelige Natura-2000 gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Het plangebied ligt op respectievelijk 3,7 en 7 kilometer afstand van Natura 2000-gebied 'Polder Zeevang' en Natura-2000 gebied 'IJsselmeer & Markermeer. Dit zijn geen stikstofgevoelige habitat typen. Vanwege de jurisprudentie met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof (PAS) is het noodzakelijk om te kijken of de beoogde herontwikkeling kan leiden tot stikstofdepositie ter plaatse van één of meerdere Natura 2000-gebieden. Door Van der Goes en Groot is een stikstofberekening uitgevoerd. Hierbij is zowel de aanlegfase als de gebruiksfase in beeld gebracht. 5.10.2 Analyse Ten behoeve van het bestemmingsplan is een Quickscan ecologie (Bijlage 4) uitgevoerd. Gebiedsbescherming Ten opzichte van de Lisdoddestraat 40 Purmerend, ligt het NNN op ten minste een kilometer afstand. Daardoor is er geen directe relatie met of invloed van Lisdoddestraat 40 op het natuurnetwerk.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen is het 'Wormer en Jisperveld & Kalverpolder' op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. Omdat negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied niet op voorhand zijn uit te sluiten, is een uitgevoerd met de Aeriuscalculator. Hieruit volgt dat de maximale projectbijdrage in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie leidt niet tot significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Soortenbescherming Het gebouw en het perceel waarop het is gelegen heeft geen betekenis voor wettelijk beschermde soorten. Nader onderzoek naar aanwezigheid van soorten is niet nodig en bij sloop of aanpassing van het gebouw is een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet aan de orde. 5.10.3 Conclusie Uit het uitgevoerde natuuronderzoek volgt dat er geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna worden verwacht. Het is aan te bevelen om de geplande werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (broedseizoen is globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn, mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet worden verstoord. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
44
5.11 Verkeer en parkeren 5.11.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en bovendien zijn er parkeerplaatsen noodzakelijk. Het onderhavige plan mag als gevolg van deze invloed het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Bovendien dient te worden voldaan aan de parkeernormering. 5.11.2 Analyse Verkeersaantrekkende werking Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. In de bestaande planologische en feitelijke situatie kende het gebouw een invulling met een fitnesscentrum en fysiotherapie met een oppervlakte van circa 860 m2.
Voor een fitnessstudio/sportschool in 'sterk stedelijk gebied', 'rest bebouwde kom' wordt op basis van de CROW rekentool een verkeersgeneratie aangehouden van gemiddeld 33,7 motorvoertuigbewegingen per 100 m2. Dit levert circa 290 motorvoertuigbewegingen per etmaal als gevolg van het gebruik als fitnesscentrum. Op basis van de CROW publicatie kent het plan voor de nieuwbouw van 38 sociale huurwoningen voor een oudere doelgroep een verkeersgeneratie van 152 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat het 'sterk stedelijk gebied' in 'rest bebouwde kom' betreft waarbij wordt gerekend met een verkeersgeneratie van 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de functie ontmoetingsruimte of vergelijkbare functies zijn geen CROW kencijfers beschikbaar. Als wordt aangesloten bij de kencijfers voor bijvoorbeeld een buurthuis kan worden uitgegaan van 8 tot 10 verkeerbewegingen per etmaal. In totaal komt het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie dan op 162 (152 + 10) verkeerbewegingen per etmaal. De nieuwe invulling van het perceel leidt tot minder motorvoertuigbewegingen per etmaal dan de bestaande invulling met het fitnesscentrum met fysiotherapie. Door de inpassing van de woningen neemt planologisch het aantal verkeersbewegingen per etmaal af met circa 128 verkeersbewegingen per etmaal (290-162).
Parkeren Op basis van het programma en de parkeernorm is de parkeervraag berekend incl. de aanwezigheidspercentages. De berekening is opgenomen in Parkeeronderbouwing. Het maatgevende moment doet zich voor tijdens de werkdagavond. De parkeervraag bedraagt dan 42,2 parkeerplaatsen. Er zijn 23 parkeerplaatsen in de parkeergarage beschikbaar. Het maximaal aantal parkeerplaatsen dat volgens de parkeeronderbouwing buiten de garage dient te worden ingepast bedraagt 19,2 parkeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat de parkeercapaciteit in de garage tijdens diverse momenten van de week niet voorziet in de parkeerbehoefte. Daarom is gekeken of dit tekort kan worden opgevangen in de openbare ruimte van het omliggende gebied (waarmee voldaan kan worden aan de restcapaciteitsregeling). De gewogen parkeervraag die in het plangebied moet worden opgevangen is:
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
Figuur 5.3: tabel gewogen parkeervraag
De inpassing van de parkeervraag is door Rietvink architecten weergegeven op afbeelding 5.5 (hieronder). Binnen het plangebied worden er doormiddel van een parkeergarage 23 parkeerplaatsen ingepast. In de naastgelegen parkeerterrein worden 23 parkeerplaatsen op maaiveld ingepast conform de restcapaciteitsregeling. Aan de zuidzijde van het plangebied worden er 4 openbare parkeerplaatsen opgeheven t.b.v. de toegankelijkheid, entree fietsenstalling en functies zoals vuilcontainerplaatsen. Het totaal van 44 parkeerplaatsen (40 parkeerplaatsen die nodig zijn voor de planontwikkeling + 4 parkeerplaatsen (opheffen openbare parkeerplaatsen)) kunnen in het plangebied worden opgevangen aangezien er een capaciteit van 46 parkeerplaatsen gerealiseerd wordt in het planontwerp. De inrit van de parkeergarage wordt ingepast conform onderstaande tekening.
Figuur 5.4: schetsmatige weergave parkeren
46
5.11.3 Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.12 Water 5.12.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen.
Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.12.2 Analyse Als gevolg van het plan neemt de verharding niet toe.
In de bestaande situatie kent het terrein 428 m² aan groen en 1.944 m² aan verharding. In de nieuwe situatie bestaat het plan voor 391 m² uit groen en 1.981 m² aan verharding. Echter wordt in de nieuwe situatie 326 m² toegevoegd aan vegetatiedak met vertraagde afvoer van hemelwater. Figuur 5.5: verhardingsbalans
In het kader van dit bestemmingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is aanvraag gedaan voor een Digitale watertoets. Uit de watertoets volgt dat het plan beperkte invloed heeft op het watersysteem en/of de afvalwaterketen. Er hoeven geen compenserende maatregelen te worden getroffen. In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het 48
hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Waar mogelijk wordt in de nadere uitwerking van de plannen rekening gehouden met het advies van het hoogheemraadschap. 5.12.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.13 Windhinder 5.13.1 Beleidskader Voor de beoordeling van het windklimaat wordt in Nederland de norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' gehanteerd. Deze norm geeft aan wanneer en hoe onderzoek naar het windklimaat in de gebouwde omgeving verricht moet worden. Ook geeft het aan welke normen bij de beoordeling van windklimaat gelden. De norm geeft aan dat voor beschut liggende gebouwen tot een hoogte van 15 meter geen windonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Voor beschut liggende gebouwen tussen de 15 en 30 meter hoog en voor onbeschut liggende gebouwen tot 30 meter hoog is de hulp van een deskundige vereist om te beoordelen of wel of niet onderzoek moet worden verricht. Voor gebouwen hoger dan de 30 meter is altijd onderzoek naar windhinder nodig. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de Hoogbouwvisie Purmerend uit 2017. 5.13.2 Analyse Het beoogde gebouw wordt maximaal 22,5 meter hoog. Op basis van bovenstaand beleidskader moet voor beschut liggende gebouwen tussen 15 en 30 meter hoog door een deskundige worden beoordeel of wel of niet onderzoek moet worden verricht. In dat kader is voor het bouwplan een quickscan uitgevoerd naar het optredende windklimaat op de planlocatie (Bijlage 8). Deze quickscan geeft een indicatie van de te verwachten risico's op windhinder en windgevaar voor voetgangers.
Uit de quickscan komt naar voren dat in het algemeen de windcondities rondom het gebouw variëren tussen windhinderklasse A en C. De meest significante windhinder treedt op ter plaatse van de zuidelijke gebouwhoek (Rietsingel), en de noordelijke en westelijke gebouwhoek (Rietsingelpad) van het bouwplan. Door de relatief lage bebouwing ten zuiden en de Gorssloot ten westen kan de wind, uit de meest voorkomende windrichtingen, relatief ongehinderd aanstromen en veroorzaakt onder invloed van het bouwplan valwinden. Deze valwinden zorgen voor verhoogde windsnelheden op maaiveldniveau, resulterend in zones met klasse C. De lokale gebieden die binnen klasse C vallen zijn enkel ongeschikt voor de activiteit langdurig zitten. Het restant van de windcondities in het plangebied leent zich uitstekend voor alle activiteiten (doorlopen, slenteren en langdurig zitten). De hoofdentree, gelegen in de zuidwestelijke gevel, bevindt zich in windluwe condities (klasse A). Deze condities lenen zich uitstekend voor een comfortabel gebruik. Indien in het plangebied een doorloop- of slenterfunctie gewenst is dan zijn er geen aanvullende maatregelen benodigd. Ten slotte geldt er in het plangebied geen risico op windgevaar.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
5.13.3 Conclusie De quickscan heeft het lokale windklimaat als gevolg van het beoogde gebouw voldoende inzichtelijk. Het beoogde gebouw zal niet leiden tot een onacceptabel lokaal windklimaat. Voor het bouwplan wordt een volledig en nader windhinderonderzoek niet noodzakelijk geacht. Hiermee is voldaan aan hetgeen over windhinder is aangegeven in de Hoogbouwvisie Purmerend (p.47).
5.14 Milieu-effectrapportage 5.14.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan moet dit in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. Van een mer -beoordelingsplicht kan sprake zijn bij een stedelijk ontwikkelingsproject, oftewel de bouw van woningen, kantoorgebouwen of andere stedelijke voorzieningen. Hier moet worden beoordeeld of er belangrijkse nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Hoe verder het project van de drempelwaarde af ligt, hoe kleiner de nadelen voor het milieu zullen zijn. 5.14.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.
Activiteiten
Gevallen
Besluit
50
D.11.2
De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van een heeft op: stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of ontwikkelingsproject, meer, met inbegrip van de 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of bouw van meer woningen omvat, of winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van parkeerterreinen. 200.000 m2 of meer.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Dit betekent dat het verplicht is een vormvrije mer-beoordelingsplicht uit te voeren. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. De initiatiefnemer heeft een Aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld waarin deze aspecten aan de orde komen. Het college heeft hierop besloten dat geen mer opgesteld hoeft te worden. 5.14.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten.
Bestemmingsplan "Lisdoddestraat 40 - 2024" (vastgesteld)
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.