c.-was-wordt-lijst-wijziging-reintegratieverordening-participatiewet
Tekst van het document
Voor inwoners met zeer beperkte arbeidsmogelijkheden en een grote ondersteuningsbehoefte richt de ondersteuning zich primair op maatschappelijke participatie (bijv. in de vorm van dagbesteding) Personen met een uitkering op grond van de Participatiewet met een positief advies beschut werk, van wie het college heeft vastgesteld dat zij in aanmerking komen voor beschut werk, zijn verplicht een beschutte werkplek te aanvaarden. Beschut werk geldt als een participatievoorziening en de uitkeringsgerechtigde is gehouden daaraan mee te werken. Het college kan iemand die beschut werk weigert, een verlaging van de Participatiewetuitkering opleggen. Tweede, derde en vierde lid 52
• ten minste vier uur per werkdag belastbaar zijn (of het WML per uur kunnen verdienen). Voor beschut werk moet daarnaast sprake zijn van zodanige beperkingen dat zodanige technische of organisatorische aanpassingen nodig zijn en een zodanige begeleiding dat deze niet binnen redelijke grenzendoor een reguliere werkgever kunnen worden gerealiseerd. Het college maakt een integrale afweging. In die afweging om aan iemand een voorziening beschut werk aan te bieden, neemt de gemeente in ieder geval het advies van het UWV, de arbeidsmogelijkheden en de ondersteuningsbehoefte van de inwoner mee. Deelname aan de beschut werkvoorziening is op basis van vrijwilligheid, maar het is niet vrijblijvend. De plaatsing op beschut werk sluit zoveel mogelijk aan op motivatie en de voorkeuren van de werkzoekende. Voor inwoners met voldoendearbeidsmogelijkheden (als globale indicator hanteren we een loonwaarde van 30 % of meer), richt de ondersteuning zich primair op het verrichten van betaald werk. Voor inwoners met zeer beperkte arbeidsmogelijkheden en een grote ondersteuningsbehoefte richt de ondersteuning zich primair opmaatschappelijke participatie (bijv. in de vorm van dagbesteding) Zevende lid behoeft geen toelichting Achtste lid Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald.
Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV dan landelijk geraamd is, blijft de verplichting beperkt tot maximaal het aantal afgegeven positieve adviezen door het UWV. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV dan de landelijke raming blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. Op grond van artikel 10b, vijfde lid, van de Participatiewet, is de gemeenteraad bevoegd om een hoger aantal beschut werkplekken aan te
Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking(artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Het college kan zelf bepalen waar de beschutte werkplek wordt georganiseerd. Dat kan zijn binnen de gemeente, of bij een andere, aan de gemeente gelieerde organisatie. Ook kunnen personen via een detachering in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers werken. Het kan ook zijn dat een reguliere werkgever bereid is de benodigde beschutte omstandigheden te bieden. Hiervoor bieden de gemeenten in de arbeidsmarktregio een regionaal geharmoniseerde subsidie voor beschutwerk aan reguliere werkgevers. Om de dienstbetrekkingen te organiseren kan het college ook een of meer aanbestedingen doen. We onderzoeken of een aanbesteding, bijvoorbeeld een integrale met WMO dagbesteding, meerwaarde heeft voor het aanbieden van de beschut werkvoorziening. Het UWV kan ook mensen met een UWV uitkering, bijv.Wajong of Wia indiceren voor beschut werk. Vijfde lid We willen een zorgvuldig proces realiseren voor deze kwetsbare doelgroep en zo beter passende maatwerkoplossingen kunnen bieden.
In de diagnose fase voor beschut werk wordt een kandidaat gedurende een periode op een of meerdere werkplekken geobserveerd en worden de mogelijkheden en beperkingen van het werken zorgvuldig in kaart gebracht en de benodigde begeleidingsbehoefte beoordeeld. De mogelijkheden en beperkingen m.b.t. belastbaarheid en m.b.t. de aansturing voor werkgerichte taken worden aan de hand van de praktijk in beeld gebracht. Lukt het bijvoorbeeld om vier uur per dag belastbaar te zijn, hetgeen een van de criteria voor arbeidsvermogen is (of het WML per uur kunnen verdienen). Tijdens deze praktijkervaringen kan daadwerkelijk bekeken worden of iemand in staat is een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren, waar de kandidaten binnen de dagbesteding of stage van school vaak nog geen ervaring mee hebben. Ook deconcentratie kan in de concrete werksituatie bepaald worden (iemand die arbeidsvermogen 53
bieden, dan op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 10b, vierde lid, is bepaald. De raad kan jaarlijks bij het vaststellen van de programmabegroting besluiten, bovenop de raming, een bepaald aantal extra dienstbetrekkingen beschut werk te realiseren. De gemeente ontvangt voor een hoger aantal geen middelen in het Buig budget of in het Participatiebudget. Bij eventuele extradienstbetrekkingen vindt de volgorde waarin de personen, die behoren tot de doelgroep beschut werk, door het college van een dienstbetrekking worden voorzien, op dezelfde wijze plaats als voor de verplichte beschutte werkplekken (artikel 10b, vijfde lid, van de Participatiewet). Negende lid Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon in beginsel voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Nadat het college heeft vastgesteld, dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschutte werkplek.
In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van betrokkene, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Het is de bedoeling van de wetgever dat personen voor wie niet direct een beschutte werkplek beschikbaar is, bij voorrang een beschutte werkplek krijgen aangeboden in het daaropvolgende jaar. Bij de plaatsing van een werkzoekende op een beschutte werkplek blijft het leidende uitgangspunt ‘de beste match tussen vraag en aanbod’. Dit betekent dat iemand die op basis van indicatiedatum later op de wachtlijst staat toch eerder geplaatst kan worden. Tiende lid
heeft, kan een uur aaneengesloten werken). Is de concentratie bijvoorbeeld eerst maar vijf minuten, dan kan de ontwikkeling van de concentratie in een werksituatie bekeken worden. Is er groei van de concentratie naar 10 en verder naar 20minuten of blijkt dat niet mogelijk. In samenspraak met de kandidaat worden de doelen en werkafspraken vastgelegd in een persoonlijk ontwikkelplan. Deze informatie vinden wij noodzakelijk om uiteindelijk een optimale match te kunnen maken tussen de kandidaat en een beschutte werkplek of indien dit niet mogelijk blijkt een match met bijvoorbeeld een passende dagbestedingsplek. Als bijvoorbeeld de plaatsing niet mogelijk blijkt op de werksoort die de eerste keuze is van een kandidaat (vanwege het niveau van zelfstandigheid dat de werksoort vraagt), dan kan tijdens deze diagnose/praktijkroute bekeken worden of we de kandidaat voorandere werksoorten kunnen interesseren.
De verwachtingen over productiviteit en begeleidingsbehoefte van een werkzoekende en over de diens plaatsingsmogelijkheden in beschut werk worden aldus gebaseerd op de ervaringen in een praktijksituatie, een praktisch voortraject waarin met mensen die vanwege verstandelijke, sociale of psychische beperkingenmoeilijk leerbaar zijn, gewerkt wordt aan werknemersvaardigheden, analyse van mogelijkheden en belemmeringen en het inzetten van gerichte interventies om tot verbetering te komen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door een leerwerkervaringsplaats die in een passende setting wordt georganiseerd, bijvoorbeeld bij het Participatiebedrijf of een sociale firma of in een andere omgeving waar gewerkt wordt met mensen die extra begeleiding nodig hebben en mogelijk zijn aangewezen op beschut werk. Maar ook de ervaringen die zijn opgedaan bij een onderwijsstage en arbeidsmatige dagbesteding kunnen leiden tot de verwachting dat iemandaangewezen is en plaatsbaar is op beschut werk. Zesde lid Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep ‘beschut werk’ behoort. Landelijke regels hierover zijn neergelegd in nadere regelgeving bij de socialezekerheidswetten. Het 54
Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing betrokkene voorzieningen (op de arbeidsinschakeling) aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing. Welke (combinatie van)voorziening(en) in een concreet geval ingezet wordt zal gezien het maatwerkkarakter van dat geval afhangen. Naast voorzieningen die bijdragen aan arbeidsinschakeling en hun grondslag vinden in de Reintegratieverordening, kunnen ook andere voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals de Wmo 2015of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden verstrekt en bijdragen aan een geslaagde plaatsing. Ook de mogelijkheden via social return kunnen hiervoor worden ingezet.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Wet). Randvoorwaarde is dat iemand een actueel arbeidsvermogen heeft - daarbij is te denken aan zaken als: • een taak kunnen uitvoeren binnen een arbeidsorganisatie • beschikken over basale werknemersvaardigheden • ten minste een uur achtereen kunnen werken • ten minste vier uur per werkdag belastbaar zijn (of het WML per uur kunnen verdienen). Voor beschut werk moet daarnaast sprake zijn van zodanige beperkingen dat zodanige technische of organisatorische aanpassingen nodig zijn en een zodanige begeleiding dat deze niet binnen redelijke grenzendoor een reguliere werkgever kunnen worden gerealiseerd. Het college maakt een integrale afweging. In die afweging om aan iemand een voorziening beschut werk aan te bieden, neemt de gemeente in ieder geval het advies van het UWV, de arbeidsmogelijkheden en de ondersteuningsbehoefte van de inwoner mee. Deelname aan de beschut werkvoorziening is op basis van vrijwilligheid, maar het is niet vrijblijvend. De plaatsing op beschut werk sluit zoveel mogelijk aan op motivatie en de voorkeuren van de werkzoekende. Voor inwoners met voldoendearbeidsmogelijkheden (als globale indicator hanteren we een loonwaarde van 30 % of meer), richt de ondersteuning zich primair op het verrichten van betaald werk.
Voor inwoners met zeer beperkte arbeidsmogelijkheden en een grote ondersteuningsbehoefte richt de ondersteuning zich primair opmaatschappelijke participatie (bijv. in de vorm van dagbesteding) Zevende lid Behoeft geen toelichting. Negende lid
55
Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon in beginsel voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Nadat het college heeft vastgesteld, dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschutte werkplek. In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van betrokkene, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Het is de bedoeling van de wetgever dat personen voor wie niet direct een beschutte werkplek beschikbaar is, bij voorrang een beschutte werkplek krijgen aangeboden in het daaropvolgende jaar. Bij de plaatsing van een werkzoekende op een beschutte werkplek blijft het leidende uitgangspunt ‘de beste match tussen vraag en aanbod’. Dit betekent dat iemand die op basis van indicatiedatum later op de wachtlijst staat toch eerder geplaatst kan worden.
Tiende lid Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing voorzieningen aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing. Welke (combinatie van)voorziening(en) in een concreet geval ingezet wordt zal gezien het maatwerkkarakter van dat geval afhangen. Naast voorzieningen die bijdragen aan arbeidsinschakeling en hun grondslag vinden in de Reintegratieverordening, kunnen ook andere voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals de Wmo of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden verstrekt en bijdragen aan een geslaagde plaatsing. Ook de mogelijkheden via social return kunnen hiervoor worden ingezet.
56
Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject Bestaande tekst Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject
Nieuwe tekst
Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en dat de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen: • van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet1969, nog niet is geëindigd, of • van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en dat de ondersteuning nodig is voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen: • van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet1969, nog niet is geëindigd, of • van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.
De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van 18 tot 27jaar die door een leerwerktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.
Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijnuitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de
Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijnuitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijkskas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt
Artikel 9. Ondersteuning bij leer-werktraject
57
jongere uit 's Rijkskas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigdonderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geenstartkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning bij werk Bestaande tekst Artikel 11. Jobcoaching/Persoonlijke ondersteuning In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.
(Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, p. 49). In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigdonderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geenstartkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.
Nieuwe tekst Artikel 10. Persoonlijke ondersteuning bij werk De voorziening persoonlijke ondersteuning bij werk is nader uitgewerkt in hoofdstuk 3A. Deze bepaling verwijst daarom naar dit hoofdstuk, waarbij ook wordt verwezen naar de uit artikel 3 voortvloeiende algemene voorwaarden die gelden voor alle op grond van deze verordening te verstrekken voorzieningen.
Artikel 12. Werkvoorzieningen
58
Bestaande tekst Artikel 12 Werkvoorzieningen Werkvoorzieningen zijn bedoeld voor belanghebbenden met een arbeidshandicap, die een voorziening nodig hebben om te kunnen werken. Hierbij kan men denken aan: a) vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de belanghebbende zijn werkplek kan bereiken; b) werkplekaanpassingen arbeidsgehandicapten, aard en nagelvast; c) meeneembare voorzieningen voor de werknemer voor het geschikt maken van de arbeidsplaats, op het individu afgestemde hulpmiddelen.
Nieuwe tekst Artikel 12 Werkvoorzieningen (vervallen)
Het kan zijn dat er aanpassingen op de werkplek gedaan moeten worden om ervoor te zorgen dat een werknemer met een fysieke arbeidsbeperking kan functioneren op de werkplek. Denk aan een rolstoeloprit, een aangepast toilet, elektrische deuren, een extra leuning bij de trap of een video intercom. Dit noemen we aard- en nagelvaste werkplekaanpassingen. De verstrekking van de in de oude verordening genoemde landelijke regelingen nl. de intermediaire voorziening ‘doventolk’ en de meeneembare voorzieningen voor de werknemer worden vanaf 2018 niet meer landelijk uitgevoerd door het UWV. Meeneembare voorzieningen zijn hulpmiddelen die mensen met een arbeidsbeperking- voor wie gemeenten in het kader van de Participatiewet reintegratieverantwoordelijkheid dragen - in staat stellen om aan het werk te gaan of werk te behouden. Veelal is door een arts al vastgesteld of vast te stellen dat er sprake is van een ziekte of gebrek en dat voorzieningen nodig zijn als een dergelijk persoon (weer) aan het werk gaat. Het gaat uitdrukkelijk om voorzieningen die ingezet worden ter compensatie van ziekte of gebrek tijdens het werk of om aan het werk gaan (bijvoorbeeld bij het voeren van sollicitatiegesprekken). Een meeneembare voorziening is een voorziening die kan worden meegenomen, met andere woorden de voorziening is niet aan de specifieke werkplek gebonden.
We noemen dit ook wel dat de voorziening niet aard- en
59
nagelvast is. Hoewel een werkgever de plicht heeft om zijn werknemers van deugdelijk materiaal te voorzien, kan het toch nodig en redelijk zijn om deze kosten als gemeente te dragen. Voorbeelden van meeneembare voorzieningen zijn: brailleleesregel bij computer; aangepast bureau of speciale bureaustoel. Artikel 13. Aansprakelijkheid en ongevallen verzekering Bestaande tekst Artikel 13. Aansprakelijkheid en ongevallen verzekering
Nieuwe tekst Artikel 11. Aansprakelijkheid en ongevallen verzekering
Het college kan aan werkgevers een voorziening bieden voor de dekking van aansprakelijkheid en ongevallentijdens het onbetaalde werk.
Het college kan aan werkgevers een voorziening bieden voor de dekking van aansprakelijkheid en ongevallentijdens het onbetaalde werk.
Artikel 14 Proefplaatsing Bestaande tekst Artikel 14 Proefplaatsing
Nieuwe tekst
De proefplaatsing kan ingezet worden om belemmeringen bij werkgevers weg te nemen ten aanzien van het in dienst nemen van personen uit de doelgroep. Door dit instrument kan de werkgever in de dagelijkse praktijktoetsen of de kandidaat geschikt is voor de vacature. Voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie kan de proefplaatsing gebruikt worden om een beeld te krijgen van de productiviteit van de werknemer op de werkplek, en daarmee van zijn of haar loonwaarde. Verder kan in deze periode worden bekeken of nog andere voorzieningen moeten worden ingezet. Voor de reguliere doelgroep zien we dat ook proefplaatsingen van een of twee weken of een maand volstaan. De inzet is maatwerk. Een proefplaatsing kan vooraf gaan aan een dienstbetrekking, om te bepalen of betrokkene geschikt is voor de betreffende werkplek. Deze mogelijkheid was bij de toepassing van loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de Participatiewet beperkt tot een periode van drie maanden en vastgelegd in het derde lid van dat artikel. De
Artikel 12. Proefplaats Volgens artikel 8a, tweede lid, onder d, van de Participatiewet moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 12 geeft hier invulling aan. De proefplaatsing kan ingezet worden om belemmeringen bij werkgevers weg te nemen ten aanzien van het in dienst nemen van personen uit de doelgroep.
60
proefplaatsing is niet langer meer expliciet in de Participatiewet geregeld, omdat deze door de nieuwe mogelijkheid om loonkostensubsidie tijdelijk forfaitair vastte stellen niet altijd meer nodig is. Bij een forfaitaire loonwaarde wordt deze tijdelijk op 50 % vastgezet. Slechts een deel van de werkgevers en werknemers wil gebruik maken van de tijdelijk vast te zettenloonkostensubsidie. En ook in die gevallen is regelmatig een voorafgaande proefplaatsing noodzakelijk, om te bepalen of betrokkene geschikt is voor de betreffende werkplek. De mogelijkheid van de proefplaatsing voorgemeenten blijft essentieel als instrument in de matching van werkgever – werknemer. Het college heeft en houdt de beleidsvrijheid om dit instrument gericht in te zetten om de arbeidsinschakeling te bevorderen, ook als de proefplaatsing wordt gevolgd door een dienstverband waarvoor een forfaitair vastgestelde loonkostensubsidie wordt toegekend. Proefplaatsing is bij uitstek geschikt om aan elkaar te wennen, werkervaring op te doen, maar ook om via jobcarving na te gaan wat het beste bij betrokkene past. Indien er vermoedelijk sprake is van verminderde loonwaarde, dan is de intentie om tijdens de proefplaatsing de loonwaardemeting uit te voeren.
Een maximale termijn is juridisch niet gesteld, maar de termijn mag niet te lang zijn(in het algemeen niet langer dan zes maanden) omdat een rechter bij een te lange periode kan vaststellen dat er de facto al sprake is van een dienstbetrekking. Bij de doelgroep voor beschut werk zien we in de praktijk een hoge uitval voorkomen. Bovendien hebben zij regelmatig langere tijd nodig om te wennen. Het aanpassen aan de nieuwe (werk) situatie is vaak een van de grootste uitdagingen. We zien dat voor deze groep vaak een langere proefplaatsing noodzakelijk is dan 2 of 3 maanden, bijv. in situaties van ziekte, of als het nodig is om op meerdere werkplekken werkervaring op te doen, of als het nodig is om de taken aan te passen (jobcarving)om te beoordelen wat de optimale match is. Daarom is in het vijfde lid van dit artikel is een verlengingsmogelijkheid opgenomen.
Door dit instrument kan de werkgever in de dagelijkse praktijktoetsen of de kandidaat geschikt is voor de vacature. Voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie kan de proefplaatsing gebruikt worden om een beeld te krijgen van de productiviteit van de werknemer op de werkplek, en daarmee van zijn of haar loonwaarde. Verder kan in deze periode worden bekeken of nog andere voorzieningen moeten worden ingezet. Voor de reguliere doelgroep zien we dat ook proefplaatsingen van een of twee weken of een maand volstaan. De inzet is maatwerk. Een proefplaatsing kan vooraf gaan aan een dienstbetrekking, om te bepalen of betrokkene geschikt is voor de betreffende werkplek. Proefplaatsing is bij uitstek geschikt om aan elkaar te wennen, werkervaring op te doen, maar ook om via jobcoaching na te gaan wat het beste bij betrokkene past. Indien er vermoedelijk sprake is van verminderde loonwaarde, dan is de intentie om tijdens de proefplaatsing de loonwaardemeting uit te voeren. Indien vanwege omstandigheden de loonwaardemeting niet heeft plaatsgevonden kan bij uitzondering worden uitgeweken naar het inzetten van forfaitaire loonkostensubsidie aansluitend op de proefplaatsing. In het vijfde lid van dit artikel is een verlengingsmogelijkheid opgenomen.
Het college kan persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zesde lid) als het noodzakelijk blijkt om de werkzaamheden uit te kunnen voeren.
Als het noodzakelijk is om de werkzaamheden uit te voeren, kan het college persoonlijke ondersteuning toekennen aan de persoon op de proefplaats (zesde lid). 61
Artikel 15 jongerenvoucher Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 15 Jongerenvoucher
Artikel 13. Jongerenvoucher (subsidie)
1. Het doel van de jongerenvoucher is om werkgevers te stimuleren werkplekken aan te bieden en de doelgroep een kans te bieden in hun bedrijf. Het kan een reguliere baan zijn of een baan in het kader vaneen leerwerktraject , en het kan een stage voor een opleiding betreffen. 2. De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in de salariskosten of als een bijdrage aan opleidings- en/of begeleidingskosten. 3. Door het verrichten van de werkzaamheden doet de doelgroep werkervaring op. 4. Hiermee wordt uitstroom uit de uitkering gerealiseerd, er wordt een stage of leerwerkplek gerealiseerd om opleiding te volgen of af te maken, of een aanvraag WWB wordt voorkomen.
1. Het doel van de jongerenvoucher is om werkgevers te stimuleren werkplekken aan te bieden en de doelgroep een kans te bieden in hun bedrijf. Het kan een reguliere baan zijn of een baan in het kader vaneen leerwerktraject , en het kan een stage voor een opleiding betreffen. 2. De subsidie wordt verstrekt als tegemoetkoming in de salariskosten of als een bijdrage aan opleidings- en/of begeleidingskosten. 3. Door het verrichten van de werkzaamheden doet de doelgroep werkervaring op. 4. Hiermee wordt uitstroom uit de uitkering gerealiseerd, er wordt een stage of leerwerkplek gerealiseerd om opleiding te volgen of af te maken, of een aanvraag WWB wordt voorkomen.
Artikel 16 Stimuleringssubsidie Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 16 Stimuleringssubsidie
Artikel 14. Stimuleringssubsidie
Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in dit artikel opgenomen stimuleringssubsidie is niet gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt kwetsbare personen in de doelgroep. De in dit artikel van deze verordening geregelde stimuleringssubsidie is een andere subsidie dan bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet voor personen met een arbeidsbeperking van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. De in dit artikel opgenomen stimuleringssubsidie is niet gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt kwetsbare personen in de doelgroep. De in dit artikel van deze verordening geregelde stimuleringssubsidie is een andere subsidie dan bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet artikel 18a. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet voor personen met een arbeidsbeperking van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat 62
staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon. De loonkostensubsidie kan niet tegelijkertijd worden verstrekt met de stimuleringssubsidie. Compensatie Het doel van de subsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever iemand niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een subsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt (Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4).
Artikel 17. Tegemoetkoming opstartkosten regulier werk Bestaande tekst Artikel 17. Uitstroompremie
zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon en die is geregeld in hoofdstuk 3A. De stimuleringssubsidie betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling. De loonkostensubsidie kan niet tegelijkertijd worden verstrekt met de stimuleringssubsidie. Compensatie Het doel van de subsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever iemand niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een subsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt (Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4).
Nieuwe tekst (vervallen)
Het verstrekken van een uitstroompremie is alleen mogelijk als een persoon, die algemene bijstand ontving, uitstroomt.
Artikel 18. Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 18. Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk
Artikel 16. Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk
Het vervullen van vrijwilligerswerk of mantelzorg draagt bij aan het bevorderen van de
Het vervullen van vrijwilligerswerk of mantelzorg draagt bij aan het bevorderen van de
63
maatschappelijke participatie en het voorkomen van sociaal isolement. Om dit te stimuleren in die gevallenwaar bemiddeling naar betaalde arbeid op korte termijn niet haalbaar is worden onkosten vergoed. In dit artikelkomen de voorwaarden waaronder een onkostenvergoeding wordt verstrekt benoemd. Indien de organisatiewaar vrijwilligerswerk wordt verricht een onkostenvergoeding verstrekt die lager is dan 764,- per jaar kan de onkostenvergoeding aanvullend worden verstrekt.
maatschappelijke participatie en het voorkomen van sociaal isolement. Om dit te stimuleren in die gevallenwaar bemiddeling naar betaalde arbeid op korte termijn niet haalbaar is worden onkosten vergoed. In dit artikelkomen de voorwaarden waaronder een onkostenvergoeding wordt verstrekt benoemd. Indien de organisatiewaar vrijwilligerswerk wordt verricht een onkostenvergoeding verstrekt die lager is dan 764,- per jaar kan de onkostenvergoeding aanvullend worden verstrekt.
Artikel 19. Premie arbeidsinschakeling Bestaande tekst Artikel 19. Premie arbeidsinschakeling
Nieuwe tekst Artikel 17. Premie arbeidsinschakeling
De gemeente kan een kandidaat een een- of tweemalige premie geven met een door de wet gesteld maximum(€ 2.366,00 in 2016) per kalenderjaar. Dit kan voor zover de premie naar het oordeel van het college bijdraagtaan de arbeidsinschakeling. De premie is onbelast als aan voorwaarden (o.a. belastingregelgeving) wordt voldaan: 1. het gaat om een eenmalige betaling en 2. de bijstandsgerechtigde heeft geenvrijwilligersvergoeding. Een premie kan bijvoorbeeld verstrekt worden om werkaanvaarding te stimuleren. Wettelijk gezien is de doelgroep: personen van 27 jaar of ouder.
De gemeente kan een kandidaat een een- of tweemalige premie geven met een door de wet gesteld maximum(€3.209,00 in 2024) per kalenderjaar. Dit kan voor zover de premie naar het oordeel van het college bijdraagtaan de arbeidsinschakeling. De premie is onbelast als aan voorwaarden (o.a. belastingregelgeving) wordt voldaan: 1. het gaat om een eenmalige betaling (een structurele uitbetaling of een meerjarige inzet kan fiscale gevolgen hebben, zie Gemeentenieuws SZW 2021) en 2. de bijstandsgerechtigde heeft geenvrijwilligersvergoeding. Een premie kan bijvoorbeeld verstrekt worden om werkaanvaarding en behoud van werk te stimuleren. De premie wordt in het kader van de bijstandsverlening niet tot de middelen gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor personen jonger dan 27 jaar die niet behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie is deze premie niet vrijgelaten (artikel 31, vijfde lid, van de Participatiewet). De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kennen een dergelijke vrijlatingsbepaling ook niet.
64
Artikel 20. Detacheringsbanen Bestaande tekst Artikel 20. Detacheringsbanen
Nieuwe tekst Artikel 18. Detacheringsbanen
Dit artikel regelt dat de gemeenten op basis van de verordening de mogelijkheid hebben om gebruik te maken van het aanbieden van dienstverbanden en het detacheren van werkzoekenden met een Participatiewet-uitkering.
Dit artikel regelt dat de gemeenten op basis van de verordening de mogelijkheid hebben om gebruik te maken van het aanbieden van dienstverbanden en het detacheren van werkzoekenden met een Participatiewet-uitkering. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. In lid 2 staat dat het college ervoor kan zorgen dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het derde lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.
Artikel 21. Overige voorzieningen Bestaande tekst Artikel 21. Overige voorzieningen
Nieuwe tekst Artikel 19. Overige voorzieningen
Gedurende de periode dat een uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en er in verband hiermee extra kosten opkomen die niet op een andere manier worden vergoed, zoals bijvoorbeeld reiskosten, kan het college hiervoor een vergoeding verstrekken. Deze vergoeding voorkomt dat het besteedbaar inkomen van
Gedurende de periode dat een uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling en er in verband hiermee extra kosten opkomen die niet op een andere manier worden vergoed, zoals bijvoorbeeld reiskosten, kan het college hiervoor een vergoeding verstrekken. Deze vergoeding voorkomt dat het besteedbaar inkomen van een persoon
65
een persoon daalt wanneer hij gebruik maakt van een voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling.
daalt wanneer hij gebruik maakt van een voorziening in het kader van de arbeidsinschakeling.
Hoofdstuk 3A Specifieke bepalingen doelgroep Breed Offensief Paragraaf 3A.1 Administratief proces loonkostensubsidie Artikel 21a. Loonkostensubsidie Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 21a. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 5455). De werknemer dan wel de werkgever kan een melding doen waarmee het aanvraagproces in werking wordt gezet. Het derde lid maakt duidelijk dat het rechtssubject van de loonkostensubsidie de werkgever is, ook op het moment dat de werknemer de aanvraag indient. Dit volgt ook uit artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet waarin staat dat de subsidie wordt verleend aan de werkgever. Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie 66
hiervoor in aanmerking komen regelt het vierde lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. Het onder de doelgroep brengen gebeurt volgens de in artikel 1 gedefinieerde praktijkroute. Inzet loonkostensubsidie tijdens dienstverband Met het Breed Offensief wordt inzet van loonkostensubsidie tijdens het dienstverband uitgebreid voor mensen die door de gemeente aan passend werk zijn geholpen, maar die kort na de start in een dienstbetrekking alsnog verminderd productief blijken te zijn en met voltijds werk niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Om te voorkomen dat werkgevers het arbeidscontract met deze werknemer niet voortzetten of verlengen, wordt het voor werkgevers en werknemers mogelijk om binnen zes maanden na de start van het dienstverband een aanvraag voor loonkostensubsidie in te dienen. De gemeente onderzoekt op basis van loonwaardebepaling of de werknemer niet in staat is het WML te verdienen. Het vijfde lid regelt de termijn waarbinnen de loonwaarde wordt vastgesteld. Het zesde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie.
Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld. Doel was om de lasten voor werkgevers als gevolg van verschillende werkwijzen door gemeenten te verminderen, door het creëren van één administratief uitvoeringsproces voor het verstrekken van loonkostensubsidie. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen.
67
Paragraaf 3A.2 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Artikel 21b. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21b. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of werkvoorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c).
Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, of bijvoorbeeld vanuit het Bouwbesluit, of bijvoorbeeld omdat het gangbaar is in het bedrijfsleven dat de werkgever de investering voor deze voorziening zelf draagt (standaarduitrusting) wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g).
68
Artikel 21c. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21c. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). In dit artikel worden de verschillende stappen beschreven die het college moet doorlopen om tot een zorgvuldig onderzocht en onderbouwd besluit te komen. Het artikel vloeit voort uit artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet “op welke wijze het college voorzieningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, verstrekt” en onderdeel g “op welke wijze waar nodig voor een persoon als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, onderdeel a, of 10d, tweede lid, wordt voorzien in integrale en voortgezette (persoonlijke) ondersteuning”.
Bij het onderzoek houdt het college rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het vijfde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening.
69
Artikel 21d. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21d. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en werkvoorzieningen Een beschikking dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet daaraan stellen. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in een beschikking moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet te voldoen.
Paragraaf 3A.3 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 21e. Persoonlijke ondersteuning bij werk Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 21e. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste lid geeft het doel van deze ondersteuning. Het tweede en derde lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of de uitvoering van de jobcoaching inkopen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft of een jobcoach inhuurt. De werkgever kan ook een collega van de werknemer inzetten om hem te begeleiden (interne werkbegeleider). In het artikel worden de verschillende mogelijkheden benoemd.
70
Het vijfde lid maakt duidelijk dat de in het tweede en derde lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever. Lid 6 geeft aan dat per periode steeds maar één type persoonlijke ondersteuning bij werk wordt verstrekt. Ofwel een interne jobcoach in dienst van de werkgever, ofwel een jobcoach ingehuurd door de werkgever, ofwel een intern werkbegeleider, ofwel een gemeente/eigen jobcoach, ofwel een externe jobcoach. Om in aanmerking te komen voor verstrekking dient verantwoording gegeven te worden over de voortgang en de resultaten van de persoonlijke ondersteuning bij werk. Het college kan hiervoor een voortgangsrapportageformulier vaststellen (lid 7).
Artikel 21f. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21f. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Het eerste lid bevat een termijn waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning in beginsel moet zijn ingediend, gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al
71
heeft verricht. In die situatie rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Het tweede lid bevat de basisaspecten waarmee het college rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning en benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In artikel 18g en 18h wordt dit verder uitgewerkt. Artikel 21g. Kwaliteitseisen voor jobcoach/interne werkbegeleider Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21g. Kwaliteitseisen voor jobcoach/interne werkbegeleider Dit artikel is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach/intern werkbegeleider en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach/intern werkbegeleider. Jobcoaches vanuit uitzendbureaus vallen onder de ‘jobcoachorganisaties’ en de eisen die daaraan worden gesteld. Bij lid 1, 3 en 5 De kwaliteit wordt geborgd doordat geëist wordt dat de jobcoach op HBO niveau functioneert, en aantoonbaar een door Noloc geaccrediteerde jobcoachopleiding heeft gevolgd op HBO-niveau.
Bij lid 2 De externe jobcoach (organisatie) moet door middel van een bewijsstuk aantonen dat deze door het UWV is erkend op grond van de geldende ‘Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV’. De huidig geldende beleidsregel betreft de
72
‘Beleidsregel Erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019’. Mocht in de toekomst door het UWV een nieuwe versie van dit erkenningskader worden vastgesteld en het Erkennings-en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV 2019 komen te vervallen dan dient door middel van een bewijsstuk te worden aangetoond dat voldaan wordt aan het nieuw vastgestelde erkenningskader (altijd het meest recente). Bij lid 4 Een Harrie/Buddy training is een training voor werknemers om te leren om werknemers met een beperking tot de arbeidsmarkt te begeleiden op de werkplek. De collega-werknemer neemt dan de rol van begeleider/buddy op zich en begeleidt de nieuwe medewerker in zijn werk. Hij ondersteunt met het structureren van werk en legt uit wat er op welke manier gedaan moet worden. Ook ziet hij toe op de kwaliteit van het werk en probeert dat waar nodig en mogelijk is, te verbeteren. Daarnaast zorgt hij er ook voor dat problemen bespreekbaar worden en blijven.
Artikel 21h. Duur, intensiteit en kosten van de persoonlijke ondersteuning bij werk Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21h. Duur, intensiteit en kosten van de persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning bij werk. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie/vergoeding hiervoor wordt bepaald. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de persoonlijke ondersteuning bij werk is maatwerk. Lid 1
73
De jobcoach/interne werkbegeleider wordt ingezet vanaf de eerste dag dat het arbeidscontract dan wel de overeenkomst in werking treedt. Bij proefplaatsing wordt een proefplaatsingsovereenkomst afgesloten. Lid 2 Voor de proefplaatsing wordt gewerkt met een vast maximaal aantal uren. Daarna wordt maatwerk toegepast door te bekijken welk regime nodig is en welke duur. Lid 3 Dit is harmonisatie met de regimes licht en midden die door UWV worden gehanteerd. Lid 4 In dit lid staan de maximumbedragen voor persoonlijke ondersteuning bij werk. De huidige geldende maximumbedragen voor persoonlijke ondersteuning bij werk komen uit het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV 2024 onder ‘Subsidiebedrag voor interne jobcoaching (Q2)’ en zijn als volgt: Maximumbedragen persoonlijke ondersteuning bij werk Begeleidingsniveau
Jaar 1
Jaar 2
licht midden
€3.277,55 €5.583,98
€1.699,47 €2.791,99
Totaal jaar 1+2 €4.977,02 €8.375,97
Jaar 3 (optioneel) €1.699,47 €1.699,47
De bedragen zijn all-in (o.a. reistijd/reiskosten) maar exclusief eventuele verschuldigde BTW Bij wijziging door het UWV van de subsidiebedragen in een nieuw besluit worden ook de maximumbedragen voor persoonlijke ondersteuning bij werk overeenkomstig aangepast met ingang van de wijzigingsdatum. Lid 6
74
Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Dat kan bijvoorbeeld door de tarieven te vermelden op de website van de gemeente. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om persoonlijke ondersteuning bij werk in te kopen/te organiseren. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een uurtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende persoonlijke ondersteuning bij werk in te kopen/te organiseren. Lid 7 De combinatie van maximumbedrag en tarief resulteert in een maximum aantal uren persoonlijke ondersteuning bij werk dat kan worden toegekend. Als namelijk bekend is onder welk regime de persoonlijke ondersteuning bij werk valt, kan uit de tabel in de toelichting bij lid 4 het maximale bedrag bij een dienstverband van 24 uur of meer worden afgelezen. (Indien de dienstbetrekking minder dan 24 arbeidsuren per week bedraagt, worden de bedragen naar rato verlaagd). Het maximum aantal uren voor een half jaar bedraagt dan de helft van het maximumbedrag uit deze tabel gedeeld door het uurtarief zoals bedoeld in lid 6.
Let op: dit geldt niet voor persoonlijke ondersteuning bij werk in geval van een proefplaatsingsovereenkomst. Hier wordt gewerkt met een vast maximaal aantal uren zoals beschreven in lid 2. Lid 9 Dit lid geeft aan dat in bepaalde gevallen, bijv. in geval van langdurige ziekte de inzet van een jobcoach/intern werkbegeleider naar een derde jaar verlengd kan worden. Dit geeft de mogelijkheid dat, als door bepaalde bijzondere omstandigheden er niet in het tweede jaar voldoende gewerkt is of kon worden door de werkzoekende en de jobcoaching/interne werkbegeleiding daardoor niet heeft kunnen plaatsvinden, er een uitwijkmogelijkheid is naar een derde jaar,
75
waarbij ook een aantal uren van het tweede jaar naar het derde jaar overgeheveld kan worden. Lid 10 In beginsel wordt per half jaar geëvalueerd of persoonlijke ondersteuning bij werk nog langer noodzakelijk is. Lid 11 Hier is de mogelijkheid aangegeven om de uren jobcoaching waarvan het de bedoeling is deze in het tweede jaar in te zetten, deels over te hevelen naar het eerste jaar. Hieraan is de voorwaarde verbonden, dat er sprake moet zijn van een dienstbetrekking van minimaal één jaar waarbij de intentie er is om de dienstbetrekking na één jaar voor minimaal een half jaar te verlengen. De overheveling van de uren moet uiteraard noodzakelijk zijn voor het bevorderen van een duurzame arbeidsinpassing. Lid 12 Het twaalfde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in de voorgaande leden gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Nadere toelichting De voorziening jobcoaching/interne werkbegeleiding betreft een tijdelijke voorziening voor maximaal drie jaar en is gericht op het leren zelfstandig functioneren in een bepaalde functie van mensen met een arbeidsbeperking.
Is aansluitend na deze drie jaar (zes halfjaarperioden) nog jobcoaching/interne werkbegeleiding nodig, dan kan de gemeente jobcoaching/interne werkbegeleiding voortzetten. Bijvoorbeeld als er sprake is van tijdelijke problemen/onbalans in de werk-of-privésituatie. Of bijvoorbeeld als persoonlijke ondersteuning bij werk noodzakelijk blijft, en dit de beste oplossing blijkt boven inzet van een andere (duurdere) voorziening
76
(als bijv. beschut werk). Hierbij dient onderbouwd te worden waarom inzet van jobcoaching/interne werkbegeleiding blijft aangewezen. De intensiteit van de begeleiding is afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de werknemer. Indien het standaard begeleidingsniveau van de persoonlijke ondersteuning bij werk niet voldoende is, is maatwerk in intensiteit mogelijk. Indien wenselijk kan bijvoorbeeld voor een korte intensieve jobcoaching/interne werkbegeleiding gekozen worden. Hierbij dient onderbouwd te worden waarom een aangepaste inzet van jobcoaching/interne werkbegeleiding nodig is. Bij de besluitvorming hierover worden o.a. de persoonlijke omstandigheden, de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer op korte en langere termijn, de alternatieve voorzieningen en de kosten betrokken. Deze opsomming is niet limitatief. De aspecten leiden in onderling verband tot een oordeel over de voorziening c.q. het traject voor de kandidaat. Artikel 21i. Jobcoaching in natura Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 21i. Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin. De gemeentelijke/eigen jobcoach (artikel 18e, eerste lid onder a) wordt in natura beschikbaar gesteld. Het bedrag dat wordt besteed aan de inkoop van een externe jobcoach, zoals bedoeld in artikel 18e, eerste lid onder b, wordt rechtstreeks uitbetaald aan de jobcoachorganisatie.
77
Artikel 21j. Subsidie voor het organiseren van persoonlijke ondersteuning bij werk Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 21j. Subsidie voor het organiseren van persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel voorziet hierin. In het derde lid zijn randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen.
Paragraaf 3A.4 Specifieke bepalingen werkvoorzieningen Artikel 21k. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
78
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 21k. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3 en 18b, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 4, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. De gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk.