F-toelichting
Tekst van het document
Ten slotte wordt ook rekening gehouden met parkeerplaatsen voor bezorgdiensten, als reactie op het toenemend succes van deze diensten en ter voorkoming dat hiertoe ongewenste parkeer- en verkeerssituaties ontstaan in de openbare ruimte. 4.11.3 Conclusie De uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot de aspecten verkeer en parkeren is voldoende aangetoond.
4.12 Water 4.12.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden.
Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig 48
en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.
Deltawet, Deltaprogramma en Detaplan Ruimtelijke Adaptatie Het Deltaprogramma voor 2018 is op Prinsjesdag 2017 verschenen en gepresenteerd. Het bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk nationaal plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen versnelt en intensiveert. Het is een grote en langdurige opgave om Nederland op heel veel plaatsen anders in te richten, om zo de toenemende schade door wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen te verminderen. Deze opgave verschilt bovendien van plaats tot plaats. Dit deltaplan behelst de aanpak om te werken aan deze grote, locatiespecifieke opgave. Daarbij doet dit deltaplan recht aan de belangrijkste aanbevelingen uit de evaluatie van de Deltawet, door integratie van opgaven en participatie van niet-overheden, maatschappelijke organisaties en burgers te stimuleren en de slagkracht op lokaal en regionaal niveau te vergroten met een voorstel voor de governance. Dit moet uiteindelijk leiden tot een langjarige en planmatige aanpak van wateroverlast, hittestress en droogte en het beperken van de gevolgen van overstromingen. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is onderdeel van het Deltaprogramma. Net als de andere deltaplannen wordt het jaarlijks geactualiseerd.
De deltacommissaris doet daar ieder jaar een voorstel voor. Met dit Deltaplan Ruimtelijke adaptatie geeft de regering ook invulling aan de genoemde moties van de Tweede Kamer.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het HHNK opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het HHNK over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 4.12.2 Analyse Watertoets Ten behoeve van dit bestemmingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is de digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage 17 Watertoets).
Vanwege de ligging binnen de zonering van een regionale waterkering is sprake van een waterbelang en dient de normale procedure te worden doorlopen. In dit kader heeft er in augustus 2020 en januari 2021 overleg met HHNK plaatsgevonden. De resultaten zijn hieronder beschreven.
Waterkwantiteit Op afbeelding 4.1 is de huidige en toekomstige situatie weergegeven met betrekking tot de aanwezigheid van water en verhard oppervlak binnen het plangebied. Er wordt 55 m2 aan water gedempt en 163 m2 teruggegraven binnen het plangebied. De toename aan verhard oppervlak
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
bedraagt 1.994 m2.
Afbeelding 4.1: Oppervlakte verharding bestaand en toekomstig
Er geldt een compensatiepercentage van 12% ten opzichte van de toename aan verhard oppervlak. De mogelijkheden voor het realiseren van open water zijn zeer beperkt. Verbreding van de spoorsloot is alleen mogelijk als er een beschoeiing wordt toegepast. Er zijn daarnaast verschillende alternatieve mogelijkheden die zorgen voor het vertraagd afvoeren van hemelwater. Hierbij wordt gedacht aan toepassing van mossedum daken, daktuinen, infiltratiekratten en halfverharding. In het ontwerp zal dit verder worden uitgewerkt. Indien daktuinen met wateropvang worden toegepast wordt dit oppervlak als onverhard aangemerkt en geldt hiervoor geen compensatieplicht. De voorgenomen ontwikkeling beschikt over een daktuin van ruim 3.000m2. Deze daktuin zal (deels) worden benut om wateropvang te realiseren.
Waterkwaliteit en riolering In het gebied is sprake van een gemengd rioolstelsel. De gemeente is bezig met grootschalige renovatie van de riolering in Overwhere-Zuid. Het gemengde stelsel wordt stapsgewijs aangepast in een modern gescheiden stelsel. Om hier op in te spelen wordt in het plangebied een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Afstromend hemelwater van verharde oppervlakken zal eerst voorgezuiverd worden door een berm of bodempassage. Om doorspoeling in de aanwezige waterloop te krijgen wordt op de kop van de dijksloot een regenwateruitlaat gerealiseerd.
Waterkering Het plangebied ligt deels binnen het profiel van vrije ruimte (PVVR) van de waterkering langs de Where. Het PVVR heeft een breedte van 28,5 meter, haaks op de beschoeiing van de Where. Door HHNK is aangegeven dat er binnen het profiel van vrije ruimte (PVVR) niet mag worden gebouwd, ook niet boven het PVVR. In het ontwerp is hier rekening mee gehouden. Voor de toekomst is er 50
voldoende ruimte benodigd voor eventuele dijkversterking middels een grondoplossing. De gronden die liggen binnen de beschermingszone van de waterkering, hebben in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering gekregen. In deze dubbelbestemming zijn regels opgenomen ter bescherming van de waterkering.
Beheer en onderhoud De spoorsloot is in beheer en onderhoud bij het HHNK. In de huidgie situatie is de spoorsloot niet machinaal te onderhouden door het HHNK. In de toekomstige situatie is dit ook niet goed mogelijk in verband met de parkeerplaatsen die hier gerealiseerd zullen worden. Het HHNK is in overleg met ProRail om de spoorsloot volledig door hen te laten onderhouden (met uitzondering van de droge oever inclusief beschoeiing, die blijft voor de aanliggend eigenaar). Mocht blijken dat dit niet mogelijk is, dan is de gemeente verplicht de spoorsloot te onderhouden. De dijksloot kan en zal vanaf het fietspad op de dijk machinaal worden onderhouden door het HHNK. 4.12.3 Conclusie Er is sprake van een waterbelang vanwege de toename aan verhard oppervlak, de ligging nabij de regionale waterkering en de invloed op het onderhoud van de nabijgelegen watergang. In het plan is rekening gehouden met deze aspecten en is overleg gevoerd met HHNK. De toename aan verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het deels benutten van de daktuin voor wateropvang.
4.13 Bezonning 4.13.1 Kader Naarmate de breedte of hoogte van een gebouw groter is, neemt het negatieve effect op de bezonning van de omgeving toe. In de gemeentelijke Hoogbouwvisie is aangegeven dat hoogbouwinitiatieven in een vroeg stadium moeten worden onderworpen aan een bezonningsonderzoek. 4.13.2 Analyse Omdat de torens aan de oostkant van het complex, bij het spoor zijn gesitueerd houden zij afstand tot zowel de bebouwing aan de Kooimanweg als de woningen in de Planetenbuurt. Langs de Where en bij het plein naast het winkelcentrum is veel open ruimte. Ten behoeve van de ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 2 Hoogbouweffectrapportage), waarbij de schaduwval van de nieuwe situatie inzichtelijk is gemaakt. De zonnestudie is uitgevoerd voor de dagen 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. Uit de studie volgt dat er voor woningen aan de overzijde van de Burgemeester D. Kooimanweg, aan de Veilinghof en Lambertus Huisengastraat, in de winter, het voorjaar en het najaar schaduwwerking optreedt in de ochtend. De schaduwwerking vindt slechts op een beperkt deel van de dag plaats. Aan de andere zijde, aan de overzijde van het spoor, vindt in de zomeravonden schaduwwerking plaats op enkele woningen aan de Saturnusstraat.
De schaduwwerking vindt hier plaats als gevolg van het centrale hoogteaccent van het gebouw en vindt daarom slechts beperkte tijd plaats. In de gemeentelijke hoogbouwvisie (paragraaf 3.4.5) zijn vuistregels opgesteld voor wat betreft bezonning. Daarbij wordt uitgegaan van de zgn. 'lichte norm' van het TNO. De 'lichte norm' van TNO gaat uit van ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in 'midden vensterbank binnenkant raam' van de woonkamer. Uit de uitgevoerde bezonningsstudie (opgenomen in de Hoogbouweffectrapportage) kan worden opgemaakt dat ruimschoots wordt voldaan aan deze lichte TNO-norm. In de Hoogbouwvisie heeft de gemeenteraad aangegeven dat het acceptabel wordt gevonden dat een bestaande woning
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
t.o.v. de uitgangssituatie per dag 3 uur (in de periode 1 april tot 1 september) bezonning op de gevel inlevert door de komst van hoogbouw. Uit de uitgevoerde studie op basis van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, volgt dat er 11 woningen aan de Veilinghof en 12 woningen in het Plateel zijn die minimaal 3 uur zon per dag verliezen. Uit de beoordeling van de actuele ontwerptekeningen volgt dat er aan de Veilinghof 2 woningen en aan het Plateel 3 woningen 3 uur en 15 minuten zon per dag verliezen. Dit verlies aan zonlicht komt voornamelijk ‘s ochtends in de maand augustus voor. Dit verlies is aanvaardbaar omdat in de huidige situatie de bestaande bebouwing aan de Burgemeester D. Kooimanweg 4-14 voor een binnenstedelijke omgeving erg laag is, waardoor in de lente en zomer al vanaf zonsopkomst in de vroege ochtend zonlicht op de gevels aan het Veilinghof en de Lambertus Huisengastraat valt. Ter voorkoming dat bij de uitwerking van het plan een groter verlies aan zonlicht optreedt voor de woningen aan het Veilinghof en de Lambertus Huisengastraat, kunnen Burgemeester en Wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing. 4.13.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de actuele ontwerptekening niet leidt tot onevenredige schaduwwerking op nabijgelegen percelen.
Omdat dit met de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt wel zou kunnen ontstaan, kunnen Burgemeester en Wethouders in dat geval nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing. Met deze regeling is geborgd dat er met betrekking tot het aspect schaduwwerking geen onevenredig nadelige effecten kunnen ontstaan.
4.14 Windhinder 4.14.1 Kader Met name de effecten van valwinden rond hoogbouw hebben grote invloed op het functioneren van de openbare ruimte in de direct omgeving, zeker in relatie met de eis voor een 'goede' plint. Het is dan ook van belang de gebouwen al in een vroeg stadium aan een windhinderonderzoek te onderwerpen om overlast in de omgeving van het gebouw te voorkomen. Voor de beoordeling van het windklimaat wordt in Nederland de norm NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' gehanteerd. Deze norm geeft aan wanneer en hoe onderzoek naar het windklimaat in de gebouwde omgeving verricht moet worden. Ook geeft het aan welke normen bij de beoordeling van windklimaat gelden. De norm geeft aan dat voor beschut liggende gebouwen tot een hoogte van 15 meter geen windonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Voor beschut liggende gebouwen tussen de 15 en 30 meter hoog en voor onbeschut liggende gebouwen tot 30 meter hoog is de hulp van een deskundige vereist om te beoordelen of wel of niet onderzoek moet worden verricht. Voor gebouwen hoger dan de 30 meter is altijd onderzoek naar windhinder nodig.
52
4.14.2 Analyse Voor het bouwplan is onderzoek uitgevoerd naar het toekomstig windklimaat (zie bijlage 19 Windklimaatonderzoek 2 november 2021). Het ontwerp is erop gericht om het windklimaat op straatniveau ondanks de ongunstige oriëntatie van het gebied goed te houden. Dit is van groot belang voor voetgangers en fetsers rondom het gebouw. Het windhinderonderzoek dat op basis van een oud ontwerp is uitgevoerd in de windtunnel (zie bijlage 18 Windklimaatonderzoek 26 april 2021) toonde een aantal locaties op maaiveldniveau waar een slecht windklimaat of gevaarlijke situaties ontstonden. Het bouwplan is naar aanleiding van de onderzoeksresultaten aangepast. De toren aan de noordzijde is met vijf verdiepingen verlaagd ten opzichte van de massa. Ook zijn openingen in de bebouwing langs het spoor gedicht zodat de wind hier geen vrij spel heeft. Daarnaast wordt de beplanting van de daktuinen met aandacht voor het windklimaat ontworpen. Dit zorgt ervoor dat de binnentuinen behaaglijke collectieve buitenruimten worden. Verder worden er bomen, hagen en struiken toegepast om het windklimaat op straatniveau te verbeteren. Mede daardoor lukt het om het windklimaat langs het fietspad van de Burgemeester D. Kooimanweg veilig te houden. Rondom het gebouw wordt ten minste een matig windklimaat gerealiseerd en waar mogelijk een goed windklimaat. Het toevoegen van groen langs de Burgemeester D.
Kooimanweg past in de visie van de gemeente. Tevens wordt groen toegevoegd bij de Where en op een aantal plekken op het parkeerterrein. De aan te planten bomen zullen in eerste instantie nog niet de benodigde grootte hebben bereikt. De reden hiervoor is dat het vrijwel onmogelijk is bomen van een dergelijke grootte van elders hierheen te verplaatsen en aan te laten slaan. Deze bomen zullen nog een aantal jaren nodig hebben om de benodigde grootte te bereiken. Omdat het nieuwe plein ten opzichte van de Burgemeester D. Kooimanweg in een nis is gesitueerd, is de openbare ruimte beschut voor de zuidwestenwind. Dit maakt het plein een fijne plek in de luwte om te verblijven. Tot slot is bij het situeren van de entrees rekening gehouden met het windklimaat. Ter plaatse van de entrees is getoetst aan strengere eisen waar aan wordt voldaan. Bij het betreden of verlaten van het gebouw is aldus sprake van een veilig windklimaat. 4.14.3 Conclusie Het aspect windhinder staat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg, mits er bepaalde maatregelen worden toegepast. In dit kader is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
4.15 Trillingshinder 4.15.1 Kader Voor de beoordeling van trillingen is in Nederland geen wetgeving van toepassing. Wel heeft de SBR (Stichting Bouwresearch) richtlijnen uitgebracht op het gebied van trillingen (meet- en beoordelingsrichtlijnen). Dit zijn landelijk geaccepteerde richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingen in gebouwen. De SBR richtlijn – deel A "schade aan gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft grenswaarden met betrekking tot schade. De SBR richtlijn – deel B "Hinder voor personen in gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft streefwaarden met betrekking tot hinder. De SBR richtlijn – deel C "Storing aan apparatuur" geeft een procedure voor het meten van trillingen aan opgestelde apparatuur en geeft streefwaarden met betrekking tot het voorkomen van storingen aan deze apparatuur.
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
4.15.2 Analyse In verband met de naastgelegen spoorlijn is een onderzoek uitgevoerd naar trillingshinder (zie bijlage 20 Onderzoek trillingshinder). Het onderzoeksrapport beschrijft de te verwachten trillingsniveaus afkomstig van het spoor waarbij het plan is getoetst aan de streefwaarden van de SBR richtlijn - deel B. Tijdens een bemande maaiveldmeting als een twee weken durende onbemande meting zijn alle gemeten waarden voor de maximale voortschrijdende effectieve trillingssnelheid kleiner dan 0.1. Dat betekent dat trillingshinder in het toekomstige gebouw niet aannemelijk is. Het toekomstige gebouw langs het spoor wordt gefundeerd en heeft in basis voldoende massa. Toch is het advies om bij het ontwerp en de realisatie van het gebouw trillingen te blijven beschouwen. Dat betekent dat het geadviseerd wordt om het aspect stijfheid mee te nemen bij het ontwerp en niet enkel te toetsen of de constructie constructief voldoet. 4.15.3 Conclusie Het aspect trillingshinder staat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied niet in de weg.
4.16 Duurzaamheid 4.16.1 Beleidskader Het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 vormt de basis voor het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid zoals verwoord in de Duurzaamheidsagenda 2020-2023. De volgende thema's staan centraal: 1. Duurzaamheid in de gebouwde omgeving: uitvoering Proeftuin Aardgasvrij. uitbreiding capaciteit en netwerk van Stadsverwarming Purmerend. transitievisie Warmte die wordt vertaald in Wijkuitvoeringsplannen, waarbij per wijk wordt aangegeven welke niet-fossiele warmtebronnen in aanmerking komen. verduurzaming van de bestaande woningvoorraad ondersteunen met subsidies en duurzaamheidsleningen. 2. Duurzame bedrijven: verminderen CO2-uitstoot bedrijven; bedrijfsterreinen duurzaam revitaliseren; gebruik van duurzame grondstoffen. versterking circulariteit van grondstoffen. 3. Duurzame mobiliteit: streven naar instandhouding van het fijnmazig openbaar vervoerssysteem; versterken laadinfrastructuur elektrische voertuigen door inventariseren mogelijke locaties voor het plaatsen van laadpalen; uitbreiding aantal laadpunten met in achtneming voldoende spreiding over de gemeente. toepassen van alternatieve (bio-)motorbrandstoffen; vermindering CO2-uitstoot voertuigen. 4. Duurzame energie: aanjagen initiatieven voor duurzame energieproductie. 5.
Duurzame stad en regio: regionale Energiestrategie waarin wordt aangegeven welke niet-fossiele energiebronnen kunnen worden benut en waar deze ruimtelijk kunnen worden ingepast. benutting van subsidie-mogelijkheden. 6. Duurzame gemeente: 54
streven naar 75% van het afval gescheiden ophalen; klimaatbestendigheid bebouwde kom Purmerend vergroten; klimaatadaptief bouwen; duurzaam inkoop- en aanbestedingsbeleid gemeente; actieve informatieverstrekking over investeringsmogelijkheid en in energieopwekking en -besparing door invulling van een lokaal informatieloket. verduurzamen gemeentelijk vastgoed; stimulering verduurzaming Schoolgebouwen. stimuleren Duurzame vaarrecreatie. 4.16.2 Analyse De gebouwen worden niet aangesloten op het gasnet. Er wordt centraal een collectieve warmptepompinstallatie geplaatst voor de levering van warmte (en koeling) op lage temperatuur voor ruimteverwarming (en koeling).De bodem dient als bron voor de warmtepomp waarbij koeling direct vanuit de bron geleverd wordt. Dit is energetisch gunstig en zorgt in het hedendaagse warme klimaat voor wooncomfort. Voor de levering van warmtapwater wordt gebruik gemaakt van een aansluiting op het stadsverwarmingsnet of van hoogtemperatuur warmtepompen. Door de twee grote daktuinen is een aanzienlijk deel van het dakoppervlak groen. Daarnaast worden er groene gevels toegepast waar de daktuin (op de tweede verdieping) aan de openbare ruimte grenst. Dit is gunstig voor de waterhuishouding en gaat opwarming van de stad tegen.
Daarnaast is het gebouw met haar constructieve opzet en hogere begane grondverdieping gemakkelijker opnieuw in te delen in de toekomst. Indien dit nodig is kunnen in de toekomst andere functies worden ingepast op de begane grond of woningen worden samengevoegd /gesplitst. 4.16.3 Conclusie Met de in de voorgaande paragraaf beschreven duurzaamheidsmaatregelen wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid.
4.17 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.17.1 Beleidskader In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. De wijzigingen gelden met terugwerkende kracht vanaf 16 mei 2017. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). 4.17.2 Analyse Uit het uitgevoerde natuuronderzoek en het onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat de ontwikkeling geen invloed heeft op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarnaast wordt de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage niet overschreden. De voorgenomen ontwikkeling is daarom niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een 'stedelijk ontwikkelingsproject', is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Hiervoor is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld.
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
4.17.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een m.e.r. op te starten.
56
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
5.1
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid
Initiatiefnemer heeft de beschikking over het grootste deel van de gronden in het totale plangebied. Er zal een grondruil plaatsvinden waarbij de initiatiefnemer gronden aan de Burgemeester D. Kooimanweg overdraagt aan de gemeente ten behoeve van de herinrichting van de kruising. Aan de zijde van het spoor zal de gemeente een strook grond aan de initiatiefnemer overdragen ten behoeve van het creëren van parkeerplaatsen.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Volgens artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening dient de gemeenteraad een grondexploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Volgens het tweede lid van dit artikel kan de gemeenteraad besluiten af te wijken van het vaststellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. De gemeente Purmerend heeft in het kader van de ontwikkeling en realisatie van dit plan in 2021 een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer BPD. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten verzekerd. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De gemeente acht deze partij in staat om de kosten voor ontwikkeling van het plan te dragen. De initiatiefnemer draagt proportioneel bij aan de extra kosten die de gemeente maakt voor de realisatie van extra groenmaatregelen die nodig zijn om te komen tot een aanvaardbaar windklimaat. De overige kosten voor het realiseren van extra groen langs de Burgemeester D. Kooimanweg worden gefinancierd uit het Aanvullingsbesluit Wagenweggebied. Op grond van de aanwezige woningbehoefte (zie paragraaf 3.3.2) kan worden geconcludeerd dat er niet voor de leegstand zal worden gebouwd. Op grond van het bovenstaande wordt de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd.
5.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 5.3.2 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven.
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
Het concept ontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan verschillende instanties met het verzoek om hier op te reageren. De ontvangen reacties zijn hieronder samengevat en van beantwoording voorzien.
ProRail ProRail heeft geen opmerkingen op het uitgevoerde akoestisch onderzoek en trillingsonderzoek. Wel ziet ProRail graag de aanbevelingen uit Hoofdstuk 7 van het akoestisch onderzoek opgenomen in de toelichting en de regels van het ontwerpbestemmingsplan. ProRail ziet dit ook graag verwerkt in een voorwaardelijke verplichting in de regels.
Reactie gemeente De conclusies en aanbevelingen van het akoestisch onderzoek en trillingsonderzoek zijn verwerkt in de toelichting van het bestemmingsplan. Voor zowel geluid als trillingen is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
Gasunie De Gasunie heeft geen opmerkingen op het bestemmingsplan. Voor de uitvoering wordt aandacht gevraagd voor de ligging van de gasleiding. De Gasunie wordt graag betrokken bij de verdere uitwerking van het plan.
Reactie gemeente Naar aanleiding van de overlegreactie heeft overleg plaats gevonden tussen de initiatiefnemer en de Gasunie waarbij afspraken zijn gemaakt over de inrichting van het gebied en de uitvoering. Daarnaast is afgesproken dat de Gasunie geïnformeerd blijft.
Veiligheidsregio Zaanstreek - Waterland Door de Veiligheidsregio is een aanvulling gegeven op de voor het project uitgevoerde groepsrisicoberekeningen en de verantwoording van het groepsrisico. Hierbij is ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid bestrijdbaarheid en hulpverlening en basisbrandweerzorg. De Veiligheidsregio verzoekt om bij het stedenbouwkundig ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte in overleg te treden met het team Risicobeheersing van de Veiligheidsregio over de bereikbaarheid en bluswatervoorziening.
De Veiligheidsregio adviseert om bij de besluitvorming over het plangebied de volgende aspecten mee te wegen: 1. de gevaren en gevolgen van een mogelijk ongeval met gevaarlijke stoffen; 2. het handelingsperspectief dat de aanwezige personen hebben om zichzelf en anderen in veiligheid te brengen door te schuilen in een gebouw dan wel te vluchten; 3. te overwegen of minder/niet zelfredzame personen gewenst zijn binnen de bestemming maatschappelijke voorzieningen; 4. de hulpdiensten kunnen een ongeval niet voorkomen en richten zich op het helpen van slachtoffers en het veiligstellen van het gebied; 5. te zorgen voor een goede bereikbaarheid en adequate primaire bluswatervoorziening en het team Risicobeheersing hierbij te betrekken. 58
En om maatregelen in de volgende denkrichtingen te overwegen: a. bouwkundige maatregelen te treffen, waaronder een centraal afschakelbare ventilatie; b. zorgen voor vluchtmogelijkheden in de gebouwen aan de zijde van Burgemeester D. Kooimanweg; c. gerichte risicocommunicatie aan de toekomstige bewoners/gebruikers over externe calamiteiten en bijbehorende handelingsperspectieven; d. de toekomstige maatschappelijke voorzieningen met minder/niet zelfredzame personen te (laten) sluiten bij graafwerkzaamheden binnen een afstand van 150 meter aan de buisleiding 8 inch respectievelijk 210 meter aan de buisleiding 12 inch dan wel de graafwerkzaamheden buiten de openingstijden te plannen Reactie gemeente Het advies van de Veiligheidsregio is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Voor de nadere uitwerking van het plan vindt afstemming plaats met de Veiligheidsregio.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) HHNK heeft onderstaande inhoudelijke opmerkingen gemaakt op het bestemmingsplan: 1. De waterparagraaf is op onderdelen onjuist. Op deze locatie is van belang dat in verband met het krap gedimensioneerde watersysteem waterberging wordt aangelegd en/of het gebied klimaatrobuust wordt ingericht. Dat zorgt niet alleen voor een verbetert watersysteem, maar ook voor een klimaatadaptieve omgeving, met bijvoorbeeld een kleinere kans op wateroverlast en wellicht ook minder hittestress en droogteproblemen. Voor de verhardingstoename dient te worden gecompenseerd. het verzoek is om meer inzicht te geven in de verhardingstoename. Het geldende compensatiepercentage is 12% van deze verhardingstoename. Dit gaat om de minimale eis. 2. In de watertoets heeft HHNK aangegeven dat compensatie door middel van open water de voorkeur heeft en is geadviseerd om de spoorsloot te verbreden. HHNK vraagt om toe te lichten waarom hier niet voor is gekozen. HHNK adviseert om de verhardingstoename te compenseren door het graven van oppervlaktewater, en daarnaast extra klimaatadaptieve maatregelen te nemen zoals infiltratiekratten en daktuinen. Voor vormen van alternatieve waterberging zal een concreet plan beschikbaar moeten zijn. 3.
HHNK stelt voor om de regionale waterkering ten zuiden van het plangebied als dubbelbestemming op te nemen en de watergangen aan de zuid- en oostzijde als Water te bestemmen. 4. In de waterparagraaf zou HHNK graag de volgende zinsnede toegevoegd zien worden: Het PVVR heeft een breedte van 28,5 meter, haaks op de beschoeiing van de Where. Reactie gemeente 1. Naar aanleiding van de overlegreactie heeft overleg plaatsgevonden tussen HHNK en de initiatiefnemer. De waterparagraaf is aangepast en aangevuld waarbij meer inzicht is gegeven in de wijze van watercompensatie. 2. De mogelijkheden voor het realiseren van open water zijn zeer beperkt. Verbreding van de spoorsloot is alleen mogelijk als er een beschoeiing wordt toegepast. Er zijn daarnaast verschillende alternatieve mogelijkheden die zorgen voor het vertraagd afvoeren van hemelwater. Hierbij wordt gedacht aan toepassing van mossedum daken, daktuinen, infiltratiekratten en halfverharding. In het ontwerp zal dit verder worden uitgewerkt. Indien daktuinen met wateropvang worden toegepast wordt dit oppervlak als onverhard aangemerkt en geldt hiervoor geen compensatieplicht. 3. De dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering is toegevoegd in het bestemmingsplan. De
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
sloot aan de zuidzijde is bestemd als Water. De spoorsloot aan de oostzijde valt buiten het plangebied. 4. In de waterparagraaf is de voorgestelde tekst over het PVVR overgenomen. 5.3.3 Inspraak ingevolge Algemene inspraakverordening gemeente Purmerend De Algemene Inspraakverordening van de gemeente Purmerend bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden kan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gelet op de participatie die reeds heeft plaatsgevonden in het kader van het Ambitiedocument Wagenweggebied en de te houden inloopavond (zie paragraaf 5.3.4), zal er geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage worden gelegd voor inspraak. 5.3.4 Participatie omgeving Overleg met omwonenden, bedrijven en stakeholders in het Wagenweggebied over de kaders van de herontwikkeling van het Wagenweggebied heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van het Ambitiedocument Wagenweggebied (zie paragraaf 3.4.3). Onderhavige ontwikkeling past binnen deze kaders inclusief het daarna genomen raadsbesluit. In november 2019 en mei 2020 zijn informatiebijeenkomsten gehouden waaarbij de initiatiefnemer omwonenden heeft uitgenodigd om kennis te nemen van het plan en hier op te reageren. Tijdens en na deze bijeenkomsten zijn vragen van omwonenden beantwoord (zie ook www.nieuwbouw-kopvanwagenweg.nl).
Omwonenden worden tevens periodiek geïnformeerd door middel van nieuwsbrieven. Om omwonenden en belangstellenden te informeren over de plannen in dit gebied is op 17 mei 2021 een (i.v.m. corona online) informatiemoment gehouden over de plannen. 5.3.5 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Burgemeester en wethouders hebben bij besluit van 12 juli 2022 het ontwerpbestemmingsplan en het ontwerpbesluit hogere waarden geluidshinder vanwege (spoor)wegverkeerslawaai vrijgegeven voor terinzagelegging. De kennisgeving van de terinzagelegging is op donderdag 21 juli 2022 gepubliceerd in het Gemeenteblad, het Purmerends Nieuwsblad en op de website van de gemeente Purmerend. De ontwerpbesluiten hebben overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening met ingang van maandag 25 juli 2022 tot en met maandag 26 september 2022 ter inzage gelegen. In verband met het samenvallen van de terinzageperiode met de zomervakantie van de scholen is besloten de termijn met 3 weken te verlengen. Het ontwerpbestemmingsplan is digitaal beschikbaar gesteld via de landelijke voorziening op www.ruimtelijkeplannen.nl. Tevens konden de stukken van het ontwerpbestemmingsplan en het ontwerpbesluit hogere waarden geluidhinder op verzoek worden toegestuurd.
Gedurende de periode van terinzageligging is een ieder in de gelegenheid gesteld (schriftelijk of mondeling) zienswijzen omtrent de ontwerpbesluiten naar voren te brengen. Er zijn 14 reacties met zienswijzen ontvangen. Er is een Nota zienswijzen opgesteld waarin de zienswijzen van beantwoording zijn voorzien (Bijlage 22 Nota zienswijzen). De aanpassingen die zijn doorgevoerd naar aanleiding van de zienswijzen, zijn in de Nota zienswijzen beschreven. Tevens zijn de ambtelijke wijzigingen opgesomd. Na een beroepstermijn van zes weken treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wro een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisis- en Herstelwet van toepassing. Bij eventueel beroep leidt dit tot een versnelde behandeling bij de Raad van State, geen mogelijkheid tot pro-forma beroep en een verplichte toepassing van het relativiteitsbeginsel.
60
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een redelijk globaal bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
6.1
Planvorm
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Omdat het bouwplan nog wordt uitgewerkt is gekozen voor een redelijk globaal bestemmingsplan. Deze planvorm is gewenst in verband met de behoefte aan flexibiliteit waarmee kan worden ingespeeld op de actuele woningbehoefte en behoefte aan voorzieningen. Door de keuze voor deze planvorm is er voldoende ruimte voor flexibiliteit in het ontwerp aan de ene kant, maar wordt aan de andere kant voldoende rechtszekerheid geboden voor een zorgvuldige inpassing en voor de omgeving. Op de verbeelding zijn de functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. Rondom de beoogde nieuwbouw is op de verbeelding een beperkte marge aangehouden zodat ondergeschikte wijzigingen in het plan niet direct leiden tot een overschrijding van de bestemmingsgrenzen.
In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis.
6.2
Bestemmingsregeling
Bestemmingsregels
Artikel 3 Verkeer - 1 De bestemming 'Verkeer - 1' is toegekend aan de gronden waar een reconstructie van de kruising is voorzien. Binnen deze bestemming is naast wegen een aantal daarbij passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, het verzamelen van huisvuil, groen- en waterpartijen, kleine nutsvoorzieningen en dergelijke.
Artikel 4 Verkeer - 2 De bestemming 'Verkeer - 2' is toegekend aan het perceel Wherekant 27-30 en de gemeentelijke gronden ten zuiden hiervan. Op deze gronden kan een deel van het bezoekersparkeren plaatsvinden. In aanvulling op de gebruiksmogelijkheden die de bestemming Verkeer - 1 biedt, is binnen deze bestemming ook een verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen toegestaan evenals ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' een gebouwde parkeervoorziening van maximaal 8 meter hoog.
Artikel 5 Water
Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)
De bestaande waterloop aan de zuidzijde is bestemd als 'Water'. De gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, oeverstroken en bij de bestemming behorende voorzieningen. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Artikel 6 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor de bewoning door personen en de daarbij behorende voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden, licht- en vlaggenmasten, nutsvoorzieningen, ondergrondse afvalcontainers en water. Op basis van deze bestemming mogen in totaal maximaal 489 woningen worden gebouwd binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Er geldt een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op basis waarvan onder voorwaarden vergunning kan worden verleend voor het overschrijden van het bouwvlak met maximaal 5 meter. De maximale hoogte is met maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding weergegeven. Ter plaatse van het plangebied is een levendig woongebied voorzien. In de begane grondlaag en op de eerste verdieping van het gebouw zijn activiteiten toegestaan die betrekking hebben op dienstverlening, detailhandel, horeca in categorie 1a en maatschappelijke voorzieningen. Deze activiteiten hebben een maximum totaal brutovloeroppervlak van 1.025 m2. Het brutovloeroppervlak per winkel bedraagt 375 m2. Er is maximaal 1 horecavoorziening toegestaan van 375 m2.
Van het totaal aantal woningen zal ten minste 30% van het aantal worden gerealiseerd als sociale huurwoning + 4 extra sociale huurwoningen ter compensatie van het ontbreken van sociale huurwoningen bij de ontwikkeling aan de Westerweg 60. De sociale huurwoningen dienen conform de gemeentelijke doelgroepenverordening gedurende ten minste 25 jaar vanaf het eerste moment van ingebruikname als sociale huurwoning te worden gebruikt. Voor de middeldure huurwoningen geldt een instandhoudingstermijn van 15 jaar. Ter voorkoming van een mogelijk verlies aan zonlicht groter dan 3 uur en 15 minuten voor de woningen aan het Veilinghof en de Lambertus Huisengastraat, kunnen Burgemeester en Wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing. Voor de vergunningverlening moet worden aangetoond dat sprake is van een acceptabel windklimaat en een acceptabel trillingsniveau als gevolg van het spoor. Tevens is geborgd dat voorzien moet worden in maatregelen voor een aanvaardbaar windklimaat en geluidwerende maatregelen.
Artikel 7 Leiding - Gas - 1 De in het plangebied aanwezige gronden die binnen de beschermingszone van de gasleiding zijn gelegen worden beschermd met de bestemming 'Leiding - Gas - 1'. Binnen deze zone gelden beperkingen voor het oprichten van bouwwerken.
Artikel 8 Waarde - Archeologie 1 De in het plangebied aanwezige gronden hebben een middelhoge archeologische verwachtingswaarde en zijn beschermd via de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1.
Artikel 9 Waterstaat - Waterkering De in het plangebied aanwezige gronden die binnen de beschermingszone van de waterkering zijn gelegen worden beschermd met de bestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Binnen deze zone gelden beperkingen voor het oprichten van bouwwerken. 62
Algemene regels
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven.
Artikel 11 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bestaande maten van bouwwerken en het overschrijden van bouwgrenzen en aanduidingsgrenzen. Daarnaast zijn in dit artikel de maximale hoogtematen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bepaald en is bepaald dat niet-vergunningsvrije antenne-installaties niet zijn toegestaan. Tevens is een regeling m.b.t. ondergronds bouwen en klimaatadaptatie opgenomen. Onder ondergronds bouwen wordt in ieder geval niet verstaan het plaatsen van funderingen, heipalen en leidingen.
Artikel 12 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Tevens is in dit artikel opgenomen dat bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening in principe binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan gezorgd moet worden voor voldoende parkeerplaatsen. In het bestemmingsplan is een parkeernorm opgenomen die past bij de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.
Artikel 13 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels In de Algemene wijzigingsregels zijn regels opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.
Artikel 15 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.