CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

F-toelichting

Gemeenteraad 23 februari 2023, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 – 2022’24.222 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.4.15 Nota Gebiedsoverstijgende kosten Purmerend (GKP) Dit bestemmingsplan bevat een of meerdere bouwplannen zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Bro. Voor deze bouwplan(nen) geldt een uit hoofde van de afdeling 'grondexploitatie' van de Wet ruimtelijke ordening (voortaan: Grondexploitatiewet) plicht tot kostenverhaal. Deze plicht houdt in dat de aan bouwplannen gerelateerde kosten van de grondexploitatie verzekerd moeten worden alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Samen met de Grondexploitatiewet geeft specifiek gemeentelijk beleid invulling aan het kostenverhaalbeleid in Purmerend. Het specifieke beleid is neergelegd in de Nota gebiedsoverstijgende kosten Purmerend (GKP) en in 'ad hoc' aanvullingsbesluiten voor een aantal ontwikkelingslocaties. Voor het onderhavige plan is het aanvullingsbesluit voor het Wagenweggebied van toepasing. Uit het GKP vloeit voort dat onder de te verhalen kosten ook een bijdrage wordt meegenomen voor de kosten van gebiedsoverstijgende infrastructuur en voorzieningen (bovenwijkse voorzieningen, bovenplanse verevening/kosten en bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen). Opname van nieuwe ontwikkelingen in dit bestemmingsplan is om deze redenen pas mogelijk als het blijkt dat de kosten van de grondexploitatie verzekerd zijn.

Kosten kunnen worden verzekerd wanneer de gemeente deze kosten in haar begroting opneemt, wanneer de gemeente een exploitatieplan vaststelt, of wanneer de gemeente en de particuliere grondexploitant die het bouwplan gaat realiseren een anterieure overeenkomst sluiten. De voorkeur van de gemeente gaat uit naar het verzekeren van de kosten via een anterieure overeenkomst. In hoofdstuk 5 zal concreet worden ingegaan op de vraag hoe de kosten van de grondexploitatie gerelateerd aan de in dit bestemmingsplan opgenomen bouwplan(nen) verzekerd zijn. 3.4.16 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van maximaal 489 woningen met maximaal 1.025 m2 aanvullende functies op deze locatie is in lijn met het Rijks- provinciaal-, regionaal-, en gemeentelijk beleid.

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

Hoofdstuk 4 4.1

Randvoorwaarden / omgevingsaspecten

Archeologie

4.1.1 Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Als gevolg van het verdrag van Valletta, dat in 1992 onder andere door Nederland is ondertekend, heeft archeologie een prominente plaats gekregen in de ruimtelijke ordening. Iedere gemeente is verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. De gemeente Purmerend heeft een eigen archeologisch beleid opgesteld (archeologische beleidsen advieskaart) en daar een archeologische verwachtingskaart bij vervaardigd. Een archeologische verwachtingskaart is "een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones". Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.

Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het bestemmingsplan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. 4.1.2 Analyse Volgens de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geldt voor het grootste deel van het plangebied een middelhoge verwachting. Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm beneden maaiveld in een plangebied groter dan 500 m² dient archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd.

30

Afbeelding 4.1: Uitsnede uit kaart van het gemeentelijk archeologisch verwachtingsmodel (plangebied binnen rode lijn) Omdat de verstoringsnorm van 500 m² wordt overschreden is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3 Archeologisch onderzoek). De geplande bodemverstorende graafwerkzaamheden vormen een bedreiging voor mogelijk aanwezige archeologische resten in het plangebied. Het doel van dit archeologisch bureauonderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Aan de hand van beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld van het gebied. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het pleistocene landschap in het begin van het Holoceen is weggeërodeerd waardoor het plangebied tot het neolithicum in een getijdengebied lag. Door de vorming van strandwallen verplaatste de kustlijn naar het westen. De zee kon minder invloed uitoefenen op het gebied achter de strandwallen en duinen, waardoor een groot veengebied, bestaande uit het Hollandveen Laagpakket, kon ontstaan. Pas in de middeleeuwen begon de mens dit veen te ontginnen waardoor meer leefruimte en landbouwgrond vrij kwam. De veenontginningen creëerden echter weer nieuwe problemen met het water, waardoor grote binnenmeren, zoals de Beemster en de Purmer, ontstonden.

Deze binnenmeren werden in 17e eeuw weer drooggemaakt. Het plangebied ligt buiten de middeleeuwse stadskern. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor bewoning uit de middeleeuwen tot nieuwe tijd. De kans op oudere archeologische waarden is verwaarloosbaar. Op historische kaarten is geen bebouwing te zien. De huidige bebouwing in de jaren zestig gerealiseerd. De kans is groot dat de bodem bij deze werkzaamheden al in sterke mate is aangetast. De verwachting voor intacte archeologische resten wordt daarom als laag ingeschat. Geadviseerd wordt om geen nader archeologisch vervolgonderzoek te doen voor het

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

plangebied aan de Burgemeester D. Kooimanweg 4-14 en het plangebied vrij te geven voor de geplande sloopwerkzaamheden en nieuwbouw. Op basis van de bovenstaande resultaten is de verwachting voor archeologische resten in het plangebied voor alle archeologische perioden laag. 4.1.3 Conclusie Met betrekking tot het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.2

Bodemkwaliteit

4.2.1 Beleidskader Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat in de toelichting van een bestemmingsplan onder meer moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid maakt hiervan deel uit. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. In de bestaande stad is dit niet in alle gevallen mogelijk in verband met de aanwezigheid van eventuele historische verontreinigingen. Teneinde maatschappelijke en/of ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren als gevolg van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, is het mogelijk om onder voorwaarden bestemmingen op een verontreinigde bodem te realiseren. 4.2.2 Analyse Door middel van een verkennend bodemonderzoek (zie bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 4-10 en bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 10C en 14) is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van een deel van de onderzoekslocatie. Hieronder zijn de resultaten weergegeven. Verkennend bodemonderzoek Ter plaatse van Burgemeester D. Kooimanweg 4-6 is zeer plaatselijk een matig tot sterke verontreiniging in de diepere ondergrond aangetroffen met de metalen koper, lood en zink.

De omvang van de zeer plaatselijk aangetroffen bodemverontreiniging is in het verkennend onderzoek niet vastgesteld maar wel kan worden geconcludeerd dat deze zeer waarschijnlijk te relateren is aan de aangetroffen bodemvreemde bijmenging ter plaatse. Om beter inzicht te verkrijgen in de daadwerkelijke omvang van deze verontreiniging en of deze een belemmering vormt voor de toekomstige herontwikkeling zal de daadwerkelijke omvang bepaald moeten worden middels een aanvullend danwel nader onderzoek. In de overige geanalyseerde bodemlagen op de deellocatie en in het grondwater is ten hoogste een lichte verontreiniging aangetroffen. Ter plaatse van Burgemeester D. Kooimanweg 10A-10B is een matige tot sterke verontreiniging met de zware metalen koper, lood en zink aangetroffen op het oostelijk terreindeel. Ondanks dat in de diepere zintuiglijk ‘schone’ ondergrond ter plaatse geen noemenswaardige verontreiniging wordt aangetroffen zal aanvullend danwel nader onderzoek meer inzicht moeten verschaffen in deze naar verwachting heterogene verontreiniging. Naast bovengenoemde verontreiniging is ter plaatse van een ondergrondse tank een sterke verontreiniging met minerale olie aangetroffen in de zandige bovengrond.

In de onderliggende bodemlaag (klei en veen) is zintuiglijk geen verontreiniging waargenomen en het grondwater ter plaatse is niet danwel niet noemenswaardig verontreinigd met brandstofcomponenten. Of de betreffende tank is gesaneerd (gevuld met zand of met ecopearl) of dat er sprake is van een nieuwe ondergrondse brandstoftank is op basis van de beschikbare informatie niet vast te stellen. Om meer inzicht te verkrijgen in de daadwerkelijke omvang van de aangetroffen verontreiniging met minerale olie wordt aanbevolen om een aanvullend danwel nader onderzoek te laten uitvoeren. 32

Uit de resultaten van het bodemonderzoek op de locatie Burgemeester D. Kooimanweg 10C en 14 volgt dat in de grond en het grondwater licht tot sterkverhoogde gehalten aan met name minerale olie en/of PAK zijn gemeten. Daarnaast zijn in de grond verontreinigingen met PCB, zware metalen en/of vluchtige aromaten aangetoond. Aanvullend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van de verkennende bodemonderzoeken is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locaties Burgemeester D. Kooimanweg 4 - 10C (zie Bijlage 6 Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 4-10C) en Burgemeester D. Kooimanweg 14 (zie Bijlage 7 Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14). Voor de locatie Burgemeester D. Kooimanweg 4-10C geldt dat op een vijftal locaties sprake is van een noemenswaardige verontreiniging van de grond waarmee bij de voorgenomen herontwikkeling rekening gehouden dient te worden. Voorafgaand aan de herontwikkeling dienen op ondergenoemde locaties sanerende maatregelen genomen te worden.

Ondanks dat het bedrijventerrein reeds vanaf eind jaren ’60 aanwezig is, kan op basis van de beschikbare informatie niet éénduidig worden vastgesteld of de aangetroffen verontreinigingen van historische aard zijn (ontstaan voor 1987) en of eventuele saneringswerkzaamheden beperkt kunnen blijven tot een zogenoemd ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ (>25 m3 sterk verontreinigde grond). De saneringslocaties op de diverse percelen langs de Burg. D. Kooimanweg 4-10 kunnen als volgt kort worden samengevat: zeer plaatselijk aangetroffen sterke verontreiniging van de ondergrond met zink op perceel 4 (totale omvang circa 15 m3); aangetroffen sterke grondverontreiniging met koper, lood en zink in de bovengrond op perceel 10-10A (totale omvang circa 330-390 m3); zeer plaatselijk aangetroffen matige tot sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond op het oostelijk deel van het perceel 10-10A (totaal circa 18 m3); rondom de ondergrondse brandstoftank aangetroffen lichte tot sterke verontreiniging met minerale olie op het westelijk deel van het perceel 10-10A (totaal circa 10 m3); uitpandig plaatselijk aangetroffen sterke grondverontreiniging met minerale olie in de ondergrond op het perceel 10C (totaal circa 50 m3). Voor de locatie Burgemeester D.

Kooimanweg 14 geldt dat ter plaatse van het overgrote deel van de onderzoekslocatie sprake is van een zogenoemde ‘ophooglaag’ waarmee bij de voorgenomen herontwikkeling rekening gehouden dient te worden. De ophooglaag, met een totale geschatte omvang van 3.190 m3, bestaat uit zandige bodemlagen met veelal een matige tot uiterste bodemvreemde bijmenging tot lagen volledig bestaande uit bodemvreemde bijmenging. In de betreffende ophooglaag zijn sterk verhoogde gehalten aan met name metalen, PAK en PCB aangetroffen. Tevens is ter plaatse van het onbebouwde deel in de ophooglaag sprake van asbest in een concentratie van 159 mg/kg ds. Ter plaatse van het bebouwde deel heeft geen asbestonderzoek plaats kunnen vinden maar is in de ophooglaag wel plaatselijk asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Bovendien is plaatselijk in de kleiige ondergrond sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie en PCB. Op basis van de beschikbare informatie wordt de verontreiniging geschat op 50 tot 250 m3. Er dienen sanerende maatregelen te worden getroffen. Voorafgaand aan de sanerende maatregelen dient een zogenaamde BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen) ter beoordeling aan het bevoegde gezag te worden voorgelegd. Dit maakt echter geen onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure. 4.2.3 Conclusie Na sanering is de bodem geschikt voor de nieuwe functie.

In de grondexploitatie van het plan is rekening gehouden met de kosten voor eventuele sanering, waardoor de financiële uitvoerbaarheid niet in het geding is.

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

4.3

Cultuurhistorische waarden

4.3.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 4.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecten worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.

Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 4.3.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat in de nabijheid van het plangebied twee wegen, een spoorweg en een waterloop zijn aangemerkt als cultuurhistorische waarden. De Nieuwe Gouw is een waterloop ten noorden van De Where die al op de oudste gedetailleerde topografische kaarten zoals die uit 1680 voorkomt. De watergang heeft een grote rol gespeeld in de stedenbouwkundige opzet van de nieuwbouwwijk Overwhere-Zuid in de jaren '50 tot '60 van de twintigste eeuw. De Burgemeester D. Kooimanweg volgt de loop van de watergang. Ook ter plaatse van de Wagenweg was een watergang aanwezig. Op kaarten uit de 17e eeuw is reeds een waterloop te zien ten noordoosten van de stad Purmerend op de plaats waar nu de Wagenweg loopt. De waterloop is nu gedempt, maar de lijn in het landschap is in de Wagenweg bewaard gebleven. Vanwege zijn structurerende werking is deze lijn aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol.

De Spoorlijn Zaandam - Enkhuizen is aangelegd in de jaren '80 van de 19e eeuw, als aftakking van de in 1860 aangelegde Staatslijn K (Amsterdam-Den Helder). De spoorlijn is pas sinds 1974 elektrisch berijdbaar. De nog aanwezige waterloop heeft betrekking op De Where. De Where is een natuurlijke waterloop waarlangs Purmerend rond 1200 na Chr. is ontstaan. Ten oosten van het plangebied en het spoor is aan de Wheredijk 3 een cultuurhistorische waardevolle stolpboerderij aanwezig.

34

Afbeelding 4.2: uitsnede uit gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart (plangebied binnen rode lijn)

Het project heeft geen invloed op de ligging van de wegen, spoorweg en de waterloop. Het betreft structuurelementen waar de op te richten bebouwing zich naar voegt. De stolpboerderij bevindt zich aan de overzijde van de spoordijk, op circa 75 meter van de te realiseren bebouwing en ligt verscholen. De cultuurhistorische waarde van de stolp wordt met de onderhavige ontwikkeling niet aangetast. 4.3.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen:

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt; transportroutes (wegen, waterwegen, spoorwegen) waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd; ondergrondse buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor LPG-tankstations geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen tevens de circulaire effectafstanden externe veiligheid lpg-tankstations. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). 4.4.2 Analyse Het plangebied is getoetst op het aspect externe veiligheid. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens op de Risicokaart. Risicovolle activiteiten binnen inrichtingen De locatie ligt niet in een risicocontour van een risicovolle inrichting of transportroute van gevaarlijke stoffen.

Het LPG-tankstation aan de Wagenweg 7 is per 1 januari 2020 niet meer in bedrijf en wordt door middel van een herziening van het bestemmingsplan Overwhere-Zuid 2012 ook planologisch niet meer toegestaan. Transport van gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van de spoorweg. Over de betreffende spoorvakken vindt echter geen bulktransport plaats van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is gelegen op 1,4 km afstand van de Rijksweg A7 en op 2 km afstand van de provincialeweg N244. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van rijkswegen en provinciale wegen die zijn vrijgesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen in bulk. De normen in het Bevt vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn twee aardgastransportleidingen aanwezig. Het betreft de buisleidingen W-570-01 en W-570-23. Omdat het plangebied is gelegen binnen de 100% letaliteitcontour van deze leidingen is onderzoek uitgevoerd om de hoogte van het groepsrisico te kunnen bepalen voor de bestaande en de nieuwe situatie (zie bijlage 8 Onderzoek externe veiligheid - groepsrisicoberekening buisleidingen). De beide buisleidingen beschikken niet over een PR=10-6-contour.

De normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevb vormen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Voor de beide buisleidingen moet op grond van het Bevb en het Revb een belemmeringenstrook van 4 meter worden gehanteerd. De belemmeringenstrook van buisleiding W-570-23 loopt net buiten het plangebied. De belemmeringenstrook van buisleiding W-570-01 ligt deels in het plangebied. De nieuwbouw ligt buiten deze belemmeringenstrook. Gezien het bovenstaande vormt de aanwezigheid van de belemmeringenstrook in het plangebied geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. De ligging van de buisleiding in het plangebied is wel een aandachtspunt tijdens de bouwwerkzaamheden. Afstemming met de Gasunie is vereist om schade aan de buisleiding te voorkomen tijdens graafwerkzaamheden nabij de buisleiding. 36

Uit het onderzoek volgt dat de ontwikkeling van de personendichtheid in het plangebied een significant verhogend effect heeft op de hoogte van het groepsrisico (meer dan 10% toename). Er is uitgegaan van 489 woningen en 1.025 m2 bedrijven/voorzieningen. Dit bestemmingsplan maakt maximaal 1.025 m2 bedrijven/voorzieningen mogelijk. Dit is niet van invloed op de onderzoeksresultaten. In de bestaande en nieuwe situatie bedraagt het groepsrisico voor buisleiding W-570-01 meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Voor buisleiding W-570-23 blijft het groepsrisico onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Op grond van het Bevb is een volledige verantwoording van het groepsrisico vereist. Bij een verantwoording van het groepsrisico worden de volgende aspecten beschouwd: a. de personendichtheid voor de bestaande situatie en de nieuw te bestemmen situatie; b. het groepsrisico moet per buisleiding worden berekend voor de bestaande situatie en de nieuw te bestemmen situatie en weergegeven door middel van een fN-curve. Tevens moet worden getoetst aan de oriëntatiewaarde; c. indien mogelijk de risicoreducerende maatregelen weergeven die door de leidingexploitant worden toegepast ter vermindering van het groepsrisico; d. de voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR moeten worden aangegeven; e.

de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst; f. ten aanzien van de mogelijkheden om de omvang van de ramp te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid moet een advies worden gevraagd aan de veiligheidsregio. Dit advies moet worden betrokken bij de verantwoording en besluitvorming. De verantwoording van het groepsrisico waarin bovenstaande aspecten beschouwd zijn, is opgenomen in een aparte bijlage bij dit bestemmingsplan (Bijlage 9 Onderzoek externe veiligheid met verantwoording groepsrisico). Ten aanzien van de mogelijkheden om de omvang van een ramp te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland. Dit advies is ook als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. De hoofdpunten van dit advies zijn opgenomen in paragraaf 5.3.2. 4.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering bij de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het advies van de Veiligheidsregio wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het plan.

4.5

Geluid

4.5.1

Wegverkeerslawaai

4.5.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Met de wijziging van de Wgh per 1 juli 2012 is een nieuw 'reken- en meetvoorschrift geluid 2012'

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

gepubliceerd. In dit voorschrift is onder andere vastgelegd hoe en onder welke omstandigheden optredende geluidsniveaus in het kader van de Wgh worden vastgesteld en hoe akoestische onderzoeken worden uitgevoerd. Dit voorschrift geldt voor industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Ook is daarin geregeld hoe de geluidbelasting in het kader van Hoofdstuk 11 Geluid (Geluidproductieplafonds rijksinfrastructuur hierna gpp's ) moet worden bepaald. Gpp's stellen een heldere grens over de toelaatbare hoeveelheid geluid van rijksinfrastructuur en voorkomen een onbelemmerde groei van het geluid door toenemend verkeer. De beheerder van de weg moet zorg dragen voor de naleving van deze geluidproductieplafonds. Dat betekent dat de wegbeheerder bij bijvoorbeeld een forse groei van de verkeersintensiteit in actie zal moeten komen en geluidreducerende maatregelen moet treffen. Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.

Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger.

Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld. 4.5.1.2 Analyse Het woningbouwplan ligt binnen de geluidszone van de Burgemeester D. Kooimanweg en de Purmersteenweg/Waterlandlaan. De geluidsbelasting op de gevels van het bouwplan als gevolg van het wegverkeer is door middel van akoestisch onderzoek inzichtelijk gemaakt.

De resultaten zijn opgenomen in bijlage 11 Akoestisch onderzoek. Voor de Wagenweg is een verkeersbesluit genomen waarin is bepaald dat hier een maximum snelheid van 30km/h geldt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Wagenweg wel meegenomen in het akoestisch onderzoek. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) vanwege het wegverkeer over de Burgemeester D. Kooimanweg maximaal 61 dB 38

bedraagt aan de westzijde van het plan. De voorkeursgrenswaarde wordt hier overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De toepassing van bron- of overdrachtsmaatregelen is onvoldoende doelmatig of stuit op andere bezwaren. Er dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Dit is een bevoegdheid van het College van B&W. De procedure hiervoor zal gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. De woningen worden voorzien van een geluidsluwe zijde aan de zijde gericht naar de binnentuin. Tevens wordt een geluidluwe binnentuin gerealiseerd. Voor de geluidsbelaste gevels wordt geluidwering toegepast zodat voldaan kan worden aan een binnenniveau van 33 dB. Hiermee wordt een acceptabel binnenklimaat gerealiseerd. 4.5.1.3 Conclusie wegverkeerslawaai Er zijn met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied. 4.5.2

Spoorweglawaai

4.5.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). 4.5.2.2 Analyse Het plangebied grenst aan de spoorlijn Purmerend - Hoorn. Uit het Akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting maximaal 59 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt hier overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De toepassing van bron- of overdrachtsmaatregelen is onvoldoende doelmatig of stuit op andere bezwaren. Er dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Dit is een bevoegdheid van het College van B&W. De procedure hiervoor zal gelijktijdig met de bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. De woningen worden voorzien van een geluidsluwe zijde gericht naar de binnentuin. Tevens wordt een geluidluwe binnentuin gerealiseerd. Voor de geluidsbelaste gevels wordt geluidwering toegepast zodat voldaan kan worden aan een binnenniveau van 33 dB. Hiermee wordt een acceptabel binnenklimaat gerealiseerd. 4.5.2.3 Conclusie spoorweglawaai Er zijn met betrekking tot het aspect spoorweglawaai geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.5.3 Industrielawaai De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Tevens dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht te worden geschonken aan de geluidbelasting van nabijgelegen bedrijven of functies.

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

4.5.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein. Wel is aan de noordzijde van het plangebied het parkeerterrein van het winkelcentrum (met onder andere de Albert Heijn XL) aanwezig en en aan de westzijde van de Burgemeester D. Kooimanweg is een vestiging van supermarkt Lidl aanwezig. Aan de noordzijde bedraagt de geluidsbelasting als gevolg van deze activiteiten (met name parkeren en winkelwagens) maximaal 64 dB(A) en aan de westzijde maximaal 58 dB(A). De geluidsbelasting vanwege parkeren in de parkeerlagen onder de locatie bedraagt maximaal 60 dB(A). De maximale geluidsbelasting vanwege parkeren en gebruik van winkelwagens bij het winkelcentrum bedraagt maximaal LA,max = 64 dB(A) en bij de Lidl is dat maximaal 59 dB(A). Zowel het equivalente niveau als de geluidspieken zijn hoger dan hetgeen algemeen acceptabel wordt geacht. Dit betekent dat in het kader van een goede ruimtelijk ordening moet worden gekeken naar mogelijke maatregelen. In dit geval zijn maatregelen bij de bron vrijwel niet mogelijk en ligt het voor de hand de maatregelen te zoeken in geluidwerende maatregelen en de positie van de buitenruimten voor met name de appartementen die grenzen aan de noordgevel. 4.5.3.2 Conclusie industrielawaai Er zijn met betrekking tot het aspect industrielawaai geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

Wel dient bij de uitwerking van het bouwplan voldoende aandacht te worden geschonken aan geluidwerende maatregelen. 4.5.4 Effecten omliggende woningen Berekend is de geluidsbelasting op de omliggende woningen voor en na realisatie van de nieuwbouw. Voor de woningen die grenzen aan de Burgemeester D. Kooimanweg is dat het wegverkeerslawaai en voor de woningen ten oosten van het plan is dat het railverkeerslawaai. De toename van de geluidsbelasting wegverkeer ten gevolge van reflecties voor de woningen aan de Saturnusstraat aan de andere zijde van het spoor, tegen de nieuwbouw bedraagt maximaal 0,5 dB. Vanwege het railverkeer bedraagt de toename 0,2 dB. Er bestaan geen wettelijke normen voor een toename in de geluidbelasting op bestaande woningen als gevolg van reflectie bij nieuwbouw. In de Wet geluidhinder wordt bij reconstructie van wegen aangehouden dat maatregelen noodzakelijk zijn bij een een toename van de geluidsbelasting met 2 dB of meer. In de lijn hiervan kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een onacceptabele toename in de geluidbelasting. 4.5.5 Conclusie Voor de verhoogde geluidsbelasting vanwege weg- en railverkeer is ontheffing mogelijk. Vanwege de detailhandel in de directe omgeving en vanwege verkeer van- en naar het plan is ook een relevante geluidsbelasting te verwachten. Door de vorm van de bebouwing wordt een geluidluwe binnentuin gecreëerd.

Verder kan rekening worden gehouden met de indeling van de woning door bijvoorbeeld een slaapkamer aan de geluidsluwe zijde te plannen. Voor de gevels waar sprake is van een verhoogde geluidsbelasting zijn mogelijk maatregelen nodig om aan het Bouwbesluit 2012 te voldoen.

4.6

Geur

4.6.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid 40

voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 4.6.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld in combinatie met de functies in de omgeving van het plangebied, speelt geur hier geen rol. 4.6.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Beleidskader De regels en grenswaarden voor luchtkwaliteit staan in de Wet milieubeheer (Wm), titel 5.2: luchtkwaliteitseisen. Uit artikel 5.16 lid 1 van de Wm blijkt dat het project toelaatbaar is indien het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt alleen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Daarnaast dient te alle tijde dient rekening te worden gehouden met een goede ruimtelijke ordening. Het voormalige ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie CO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.

4.7.2 Analyse De ontwikkeling bevat de realisatie van minder dan 1.500 woningen. Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat onderzoek naar luchtkwaliteit voor de ontwikkeling die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, niet nodig is en dat de ontwikkeling niet bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.7.3 Conclusie Er is met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

4.8

Milieuzonering

4.8.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. 4.8.2 Analyse De VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geeft indicatieve afstanden tussen bedrijven/functies en woningen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Binnen gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. De locatie kan gelet op de diversiteit aan functies als gemengd gebied worden aangemerkt.

Aan de noordzijde van het plangebied is een winkelcentrum met met o.a. een Albert Heijn XL aanwezig. Aan de westzijde, aan de overzijde van de Wagenweg, is een vestiging van de LIDL aanwezig. Winkelcentra en supermarkten vallen in milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter tot woningen in een rustig woongebied. Binnen gemengd gebied is geen richtafstand van toepassing. Gelet op de ligging van de parkeerterreinen nabij de toekomstige woningen is in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting (zie paragraaf 4.5.3). Uit het onderzoek volgt dat er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Wel dient bij de uitwerking van het bouwplan voldoende aandacht te worden geschonken aan geluidwerende maatregelen. Ten zuiden van het plangebied is het Pop & Cultuurpodium P3 gevestigd. Volgens de VNG Handreiking Bedrijven en milieuzonering geldt voor deze functie een richtafstand van 30 meter tot woningen in een gemengd gebied. De grens van de nieuwe bebouwing ligt op circa 65 meter van het podium en is daarmee groter dan de richtafstand. Daarbij komt bij dat er nu ook al woningen aanwezig zijn die op een kortere afstand zijn gelegen van het Pop & Cultuurpodium.

Op grond van deze informatie is voldoende aannemelijk dat het Pop & Cultuurpodium geen relevante geluidsbelasting oplevert ten opzichte van de nieuwe woningen en niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt als gevolg van het plan. 4.8.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.

42

4.9

Natuurwaarden

4.9.1 Beleidskader IIn ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1.

Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen.

In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt.

Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. 4.9.2 Analyse Er is een toets aan de Wet natuurbescherming uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in het plangebied (zie bijlage 12 Quickscan natuur). Tevens is onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Uit de quickscan volgt dat het plangebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen.

Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels en verblijvende vleermuizen voorkomen, namelijk die van de huismus en gierzwaluw. Omdat negatieve effecten 44

door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is hier aanvullend onderzoek naar uitgevoerd (zie bijlage 13 Aanvullend natuuronderzoek). Uit dit onderzoek volgt dat er in het plangebied geen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels aanwezig zijn. Daarnaast zijn in het plangebied alleen langsvliegende, in vlucht baltsende en foeragerende vleermuizen waargenomen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet vastgesteld in het plangebied. De in vlucht baltsende vleermuizen vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen is het 'Wormer en Jisperveld & Kalverpolder' op circa 4 kilometer afstand van het plangebied.

Omdat negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied niet op voorhand zijn uit te sluiten, is een stikstofberekening uitgevoerd met de Aeriuscalculator (zie bijlage 14 Onderzoek stikstofdepositie) Hieruit volgt dat de maximale projectbijdrage in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie leidt niet tot significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. 4.9.3 Conclusie Uit het uitgevoerde natuuronderzoek volgt dat er geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna worden verwacht. Het is aan te bevelen om de geplande werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (broedseizoen is globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn, mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet worden verstoord. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Planologisch relevante leidingen 4.10.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedruk aardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 4.10.2 Analyse De planologisch relevante hogedruk aardgasleidingen zijn beschouwd in paragraaf 4.4. Door de ontwikkelaar is overleg gevoerd met de Gasunie. Hierbij zijn afspraken gemaakt over het ontwerp en de uitvoering van het plan. Aan de voorwaarden van de Gasunie kan voldaan.

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

4.10.3 Conclusie Zoals in paragraaf 4.4 is aangegeven is de stijging van het groepsrisico met betrekking tot de hogedruk aardgasleidinge verantwoord. In het ontwerp is en bij de uitvoering wordt rekening gehouden met de voorwaarden van de Gasunie.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. 4.11.2 Analyse Verkeersgeneratie en -capaciteit Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is onderzoek uitgevoerd naar de verkeersgeneratie en de capaciteit van de omliggende wegen (zie bijlage 15 Verkeersonderzoek). In het onderzoek is de ontwikkeling obinnen het plangebied doorgerekend met het vastgestelde actuele verkeersmodel voor Purmerend 2030, zoals in 2021 vastgesteld, en het ruimtelijke programma dat is opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan voor het plangebied (maximaal 489 appartementen en maximaal 1.025 m2 commerciële ruimten). Uit de berekening blijkt dat het verkeersaanbod als gevolg van het plan goed kan worden afgewikkeld op het kruispunt Burgemeester D. Kooimanweg – Wagenweg met de voorgestelde aangepaste vormgeving. Ook op het netwerk in de directe omgeving leidt de ontwikkeling niet tot knelpunten in de verkersafwikkeling. Parkeren Om de parkeerbehoefte voor het plan inzichtelijk te maken is een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 16 Onderzoek parkeren).

Uitgangspunt is een parkeeroplossing waarbij maatwerk wordt geleverd, gebaseerd op de volgende aspecten: algemene trends en ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit en parkeren; het bereikbaarheidsprofiel van de ontwikkellocatie; de te realiseren woonproducten en de daarbij behorende woondoelgroepen; de inzet van deelauto's en het stimuleren van fietsgebruik. Voor de 1.025 m2 bvo (bruto vloeroppervlakte) aan niet-woonfuncties in de segmenten dienstverlening, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en lichte horeca wordt de autoparkeerbehoefte gebaseerd op de vigerende parkeernormen van de gemeente Purmerend (Nota Parkeernormen 2016). Dit betekent dat de omvang van de parkeerbehoefte van de 1.025 m2 bvo niet-woonfuncties is gebaseerd op de gemeentelijke parkeernorm behorende bij de functie detailhandel (wijkcentrum-klein). Voor deze parkeernorm is gekozen omdat de combinatie van deze functies op deze locatie aansluit bij een klein wijkcentrum (wijkcentrum-klein) zoals opgenomen in bijlage 1 van de Nota Parkeernormen 2016. Samengevat liggen de volgende argumenten aan de basis voor de omvang van de te faciliteren parkeerbehoefte voor deze ontwikkeling: Landelijke trends en ontwikkelingen laten zien dat onder bepaalde personen en huishoudens waarvoor ook in de ontwikkeling aan de Burgemeester D.

Kooimanweg 4 t/m 14 woningen worden ontwikkeld, het eigen autobezit afneemt en de trend toeneemt van bezit naar gebruik. Dit sluit aan bij hetgeen de gemeente Purmerend omschrijft in haar beleidsdoelen (Visie op Mobiliteit 2040, Ambitiedocument Wagenweg). Hierin stelt de gemeente dat zij voorrang wil 46

geven aan lopen, fiets en openbaar vervoer (meer autoluw) en deelmobiliteit verder wil faciliteren en stimuleren; De ligging van de ontwikkellocatie ten opzichte van enerzijds de dagelijkse voorzieningen (klein winkelcentrum + supermarkt op zeer korte loopafstand, nabijheid centrum Purmerend) en anderzijds de openbaar vervoerverbindingen en de uitstekende fietsverbindingen naar o.a. de binnenstad van Purmerend; De beoogde woondoelgroepen hebben een lager dan gemiddeld autobezit. Dit is mede gebaseerd op onderzoek naar de vervoersvoorkeur van de beoogde woondoelgroepen als ook op een afstemming met de afnemende partijen (corporaties en beleggingsfonds) van de woningen die datzelfde beeld bevestigen. Om te zorgen dat de juiste woondoelgroepen worden aangetrokken met een autobezit dat passend is op de beschikbare parkeervoorzieningen zal hierover actief naar de toekomstige bewoners worden gecommuniceerd.

Op basis van de hiervoor genoemde argumenten zijn voor de berekening van de autoparkeerbehoefte van de bewoners van de woningen de volgende parkeernormen gehanteerd: 1,2 parkeerplaats voor een gestapelde woning met een oppervlak > 120 m2; 0,9 parkeerplaatsen voor een gestapelde woning vrije sector met een oppervlak tussen 65 m2 en 120 m2; 0,7 parkeerplaatse voor een gestapelde woning middeldure huur/betaalbare koop met een oppervlak tussen 65 m2 en 120 m2; 0,5 parkeerplaatsen voor alle sociale huurwoningen en voor de kleine betaalbare huur-/ koopwoning (tot 65 m2); Bovenop deze parkeernormen voor bewoners van de woningen is een parkeernorm van 0,3 parkeerplaats per woning gehanteerd ten behoeve van de bezoekers van de bewoners. Hiervan wordt 0,15 parkeerplaats per woning binnen de contouren van het bestemmingsplangebied van de ontwikkellocatie opgelost en het restant, eveneens 0,15 parkeerplaats per woning, kan binnen het Wagenweggebied worden opgevangen. De gemeente kan hiervoor gebruik maken van de grondpositie die zij heeft bij de Wherekant (loods voormalige De Kweker). Deze grondpositie kan in welke vorm dan ook worden ingezet om parkeerplaatsen voor bezoekers te realiseren.

Voor de 1.025 m2 bvo aan niet-woonfuncties in de segmenten dienstverlening, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en lichte horeca wordt de autoparkeerbehoefte gebaseerd op de vigerende parkeernormen van de gemeente Purmerend (Nota Parkeernormen 2016). Dit betekent dat de omvang van de parkeerbehoefte van de 1.025 m2 bvo niet-woonfuncties is gebaseerd op de gemeentelijke parkeernorm behorende bij de functie detailhandel (wijkcentrum-klein). De parkeernorm van deze functie bedraagt 3,7 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Een voorwaarde die gekoppeld is aan de voorgestelde parkeernormen is het toepassen van de nulvergunningen-systematiek, zoals de gemeente Purmerend dit reeds toepast. Op basis van de hiervoor benoemde parkeernormen bedraagt de normatieve autoparkeerbehoefte van de te ontwikkelen functies in totaal (afgerond) 511 parkeerplaatsen. Aanvullend wordt er van uitgegaan dat er 5 deelauto's zullen worden geplaatst waarbij 1 deelauto 4 reguliere auto's vervangt. Daarnaast wordt er rekening mee gehouden dat de helft van de normatieve parkeerbehoefte voor bezoekers van bewoners, zijnde (50% van 147 = afgerond) 74 parkeerplaatsen, op loopafstand binnen het Wagenweggebied kunnen worden opgevangen. Hierdoor resteert een normatieve opgave van in totaal (naar boven afgerond) 423 parkeerplaatsen om binnen de contouren van het bestemmingsplangebied op te lossen.

Met toepassing van dubbelgebruik kan dit aantal worden teruggebracht naar 414 parkeerplaatsen. Hiervan zijn 66 parkeerplaatsen op maaiveld voorzien en 348 parkeerplaatsen in de 2 parkeergarages onder de woonblokken.

Bestemmingsplan "Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 14 - 2022" (vastgesteld)

Er worden meerdere collectieve fietsparkeervoorzieningen op de begane grond van de gebouwen gerealiseerd, in de nabijheid van de ingangen van de woningen. Deze fietsenstallingen bieden ruimte voor 1.480 fietsen. Daar bovenop zijn meerdere parkeerplaatsen voor scooters, bakfietsen en fietsen met afwijkende maten en met oplaadpunten voor e-bikes e.d. beschikbaar. Fietsen van bewoners behoeven derhalve niet in de woningberging te worden gestald. De collectieve fietsparkeervoorzieningen zijn eenvoudig en comfortabel bereikbaar vanaf de openbare weg. De ligging, omvang, ontsluiting en de extra ruimte voor bijzondere fietsen en scooters levert een bijdrage in (de stimulering van) het bezit en gebruik van fietsen en scooters door bewoners aanvullend op of als alternatief voor het in bezit hebben en gebruiken van de auto. Bij de inrichting van de openbare ruimte rondom de woningen en commerciële en/of maatschappelijke ruimten wordt rekening gehouden met fietsparkeergelegenheid voor bezoekers. De verdeling van het aantal fietsparkeervoorzieningen voor bezoekers houdt rekening met de ligging van de ingangen naar de woningen en entrees van de commerciële/maatschappelijke ruimten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12341928/1