F-toelichting-bestemmingsplan-Riekstraat-Gaffelstraat-2022
Tekst van het document
Vanuit een deel van de woningen aan de Riekstraat en de Gaffelstraat zal de nieuwbouw wel zichtbaar zijn maar dit leidt door de onderlinge afstand en beperkte bouwhoogte niet tot een beperking van het uitzicht vanuit deze woningen. De nieuwbouw bevindt zich tussen twee blokken die met de zijgevel richting de nieuwbouw is gekeerd. Vanuit de zijramen is de nieuwbouw wel zichtbaar maar niet vanuit de ramen in de voor- en achtergevel. Vanuit andere woningen is er sprake van schuin zicht. De toevoeging van 12 nieuwe woningen zal leiden tot wat extra verkeer en parkeren maar deze effecten zijn vanwege de omvang van het programma beperkt (zie ook paragraaf 5.13). De ontsluiting vindt plaats via de reguliere wegen van de Riekstraat en Gaffelstraat, die aansluiten op de Van Osweg. Ook wordt het parkeren heringericht, zodat de voorraad vergroot kan worden met 26 parkeerplaatsen. Dit om de aanwezige parkeerdruk in de wijk te verlagen. Hiermee wordt tevens ingegaan op de wens van bewoners. Om de toegankelijkheid te waarborgen tussen de Riekstraat en de Gaffelstraat wordt een langzaamverkeersbrug aangelegd over de nieuw te graven waterloop.
28
Hoofdstuk 5 5.1
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
Archeologie
5.1.1 Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. 5.1.2 Analyse Het plangebied valt volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart niet in een zone waar sprake is van een archeologische verwachtingswaarde.
Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: datalab Purmerend) 5.1.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan spelen archeologische waarden niet.
5.2
Bezonning
Voor onderhavig project is een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 2), waarbij is onderzocht waar schaduw ontstaat en inhoeverre dit nadelig is voor de omgeving. Daarin is het volgende geconstateerd: Vanwege de vrije ligging van de nieuwbouw, en de ruime afstand ten opzichte van de huidige
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
woningen, is van schaduwval amper sprake. Rond de kortste dag van het jaar, wanneer de zon op zijn laagst staat, is er verwaarloosbaar weinig sprake van schaduwval. Rond het hoogste punt aan het begin van de middag zal de schaduw enkel de tuinen van de Riekstraat 26, 27 en 28 minimaal raken. Halverwege de middag zal Riekstraat 28 nog schaduwval bemerken. Afgezien daarvan ondervindt geen enkele woning hinder van schaduwval. Gelet op het klimaat en het gebruik van de eigen buitenruimte van zowel de nieuwbouw als omliggende bebouwing, wordt de aantasting van schaduwval door de nieuwbouw minimaal geacht en de bezonning ruim voldoende. Er wordt ruim voldaan aan de TNO-norm. Dat betekent dat er sprake is van ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers nooit direct zonlicht. Bezonning vormt geen belemmering bij dit project.
5.3
Bodemkwaliteit
5.3.1 Beleidskader Op 7 mei 2020 is het nieuwe bodembeleid vastgesteld door de gemeenteraad. Deze stukken, bestaande uit de “Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend en “Nota bodembeheer Purmerend”, bevatten de regels om grondverzet binnen Purmerend plaats te laten vinden zonder dat daar extra bodemonderzoek noodzakelijk is. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op bodemonderzoek, en daarin zijn ook de PFAS- en PFOA-gerelateerde stoffen meegenomen. Daarbij heeft de gemeenteraad ook de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Beemster geaccepteerd als erkend bewijsmateriaal van de bodemkwaliteit. Hierdoor is voor veel locaties uitwisseling van grond tussen Purmerend en Beemster mogelijk zonder extra bodemonderzoek. Het bodembeleid is voornamelijk generiek (wat schoon is, moet schoon blijven). Voor de rijkswegen, spoorbanen en grond in eigendom van het Hoogheemraadschap zijn uitzonderingen daarop gemaakt en is het beleid specifiek (meer grondverzet mogelijk). In Beemster is het beleid voor alle locaties specifiek. Wat betreft de concrete ontwikkelingen dient in geval van functiewijziging onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. Bij de vaststelling van wijzigingsplannen dient aandacht te worden besteed aan de bodemgesteldheid. 5.3.2 Analyse Door Landview is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3).
Uit het onderzoek blijkt het volgende: In de bovengrond en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de standaard parameters geconstateerd. In de 3 aanvullend onderzochte enkelvoudige grondmonsters zijn eveneens geen verhoogde gehalten aan de standaard parameters geconstateerd. In de bovengrond (kleigrond) zijn individuele PFAS-verbindingen boven de 0,8 ìg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse “wonen/industrie”. In de bovengrond overschrijdt een individueel gehalte aan PFOA-verbindingen de 1,7 ìg/kg d.s. Op basis van de beleidsregel van de provincie Noord-Holland wordt de locatie als verontreinigd beschouwd, maar is bodemsanering niet noodzakelijk. In de bovengrond (zandgrond) en de ondergrond zijn geen individuele PFAS-verbindingen boven de detectielimiet gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de 30
locatie in de klasse landbouw/natuur. In het grondwater is een lichte verhoging van arseen aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. De hypothese dat in de grond geen verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek bevestigd. De verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen kunnen worden verklaard door de diffuse aanwezigheid van deze stoffen in het milieu. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek op niet-verdachte locaties wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Op de locatie is nabij het schuurtje een verkennend asbest onderzoek volgens de NEN 5707 uitgevoerd. Tijdens het asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen. Op basis van de nu bekende gegevens worden de onderzochte locatie als niet verdacht voor asbest beschouwd. Voor aanvullend asbestonderzoek wordt geen aanleiding gezien. 5.3.3
Conclusie
De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.4
Cultuurhistorische waarden
5.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De eventueel in de grond aanwezige waarden zijn besproken in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed.
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van cultuurhistorische waarden. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden aangezien dergelijke waarden niet aanwezig zijn in/rond het plangebied.
5.5
Duurzaamheid
Voor de ontwikkeling van dit plan wordt rekening gehouden met duurzaam bouwen. Er kunnen tal van duurzame maatregelen worden getroffen. Hieronder valt bijvoorbeeld het gebruik van stadsverwarming als een duurzame energievoorziening waardoor gasloos gebouwd kan worden. Daarnaast kunnen de woningen voorzien worden van een sedumdak, dat bijdraagt aan de waterretentie en hittestress in de wijk. De gehele inrichting moet klimaatbestendig zijn (zo min mogelijk verharding, gevel- en dakbegroeiing, waterretentie, etc.). Het plan zal dan ook volgens het laatste bouwbesluit en de dan geldende BENG norm worden uitgevoerd.Welke maatregelen er getroffen zullen worden en hoe hier aan wordt voldaan, zal pas in een volgende fase duidelijk worden, als het gebouw wordt ontworpen.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. 5.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. Ook ligt het plangebied niet in een contour van een transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding. Zie voor planologisch relevante leidingen ook paragraaf 5.12.
32
5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan .
5.7
Geluid
5.7.1
Wegverkeerslawaai
5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.
Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.
Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.7.1.2 Analyse Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 12 nieuwe woningen mogelijk. Deze nieuwe woningen liggen binnen de zone van de Van Osweg. Om vast te stellen wat de geluidsbelasting is op de nieuwe woningen ten gevolge van wegverkeer is akoestisch onderzoek nodig. Onderzocht is of er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Buro Ontwerp en Omgeving. Het rapport van 15 juli 2021 is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting. De hoogste geluidsbelastingen van de ontwikkelingslocatie Riek-/Gaffelstraat afkomstig van de Van Osweg staan in de onderstaande tabel:
Geluidsbelasting van de ontwikkelingslocatie Riek-/Gaffelstraat (bron: Akoestisch onderzoek) De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Van Osweg bedraagt 40 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe appartementen en het kind-/tienercentrum wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. 5.7.1.3 Conclusie De wetgeving inzake werkverkeerslawaai levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.
34
5.7.2
Spoorweglawaai
5.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.7.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai. 5.7.3
Industrielawaai
De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 5.7.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in de geluidszone van een industrieterrein. 5.7.3.2 Conclusie Er hoeft voor dit bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van industrielawaai.
5.8
Geur
5.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder.
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
5.8.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld, speelt geur hier geen rol. 5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.
Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden 36
overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 5.9.2 Analyse Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden, naast vervangende nieuwbouw voor het kind-/tienercentrum, maar 12 woningen toegevoegd. Uit toepassing van de NIBM-tool blijkt dat 12 woningen als 'niet in betekenende mate' (NIBM) is aan te merken. Naast bovenstaande beoordeling is ook gekeken of in de huidige situatie de luchtkwaliteit voldoende is. Hiertoe is de NSL-monitoringskaart geraadpleegd.
Afbeelding: uitsnede NSL monitoringskaart t.h.v. het plangebied (rood omkaderd)
Uit deze kaart blijkt dat de concentraties stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijnstof in 2020 langs de Gorslaan en de Waterlandlaan ter hoogte van de Van Osweg niet hoger zijn dan 35 microgram per m3 . Voor fijnstof (PM2.5 concentratie) zijn de waarden niet hoger dan 20 microgram per m3 . Hiermee bevinden de concentraties stikstofdioxide en fijnstof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 . Deze grenswaarde beoogt vooral bescherming te bieden tegen de langetermijneffecten van fijnstof.
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
5.9.3
Conclusie
De ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan de kaders biedt draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regelgeving. Ook is in het plangebied de luchtkwaliteit voldoende en levert dat ook geen belemmering op voor de voorgestane ontwikkeling. Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.10 Milieuzonering 5.10.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. 2. 3. 4.
Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?
Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. 5.10.2 Analyse Het onderhavige bestemmingsplan maakt de sloop-nieubouw van een kind-/tienercentrum en de toevoeging van 12 woningen in een bestaande woonwijk mogelijk. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante bedrijven, waardoor er geen belemmeringen zijn op dat gebied. Andersom zijn in de omgeving ook geen bedrijven gevestigd, die milieubelastend zijn voor de nieuw te bouwen woningen. Het terugkerende kind-/tienercentrum is passend in een woonwijk. 5.10.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.
5.11 Natuurwaarden 5.11.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal 38
opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.
Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden.
De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden.
De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden.
In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.11.2 Analyse Gemeentebreed wordt geregeld onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Bij het gebiedsbrede onderzoek in 2020 zijn in het voorliggende plangebied een aantal beschermde functies en beschermd leefgebied voor vleermuizen en vogels aangetroffen. Deze gegevens worden beschikbaar gesteld via de online applicatie FloraFaunaCheck.nl. Op 12 oktober 2021 is met behulp van deze applicatie gekeken of de gewenste ontwikkeling gevolgen heeft voor beschermde diersoorten en plantensoorten. (zie bijlage 5). De conclusie is dat er beschermde soorten aanwezig zijn, waarvoor onderhavige ontwikkeling een negatief effect kan hebben op de functie van het gebied voor de in de tabel hieronder vermelde soorten.
De soorten en functies die aangetoond zijn, zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. De aanwezigheid van deze beschermde soorten vraagt een aanvullend ecologisch onderzoek. Er zal bij dit ecologisch onderzoek gewerkt worden conform de 'Gedragscode soortbescherming gemeenten voor Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en Bestendig beheer of onderhoud'. Hierin wordt specifiek benoemd hoe zorgvuldig te handelen bij het voorbereiden en uitvoeren van werkzaamheden op plaatsen met beschermde soorten. De Gedragscode voorziet op de wettelijke en praktische borging van de soortbescherming op een werklocatie, zoals opgenomen in artikel 3.31 lid 1 van de Wet natuurbescherming. Het vaststellen 40
of uitsluiten van soorten op een werklocatie dient volgens geldende protocollen en BIJ12 kennisdocumenten plaats te vinden (indien deze beschikbaar zijn voor de soort). Na het protocollair ecologisch onderzoek, is toetsing aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er is inzicht in de aan- of afwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied op de werklocatie en binnen de invloedzone van de werkzaamheden. Het gebruik en de functionaliteitszone per rust- en voortplantingsplaats is na dit ecologisch onderzoek bekend waardoor er een verstoringsvrije afstand tussen werkzaamheden en rust- en voortplantingsplaats kan worden bepaald, evenals een werkwijze en werktechniek. Mogelijke overtreding kan worden voorkomen door het aanpassen van de werkwijze en/of planning waardoor buiten de kwetsbare locaties en/of kwetsbare periode gewerkt kan worden. Door de inzet van ecologische werkprotocollen, conform de Gedragscode, voorafgaand, tijdens en na de werkzaamheden, is zorgvuldige realisatie mogelijk. Hierbij wordt de maatregelencatalogus uit de Gedragscode toegepast. In eerste plaats wordt ingezet op het voorkomen van schade aan wettelijk beschermde gebieden en alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving. Wanneer de werkzaamheden alsnog negatieve effecten hebben op de soorten en functies, moeten aanvullende maatregelen getroffen worden.
Dat zijn tijdelijke of blijvende maatregelen die erop gericht zijn negatieve effecten op soorten en functies zoveel mogelijk te beperken dan wel te compenseren. Indien met het nemen van maatregelen niet kan worden voorkomen dat een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming wordt overtreden, zal een ontheffing aangevraagd worden. Naar aanleiding van jurisprudentie en de daaruit voortkomende gewijzigde regelgeving met betrekking tot de PAS is het voor projecten nodig om na te gaan of sprake is van significant negatieve effecten op nabijgelegen natuurgebieden. Door Buro Ontwerp en Omgeving is onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebied (zie bijlage 6). Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is Polder Zeevang op een afstand van 2,2 kilometer. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het ‘Markermeer & IJmeer’ (ca. 5,7 km), ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ (ca. 5,8 km) en ‘Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder’ (ca. 5,9 km).
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
Uit de uitgevoerde effectbeoordeling stikstofdepositie blijkt dat de voorgenomen bouw van twaalf appartementen en een kind-/tienercentrum niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. 5.11.3 Conclusie In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter bescherming van de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. Gelet op het voorgaande staat de Wet natuurbescherming niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg. Het project heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura 2000-gebieden.
5.12 Planologisch relevante leidingen 5.12.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 5.12.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project. 42
5.12.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan .
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en bovendien zijn er meer parkeerplaatsen noodzakelijk. Het onderhavige plan mag als gevolg van deze invloed het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Bovendien dient te worden voldaan aan de parkeernormering. 5.13.2 Analyse Verkeersgeneratie In het onderhavige plan worden 12 woningen toegevoegd. Dit heeft een toename van de verkeersgeneratie tot gevolg. Voor de berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet rekening gehouden worden met de 1) de stedelijkheidsgraad van een gemeente en 2) in welk gebied het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. De woningen vallen in de categorie 'huur, appartement, middel/goedkoop'. Hiervoor geldt een kencijfer van minimaal 3,2 tot maximaal 4,0 motorvoertuig bewegingen per woning. Op basis hiervan zal het plan dan ook gemiddeld 43 motorvoertuigbewegingen per etmaal extra genereren. Het kind- en tienercentrum zal naar verwachting geen extra voertuigbewegingen genereren.
Een toename van 43 motorvoertuigbewegingen per etmaal is beperkt en zal, net als in de huidige situatie, worden afgewikkeld via de Riekstraat en de Gaffelstraat naar de Van Osweg. Deze bestaande wegen hebben voldoende capaciteit om het extra verkeer (inclusief fietsverkeer) zonder problemen te kunnen afwikkelen. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. Parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld op 26 mei 2016. De Nota Parkeernormen doorloopt een parkeertoets die moet vaststellen hoeveel parkeerplekken er nodig zijn ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich in de zone 'rest bebouwde kom'. De nieuwe woningen vallen onder de categorie 'woning 80-150 m² niet gestapeld/woning 65-120 m² gestapeld'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. Voor 12 nieuwe woningen zijn bruto 20,4 nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. Voor het kind-/tienercentrum wordt een parkeernorm van 4,5 parkeerplaats per 100 m2 aangehouden. Bij een oppervlak van 162 m2 (zie hoofdstuk 2) betekent dit dat er voor het kind-/tienercentrum 7,3 parkeerplaatsen nodig zijn. Voor de functies in het plangebied zijn bruto 27,7 parkeerplaatsen nodig (zie bijlage 7) .
Omdat niet alle parkeerplaatsen gelijktijdig worden gebruikt en er sprake is van dubbelgebruik, komt de netto parkeerbehoefte volgens de Nota parkeernormen uit op 21,5 parkeerplaatsen
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
(afgerond 22) Uit parkeerdrukonderzoek (zie bijlage 8) is gebleken dat de parkeerdruk hoog is en dat soms sprake is van parkeeroverdruk.
Totale parkeerdruk Riekstraat - Gaffelstraat (bron: parkeeronderzoek wijken purmerend, Dufec, 2019) Gezien de hoge parkeerdruk in de wijk is er gekeken naar mogelijkheden om extra parkeerplekken te realiseren in de Riek- en Gaffelstraat, naast de parkeerplekken die aangelegd worden voor de ontwikkeling. In totaal zullen er 26 extra parkeerplaatsen worden aangelegd. 5.13.3 Conclusie Het project leidt tot een toename van 43 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Een toename van 43 motorvoertuigbewegingen per etmaal is beperkt en zal, net als in de huidige situatie, worden afgewikkeld via de Riekstraat en de Gaffelstraat naar de Osweg. Deze bestaande wegen hebben voldoende capaciteit om het extra verkeer (inclusief fietsverkeer) zonder problemen te kunnen afwikkelen. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. De realisatie van de woningen in combinatie met sloop- en nieuwbouw van het kind- en tienercentrum leidt tot een parkeervraag van 22 parkeerplaatsen. Met de aanleg van 26 parkeerplaatsen wordt hierin voorzien en wordt door de realisatie van 4 extra parkeerplaatsen tevens rekening gehouden met de hoge parkeerdruk in de wijk. Parkeren vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.14 Water 5.14.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 44
In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen.
Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld.
In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.14.2 Analyse In het kader van dit bestemmingsplan is overleg opgestart met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier door middel van het digitaal watertoetsformulier. Het project is aangemeld op 8 oktober 2021 (PRS nummer 2308). Omdat in het plangebied een sloot gegraven zal worden ter vervanging van een duiker zal er nader overleg plaatsvinden.
De gehele inrichting moet klimaatbestendig zijn (zo min mogelijk verharding, gevel- en
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
dakbegroeiing, waterretentie, etc.). Het verlengen van de watergang komt de waterrobuustheid ten goede. Uit de op 8 oktober 2021 doorlopen digitale watertoets zijn de volgende aandachtspunten naar voren gekomen. Indien er meer dan 800 m2 extra verharding wordt ontwikkeld op de locatie zal 10% van het geheel gecompenseerd moeten worden. Er wordt met de ontwikkeling op de Riek- Gaffelstraat ca. 1.911 m2 verharding voor verkeer, gebouw en ondergrondse containers gepland. Op dit moment meet gebouw en verharding circa 954 m2. Er wordt dus 957 m2 extra verharding aangelegd, waardoor compensatie nodig is. Deze compensatie bedraagt 10% van 957 m2 = 95,7 m2. In het plangebied wordt, ter vervanging van een duiker die niet afdoende functioneert, een sloot gegraven van ongeveer 350 m2. Rekening houdend met het te dempen deel van het water wordt er 259 m2 extra water aangelegd. Daarmee wordt voldaan aan de watercompensatieplicht.
Afbeelding: toename hoeveelheid oppervlaktewater De toename van het oppervlaktewater die met het graven van de sloot wordt gerealiseerd, maar die niet noodzakelijk is voor compensatie binnen het plangebied, zal worden gebruikt ter compensatie van een toename van verharding op de binnenstedelijke ontwikkellocatie Tarwestraat. Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Voorkomen dient te worden dat waterlopen niet meer goed bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), omdat deze worden ingesloten door de nieuwe ontwikkeling/bebouwing. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Indien er ter plaatse geen varend onderhoud wordt uitgevoerd, dient een obstakelvrije zone van tenminste 5 meter aangehouden te worden. In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.
Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild 46
hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het hoogheemraadschap voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. 5.14.3 Conclusie Voor het project is een digitale watertoets doorlopen. Daaruit blijkt dat het project geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding.
5.15 Milieu-effectrapportage 5.15.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. Van een directe mer-plicht zal in Purmerend vrijwel nooit sprake zijn. Van een mer -beoordelingsplicht kan sprake zijn bij een stedelijk ontwikkelingsproject, oftewel de bouw van woningen, kantoorgebouwen of andere stedelijke voorzieningen. Hier moet worden beoordeeld of er belangrijkse nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Hoe verder het project van de drempelwaarde af ligt, hoe kleiner de nadelen voor het milieu zullen zijn. 5.15.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar valt ruimschoots onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.
Activiteiten
Gevallen
Besluit
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
D.11.2
De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van heeft op: een stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of ontwikkelingsprojec meer, t, met inbegrip van 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of de bouw van meer woningen omvat, of winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van parkeerterreinen. 200.000 m2 of meer.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Dit betekent dat kan worden volstaan met een vormvrije mer-beoordeling. Een aanmeldnotitie MER is niet noodzakelijk, aangezien het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is. 5.15.3 Conclusie Uit de effecten die zijn beschreven in voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat als gevolg van onderhavige ontwikkeling, bestaande uit sloop-nieuwbouw van het kind-/tienercentrum, de bouw van 12 woningen en de aanleg van een sloot ter vervanging van een duiker, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Geconcludeerd wordt dat er geen MER noodzakelijk is.
48
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
6.1
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid
De gronden zijn eigendom van de gemeente. Naar aanleiding van het sociaal woonakkoord Purmerend 2030 wordt verkoop aan een van de woningcorporaties onderzocht.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. De grond is in eigendom van de gemeente. Voor de ontwikkeling heeft de gemeente een grondexploitatie opgesteld. In een grondexploitatie zijn alle aan het project verbonden kosten en opbrengsten opgenomen. Het kostenverhaal, waaronder ook de plankosten voor de bestemmingsplanwijziging, wordt gedekt door de opbrengsten uit de grondverkoop. Hierdoor kan gesteld worden dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Een exploitatieplan is derhalve niet nodig. De vastgoedontwikkeling zal aanvangen nadat de gronden zijn verkocht en geleverd aan de koper.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 6.3.2 Communicatie In september 2019 heeft de gemeenteraad ingestemd met de plannen voor onderhavige locatie. Daarna is een participatieproject gestart, waarbij op diverse momenten contact is geweest met omwonenden. 12 november 2019: bewonersavond, waarop de plannen met de omwonenden zijn gedeeld. Tijdens deze avond zijn verschillende varianten getoond en konden de bewoners meedenken over de plannen. 23 september 2020: bewonersavond voor het presenteren van de plannen. 10 december 2020: brief verstuurd naar omwonenden met beantwoording van de vragen die tijdens de bewonersavond zijn gesteld. 3 en 11 februari 2021: omwonenden hebben kunnen inspreken bij de commissie Stedelijke Ontwikkeling en Beheer (SOB). Vervolgens besprak de commissie op donderdag 4 maart alle binnenwijkse ontwikkellocaties.
Bestemmingsplan "Riekstraat - Gaffelstraat 2022" (vastgesteld)
25 maart 2021: de gemeenteraad is akkoord gegaan met de plannen voor het ontwikkelen van extra woningen (op sommige locaties aangevuld met een maatschappelijke instelling/zorglocatie) in de verschillende wijken van Purmerend, waaronder de Riekstraat/Gaffelstraat. Het voorliggende bestemmingsplan biedt de kaders voor deze ontwikkeling. 6.3.3 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. In het kader van het vooroverleg heeft er overleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap (zie hoofdstuk.5.14). Het overleg heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan. 6.3.4 Inspraak ingevolge Algemene inspraakverordening gemeente Purmerend De Algemene Inspraakverordening van de gemeente Purmerend bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden kan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
In het onderhavige geval heeft voorafgaand aan het bestemmingsplan uitgebreid participatie plaatsgevonden. Uit het participatie-traject kwam naar voren dat bewoners zich zorgen maken over de potentiële bouwhoogte (geen hoogbouw), geluidsoverlast van het Kind-/Tienercentrum, het verlies van de groene ruimte en de grote parkeerdruk. De toezegging is dan ook gedaan om hier zo veel als mogelijk rekening mee te houden en overlast te beperken. Door extra parkeerplaatsen toe te voegen, wordt gehoor gegeven aan de overlast. 6.3.5 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Artikel 3:8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze afdeling bevat bepalingen rond de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen van 17 januari tot en met 28 februari 2022. De kennisgeving is in het Gemeenteblad van 13 januari 2022 geplaatst. Naar aanleiding van de terinzagelgging is één zienswijze kenbaar gemaakt. In de nota van zienswijzen, behorende bij het raadsbesluit, wordt op deze zienswijze ingegaan.