CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

G Bijlage 3a Toelichting

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Wagenweg 1016.344 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 alinea's met “mededelingen”: 372

Wagenweg 10 - 2020

29

van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld. 4.5.1.2 Analyse Het woningbouwplan ligt binnen de geluidszone van de Burgemeester D. Kooimanweg en de Wagenweg.

De geluidsbelasting van het wegverkeerslawaai is berekend conform rekenmethode II van het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012. De resultaten zijn opgenomen in het Akoestisch onderzoek. Voor de Wagenweg is een verkeersbesluit genomen waarin is bepaald dat hier een maximum snelheid van 30km/h gaat gelden. Net als de overige 30 km/h-straten nabij het plangebied (Toon Dupuisstraat Lambertus Huisengastraat) zijn deze niet onderzoeksplichtig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de straten wel meegenomen in het akoestisch onderzoek. Vanwege de Burgemeester D. Kooimanweg is geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde berekend. In het kader van de Wet geluidhinder zijn geen maatregelen of hogere waarden noodzakelijk. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de Wagenweg een overschrijding veroorzaakt van de grenswaarde die voor gezoneerde wegen geldt. De berekende geluidsbelasting bedraagt maximaal 59 dB. De woningen worden voorzien van een geluidsluwe zijde aan de binnenplaats. Voor de geluidsbelaste gevels wordt geluidwering toegepast zodat voldaan kan worden aan een binnenniveau van 33 dB. Hiermee wordt een acceptabel binnenklimaat gerealiseerd. 4.5.1.3 Conclusie Er zijn met betrekking tot het aspect geluid geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied. 4.5.2

Spoorweglawaai

4.5.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). 4.5.2.2 Analyse In de omgeving van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Enkhuizen - Zaandam. Het plangebied ligt echter buiten de onderzoekszone van deze lijn. 4.5.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.

30

Wagenweg 10 - 2020

4.5.3 Industrielawaai De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 4.5.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in of in de nabijheid van een industrieterrein. 4.5.3.2 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van industrielawaai.

4.6

Geur

4.6.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 4.6.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld, speelt geur hier geen rol. 4.6.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Beleidskader Voor de kwaliteit van de buitenlucht in Nederland zijn normen vastgesteld in de Wet milieubeheer (Wm) (hoofdstuk 5, titel 5.2 “Luchtkwaliteitseisen”, ook wel bekend onder de naam “Wet luchtkwaliteit”). Ruimtelijk-economische projecten kunnen worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden: wanneer er na realisatie voldaan wordt aan de grenswaarden uit de Wm; wanneer het project niet in betekenende mate bijdraagt of; wanneer er door maatregelen of saldering voldoende compensatie plaatsvindt. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie CO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.

Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

Wagenweg 10 - 2020

31

Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet nodig is en dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.7.2 Analyse De ontwikkeling bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.7.3 Conclusie Er is met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.8

Milieuzonering

4.8.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. 4.8.2 Analyse De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Binnen gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. De locatie kan gelet op de diversiteit aan functies als gemengd gebied worden aangemerkt.

Aan de overzijde van de Wagenweg, ten zuiden van het plangebied, geldt een bedrijfsbestemming op basis waarvan bedrijven zijn toegestaan tot maximaal milieucategorie 2 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor bedrijven uit milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 10 meter ten opzichte van een woningen in een gemengd gebied. De woningbouw is voorzien op ruim 20 meter van het bedrijfsperceel en ruim 30 meter van het bedrijfsgebouw. De overige niet-woonfuncties rondom het plangebied hebben betrekking op een school, detailhandel en kantoren. Deze functies verhouden zich wat betreft afstand en invloed op het plangebied goed tot het te ontwikkelen woonprogramma. 4.8.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.

32

Wagenweg 10 - 2020

4.9

Natuurwaarden

4.9.1 Beleidskader IIn ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1.

Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B.

die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III,

Wagenweg 10 - 2020

33

Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a).

Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. 4.9.2 Analyse Er is een toets aan de Wet natuurbescherming uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in het plangebied (zie bijlage Quickscan natuur). Tevens is onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of beschermde gebieden kunnen veroorzaken.

Uit de quickscan volgt dat de bebouwing in het projectgebied mogelijkheden biedt voor verblijfplaatsen van te verwachten soorten de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het projectgebied kan onderdeel uitmaken van een vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Door het uitvoeren van de geplande werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en essentiële vliegroutes en foerageergebied verdwijnen. De groenstructuren in het projectgebied bieden in beperkte mate mogelijkheden om onderdeel uit te maken van een leefgebied van kleine marterachtigen. Uit een door de gemeente uitgevoerde flora en faunacheck (zie bijlage Flora en faunacheck), gebaseerd op een grootschalige inventarisatie van Regelink Ecologie & Landschap, volgt echter dat er geen beschermde soorten in het plangebied te verwachten zijn. In 2018 heeft er in het aangrenzende projectgebied Dorpsloot aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen plaatsgevonden. Tijdens dit onderzoek zijn er geen individuen van kleine marterachtigen aangetroffen. In het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermde nestlocatie aangetroffen. Hier is aanvullend natuuronderzoek naar uitgevoerd (zie bijlage Aanvullend natuuronderzoek). Tijdens dit onderzoek zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels waargenomen.

Er zijn in dit kader geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De bebouwing, bomen en struweel in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels. Het is wenselijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd.

34

Wagenweg 10 - 2020

Het projectgebied kan fungeren als verblijfplaats en leefgebied van algemene amfibieën, egel en muizen. Tijdens de werkzaamheden kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van deze soorten worden vernietigd en individuen mogelijk worden gedood tijdens de werkzaamheden. Algemene amfibieën, egel en muizen zijn van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming vrijgesteld in de provincie Noord-Holland. Hiervoor geldt een meldplicht, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling van deze soorten. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor vrijgestelde soorten. Overige beschermde soorten worden in het projectgebied, waar de geplande werkzaamheden plaatsvinden, niet verwacht voor te komen door het ontbreken van geschikt habitat. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen is het 'Wormer en Jisperveld & Kalverpolder' op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. Omdat negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied niet op voorhand zijn uit te sluiten, is een stikstofberekening uitgevoerd met de Aeriuscalculator (zie bijlage Onderzoek stikstofdepositie). Hieruit volgt dat de maximale projectbijdrage in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen.

De stikstofdepositie leidt niet tot significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. 4.9.3 Conclusie Op grond van de resultaten van de uitgevoerde flora en faunacheck en het onderzoek dat is uitgevoerd naar kleine marterachtigen in het aangrenzende projectgebied Dopsloot, is aanvullend onderzoek naar vleermuizen en kleine marterachtigen niet noodzakelijk. Uit aanvullend natuuronderzoek naar jaarrond beschermde nesten volgt dat deze niet aanwezig zijn en geen vervolgacties nodig zijn. Het is aan te bevelen om de geplande werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (broedseizoen is globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn, mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet worden verstoord. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.

4.10

Planologisch relevante leidingen

4.10.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 4.10.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project. 4.10.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan.

Wagenweg 10 - 2020

35

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. 4.11.2 Analyse Verkeersaantrekkende werking Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen, is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 'Kencijfers Verkeersgeneratie en Parkeren'. Deze kencijfers geven een bandbreedte tussen een minimum en een maximumwaarde. In dit geval wordt het gemiddelde aangehouden. Hierbij zijn de volgende karakteristieken toegepast: Stedelijkheidsgraad ‘Sterk stedelijk gebied’ Gebiedstypering ‘Rest bebouwde kom’. Voor etagewoningen in de categorie huur - midden/goedkoop wordt in deze publicatie uitgegaan van gemiddeld 3,6 verkeersbewegingen per woning per dag (gemiddelde van de bandbreedte). Dit leidt tot een verkeersgeneratie van circa 472 motorvoertuigen per dag als gevolg van het plan (zie tabel 1). Gemotoriseerd verkeer van en naar het plangebied ontsluit via de Wagenweg naar de Hoornselaan of de Burgemeester D. Kooimanweg.

De Wagenweg betreft een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/h. Conform het Verkeers- en Vervoersbeleidsplan Purmerend 2016 bedraagt de maximum intensiteit op een dergelijke weg 5.000 motorvoertuigen per dag. Met de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan, blijft de verkeersintensiteit onder deze norm. Voor toekomstige ontwikkelingen vormt dit echter wel een aandachtspunt. In het Verkeersmodel gemeente Purmerend Technische rapportage (Verkeersmodel gemeente Purmerend - Technische rapportage, Goudappel Coffeng, 2 juni 2017) is voor het prognosejaar 2030 het aantal verkeersbewegingen per wegvak per dag berekend. Voor het Wagenweggebied is in deze rapportage uitgegaan van de realisatie van 295 extra woningen de komende jaren. De nu concrete ontwikkelingen voor de Dopsloot, Wagenweg 9 en Wagenweg 10 betreffen samen 270 nieuwe woningen. De Wagenweg betreft een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/h. Conform het Verkeers- en Vervoersbeleidsplan Purmerend 2016 bedraagt de maximum intensiteit op een dergelijke weg 5.000 motorvoertuigen per dag. Uit de onderstaande afbeelding uit Bijlage 4 van het Verkeersmodel blijkt dat met de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan, de verkeersintensiteit onder de gehanteerde norm blijft. Voor toekomstige ontwikkelingen vormt dit echter wel een aandachtspunt.

36

Wagenweg 10 - 2020

Figuur 12: Intensiteiten motorvoertuigen per etmaal voor prognosejaar 2030 (Bron: Verkeersmodel gemeente Purmerend, 2 juni 2017) Uit het verkeersonderzoek dat is uitgevoerd voor de locatie Dopsloot, volgt dat de capaciteit van de kruisingen van de Wagenweg met de Hoornselaan en Burgemeester D. Kooimanweg uitgebreid dient te worden. De gemeente Purmerend voert hiervoor momenteel onderzoek uit naar de mogelijkheden. Parkeren Voor het Wagenweggebied heeft de gemeente Purmerend een Ambitiedocument geschreven. Hierin is opgenomen hoe het Wagenweggebied getransformeerd kan worden van een bedrijventerrein naar een mooie nieuwe stadswijk. Deze transformatie vindt plaats door per ontwikkeling “maatwerk” te leveren. Voor de 131 te realiseren woningen aan de Wagenweg 10 geldt net als bij andere ontwikkelingen in het Wagenweggebied dat het de ambitie is om de benodigde parkeernormen af te stemmen op de functie, doelgroep en het wenselijke gebruik in een stedelijk gebied. Voor de te realiseren 131 woningen is een parkeerbalans opgesteld (zie bijlage Parkeerbalans). De ontwikkeling ligt in een gereguleerde zone met vergunninghoudersparkeren/ betaald parkeren. Dit parkeerregime is op 1 september 2019 ingevoerd. In het bouwplan is voorzien in 124 parkeerplaatsen, waarvan 91 parkeerplaatsen op het besloten middenterrein achter de woningen worden gerealiseerd.

Aan 83 van de vrije-sector woningen is een

Wagenweg 10 - 2020

37

parkeerrecht voor het gebruik van 1 parkeerplaats op het middenterrein verbonden, de overige 8 parkeerplaatsen op het middenterrein zijn bedoeld voor bezoekers van de vrije-sector woningen. Aan de straatzijde van de woningen worden in het openbare gebied 33 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. De bewoners van de sociale huurwoningen komen (mits in het bezit van een auto) in aanmerking voor maximaal 1 parkeervergunning per woning waarbij gebruik gemaakt kan worden van alle parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Voor de middeldure en vrije sectorhuurwoningen is met de ontwikkelaar afgesproken dat de nulvergunningenregeling van toepassing is. Dit betekent dat de bewoners van de middeldure en vrije sectorhuurwoningen niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning voor parkeren in de openbare ruimte. Daarmee ontstaat het volgende overzicht van de binnen het project te realiseren parkeercapaciteit: Binnenterrein, bewonersparkeren: 83 parkeerplaatsen met parkeerrecht Binnenterrein, bezoekersparkeren: 8 parkeerplaatsen Straatparkeren voor bewoners van de sociale huurwoningen en bezoekers: 33 parkeerplaatsen Totaal 124 parkeerplaatsen. Voor sociale huurwoningen hanteert de gemeente Purmerend doorgaans een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning. In dit geval komen alle sociale huurwoningen in aanmerking voor maximaal 1 parkeervergunning.

In de parkeerbehoefte is rekening gehouden met de te verwachten bezetting in het (maximale) scenario waarin voor alle sociale huurwoningen één vergunning wordt aangevraagd. Uit het parkeeronderzoek volgt dat ook met dit uitgangspunt wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen in relatie tot de parkeerbehoefte. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat het hiervoor genoemde aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd. 4.11.3 Conclusie De aspecten 'Verkeer en Parkeren' leveren geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.12

Water

4.12.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.

Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld

38

Wagenweg 10 - 2020

worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.

Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Deltawet, Deltaprogramma en Detaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma voor 2018 is op Prinsjesdag 2017 verschenen en gepresenteerd. Het bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk nationaal plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Het is een grote en langdurige opgave om Nederland op heel veel plaatsen anders in te richten, om zo de toenemende schade door wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen te verminderen. Deze opgave verschilt bovendien van plaats tot plaats. Dit deltaplan behelst de aanpak om te werken aan deze grote, locatiespecifieke opgave.

Daarbij doet dit deltaplan recht aan de belangrijkste aanbevelingen uit de evaluatie van de Deltawet, door integratie van opgaven en participatie van niet-overheden, maatschappelijke organisaties en burgers te stimuleren en de slagkracht op lokaal en regionaal niveau te vergroten met een voorstel voor de governance. Dit moet uiteindelijk leiden tot een langjarige en planmatige aanpak van wateroverlast, hittestress en droogte en het beperken van de gevolgen van overstromingen. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is onderdeel van het Deltaprogramma. Net als de andere deltaplannen wordt het jaarlijks geactualiseerd. De deltacommissaris doet daar ieder jaar een voorstel voor. Met dit Deltaplan Ruimtelijke adaptatie geeft de regering ook invulling aan de genoemde moties van de Tweede Kamer. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer.

Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 4.12.2 Analyse Waterkwantiteit In 2013 zijn de bedrijfsgebouwen op het noordelijk deel van het plangebied gesloopt, waarna deze

Wagenweg 10 - 2020

39

gronden onverhard braak zijn komen te liggen. Voor het bepalen van de eventuele verhardingstoename kan worden uitgegaan van de referentiesituatie voor 2013. Zoals in figuur 13 is weergegeven was het plangebied toen vrijwel volledig bebouwd en verhard. Als gevolg van het bouwplan vindt hooguit een lichte toename aan verhard en bebouwd oppervlak plaats ten opzichte van de referentiesituatie. Op grond van de Keur geldt een compensatieplicht vanaf een toename aan verharding van 800 m2. Dit oppervlak wordt niet overschreden. Watercompensatie als gevolg van een toename in bebouwd en verhard oppervlak is daarom niet aan de orde. Ten behoeve van het vertraagd afvoeren van hemelwater zullen er infiltratiekratten onder het aan te leggen binnenterrein worden geplaatst of er zal tijdelijke opslag van hemelwater in de kelder plaatsvinden. De mogelijkheden worden momenteel onderzocht. Het onderhavige bestemmingsplan staat beide varianten toe.

Figuur 13: Luchtfoto uit 2013 Waterkwaliteit en riolering In het gebied is sprake van een gemengd rioolstelsel. De gemeente is bezig met grootschalige renovatie van de riolering in Overwhere-Zuid. Het gemengde stelsel wordt stapsgewijs aangepast in een modern gescheiden stelsel. Om hier op in te spelen wordt in het plangebied een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Watertoets In het kader van dit bestemmingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage Watertoets). Vanwege de ligging nabij de primaire waterloop Dopsloot en de toename aan verharding zijn er waterbelangen en dient de normale procedure te worden doorlopen. Als gevolg hiervan heeft nadere afstemming met HHNK plaatsgevonden. In deze waterparagraaf is beschreven op welke wijze wordt omgegaan met het waterbelang. 4.12.3 Conclusie Er spelen waterbelangen vanwege de ligging nabij de primaire waterloop en de toename aan verharding.

Met HHNK heeft afstemming plaats gevonden. Ter compensatie van de toename aan verharding wordt voorzien in een systeem dat zorgt voor een vertraagde afvoer van hemelwater. Voor de werkzaamheden in de nabijheid van de waterloop geldt een vergunningsplicht vanuit de Keur van HHNK. Er wordt hierdoor op een juiste manier omgegaan met de waterbelangen van HHNK.

40

Wagenweg 10 - 2020

4.13

Bezonning

4.13.1 Kader Naarmate de breedte of hoogte van een gebouw groter is, neemt het negatieve effect op de bezonning van de omgeving toe. Hoogbouwinitiatieven dienen daarom te worden onderworpen aan een bezonningsonderzoek. 4.13.2 Analyse Ten behoeve van de ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage Bezonningsstudie), waarbij de schaduwval van de nieuwe situatie inzichtelijk is gemaakt.De zonnestudie is uitgevoerd voor de dagen 21 maart, 21 juni en 21 september. Op deze dagen is de schaduwwerking in beeld gebracht om 9:00 uur, 12:00 uur en 15:00 uur. Uit de studie volgt dat er voor de woningen aan de oostzijde van het plan schaduwwerking optreedt in de middag en/of avond. De schaduwwerking vindt slechts op een beperkt deel van de dag plaats en als gevolg van het plan vindt vrijwel geen schaduwwerking plaats in de achtertuinen van deze woningen. 4.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan niet leidt tot onevenredige schaduwwerking op nabijgelegen percelen. Er is met betrekking tot het aspect schaduwwerking geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.14

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

4.14.1 Beleidskader In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. De wijzigingen gelden met terugwerkende kracht vanaf 16 mei 2017. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). 4.14.2 Analyse Uit het uitgevoerde natuuronderzoek en het onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat de ontwikkeling geen invloed heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarnaast wordt de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage niet overschreden. De voorgenomen ontwikkeling is daarom niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een 'stedelijk ontwikkelingsproject', is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten.

Er is een aanmeldingsnotitie opgesteld waarmee invulling wordt gegeven aan de vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage Aanmeldingsnotitie m.e.r.). De kenmerken van de activiteit en de mogelijke gevolgen voor het milieu geven geen aanleiding voor een milieueffectrapportage. 4.14.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een m.e.r. op te starten.

Wagenweg 10 - 2020

41

42

Wagenweg 10 - 2020

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.

5.1

Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid

Initiatiefnemer heeft de beschikking over de gronden in het totale plangebied. De gronden aan de randen van het plangebied die worden ingericht ten behoeve van parkeren en groen zullen na inrichting worden overgedragen aan de gemeente.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Volgens artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een grondexploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeenteraad besluiten af te wijken van het vaststellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemeente Purmerend heeft in het kader van de ontwikkeling en realisatie van dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer Bot Bouw B.V.. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten verzekerd. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De gemeente acht deze partij in staat om de kosten voor ontwikkeling van het plan te dragen. Op grond van de aanwezige woningbehoefte (zie paragraaf 3.3.3 en 3.3.4) kan worden geconcludeerd dat er niet voor de leegstand zal worden gebouwd. Op grond van het bovenstaande wordt de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd.

5.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 5.3.2 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. Het ontwerpbestemmingsplan is toegestuurd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Zoals in paragraaf 4.12 is beschreven heeft voorafgaand hieraan afstemming met HHNK plaatsgevonden.

5.3.3 Inspraak ingevolge Algemene inspraakverordening gemeente Purmerend De Algemene Inspraakverordening van de gemeente Purmerend bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden kan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het onderhavige geval is het project van zodanig omvang en aard dat besloten is om af te zien van de procedure op grond van de inspraakverordening.

Wagenweg 10 - 2020

43

5.3.4 Participatie omgeving Overleg met omwonenden, bedrijven en stakeholders in het Wagenweggebied over de kaders van de herontwikkeling van het Wagenweggebied heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van het Ambitiedocument Wagenweggebied. Onderhavige ontwikkeling past binnen deze kaders. Voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure is op 3 maart 2020 door de initiatiefnemer een informatieavond georganiseerd waarvoor omwonenden zijn uitgenodigd om kennis te nemen van het plan. De reacties waren overwegend positief. Omwonenden die meer informatie willen over bijvoorbeeld de verkeersafwikkeling of de wijze van bouwen worden hierover geïnformeerd per brief, e-mail of in een persoonlijk gesprek. 5.3.5 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning hebben, vergezeld van de daarop betrekking hebbende relevante stukken, met ingang van 14 september tot en met 26 oktober 2020 ter inzage gelegen. Gedurende de periode van ter inzage ligging is een ieder in de gelegenheid gesteld (schriftelijk of mondeling) zienswijzen omtrent de ontwerpen van de besluiten naar voren te brengen. Hiervan is melding gemaakt door middel van voorafgaande kennisgeving in de rubriek 'officiële mededelingen' zoals gepubliceerd in het Purmerends Nieuwsblad d.d. 10 september 2020, alsmede in de editie van de Staatscourant van dezelfde datum.

In beide publicaties is verwezen naar de mogelijkheid stukken digitaal te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl. Naar aanleiding hiervan zijn binnen de daarvoor openstaande termijn 2 schriftelijke zienswijzen ontvangen. Er is een Nota zienswijzen opgesteld waarin de zienswijzen van beantwoording zijn voorzien (bijlage Nota zienswijzen). Eén zienswijze heeft geleid tot enkele aanpassingen in de toelichting van dit bestemmingsplan en de bijlagen. Deze aanpassingen zijn in de Nota zienswijzen beschreven. Na een beroepstermijn van zes weken treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wro een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisisen Herstelwet van toepassing. Bij eventueel beroep leidt dit tot een versnelde behandeling bij de Raad van State, geen mogelijkheid tot pro-forma beroep en een verplichte toepassing van het relativiteitsbeginsel.

44

Wagenweg 10 - 2020

Hoofdstuk 6

Juridische planbeschrijving

Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.

6.1

Planvorm

Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Gelet op de hardheid van de bouwplannen en het enkelvoudige programma (Wonen met daarbij behorende openbare ruimte) is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn de functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. Rondom de beoogde nieuwbouw is op de verbeelding een marge aangehouden zodat ondergeschikte wijzigingen in het plan niet direct leiden tot een overschrijding van de bestemmingsgrenzen. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden.

Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis.

6.2

Bestemmingsregeling

Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer - 2 De bestemming Verkeer-2 is toegekend aan gronden met een verkeers- of verblijfsfunctie. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, het verzamelen van huisvuil, groen- en waterpartijen en kleine nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en dergelijke. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'terras' is een bebouwing toegestaan in de vorm van een verhoogd, gemeenschappelijk terras. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'kelder' is een ondergrondse kelder toegestaan. Artikel 4 Wonen De gronden waar de appartementengebouwen zijn voorzien hebben de bestemming 'Wonen'. Op basis van deze bestemming mogen in totaal 131 woningen worden gebouwd binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken. De hoogte van de gebouwen mag aan de zuidzijde maximaal 17 meter bedragen en aan de overige zijden maximaal 14 meter. Ter plaatse van de bouwaanduiding 'onderdoorgang' is een onderdoorgang toegestaan. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'kelder' is een ondergrondse kelder toegestaan. Artikel 5 Waarde - Archeologie 1 De gronden waar mogelijk archeologische waarden aanwezig zijn, zijn tevens bestemd met de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1.

Voordat bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden met een omvang groter dan 500 m2 en dieper dan 50cm, dient door middel van archeologisch onderzoek te worden aangetoond dat deze werkzaamheden niet leiden tot een verstoring van archeologische resten.

Wagenweg 10 - 2020

45

Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bouwwerken die op twee of meer bestemmingen van toepassing zijn. Ondergrondse bouw De regels die van toepassing zijn op bovengrondse bouw zijn ook van toepassing op ondergrondse bouw. Het onderhavige bestemmingsplan verbindt daar de regel aan dat qua diepte ondergrondse bouw beperkt moet blijven tot ten hoogste één bouwlaag. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe op eigen terrein gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. In het bestemmingsplan is een parkeernorm opgenomen die past bij de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

46

Wagenweg 10 - 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9574754/1