k.-bestemmingsplan-a-jacobslaan-7-2024-toelichting
Tekst van het document
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld.
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de directe nabijheid van dit perceel geen sprake is van cultuurhistorische waarden. De Overweerse polderdijk aan de noordzijde van het plangebied is op de kaart aangewezen als historische weg. Tegenwoordig loopt de Overweerse polderdijk slechts vanaf de Hoornselaan tot aan de Burg. D. Kooimanweg. In vroeger tijden was het een langgerekt pad, dat in het westen langs de Beemsterringvaart liep, de Where volgde en in het oosten langs de Purmerringvaart naar het noorden liep. Op een kaart in 1950 wordt dit pad nog ‘Jaagweg’ genoemd. Dit duidt erop dat hier ooit een trekschuit heeft gevaren, paden langs trekvaarten werden ‘jaagweg’ of ‘jaagpad’ genoemd. De cultuurhistorische waarde is gelegen in de ouderdom van de dijk. Het tracé van de Overweerse polderdijk dient zoveel mogelijk intact te blijven. Met het onderhavige project blijft dit tracé in tact. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de in / rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.5
Duurzaamheid
5.5.1 Beleidskader In paragraaf 3.3.4 is het duurzaamheidsbeleid van de gemeente beschreven zoals zoals verwoord in de Duurzaamheidsagenda 2020-2023. 5.5.2 Analyse Er is sprake van een duurzaam project op verschillende vlakken; energiegebruik, klimaatadaptatie, circulair bouwen, gezondheid en ecologie. Energiegebruik De woningen worden niet aangesloten op het gasnet en zullen voldoen aan de geldende BENG-eisen (bijna energieneutraal). De daken van de gebouwen zullen deels worden gebruikt voor zonnepanelen om duurzame energie op te wekken. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert, een belangrijk onderdeel hiervan zijn de hevigere weersomstandigheden zoals wateroverlast, hittestress en droogte. Toepassing van groen als waterberging en het stimuleren van de infiltratie verhoogt de lokale weerbaarheid tegen extreme neerslag, ontlasting van het gemeentelijk rioolstelsel en het watersysteem en effecten van droogte. In het ontwerp worden maatregelen toegepast voor het vertraagd afvoeren van hemelwater. Uitgangspunt is toepassing van groene daken, hagen, geveltuinen, waterpasserende verharding en/of infiltratievoorziening. Het toe te passen groen in het plan en de aan het plan grenzende beleeftuin zorgt voor een verkoelende werking in warme perioden.
Circulair bouwen Het streven is om grondstoffen te hergebruiken en afvalstromen te beperken, juist bij de bouw van nieuwe woningen en de inrichting van gebieden. Gezondheid Met de inrichting van het maaiveld wordt rekening gehouden met ruimte voor ontmoeting van bewoners. Verder wordt het gebruik van de fiets gestimuleerd, doordat deze makkelijk toegankelijk zijn voor bewoners en er zijn voorzieningen aanwezig voor het gebruik van elektrische fietsen. Ecologie 28
Beide woongebouwen voldoen aan het 30 puntensysteem natuurinclusief bouwen. Beide woongebouwen voldoen aan het 30 puntensysteem natuurinclusief bouwen. Op- en aan de gevels worden verschillende natuurinclusieve maatregelen genomen: gierzwaluwkasten, vleermuiskasten, huismuskasten, geveltuintjes, klimplanten op constructie, sedumdak en een haag. In dit verband wordt tevens verwezen naar het gestelde in paragraaf 5.11. 5.5.3 Conclusie De aspecten energiegebruik, klimaatadaptatie, circulair bouwen, gezondheid en ecologie zijn in een vroeg stadium van het project meegenomen. Met het project wordt aangesloten bij de Duurzaamheidsagenda 2020-2023.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd; ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations.
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). 5.6.2 Analyse Het plangebied is getoetst op het aspect externe veiligheid. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens op de Risicokaart. Risicovolle activiteiten binnen inrichtingen De locatie ligt niet in een risicocontour van een risicovolle inrichting of transportroute van gevaarlijke stoffen. Het ligt buiten het invloedsgebired van het LPG-tankstation aan de Wagenweg 7. Overigens is dit LPG-tankstation per 1 januari 2020 niet meer in bedrijf en wordt deze door middel van een herziening van het bestemmingsplan Overwhere-Zuid 2012 ook planologisch niet meer toegestaan.
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
Transport van gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van (spoor)wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De normen in het Bevt vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Buisleidingen bevinden zich op circa 680 meter van het plangebied. Het betreft twee hogedrukgasleidingen. De beide buisleidingen beschikken niet over een PR=10-6-contour. Het plangebied is gelegen buiten de 100% letaliteitcontour van deze leidingen. De normen voor het plaatsgebonden en groepsrisico in het Bevb vormen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. 5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan .
5.7
Geluid
5.7.1
Wegverkeerslawaai
5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.
Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. 30
Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.7.1.2 Analyse Voor de wegen in de directe omgeving van het plangebied geldt een maximum snelheid van 30 km/h. Omdat op deze wegen hoofdzakelijk sprake is van bestemmingsverkeer is de verkeersintensiteit relatief laag.
Het aspect wegverkeerslawaai staat voor deze wegen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg. Voor de Hoornselaan, ten zuiden van het plangebied, geldt een maximum snelheid van 50 km/h. Voor deze weg geldt een geluidzone van 250 meter. De Hoornselaan bevindt zich op circa 170 meter van het plangebied. Gelet op de grote afstand in combinatie met de tussenliggende bebouwing is voldoende aannemelijk dat binnen het plangebied voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder als gevolg van het verkeer op deze weg. 5.7.1.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van wegverkeerslawaai. 5.7.2
Spoorweglawaai
5.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.7.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
5.7.3 Industrielawaai De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 5.7.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in of in de nabijheid van een industrieterrein. 5.7.3.2 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van industrielawaai.
5.8
Geur
5.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 5.8.2 Analyse Geurhinder is op de onderhavige locatie niet relevant omdat er zich geen inrichtingen in de nabijheid bevinden die relevante geurhinder kunnen veroorzaken. 5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op 32
grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn.
Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 5.9.2 Analyse Gelet op de beperkte omvang van het project kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.9.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.10 Milieuzonering 5.10.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. 2. 3. 4.
Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. 5.10.2 Analyse De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Binnen gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Gelet op de verschillende functies in het gebied is sprake van een gemengd gebied. Woonzorgvoorziening Het project voorziet in het realiseren van zorgwoningen met dagbesteding. Deze functie is niet opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor 'Artsenpraktijken, klinieken, dagverblijven' geldt geen richtafstand binnen gemengd gebied. De verzorging van de bewoners en de dagbesteding vindt hoofdzakelijk inpandig plaats, zodat de geluiduitstraling naar de omgeving minimaal is. De beleeftuin bevindt zich op ruime afstand van woningen en op circa 10 meter van het schoolgebouw. Vanwege de kleinschaligheid zijn er geen grote installaties aanwezig die mogelijk geluidhinder kunnen veroorzaken. De verkeersaantrekkende werking is vergelijkbaar met een normale woonfunctie.
De voorgenomen ontwikkeling staat een goed woon- en leefklimaat bij woningen in de omgeving niet in de weg. Bedrijven / functies in de omgeving Een woonzorgvoorziening is een gevoelige functie. Om die reden dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot activiteiten in de omgeving. In dit geval is de school Vonk aan de zuidzijde van het perceel relevant. Voor deze school geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied tot woningen. De nieuwbouw van het woonzorgcomplex wordt tegen de erfgrens van de school gerealiseerd. Binnen de richtafstand van 10 meter vinden geen activiteiten plaats die een goed woon- en leefklimaat in de weg staan. De school staat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg. 5.10.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan
5.11 Natuurwaarden 5.11.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer 34
bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht.
Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I.
In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten:
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Omgevingsverordening NH2020 van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden.
In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.11.2 Analyse Soortenbescherming De locatie is in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.
Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus en Gierzwaluw), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Omdat verblijvende vleermuizen niet uitgesloten konden worden in de quickscan en mogelijk essentieel foerageergebied voor vleermuizen aanwezig is, is vervolgonderzoek uitgevoerd. In 2023 is het plangebied geïnventariseerd op aanwezigheid van vleermuizen (zie bijlage Onderzoek vleermuizen).
Dit onderzoek leidt tot de volgende conclusies: het plangebied fungeert als essentieel foerageergebied voor gewone dwergvleermuis; het plangebied fungeert als essentieel foerageergebied voor ruige dwergvleermuis; in het kraamseizoen zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen; in het plangebied zijn geen paarverblijfplaatsen aanwezig; er zijn geen aanwijzingen voor winterverblijfplaats voor grotere aantallen dieren; er is geen sprake van een vliegroute; als gevolg van het wegnemen van een deel van het foerageergebied zijn er (indirecte) effecten op vaste verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis elders in 36
Purmerend; hiermee dreigt een overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. In verband met bovenstaande conclusies is een mitigatieplan opgesteld (zie bijlage Mitigatieplan vleermuizen). In dit plan staat beschreven op welke manier de negatieve effecten worden verzacht dan wel worden voorkomen. Verstorende werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in de minst kwetsbare periode. Daanaast zal tijdens de werkzaamheden geen kunstmatig licht worden toegepast en zal in de permanente situatie sprake zijn van vleermuisvriendelijke verlichting. Tot slot zal de oorspronkelijke groenstructuur opnieuw worden aangeplant. Hierbij worden de soorten Eénstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), Schietwilg (Salix alba), Bolesdoorn (Acer globosum) en hazelaar (Corylus avellana) toegepast. In verband met de fasering van het project is nadien een aantal wijzigingen aan het ecologisch bureau voorgesteld. Het ecologisch bureau heeft deze wijzigingen beoordeeld en geoordeeld dat deze wijzigingen recht doen aan de doelstellingen van het mitigatieplan en dat daarmee, in combinatie met de beplanting die gehandhaafd blijft, de ecologische functie van de locatie voor vleermuizen niet in gevaar wordt gebracht. In dit kader wordt verwezen naar de Memo gewijzigde mitigerende maatregelen welke als bijlage bij de toelichting op het bestemmingsplan is opgenomen.
Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus en Gierzwaluw), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. In de nieuwe bebouwing worden 16 vogel- en vleermuiskasten toegepast. De kasten zijn ten behoeve van de gierzwaluw, huismus en vleermuizen. Vanuit preventief oogpunt zijn reeds 8 tijdelijke vleermuiskasten (paar- en zomerverblijven) opgehangen bij het naastgelegen schoolgebouw (Vonk). Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op 3,2 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Polder Zeevang. Gezien de grote afstand, afscherming door stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Er zijn stikstofberekeningen met het programma Aerius uitgevoerd (zie bijlage Notitie stikstofdepositie).
Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage in de gebruiksfase en aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositie-waarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. Daarnaast is geen sprake van Bijzonder Provinciaal Landschap. Gezien de aard van het plan, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, worden geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden verwacht.
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
5.11.3 Conclusie Het project heeft geen invloed op beschermde natuurgebieden. Om negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen te verzachten dan wel te voorkomen, worden maatregelen getroffen.
5.12 Planologisch relevante leidingen 5.12.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 5.12.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project. 5.12.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan .
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. 5.13.2 Analyse Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen, is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 'Kencijfers Verkeersgeneratie en Parkeren'. Deze kencijfers geven een bandbreedte tussen een minimum en een maximumwaarde. In dit geval wordt het gemiddelde aangehouden. Hierbij zijn de volgende karakteristieken toegepast: Stedelijkheidsgraad ‘Sterk stedelijk gebied’ Gebiedstypering ‘Rest bebouwde kom’. Voor etagewoningen in de categorie huur - midden/goedkoop (inclusief sociale huur) wordt in deze publicatie uitgegaan van gemiddeld 3,6 verkeersbewegingen per woning per dag (gemiddelde van de bandbreedte). Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 64,8 motorvoertuigen per dag als gevolg van de sociale huurwoningen. Voor de woonzorgvoorziening kan voor de verkeersgeneratie worden aangesloten bij de categorie 'verpleeg- en verzorgingstehuis'. De CROW-publicatie gaat voor deze functie uit van gemiddeld 0,6 verkeersbewegingen per wooneenheid. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van circa 19,2 38
motorvoertuigen De totale verkeersgeneratie bedraagt circa 84 verkeersbewegingen per dag. Hierbij wordt opgemerkt dat de basisschool ook een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg had. De Aletta Jacobslaan betreft een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/h. Conform het Verkeers- en Vervoersbeleidsplan Purmerend 2016 bedraagt de maximum intensiteit op een dergelijke weg 5.000 motorvoertuigen per dag. Uit gemeentelijke verkeersmodellen blijkt dat de verkeersintensiteit in de Aletta Jacobslaan ruim onder die norm van 5.000 motorvoertuigen per dag blijft, ook met de extra verkeersgeneratie als gevolg van het onderhavige plan. In dit verband wordt verwezen naar onderstaande afbeeldingen.
Figuur 5.1: Intensiteiten motorvoertuigen per etmaal (basisjaar 2014)
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
Figuur 5.2: Intensiteiten motorvoertuigen per etmaal (basisjaar 2030) Parkeren De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld op 26 mei 2016 en gewijzigd d.d. 12 oktober 2021. Er is een parkeerbalans opgesteld (zie bijlage Parkeerberekening). Hieruit volgt dat, met toepassing van dubbelgebruik, de parkeerbehoefte op het maatgevende moment (werkdag avond) 43 parkeerplaatsen bedraagt. In het ontwerp zijn 54 parkeerplaatsen opgenomen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernormering. 5.13.3 Conclusie De uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot de aspecten verkeer en parkeren is voldoende aangetoond.
5.14 Water 5.14.1 Beleidskader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid 40
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Provinciaal beleid De Watervisie 2021 bevat het waterbeleid van de provincie Noord-Holland. In de Watervisie 2021 worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Dit is gedaan op basis van de thema's veilig en schoon & voldoende. In het waterveiligheidsbeleid wordt landelijk een overstap naar een risicobenadering, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. Met de waterpartners zorgt de provincie voor veilige dijken en keringen en met het waterrobuust inrichten van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden wordt het effect van een eventuele overstroming beperkt.
Schoon en voldoende water is onmisbaar voor een gezonde, productieve en aangename leefomgeving en een soortenrijke natuur. De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. Diepe, watervoerende lagen kunnen worden gebruikt voor energieopslag. Hoogheemraadschap Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie). De Deltavisie is vertaald in een Waterplan (WBP6) voor de middellange termijn. Hierin presenteert het hoogheemraadschap haar koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar het hoogheemraadschap zelf en met anderen aan werken. Het hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die te vinden zijn op www.hhnk.nl/keur.
5.14.2 Analyse In het kader van dit bestemmingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is overleg gepleegd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage Watertoets) is uitgevoerd. In deze waterparagraaf is beschreven op welke wijze wordt omgegaan met het waterbelang. Watersysteem De locatie grenst aan een primaire waterloop, zie figuur 5.1. De huidige brug zal worden verwijderd. De toegang tot het terrein wordt iets verlegd naar het noorden. De entree van de gebouwen en de toegang tot het parkeren is te bereiken via een nieuwe dam (met duiker). Zie figuur 2.1 in Hoofdstuk 2. Voor de nieuwe dam met duiker is door het hoogheemraadschap een watervergunning afgegeven. Ter compensatie wordt in de hoek van het waterlichaam extra water gegraven. Dit is door middel van een waterbestemming geborgd in het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
Figuur 5.1: Uitsnede Legger Wateren 2023 Waterkwantiteit Als gevolg van het bouwplan vindt een beperkte toename van 350 m2 aan verhard en bebouwd oppervlak plaats ten opzichte van de referentiesituatie. Op grond van de Keur geldt een compensatieplicht vanaf een toename aan verharding van 800 m2. Dit oppervlak wordt niet overschreden. Watercompensatie als gevolg van een toename in bebouwd en verhard oppervlak is daarom niet aan de orde. De parkeerplaatsen worden in de vorm van halfverharding gerealiseerd. Waterkwaliteit en riolering In het gebied is sprake van een gemengd rioolstelsel. De gemeente is bezig met grootschalige renovatie van de riolering in Overwhere-Zuid. Het gemengde stelsel wordt stapsgewijs aangepast in een modern gescheiden stelsel. Om hier op in te spelen wordt in het plangebied een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Afstromend hemelwater van verharde oppervlakken wordt eerst voorgezuiverd door een groenvoorziening / berm. 5.14.3 Conclusie Er spelen waterbelangen vanwege de aan te leggen dam met duiker en de ligging nabij een primaire waterloop.
Voor de realisatie van een dam met duiker en werkzaamheden in de nabijheid van de waterloop. Er wordt voor de dam water gecompenseerd in de hoek van het waterlichaam. Er wordt hierdoor op een juiste manier omgegaan met de waterbelangen van HHNK.
42
5.15 Milieu-effectrapportage 5.15.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. 5.15.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. D.11.2
Activiteiten Gevallen De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van heeft op: een stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of ontwikkelingsprojec meer, t, met inbegrip van 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of de bouw van meer woningen omvat, of winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van parkeerterreinen. 200.000 m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Dit betekent dat het verplicht is een vormvrije mer-beoordelingsplicht uit te voeren. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. Wooncompagnie heeft een aanmeldnotitie laten opstellen waarin deze aspecten aan de orde komen (zie bijlage Aanmeldnotitie m.e.r.).
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
5.15.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten.
44
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
6.1
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid
Initiatiefnemer krijgt de beschikking over de gronden in het totale plangebied, met uitzondering van de beleeftuin die in gemeentelijk bezit blijft.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Volgens artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een grondexploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeenteraad besluiten af te wijken van het vaststellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De grond is in eigendom van de gemeente. Voor de ontwikkeling heeft de gemeente een grondexploitatie opgesteld. In een grondexploitatie zijn alle aan het project verbonden kosten en opbrengsten opgenomen. Het kostenverhaal wordt gedekt door de opbrengsten uit de grondverkoop. Hierdoor kan gesteld worden dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Een exploitatieplan is derhalve niet nodig. De vastgoedontwikkeling zal aanvangen nadat de gronden zijn verkocht en geleverd aan de koper. De aanleg en het beheer van de beleeftuin wordt betaald uit het bestaande gemeentelijk budget voor ecologie. Op grond van de aanwezige woningbehoefte (zie paragraaf 3.3.2 en 3.4.3) kan worden geconcludeerd dat er niet voor de leegstand zal worden gebouwd. Op grond van het bovenstaande wordt de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 6.3.2 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. In de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan is overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier( HHNK).
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
6.3.3 Inspraak ingevolge Algemene inspraakverordening gemeente Purmerend De Algemene Inspraakverordening van de gemeente Purmerend bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden kan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het onderhavige geval heeft voorafgaand aan het bestemmingsplan uitgebreid participatie plaatsgevonden. Vanaf 2019 zijn omwonenden geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling door middel van bewonersavonden, informatiebrieven en - video's en e-mails aan individuele bewoners. Er hebben 2 fysieke informatiebijeenkomsten plaatsgevonden en 2 digitale informatiebijeenkomsten. In het plangebied was naast de huidige school een speeltuintje voor de buurt gesitueerd. Door de nieuwbouw komt dit speeltuintje te vervallen. Tijdens de inspreekmogelijkheid bij de commissie SOB op het stadhuis naar aanleiding van de eerste bewonersinformatie bijeenkomst, is door omwonenden aangegeven dat het speeltuintje behouden moest blijven in het zicht van hun woning aan de Aletta Jacobslaan. Hieraan heeft de gemeenteraad gehoor gegeven waardoor in de nieuwe situatie een speeltuintje in het zicht van de omwonenden aan de Aletta Jacobslaan terug moest komen. Als zodanig was in het plan een speeltuintje opgenomen op de dam die toegang biedt tot het plangebied.
Echter, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier geeft voor deze oplossing geen watervergunning. Hetgeen betekende dat voor het speeltuintje in overleg met een delegatie van de omwonenden een nieuwe locatie werd gevonden aan de rechterzijde van de planlocatie. Nadat deze locatie aan de omwonenden middels een brief kenbaar is gemaakt, kreeg de gemeente meerdere signalen dat een speeltuin op deze locatie niet meer gewenst was. Om de geruchten te kunnen staven is onder de omwonenden een enquête gehouden over het al dan niet behouden van de speeltuin. De uitslag was dat 2/3 geen behoefte meer had aan een speeltuin. Als zodanig wordt de speeltuin niet meer in het plangebied gerealiseerd. Wel wordt aan de overzijde van de Aletta Jacobslaan een nieuwe speelplek voor kleine kinderen gerealiseerd. 6.3.4 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Het ontwerpbestemmingsplan heeft - gecoördineerd met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning - gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder een zienswijze indienen. Er zijn in totaal drie zienswijzen ontvangen. In de Nota van beantwoording zienswijzen zijn alle zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien. De zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Daarnaast is een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd.
In dit verband wordt verwezen naar de Nota van beantwoording zienswijzen.
46
Hoofdstuk 7
Juridische planbeschrijving
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
7.1
Planvorm
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Er is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis.
7.2
Bestemmingsregeling
Een aantal regelingen is hieronder toegelicht. Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Voor de gronden van het plangebied is de bestemming Gemengd opgenomen. De gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en (ontsluitings)wegen. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken. Het maximum aantal woningen en de maximum bouwhoogte van hoofdgebouwen is op de verbeelding weergegeven. Artikel 4 Water De gronden waar de watercompensatie is voorzien zijn bestemd als 'Water'. De gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, oeverstroken en bij de bestemming behorende voorzieningen. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bestaande maten van bouwwerken.
Daarnaast zijn in dit artikel de maximale hoogtematen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bepaald en is bepaald
Bestemmingsplan "A. Jacobslaan 7 2024" (vastgesteld)
dat niet-vergunningsvrije antenne-installaties niet zijn toegestaan. Tevens is een regeling m.b.t. ondergronds bouwen opgenomen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe op eigen terrein gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. Hiervoor wordt verwezen naar de in mei 2016 vastgestelde Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Artikel 9 Algemene wijzigingsregel In de Algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind.
Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
48