CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

E Bestemmingsplan Parkeergarage Purmersteenweg 2020, toelichting en regels

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Parkeergarage Purmersteenweg 202023.113 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

onderzoekslocatie een indicatie van een slootdemping naar voren gekomen. Vermoedelijk is de voormalige watergang voorafgaand aan het dempen met gebiedseigen grond niet gebaggerd. Ter plaatse van de gedempte watergangen ten noorden en centraal gelegen op de onderzoekslocatie) zijn geen bodemvreemde bijmengingen in de ondergrond aangetroffen. De bodemopbouw ter plaatse van de gedempte watergangen wijkt niet af van het overige terrein. Vermoedelijk zijn deze watergangen gedempt met gebiedseigen grond. In algemene zin is de grond niet of maximaal licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie en PAK. De in dit onderzoek vastgestelde bodemkwaliteit komt globaal overeen met de bodemkwaliteit uit de bodemkwaliteitskaart. Er zijn in het vooronderzoek ook geen (nieuwe) activiteiten naar voren gekomen die geleid kunnen hebben tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. De aangetroffen licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. PFAS-verbindingen zijn in zowel de zandige bovengrond als de kleiige ondergrond in gehalten boven de detectielimiet aangetroffen. Enkel in de venige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen aangetoond. Het gehalte aan PFAS-verbindingen is verhoogd, maar deze geven geen aanleiding tot uitvoering van bodemsanering.

Aan het maaiveld en in de grond is bij de visuele inspectie geen asbestverdacht materiaal of asbestverdachte bijmenging (puin e.d.) waargenomen. De hypothese asbestonverdachte locatie is hiermee bevestigd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en plaatselijk tevens licht verontreinigd met nikkel en xylenen (peilbuis 03). Met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de plaatselijke bodemkwaliteit tot de onderzochte diepte voldoende vastgesteld. De op de locatie aangetroffen maximaal licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding om aanvullend onderzoek uit te voeren. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt daarom geen bezwaren tegen de voorgenomen bouwplannen. Voor het grondverzet is in het onderzoek een advies opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen. 4.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.3

Cultuurhistorische waarden

4.3.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 4.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.

Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

31

bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 4.3.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat binnen het plangebied geen sprake is van actuele cultuurhistorische waarden. In de omgeving van het plangebied is echter wel sprake is van cultuurhistorische waarden, te weten: De Purmersteenweg (direct ten noorden van het plangebied) en de Burgemeester D. Kooimanweg zijn opgenomen als een cultuurhistorische weg. Verdwenen erfgoed terrein: Houthandel Brantjes (tussen de Purmersteenweg en De Where). Groen: Cramwinckelplantsoen ten oosten van het Stadhuis en Singel ten westen aan de Wolthuissingel. Vestingwerken ten westen aan de Wolthuissingel. Waterloop: De Where (ten noorden) en Bovensloot (ten westen van het Stadhuis). Enkele rijks- en gemeentelijke monumenten in de omgeving van het plangebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op deze cultuurhistorische waardevolle elementen.

Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Purmerend 4.3.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.

32

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

4.4

Duurzaamheid

De gemeente Purmerend vindt het van groot belang dat de ontwikkeling van de parkeergarage bij het stadhuis een duurzame ontwikkeling is. De duurzaamheid / circulariteit van deze ontwikkeling heeft betrekking op meerdere factoren: De parkeeroplossing zelf. De mate waarin deze passend blijft in de toekomst wanneer de wijze waarop we auto's gebruiken verandert en/of Purmerend als stad verandert. Duurzaam materiaalgebruik en circulariteit (hergebruik van materialen). De wijze waarop met energie wordt omgegaan zowel tijdens de bouw als gedurende de exploitatie van de garage (energieprestatie), hierbij hoort bijvoorbeeld ook de realisatie van laadpunten. De wijze waarop het bouwproces is ingericht en de milieueffecten (zoals emissie en geluid) die hierbij aan de orde zijn. Klimaatadaptatie, groen en water, als onderdeel van de planinvulling. Bij de ontwikkeling van de parkeergarage en het plein heeft duurzaamheid vanaf het begin een prominente rol gespeeld. Belangrijke pijlers zijn hierin veilige en prettige langzaamverkeerroutes door het gebied en het toevoegen van groen aan de openbare ruimte. De ontwikkelingen op het stadhuisplein dragen bij aan de ambities die Purmerend heeft voor de komende decennia. Zodoende wordt een plek gecreëerd voor ontmoeting; een levendig en duurzaam stadhuisplein dat een voorbeeldfunctie biedt voor Purmerend.

Ook wordt er bij de ontwikkeling van de duurzame garage en stadhuisplein nagedacht over de toekomstbestendigheid van het ontwerp. Het plan is klimaatadaptief (dakpakket), groen en water als onderdeel van de planinvulling. Tevens wordt de parkeergarage aardgasloos.

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

33

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken). Het plaatsgebonden risico wordt beheerst door de inherente veiligheid (veiligheidsmaatregelen die aan risicobronnen zijn opgelegd zonder tussenkomst van externe veiligheid) waarmee risicobronnen zijn omgeven.

De kans op een ongeval is daardoor zowel volgens de risicoanalyseberekeningen als blijkens de statistiek buitengewoon klein. Het plaatsgebonden risico is daarom een norm waaraan moet worden voldaan. De mogelijkheid van een ramp is een beleidsrelevante afweging voor de inrichting van de ruimte. Omdat de kans op een ongeval buitengewoon klein is, is de zeer kleine kans op een ramp daarmee per definitie een gegeven. Het groepsrisico is om die reden een oriëntatiewaarde, ten aanzien waarvan een afweging moet worden gemaakt. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico heeft in beginsel geen wettelijk basis en het wettelijk gezag kan alleen op grond hiervan niet haar oordeel baseren. In de praktijk heeft de oriëntatiewaarde wel juridische relevantie en fungeert als markeringspunt, niet als wettelijke waarde met rechtsgevolgen (het al dan niet doorgaan van een plan). In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) staat wanneer het groepsrisico moet worden verantwoord. In de artikelen 12 en 13 van het Bevi is de verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag ten aanzien van de acceptatie van het groepsrisico wettelijk geregeld. Artikel 12 regelt de verantwoordingsplicht bij omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en artikel 13 bij de vaststelling van besluiten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening.

In artikel 13 lid 1 onder a tot en met i staat aangegeven welke onderwerpen in de verantwoordingsplicht aan de orde moeten komen. Risicocommunicatie met inwoners Doordat de gemeente 'dichterbij' inwoners staat dan de Veiligheidsregio, communiceert de gemeente Purmerend ook over risico's en gevaren in de (directe) woon- en leefomgeving: op de gemeentesite wordt verwezen naar de websites www.risicokaart.nl en https://www.veiligheidsregiozaanstreekwaterland.nl/wat-te-doen-bij.html. Hier kunnen inwoners informatie vinden over gevaarlijke stoffen en inrichtingen, en wat men kan doen ingeval van een calamiteit; regelmatig wordt er een bericht gepost over veiligheid/risico's op de socialmedia-kanalen (Facebook/Twitter), met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites; ook wordt aandacht besteed aan het onderwerp in Purmerend Totaal, met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites. Zo werken de gemeente en de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland samen aan risicocommunicatie en weten inwoners sneller wat zij kunnen doen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een ramp of crisis.

34

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

4.5.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in de nabijheid van plangebied de hierna beschreven risicovolle inrichtingen liggen. Lpg-tankstation, Wagenweg 7 is niet meer aanwezig en vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten westen van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg (N33, A7 Knp. Zaandam - afrit 6, Purmerend Noord). Op dit traject vindt vervoer plaats van de stofcategorie LF1, LF2, LT1 en GF3. Het invloedsgebied bedraagt 355 meter, de stofcategorie GF3 is hier maatgevend. Het plangebied is gelegen op meer dan 1100 meter tot het midden van de weg en is dan ook buiten de PR 10-6, plasbrandaandachtsgebied en invloedsgebied gelegen. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water of het spoor. Ten oosten van het Stadhuis liggen twee aardgasleidingen van de Gasunie. Leiding W-570-23 (westelijke leiding), diameter 12 inch, druk 40 bar. Leiding W-570-01 (oostelijke leiding), diameter 8 inch, druk 40 bar. De aardgasleidingen W-570-01 en W-570-23 hebben een invloedsgebied van het groepsrisico van respectievelijk 95 en 140 meter. De PR 10-06 contour van de leiding is 0 meter. Het plangebied ligt op circa 130 meter van de buisleiding W-570-23 en valt dus net binnen het invloedsgebied.

Uitsnede risicokaart

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

35

De parkeergarage en het (heringerichte) plein betreffen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare functies. Een nadere toetsing aan het beleid inzake externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen. 4.5.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.6

Geluid

4.6.1

Wegverkeerslawaai

4.6.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.

Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.

Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld. 4.6.1.2 Analyse Een parkeergarage is geen geluidgevoelig object, daardoor hoeft er geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden.

36

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

4.6.1.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van wegverkeerslawaai. 4.6.2

Spoorweglawaai

4.6.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 4.6.2.2 Analyse Een parkeergarage is geen geluidgevoelig object, daardoor hoeft er geen akoestisch onderzoek spoorweglawaai uitgevoerd te worden. 4.6.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.

4.7

Geur

4.7.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. De provincie Noord-Holland wil zo veel mogelijk hinder door geur voorkomen. De ‘Beleidsregel beoordeling geurhinder inrichtingen provincie Noord-Holland’ beschrijft hoe de provincie geur beoordeelt bij vergunningaanvragen door bedrijven. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 4.7.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld, speelt geur hier geen rol. 4.7.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

37

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken.

Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 4.8.2 Analyse Door Kragten is een luchtkwaliteitonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken van de stikstofdioxide-immissie, de (zeer)fijn stof immissie en de benzeen-immissie als gevolg van de activiteiten die maximaal binnen het plangebied kunnen plaatsvinden en deze immissieconcentraties te toetsen aan de geldende normstelling van de Wet milieubeheer. Van de in de Wet milieubeheer genoemde stoffen zijn de stoffen stikstofdioxide en

38

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

fijn stof het meest kritisch. Indien deze stoffen voldoen aan de daarvoor geldende grenswaarden, leiden de overige stoffen evenmin tot overschrijdingen van de normstelling van de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In situaties waar sprake is van relatief veel parkeerbewegingen, zoals bij een parkeergarage of grote parkeerterreinen, kunnen de jaargemiddelde concentraties benzeen sterk oplopen. Omdat de grenswaarden van benzeen naar de toekomst toe worden aangescherpt is het door het bevoegd gezag in deze situaties zinvol geacht om, naast berekeningen voor PM10, PM2,5 en NO2, ook de jaargemiddelde concentratie benzeen te bepalen. De emissies vanwege de activiteiten die binnen het plangebied kunnen worden ontwikkeld zijn berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur. De toetsingswaarden volgen uit de Wet milieubeheer. Met een verspreidingsmodel is de immissie in de omgeving van het plangebied berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de normstelling overeenkomstig het gestelde in de Wet milieubeheer. Voorgaande betekent dat de consequenties op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering vormen voor de realisatie van het plan.

4.8.3 Conclusie Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld voldoet ruimschoots aan de normstelling overeenkomstig het gestelde in de Wet milieubeheer. Er zijn dan ook op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmeringen.

4.9

Milieuzonering

4.9.1 Beleidskader Om de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Deze Staat is overgenomen uit de eerdergenoemde VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Het plangebied ligt in het centrum van Purmerend en is te typeren als een gebied met functiemenging. In gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voor een dergelijk gebied wordt een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging gehanteerd. Daarin zijn categorieën opgenomen die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Richtafstanden zijn niet van toepassing.

Categorie A bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B bedrijven zijn toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C bedrijven zijn toelaatbaar indien zij beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Bedrijven in categorie C zijn toelaatbaar indien: het gaat om kleinschalige, voornamelijk ambachtelijke bedrijvigheid; de productie- en/ of laad- en loswerkzaamheden plaatsvinden in de dag- en avondperiode; en de activiteiten inclusief opslag hoofdzakelijk inpandig gescheiden.

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

39

4.9.2 Analyse De parkeergarage zelf betreft geen milieugevoelige functie. In dit geval hoeft daarom alleen bekeken te worden of het goede woon- en leefklimaat van de milieugevoelige functies in de omgeving gewaarborgd kan blijven. Een parkeergarage wordt op grond van de VNG-publicatie namelijk als een milieuhinderlijke activiteit beschouwd. Een parkeergarage voor auto's valt in categorie C (bedrijven zijn toelaatbaar indien zij beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur). De parkeergarage beschikt over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur (Purmersteenweg). In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Kragten voor de parkeergarage. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Het doel van voorliggend akoestisch onderzoek is inzicht te geven in de geluidemissie van de parkeergarage naar de directe omgeving. Hiertoe is de geluiduitstraling van de parkeergarage berekend op basis van de representatieve bedrijfssituatie en (akoestische) ervaringscijfers, opgedaan bij vergelijkbare inrichtingen. De parkeergarage wordt mechanisch geventileerd waardoor het in onderhavige situatie een inrichting betreft in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Tevens dient ten behoeve van de ruimtelijke procedure te worden aangetoond dat het akoestisch woon- en leefklimaat voldoende gegarandeerd is. Hiertoe is aansluiting gezocht bij de publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG): “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het hoogst berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt 48 dB(A) in de dag-, 47 dB(A) in de avond- en 41 dB(A) in de nachtperiode (52 dB(A) etmaalwaarde). Hiermee wordt niet voldaan aan de standaard normstelling van 50 dB(A) etmaalwaarde conform het Activiteitenbesluit milieubeheer en wordt de richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNG-publicatie niet gerespecteerd. In paragraaf 5.3 van het onderzoek zijn maatregelen opgenomen teneinde het verlagen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Door het plaatsen van een scherm langs de in-/uitgang met een hoogte van 1,2 meter boven plaatselijk maaiveld wordt de normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de richtwaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie gerespecteerd. Maximaal geluidniveau Het hoogst berekende maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt 56 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt in de dag-, avond- en nachtperiode voldaan aan de standaard normstelling uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan de richtwaarde van uit stap 2 van de VNG-publicatie.

Verkeersaantrekkende werking De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting (indirecte hinder) bedraagt ten hoogste 44 dB(A) etmaalwaarde. De richtwaarde van 50 dB(A) wordt gerespecteerd. 4.9.3 Conclusie Het scherm van 1,2 meter hoogte langs de in-/uitgang van de parkeergarage wordt geborgd in voorliggend bestemmingsplan. Na het plaatsen van het scherm langs de in-/uitgang van de parkeergarage zijn er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen.

4.10

Natuurwaarden

4.10.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij

40

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.

Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden.

De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden.

De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

41

gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan.

4.10.2 Analyse FloraFaunaCheck In 2014 en 2017 is door Regelink Ecologie & Landschap een grootschalige inventarisatie uitgevoerd naar de soortgroepen: broedvogels (roofvogels, uilen, gierzwaluw en huismus), muizen, vleermuizen, amfibieën (rugstreeppad), flora en vissen. De gegevens van dit onderzoek zijn beschikbaar voor het toetsen van effecten van ruimtelijke ingrepen op de Wet natuurbescherming. Aanvullend (soortgericht)onderzoek is in de meeste gevallen dan ook niet meer nodig. Uit purmerend.florafaunacheck.nl blijkt dat in het plangebied een foerageergebied van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) aanwezig is. Andere (beschermde) soorten, jaarrond beschermde nesten of beschermde functies zijn niet aangetroffen. Onderzoek Wet natuurbescherming Naar aanleiding van de FloraFaunaCheck is een onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Het voorkomen van beschermde soortgroepen en functies wordt uitgesloten op basis van het onderzoek, de terreinkenmerken en de soortverspreiding. De werkzaamheden hebben dan ook geen negatief invloed op beschermde soorten en functies in het plangebied, waardoor het nemen van vervolgstappen in kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is.

Geadviseerd wordt om geen gebruik te maken van extra verlichting in het plangebied voor zonsopkomst en na zonsopkomst om te voorkomen dat vleermuizen buiten het plangebied worden verstoord. Vanwege het uitvoeren van de werkzaamheden in het broedseizoen wordt geadviseerd om het plangebied door een deskundige te laten controleren op het voorkomen van nesten van algemene broedvogels voor aanvang van de werkzaamheden. Stikstofdepositie Er is door BRO een Aerius-berekening opgesteld voor de beoogde ontwikkeling. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met daarin stikstofgevoelige habitattypen is ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’, wat ligt op een afstand van ongeveer 4,8 km. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de bouw en het gebruik van een parkeergarage betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden niet zondermeer op voorhand worden uitgesloten.

Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

42

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

4.10.3 Conclusie Het project heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura 2000-gebieden. Het project heeft ook geen negatief invloed op beschermde soorten en functies in het plangebied, waardoor het nemen van vervolgstappen in kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Vanuit het aspect natuur zijn er geen belemmeringen.

4.11

Planologisch relevante leidingen

4.11.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 4.11.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ten oosten van het Stadhuis liggen twee aardgastransportleidingen van de Gasunie op een afstand van circa 130 meter tot het plangebied. In paragraaf 4.5 is hier reeds op ingegaan in het kader van het aspect externe veiligheid. 4.11.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan .

4.12

Verkeer en parkeren

4.12.1 Beleidskader Verkeersaantrekkende werking Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'schil centrum'. Parkeren De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld op 26 mei 2016. Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zie ook art 4:84 Algemene wet bestuursrecht. Onderhavig plan betreft een parkeergarage welke voorziet in de parkeerbehoefte van omliggende functies. In paragraaf 3.1.3 is de behoefte van de parkeergarage reeds onderbouwd.

4.12.2 Analyse Door Goudappel Coffeng is een beoordeling verkeersafwikkeling aansluiting wegennet Parkeergarage Stadhuis Purmerend opgesteld. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Uitgangspunten parkeergarage De analyse is uitgevoerd voor de voorkeursoplossing voor de parkeergarage met de volgende uitgangspunten:

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

43

Een maximaal drielaagse ondergrondse parkeergarage met een maximale parkeercapaciteit van 320 parkeerplaatsen. Een hellingbaan met de volgende kenmerken: 1. parallel aan de Purmersteenweg 2. vanaf de parkeergarage in oostelijke richting 3. met een haakse aansluiting op de Purmersteenweg 4. aansluiting tegenover de aansluiting van het terrein Brantjesoever. Het fietspad ten zuiden van de Purmersteenweg wordt uitgebogen, zodat de in- en uitrit van de parkeergarage ongelijkvloers wordt gekruist Uitgangspunten verkeerseffecten Voor de verdere berekeningen over het effect van de parkeergarage op de verschillende omgevingsaspecten zijn gegevens nodig over het aantal voertuigen dat van en naar de parkeergarage rijdt. Voor de verkeerscijfers is uitgegaan van een worst-case benadering op twee onderdelen: De parkeergarage zorgt voor het grootste deel voor een verschuiving van de verkeersstromen in de binnenstad, niet zozeer voor nieuw autoverkeer. In de berekening is desondanks uitgegaan van een situatie waarbij alleen sprake is van nieuw autoverkeer. Er is uitgegaan van een situatie waarin de parkeergarage op de maatgevende situaties tot de maximale wenselijke capaciteit wordt gebruikt.

Bij de berekening van de vulling van de garage zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Aanwezigheid op basis van parkeernormen Purmerend op basis van CROW (uitgangspunt: winkelbezoekers gebruiken garage alleen op drukke momenten, door de week is er plek genoeg elders). Ritten per parkeerplaats op basis van verhouding verkeersgeneratie/parkeervraag op basis van CROW. Maximale vraag worst case ingeschat op basis van drie gegevens: 1. Totale maximale vulling 90%. 2. Opvulling door de week met kantoorgebruikers. 3. Verdeling doelgroepen op basis van tekorten in de binnenstad -> inschatting. Op basis van de maximale verkeersberekeningen voor de verkeersgeneratie zijn per werkdagetmaal in totaal maximaal 2.662 ritten van en naar de parkeergarage te verwachten. Conclusie Voor de hellingbanen van en naar de parkeergarage moet een hellingpercentage van 10% worden aangehouden. Het kruispunt bij de in- en uitgang van de parkeergarage Stadhuis kan goed worden afgewikkeld. Een eventueel verbod voor linksaf zou achter de hand kunnen worden gehouden, maar lijkt op voorhand zeker niet nodig. Het kruispunt Purmersteenweg - Burgemeester D. Kooimanweg kan het verkeersaanbod goed verwerken. De wachtrij linksaf van de Purmersteenweg richting Burgemeester D. Kooimanweg is kritisch. Er is 40 meter nodig en die lengte is ook aanwezig. Af en toe zal de rechtdoorrichting worden geblokkeerd.

Dit linksafvak kan dus niet korter (de hellingbaan kan dus niet naar het oosten opschuiven). Voor alle analyses in deze notitie geldt dat ze zijn gebaseerd op het basismodel Purmerend 2030. Daarmee geldt dat zowel de huidige situatie als de verwachte toekomstige situatie kan worden opgevangen. Zoals in de onderbouwing van het basismodel 2030 is opgenomen, is het zaak ervoor te zorgen dat de uitvoering van de maatregelen in de binnenstad gelijke tred houdt met de ruimtelijke ontwikkelingen. 4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

44

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

4.13

Water

4.13.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.

Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen.

Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld.

In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

45

programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 4.13.2 Analyse Door Aeres Milieu is een waterparagraaf opgesteld. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hierna zijn de conclusies opgenomen. Ter plaatse van het bestaande parkeerterrein wil men een maximaal drielaagse ondergrondse parkeergarage realiseren. Het hemelwater van het parkeerterrein en een gedeelte van het stadhuis stroomt af naar de bestaande vijver alvorens het verder afstroomt naar het noord- en oostelijke oppervlaktewater. Ter plaatse is voldoende drooglegging aanwezig.

Door het lokale, plaatselijk hogere peilbeheer ten behoeve van de vijver is het grondwater op ca. -0,9 tot -1,6 m-mv te verwachten. De toekomstige kelder dient waterdicht uitgevoerd te worden. Om instroom van hemelwater vanaf het openbaar gebied tegen te gaan, wordt geadviseerd om bij de ingang een verhoging van 10-20 cm boven de kruin van de weg aan te houden. Door de bouw van een parkeergarage op het bestaande parkeerterrein is geen toename aan afvalwater te verwachten. Uit kwalitatief oogpunt wordt geadviseerd om instromend hemelwater naar het afvalwaterriool te verpompen of via een zuiverende voorziening te laten stromen naar het oppervlaktewater om vervuiling vast te houden. Een gedeelte van de toekomstige parkeergarage ligt binnen de beschermingszone van een regionale waterkering (noordelijk bij het boezemwater). Gezien de afstand tot de waterkering vormt het planvoornemen geen directe belemmering op de bestaande waterkering. Voorafgaand aan de bouw is een nadere onderbouwing van de realisatie van de parkeerkelder op het grondwater en de waterkering noodzakelijk geacht (geotechnisch onderzoek) en dient hiervoor een watervergunning aangevraagd te worden. Deze mogelijkheden dienen nader met hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier afgestemd te worden. Voor de bouwfase wil men de bestaande vijver voor het stadhuis aan de Purmersteenweg 42 deels dempen.

Gezien het feit dat de huidige vijver dient voor de buffering/ afvangen van het hemelwater van de parkeerplaats en het dakwater van het stadhuis, zal dit als gevolg van de verloren capaciteit door de demping of gedeeltelijke demping, opgevangen en gecompenseerd moeten worden. De vijver heeft voor het watersysteem een doorvoerfunctie, waarbij er via een inlaatleiding vanuit de Where en het oostelijk gelegen Cramwinckelplantsoen het waterniveau in de omgeving op vastgesteld peil - en bij calamiteiten doorgespoeld - kan worden. Tevens is het verzamelde hemelwater van het stadhuis en de parkeerplaats op deze vijver aangesloten. In overleg met het hoogheemraadschap is besproken dat de doorvoerende functie in stand blijft. Het plangebied wordt na de bouw ingericht als openbaar gebied. Hierop wordt tevens verharding aangebracht. Het toekomstig verhard oppervlak neemt af van ca. 4.400 m² naar ca. 3.640 m². Voor een hemelwaterneutrale herontwikkeling wordt geadviseerd om de toekomstige verharding op eigen perceel te bufferen. Hieronder is een samenvatting van de mogelijkheden om te komen tot een waterneutrale ontwikkeling opgenomen: Aanleg waterpasserende bestrating / brede voegen zodat water in de opgebrachte bodem terecht komt in plaats van rechtstreeks afstroomt. Waterberging in gronddekking bovenop de garage (waterbergingshoogte van bijvoorbeeld 15 cm).

Compensatie middels fluctuerend waterpeil van de toekomstige vijver(s). Wijzigingen oppervlaktewaterpeil waardoor meer bergingsruimte ontstaat (kan in het kleine peilgebied). Compensatie elders, door bijvoorbeeld het verbreden van de oostelijk van het stadhuis gelegen

46

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

watergang (al dan niet natuurvriendelijke oever aanleggen). Combinatie van bovenstaande voorzieningen. De opzet is om het water wat op het nieuw in te richten voorterrein valt eerst te bufferen boven de garage alvorens het gedoseerd geloosd wordt in een nieuwe kleinere vijver (zelfde verwerkingswijze als bestaand). De diepe bak-constructie heeft een invloed op de grondwaterstroming en -waterstanden. Voorafgaand aan de bouw dient hiervoor een onderzoek (bemalingsadvies al dan niet in combinatie met een funderingsadvies) plaats te vinden. Tevens dienen zakkingen in de omgeving vermeden te worden. De nadere uitwerking in relatie met de werkzaamheden in relatie tot de waterkering, het watersysteem, alsmede de eventuele bronnering zal t.z.t. nader doorgenomen en vastgelegd worden voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. Met de verhardingsafname, het voornemen tot de aanleg van een waterbuffering op de parkeerkelder en door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt waterneutraal ontwikkeld en wordt geen wateroverlast verwacht als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Middels de waterparagraaf zijn de aandachtspunten voor de verdere planuitwerking aangegeven. Geadviseerd wordt om in de bouwfase voldoende in overstortmogelijkheden te voorzien of om een gedeelte van de bestaande vijver te behouden om wateroverlast bij boven normatieve buien te vermijden.

Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat overtollig water kan afstromen naar het oppervlaktewater. Op een bergende voorziening dient een overloop/slokop naar het oppervlaktewater aangelegd te worden ten behoeve van boven normatieve buien. De toekomstige inrichting bovenop de parkeergarage is nog niet geheel bekend. Bij de nadere uitwerking zal de benodigde waterberging indien noodzakelijk aangepast worden aan het definitief verhard oppervlak. Vooroverleg Op 30 april 2020 is de digitale watertoets voor dit bestemmingsplanvoornemen doorlopen. In het kader van dit bestemmingsplan en de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is verder vooroverleg gepleegd met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Tijdens het vooroverleg zijn uitgangspunten ten aanzien van de functie van de bestaande vijver voor het stadhuis aan de Purmersteenweg 42 besproken. De vijver heeft in de Legger van het hoogheemraadschap een inlaatfunctie, waarbij het waterniveau en de verversing van het water in deze omgeving, via de inlaat vanuit de Where naar het Cramwinckelplantsoen, wordt gereguleerd. In de nieuwe situatie zal de inlaatfunctie in stand blijven. De afstroming van het hemelwater van het stadhuis en de waterafvoer van het nieuw te realiseren voorplein, zal via een nieuwe kleinere vijver plaatsvinden.

Het hemelwater afkomstig van het dak van het gemeentehuis en van het nieuw in te richten voorplein wordt eerst zoveel mogelijk gebufferd en geïnfiltreerd boven de ondergrondse parkeergarage, waarna het gedoceerd afvoert naar de nieuwe kleinere vijver. Tijdens het vooroverleg is afgesproken dat de inlaat met doorvoer in stand blijft en dat de vijver kleiner mag worden onder voorwaarde dat de verloren berging van het oppervlak met afstromende hemelwater in relatie tot het te dempen deel boven de parkeergarage wordt gebufferd. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven bij de nadere uitwerking betrokken te willen blijven, zodat alle werkzaamheden in relatie tot de waterkering, het watersysteem, alsmede de eventuele grondwater bronneringsdetails nader doorgenomen kunnen worden. De gemeente zal het Hoogheemraadschap blijven betrekken bij de nadere uitwerking. Het Hoogheemraadschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Het Hoogheemraadschap heeft gevraagd op de verbeelding middels een arcering aan te geven waar het water ongeveer voorzien is.

Omdat in dit stadium nog niet duidelijk is waar de vijver en buffering exact komen te liggen is er voor gekozen dit niet aan te duiden op de verbeelding en "water, waterhuishouding en waterberging" binnen de gehele bestemming 'Verkeer - 2' mogelijk te maken.

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

47

4.13.3 Conclusie Zoals besproken en uitgewerkt zal te zijner tijd een watervergunning aangevraagd worden. De compensatie in de vorm van de buffering en het open water worden in de watervergunning vastgelegd. Het waterschap ziet geen belemmeringen en staat in principe positief tegenover het planvoornemen. Met voorliggend planvoornemen worden, rekening houdend met aandachtspunten, geen belemmeringen voorzien voor het aspect water.

4.14

de genoemde kaders

en

Milieu-effectrapportage

4.14.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.

Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. 4.14.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.

D.11.2

Activiteiten Gevallen De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van een heeft op: stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, ontwikkelingsproject, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of met inbegrip van de meer woningen omvat, of bouw van 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 winkelcentra of m2 of meer. parkeerterreinen.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan

Dit betekent dat het verplicht is een vormvrije mer-beoordelingsplicht uit te voeren. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect.

48

Parkeergarage Purmersteenweg 2020

Er is door BRO een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld waarin deze aspecten aan de orde komen. Deze is opgenomen als bijlage. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het college van burgemeester en wethouders geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld. Het college heeft hierop besloten dat geen MER opgesteld hoeft te worden. 4.14.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9574704/1