c-grondwaterbeleidsplan-gemeente-purmerend
Tekst van het document
2025 Rapport
Grondwaterbeleidsplan Gemeente Purmerend
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding
6
1.1. Inleiding
6
1.2. Doelstelling
6
Begrippen grondwateroverlast en onderlast
7
2.1
Stedelijk grondwater
7
2.1.1
Stedelijk grondwater en definities
7
2.1.2 Vormen van grondwateroverlast
8
2.1.3
8
Vormen van grondwateronderlast
Huidige situatie grondwater Purmerend
9
3.1
Grondwatersysteem
9
3.2
Inzichten uit het grondwatermeetnet
10
3.2.1
Hoge grondwaterstanden
10
3.2.2 Lage grondwaterstanden
11
Beleidskader
12
4.1
Omgevingswet - grondwatertaak
12
4.2
Landelijke en regionale beleidsontwikkelingen
13
4.2.1 Rekening houden met water en bodem
13
4.2.2 Klimaatadaptatie
13
4.3
Taakverdeling en verantwoordelijkheden
14
4.4
Evaluatie voorgaand grondwaterbeleidsperiode
16
Grondwater missie en visie
17
Missie
17
Visie
17
Strategie toepassing technische maatregelen
19
6.1
19
Voorkeursvolgorde 6.1.1 Voorkeursvolgorde (gemeentelijke) maatregelen grondwateroverlast op openbaar terrein
19
2
6.1.2 Voorkeursvolgorde (gemeentelijke) maatregelen grondwateronderlast op
7.
8.
9.
openbaar terrein
20
6.2
Ontvangst particulier aangeboden grondwater
20
6.3
Gewenste grondwaterstanden en streefwaarden
20
6.3.1 Streefwaarde hoge grondwaterstand (grondwateroverlast)
21
6.3.2 Streefwaarde lage grondwaterstand (grondwateronderlast)
23
Stappenplan aanpak grondwaterproblematiek
25
7.1
Stap 1: Identificeren locaties mogelijke grondwaterproblemen
25
7.2
Stap 2: Identificeren problemen
26
7.3
Stap 3: Identificeren verantwoordelijkheid
27
7.4
Stap 4: Bepalen doelmatigheid
27
Operationele invulling zorgplicht
29
8.1
Meldingen
29
8.2
Meetnet en analyse
30
8.3
Werken in de openbare ruimte
31
8.4
Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen
33
8.5
Groenbeheer, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie
34
8.6
Beheer en onderhoud drainagesystemen
35
8.7
Communicatie en samenwerking
36
Uitvoeringsagenda
37
9.1
Acties met budgetreservering
37
9.2
Acties binnen huidige werkzaamheden
40
Bijlage 1
Mogelijke maatregelen grondwaterproblematiek
Bijlage 2
Voorbeelden van specifieke eisen aan drainagesystemen 46
3
42
Samenvatting Grondwater raakt bewoners en bedrijven. Door ontwikkelingen als klimaatverandering en de bouwopgave krijgt grondwater, en de ondergrond meer in het algemeen, steeds meer betekenis voor de leefomgeving. Grondwater biedt kansen, bijvoorbeeld om regenwater te bergen en vegetatie te laten groeien. Het grondwater kan ook tot problemen leiden, als het te hoog of te laag staat, of als de grondwaterstand verandert door waterinfiltratie, vergroening en bouw. Het is daarom belangrijk om duidelijkheid te geven over grondwateroverlast of -onderlast situaties. Dit grondwaterbeleidsplan brengt de verplichtingen en ambities van gemeente Purmerend binnen haar grondwatertaak (opgelegd vanuit de Omgevingswet) in beeld. Het biedt een beleidskader voor het (praktische) grondwaterbeheer in de gemeente en helpt om inzicht te krijgen in de knelpunten en nodige maatregelen. Hiermee wordt op een planmatige manier invulling gegeven aan de grondwatertaak van de gemeente. In het grondwaterbeleidsplan is opgenomen hoe met grondwater wordt omgegaan, welke maatregelen op welke momenten genomen worden en wie hiervoor de trekker zal zijn. Missie: Gemeente Purmerend streeft in haar gebied een leefbare gemeente na waar het aangenaam verblijven is voor bewoners en bedrijven, niet gehinderd door grondwater.
Daarbij wordt een grondwaterstand nagestreefd, welke geen structurele overlast en onderlast veroorzaakt bij perceelen pandeigenaren. Visie: De gemeente is verantwoordelijk, juist bij een veranderend klimaat, voor het onderzoek en de controle of de grondwaterstand structureel negatieve gevolgen heeft voor de gebruiksfunctie en de aan de grond gegeven bestemming. De gemeente draagt dan zorg om, voor zover doelmatig, maatregelen te treffen in de openbare ruimte die de gevolgen voorkomen of - als dat niet lukt beperken. De gemeente doet dit samen met het waterschap en perceeleigenaren die allen een eigen verantwoordelijkheid hebben. Invulling grondwatertaak: Als metingen (uit het grondwatermeetnet), klachtenregistratie of gemeentebrede analyses daar aanleiding toe geven, voert de gemeente locatiespecifieke onderzoeken uit om de aard, omvang, mogelijke oorzaken en oplossingsrichtingen bij grondwaterproblematiek in beeld te brengen. De gemeente volgt het volgende stappenplan: 1. Identificeren locaties mogelijke grondwaterproblemen 2. Identificeren van het probleem (structureel nadelige gevolgen door grondwater) 3. Identificeren van de verantwoordelijkheden 4.
Bepalen doelmatigheid Ze onderneemt acties/maatregelen, als deze doelmatig worden bevonden, met betrekking tot grondwateroverlast of -onderlast bij de volgende thema’s en aanleidingen: ▪ Grondwatermeldingen van perceel- en pandeigenaren ▪ Inzichten uit meetnet en grondwatersysteemanalyse ▪ Werken in de openbare ruimte ▪ Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen ▪ Groenbeheer, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie ▪ Communicatie en betrekken bewoners
4
Voorkeursvolgorde en streefwaarde hoge grondwaterstand De in een gebied behorende ‘natuurlijke’ hydrologische situatie wordt zoveel mogelijk gehandhaafd. De gemeente streeft de volgende voorkeursvolgorde na om grondwateroverlast bij nieuwbouw te voorkomen: 1. inrichting aanpassen aan hoge grondwaterstanden en zettingsgevoelige bodem; 2. verhogen van het maaiveldniveau, bodemkundige maatregelen en/of de aanleg van meer open water; 3. aanleg van drainage of het op een andere manier structureel verlagen van de grondwaterstand. In bestaand bebouwd gebied en bij inbreidingslocaties is het mogelijk niet doelmatig om de inrichting aan te passen en het maaiveld te verhogen. In dat geval is de volgende optie om de structurele grondwateroverlast in het bestaand openbaar bebouwd gebied op te lossen via de aanleg van drainage in openbaar gebied. Bij maatregelen tegen grondwateroverlast, toetst de gemeente ook of de maatregel géén extra onderlast creëert. De gemeente streeft naar een ontwateringsdiepte van ten minste 0,7 m op openbaar terrein. Door te streven naar een ontwateringsdiepte van 0,7 m beneden de as van de weg, wordt het particuliere belang nadrukkelijk meegenomen: een kruipruimte is dan minder snel vochtig dan bij een geringere na te streven ontwateringsdiepte.
Bij nieuwbouw kan mogelijk worden afgeweken van de 0,7 m indien de inrichting kan worden aangepast aan hogere grondwaterstanden. Voorkeursvolgorde en streefwaarde lage grondwaterstand Bij de afweging voor het treffen van (nieuwe) maatregelen tegen grondwateronderlast, wordt uitgegaan van de volgende voorkeursvolgorde: 1. beperken van onttrekkingen; 2. infiltreren, bergen en vasthouden hemelwater in de bodem; 3. aanleggen/vasthouden/aanvoeren oppervlaktewater. Ten aanzien van streefwaarden afgestemd op het voorkomen van (te) lage grondwaterstanden (onderlast) geldt dat maatwerk nodig is. De gewenste laagste grondwaterstand is namelijk afhankelijk van vele factoren, zoals de bodemgesteldheid, natuur, funderingen, watergangen, et cetera. De minimaal gewenste grondwaterstand kan gerelateerd zijn aan het oppervlaktewaterpeil, of aan een bepaalde diepte onder maaiveld (afhankelijk van het bouwjaar van de panden). Daarom worden meerdere signaleringswaarden gehanteerd: ▪ 0,3 m onder het vigerende oppervlaktewaterpeil van de dichtstbijzijnde watergang; ▪ 1 m onder maaiveld in gebieden met bebouwing met bouwjaar voor 1960; ▪ 1,5 m onder maaiveld in gebieden met bebouwing met bouwjaar tussen 1960 en 1980. Deze signaleringswaarden kunnen (lokaal) worden aangescherpt indien er meer informatie over de diepte van het funderingshout en zettingsgevoelige lagen beschikbaar komt.
Actielijst grondwater Gemeente Purmerend heeft verschillende acties geïdentificeerd die de komende jaren invulling geeft aan haar wettelijke grondwatertaak. In de actielijst is onderscheid gemaakt in acties waarvoor nieuw budget nodig is en acties die worden uitgevoerd binnen de gangbare werkzaamheden (en huidige fte’s/werken). Inleiding
5
1. Inleiding 1.1. Inleiding Grondwater heeft veel betekenis voor de leefomgeving. Door ontwikkelingen als klimaatverandering en de bouwopgave krijgt grondwater, en de ondergrond meer in het algemeen, steeds meer betekenis. Ook omdat grondwater bewoners en bedrijven steeds meer raakt. Grondwater biedt kansen, bijvoorbeeld om regenwater te bergen en vegetatie te laten groeien. Het grondwater kan ook tot problemen leiden, als het te hoog of te laag staat, of als de grondwaterstand verandert door waterinfiltratie, vergroening en bouw. Het is daarom belangrijk om duidelijkheid te geven over grondwateroverlast of -onderlast situaties. De combinatie van slecht doorlatende / zettingsgevoelige grondslag, in combinatie met hoge grondwaterstanden, aanwezigheid van lekke riolen en op sommige plekken (relatief) oude bebouwing zorgt ervoor dat er in Purmerend aandacht moet worden besteed aan de effecten van lage en hoge grondwaterstanden. In de afgelopen planperiode heeft gemeente Purmerend goede stappen gezet in de ontwikkeling van haar grondwaterkennis, onder andere door het inrichten van het hernieuwde grondwatermeetnet, en het uitvoeren van meerdere onderzoeken naar de verbetering van de grondwatersituatie in onder andere Overwhere-Zuid en Wheermolen. Met dit grondwaterbeleidsplan wordt de invulling van de grondwatertaak planmatig verder gebracht.
Dit plan zorgt ervoor dat de kansen en knelpunten voor de komende jaren worden benut en verbeterd zodat gemeente Purmerend een toekomstbestendig grondwaterbeleid heeft. De planperiode van dit grondwaterbeleidsplan loopt van 2025-2030.
1.2. Doelstelling Dit grondwaterbeleidsplan brengt de verplichtingen en ambities van gemeente Purmerend binnen haar grondwatertaak in beeld. Het biedt een beleidskader voor het (praktische) grondwaterbeheer in de gemeente en helpt om inzicht te krijgen in de knelpunten en nodige maatregelen. Hiermee wordt op een planmatige manier invulling gegeven aan de grondwatertaak van de gemeente. In het grondwaterbeleidsplan is opgenomen hoe met grondwater wordt omgegaan, welke maatregelen genomen gaan worden en wanneer en wie hiervoor de trekker zal zijn. De gemeente geeft met dit beleid aan wat perceel- en pandeigenaren van de gemeente mogen verwachten om grondwateroverlast of -onderlast zoveel mogelijk te beperken en te voorkomen. En omgekeerd wat de gemeente van perceel- en pandeigenaren (en ook van het waterschap) verwachten om grondwateroverlast of -onderlast te beperken of te voorkomen. Hiermee neemt de gemeente de regie met betrekking tot grondwater en geeft de inwoners van Purmerend ook eigen verantwoordelijkheid en een handelingsperspectief.
6
2. Begrippen grondwateroverlast en onderlast 2.1
Stedelijk grondwater
2.1.1 Stedelijk grondwater en definities Grondwater in bebouwd gebied (of ook wel: stedelijk grondwater) maakt naast het stedelijk oppervlaktewater, de neerslag en verdamping, de drinkwatervoorziening en het afvalwater, een wezenlijk onderdeel uit van het stedelijk watersysteem en de leefomgeving in het algemeen. Het stedelijk grondwater wordt onderscheiden in enerzijds het grondwater in dieper gelegen watervoerende bodempakketten en anderzijds het grondwater in het bovenste bodempakket (het freatisch pakket). De hoogte van het grondwaterpeil (freatisch grondwater) is van belang voor het grondgebruik en eventueel te nemen maatregelen bij dit gebruik. De belangrijkste hydrologische begrippen, genoemd in de volgende hoofdstukken, zijn schematisch weergegeven in Figuur 1.
Figuur 1: Schematische weergave van enkele hydrologische begrippen
De afstand van het maaiveld tot het grondwater (ontwateringdiepte, zie Figuur 1) is een belangrijk item in de aanpak van grondwateroverlast en -onderlast. Bij een te geringe ontwatering kan overlast ontstaan, terwijl bij een te grote ontwatering onderlast kan optreden. De gewenste grondwaterstanden zijn vaak afhankelijk van de gebruiksfunctie van de grond.
7
2.1.2 Vormen van grondwateroverlast Overlast op het particulier terrein Grondwateroverlast bij woningen heeft vaak betrekking op natte of vochtige kruipruimtes, of optrekkend vocht door muren en/of vloeren. Hierdoor kunnen in de woningen problemen ontstaan zoals schimmelvorming en een te vochtig binnenklimaat. Ook natte tuinen kunnen het gevolg zijn van te hoge grondwaterstanden. Stabiliteitsverlies wegen Door hoge grondwaterstanden is sprake van een vergrote kans op stabiliteitsverlies (spoorvorming) van wegen. Hierdoor zal de weg vaker opnieuw geprofileerd dienen te worden dan bij een voldoende grote ontwatering. Kabels en leidingen in het grondwater Door te hoge grondwaterstanden kan bij aanleg en vervanging van kabels, leidingen en riolering een tijdelijke bemaling nodig zijn voor uitvoering in den droge. Kosten zijn met name voor nutsbedrijven (maatschappelijke kosten). Daarnaast kan het voorkomen dat wanneer lekke riolering die zich in het grondwater bevindt, wordt vervangen of hersteld, de drainerende functie wegvalt en de grondwaterstand stijgt. Groenbeheer Door te hoge grondwaterstanden groeien bomen en ander groen minder goed. Daarnaast zorgen hoge grondwaterstanden voor ondiepe wortels (boomwortelopdruk), waardoor schade aan de bestrating kan ontstaan.
Directe kosten zitten in het vervangen van bomen (eventueel met andere boomsoorten), of het herstellen van de schade die ondiepe wortels veroorzaken en het verbeteren van de groeicondities. Voor de bomen is het daarnaast van belang dat de grondwaterstand niet structureel gaat stijgen. Bij een structurele stijging kunnen boomwortels afsterven, waardoor de conditie van de bomen vermindert. Uiteindelijk kan dit resulteren in sterfte.
2.1.3 Vormen van grondwateronderlast Bodemdaling De ondiepe bodem van gemeente Purmerend bevat zettingsgevoelige kleilagen (hele gemeente) en veenlagen (Purmerend). Door te lage grondwaterstanden kan versnelde maaivelddaling optreden door de krimp van klei of oxidatie van veen. Wanneer dit ongelijkmatig gebeurt, kunnen panden met ondiepe funderingen (zonder palen) mee zakken en hiervan schade ondervinden. Ook kan de krimp van klei zorgen voor extra onderhoud in de openbare ruimte en schade aan de infrastructuur, zoals wegen, bomen, stadsverwarming, drinkwater en riolering. Verzilting Wanneer in een droge periode de freatische (ondiepe) grondwaterstand uitzakt, kan dit zorgen voor een versterkte kweldruk vanuit het eerste watervoerend pakket. Met name in het noordelijk deel van de Purmer en in de Beemster is het grondwater in het eerste watervoerend pakket brak tot zout. De zoute kwel kan mogelijk zorgen voor verzilting van het freatische grondwater, met onder andere een negatieve invloed op het openbaar groen tot gevolg. Aantasting houten paalfunderingen Woningen op houten palen, of houten palen met korte betonopzetters zijn kwetsbaar voor lage grondwaterstanden. Wanneer het funderingshout zich boven de grondwaterstand bevindt kan paalrot optreden, met uiteindelijk schade aan de fundering en het pand als gevolg.
Vochttekort bij openbaar groen Bij dalende grondwaterstanden kan vochttekort bij bomen en andere planten en struiken ontstaan. Dit speelt met name bij jonge bomen en ondiep wortelende planten.
8
3. Huidige situatie grondwater Purmerend 3.1
Grondwatersysteem
De ondergrond van gemeente Purmerend wordt gekenmerkt door slecht doorlatende/ zettingsgevoelige bodemlagen en geringe drooglegging in de oudere wijken. In de stad Purmerend is ondiep een veenlaag (Hollandveen) aanwezig, terwijl deze ontbreekt in de kleiige Purmerpolder en Beemsterpolder (drooggelegde binnenzeeën). Op meerdere plekken in gemeente Purmerend zijn drainagesystemen aanwezig ter voorkoming van grondwateroverlast, zie Figuur 2. Zo is het gehele bebouwde gebied van de wijken Weidevenne en Purmer-Noord en Purmer-Zuid volledig gedraineerd en komen ook drainagestelsel voor in Wheermolen, Overwhere Zuidoostbeemster en Middenbeemster. Het grootste deel van de drainagesystemen is ouder dan twintig jaar, omdat deze stelsels niet regulier zijn onderhouden is de werking van de stelsels onbekend. Nieuwe drainagestelsels zijn in de laatste vijf jaar aangelegd in Overwhere-Zuid, Zuidoostbeemster en Middenbeemster.
Figuur 2. Ouderdom drainagestelsels in gemeente Purmerend
9
3.2
Inzichten uit het grondwatermeetnet
Het grondwatermeetnet van gemeente Purmerend bevat momenteel 123 peilbuizen, die sinds 2022 hoogfrequent worden bemeten en beheerd. Op basis van de metingen van 1 april 2022 tot en met 31 maart 2023 (één hydrologisch jaar) zijn ontwateringskaarten opgesteld die een indicatie van de grondwatersituatie geven in een natte en droge periode. Ondanks dat een meetperiode van één jaar eigenlijk te kort is om een representatief hoge grondwaterstand (RHG) en/of representatief lage grondwaterstand (RLG) te berekenen, hiervoor dient minimaal drie jaar aan hoogfrequente grondwaterdata beschikbaar te zijn, geven de 90 e en 10e percentielwaarde over één jaar al wel een goede indicatie van de grondwatersituatie in een natte en droge periode.
3.2.1 Hoge grondwaterstanden In Figuur 3 is de ontwateringsdiepte per peilbuis in een natte situatie op basis van de 90 e percentielwaarde op kaart weergegeven. Bij circa de helft van alle meetlocaties wordt een ontwateringsdiepte kleiner dan 0,7 m gemeten in een natte periode. Met name in de wijken Overwhere, Wheermolen, het Centrum van Purmerend en de kernen Zuidoostbeemster en Middenbeemster komen in een natte periode ontwateringsdieptes voor die kleiner zijn dan 0,5 m.
Figuur 3. Ontwateringsdiepte in een natte periode in Purmerend en de kernen in de Beemsterpolder
10
3.2.2 Lage grondwaterstanden In Figuur 4 is de ontwateringsdiepte per peilbuis in een droge situatie op basis van de 10 e percentielwaarde weergegeven op kaart. Bij het overgrote deel van de meetlocaties zakt de grondwaterstand in een droge periode meer dan 1,0 m uit onder maaiveld. In Overwhere, het Centrum van Purmerend en de kern Noordbeemster zakt de grondwaterstand meer dan 1,5 m onder maaiveld uit. In hoofstuk 7 is aangegeven hoe wordt omgegaan met grondwater.
Figuur 4. Ontwateringsdiepte in een droge periode in Purmerend en de kernen in de Beemsterpolder
11
4. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleidskader voor grondwater. In paragraaf 4.3 volgt een taakverdeling van gemeente Purmerend en andere verantwoordelijke partijen voor het grondwater.
4.1
Omgevingswet - grondwatertaak
Op 1 januari 2008 is de wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken van kracht geworden (vanaf 22 december 2009 opgenomen in de Waterwet). Tot 31 december 2023 was deze Waterwet van kracht. Vanaf 1 januari 2024 is de Waterwet over gegaan in de Omgevingswet. Voor de gemeente verandert er niet veel als het gaat om het kwantitatief stedelijk grondwaterbeheer. De gemeentelijke grondwatertaak bestaat uit (art 2.16 van de Omgevingswet): De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen zorg voor het in het openbaar gemeentelijke gebied treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de op grond van deze wet aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet tot de zorg van het waterschap, provincie of het Rijk behoort. De onderstaande elementen zijn hiervoor van belang. Structureel nadelige gevolgen De gemeentelijke taak begint als er sprake is van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand. Bij incidentele grondwaterproblemen (bijvoorbeeld bij extreme regenval) heeft de gemeente dus geen taak en die zal de perceeleigenaar moeten accepteren c.q. zelf maatregelen nemen. In hoofdstuk 7 wordt hieraan nadere invulling gegeven.
Bestemming Voorwaarde voor maatregelen is dat de grondwaterstanden negatieve gevolgen moeten hebben voor de aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies (bijvoorbeeld woonfunctie). Er moet dus een probleem zijn. Inspanningsplicht De grondwaterstand is -zeker in bebouwd gebied- niet volledig te sturen, daarom heeft de grondwatertaak van de gemeente het karakter van een inspanningsverplichting (‘zoveel mogelijk’) en is de gemeente niet verantwoordelijk voor de grondwaterstand. De gemeente kan wel aansprakelijk worden gesteld voor het niet nakomen van de grondwatertaak. Doelmatigheid In de afweging van gemeentelijke maatregelen moeten de financiële implicaties, de omvang en de duur van de problemen meegenomen worden, alsmede de verschillende mogelijke oplossingen om grondwateroverlast of -onderlast tegen te gaan (bijvoorbeeld: beïnvloeden van het grondwaterpeil in probleemgebieden versus laten nemen van bouwkundige maatregelen).
12
Bij het vaststellen of een maatregel doelmatig is, wordt gekeken of er een probleem is (structureel nadelige gevolgen), de voorgestelde maatregel nut heeft en of deze kosteneffectief is. Niet de verantwoordelijkheid van andere overheden De gemeentelijke grondwatertaak geldt alleen voor maatregelen die niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap, de provincie of het Rijk behoren. Zo kan een verlaging van het oppervlaktewaterpeil in bepaalde gevallen ook bijdragen aan het beperken van de grondwateroverlast. Dit is dan een taak van het waterschap.
4.2
Landelijke en regionale beleidsontwikkelingen
4.2.1 Rekening houden met water en bodem Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Door in de ruimtelijke ordening rekening te houden met water en bodem, kunnen we in Nederland ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem, voldoende en schoon water. Enkele belangrijk uitgangspunten die betrekking hebben op het grondwater in bebouwd gebied zijn: ▪
▪
▪
▪
Niet afwentelen naar andere gebieden of functies. Dat betekent dat een actie op de ene locatie (denk aan bebouwing, grondwateronttrekking), niet mag leiden tot een onbedoeld effect elders (wateroverlast, verdroging van natuurgebieden of vervuiling van water). In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en de bodem. Omgaan met wateroverlast en droogte vraagt een samenhangende aanpak. Nederland moet van een vergiet weer een spons worden. Al in het begin van deze eeuw hebben Rijk en decentrale overheden daarom het uitgangspunt vasthouden-bergen-afvoeren vastgelegd. Dit bereiken we door een vitale bodem te bewerkstelligen, die als een spons het water opneemt, maar ook door het realiseren van voldoende buffer- en afvoercapaciteit. Minder afdekken, minder vergraven, niet verontreinigen. Als we verstandiger omgaan met de bodem, kunnen we de natuurlijke kracht van de bodem benutten. Een vitale bodem helpt onze steden in de strijd tegen wateroverlast en hittestress. Duurzaam beheerde bodems zijn beter bestand tegen klimaateffecten als verdroging, slaan CO2 op en helpen in de vastlegging van stikstof. Integrale aanpak in de leefomgeving. De water- en bodemopgaven staan niet op zichzelf. Ze hangen samen met elkaar, maar ook met andere opgaven in de leefomgeving.
Zo kunnen doelen voor klimaatadaptatie, waterkwaliteit en bodem niet los gezien worden van verstedelijking, woningbouw, landbouw en energievoorziening. Een integrale aanpak met alle opgaven in de fysieke leefomgeving is dan ook noodzakelijk.
4.2.2 Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie is het aanpassen aan het veranderende klimaat. Met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt beoogd de gevolgen van het veranderende klimaat in beeld te brengen en passende maatregelen te nemen zodat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatadaptief is. Deze maatregelen hebben vaak een groot raakvlak met het grondwatersysteem. Gemeente Purmerend heeft haar ambities vastgelegd in de ‘Klimaatadaptatiestrategie gemeente Purmerend 2025-2030’. Op het gebied van klimaatadaptatie is voor het rekening houden met water en bodem de ‘landelijke maatlat voor groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ opgesteld. Deze sluit aan bij de klimaatbestendige richtlijnen voor nieuwbouw MRA. In de landelijke maatlat is voor de 13
klimaatthema’s droogte en wateroverlast de volgende voorkeursvolgorde opgenomen voor het verwerken van hemelwater: 1. Benutten en besparen 2. Vasthouden en infiltreren 3. Bergen 4. Afvoeren Het infiltreren van (extreme) neerslagoverschotten kan zorgen voor grondwaterstandstijgingen en daarmee overlast veroorzaken. Ook het toepassen van bomen of extra groen tegen hittestress heeft effect op het grondwater. Groen en (wortels van) bomen vergemakkelijkt de infiltratie van regenwater in de bodem, maar vergroot daarnaast de grondwatervraag in zomer, met grondwaterdalingen tot gevolg. Maatregelen tegen droogte of bodemdaling hebben daarentegen juist extra water nodig, wat kan worden bewerkstelligd door het toepassen van infiltratie of bergingsvoorzieningen (in het kader van klimaatadaptatie). Op het moment dat actief met klimaatadaptatie aan de slag gegaan wordt, dient het effect ervan op het grondwatersysteem meegenomen te worden.
4.3
Taakverdeling en verantwoordelijkheden
Uit het hierboven beschreven beleidskader volgt dat de volgende partijen een gedeelde verantwoordelijkheid en taken hebben aangaande de kwantiteit van het stedelijk en ondiep grondwater: de perceeleigenaar, de gemeente, het waterschap en de provincie. Gemeente Purmerend neemt de regie wat betreft het stedelijke en ondiepe grondwater. Het drinkwaterleidingbedrijf heeft als primaire taak het leveren van drinkwater en heeft geen wettelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de grondwaterstand of de handhaving van de grondwaterkwaliteit. Hieronder worden per verantwoordelijke de taken en verantwoordelijkheden benoemd. a. ▪
▪
▪
b. ▪ ▪
De perceel- of pandeigenaar: Is primair verantwoordelijk voor de ontwateringsdiepte op zijn terrein. Van de perceel- of pandeigenaar mag worden verwacht dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken. Hierbij horen ook eigen maatregelen c.q. wensen ten aanzien van het object, zoals wonen in de kelder. Hij houdt bij grondwaterstandverlagende of – verhogende maatregelen rekening met het gemeentelijk grondwaterbeleid en belangen van aangrenzende percelen. Hij kan de gemeente verzoeken het water te mogen lozen op een gemeentelijke voorziening of het oppervlaktewater. De gemeente maakt daarbij een doelmatigheidsafweging. De gemeente stemt dit verzoek dan zo nodig verder af met het waterschap. De perceel- of pandeigenaar is uiteraard verantwoordelijk voor de bouwkundige staat en het onderhoud van zijn bouwwerken. b. Gemeente Purmerend: Is verantwoordelijk voor de ontwateringsdiepte op het openbaar terrein. Biedt particulieren de mogelijkheid zich te ontdoen van grondwater, voor zover deze daartoe geen andere mogelijkheden hebben en dit passend is binnen het gemeentelijk grondwaterbeleid.
14
▪
▪
c. ▪
▪
▪ ▪
▪
d. ▪ ▪
▪ ▪
Draagt zorg voor de aanleg en het onderhoud van de benodigde voorzieningen en aansluitpunten in de openbare ruimte voor de ontwatering van het particuliere terrein voor zover passend binnen het gemeentelijke beleid. Neemt naar herhaalde meldingen over (grond)wateroverlast of -onderlast het initiatief om onderzoek te verrichten naar aard en omvang. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: Het hoogheemraadschap is de wettelijke (grond)waterbeheerder. De grondwatertaak is gedelegeerd aan de gemeente. Het waterschap zelf beheert het oppervlaktewater en is bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen. Het hoogheemraadschap heeft zijn verantwoordelijkheid voor het kwantitatieve en kwalitatieve oppervlaktewater, voor zover in zijn beheer. Het heeft tevens een (afgeleide) rol in het beheer van het ondiepe grondwater. Het hoogheemraadschap kan namelijk via de peilen in de watergangen de grondwaterstand in de nabije omgeving beïnvloeden. Het hoogheemraadschap is echter niet in directe zin verantwoordelijk voor de grondwaterstanden. Het hoogheemraadschap betrekt als integraal waterbeheerder de grondwateraspecten bij het oppervlaktewaterbeheer en omgekeerd. Het hoogheemraadschap stuurt op het duurzaam gebruik van het grondwater.
Hierbij wordt het onttrekken van grondwater zodanig gereguleerd dat er sprake is van een duurzaam gebruik van grondwater en negatieve effecten van onttrekkingen zoveel mogelijk worden beperkt. Heeft een adviserende rol, zowel ten behoeve van het uitvoeren van de watertoets c.q. waterparagraaf, als bij het aanpakken van problemen in bestaand bebouwd gebied. In het watertoetsproces worden de grondwateraspecten meegewogen. Provincie Noord Holland: De provincie is strategisch beleidsbepaler voor het kwantitatieve en kwalitatieve grondwaterbeheer. De provincie is met de invoering van de Waterwet (2009) geen grondwaterbeheerder meer. Het beheer van grondwater is met de Waterwet in handen gelegd van de waterschappen, uitgezonderd winningen voor de openbare drinkwatervoorziening, industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar en warmte-koude opslag (WKO; voor open systemen is omgevingsdienst verantwoordelijk). Voor deze onderdelen is de provincie verantwoordelijk en bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater op grond van de Waterwet (Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn) en de Wet Milieubeheer. De provincie heeft een centrale rol in het grondwaterbeschermingsbeleid.
De gebieden waar grondwater voor drinkwater aan de bodem wordt onttrokken en de gebieden die daarvoor in reserve worden gehouden worden afdoende beschermd. De provincie stelt beperkingen aan activiteiten en ruimtelijke functies in het zogeheten grondwaterbeschermingsgebied.
Samenwerking essentieel Het hoogheemraadschap biedt via oppervlaktewaterpeilbeheer de randvoorwaarden voor gemeenten om invulling te geven aan de grondwatertaak. Het waterschap voert namelijk overtollig water af en voert water in droge perioden aan via watergangen, waar de gemeente haar leidingen op aantakt. De gemeente biedt vervolgens via de openbare ruimte de randvoorwaarden voor bewoners en bedrijven om hun verantwoordelijkheid te nemen voor private terreinen. De gemeente voert namelijk waar nodig en doelmatig water af en voert water in droge perioden aan, vaak via
15
leidingen waarop bewoners kunnen aantakken. In het grondwaterbeheer is dus samenwerking nodig.
Figuur 5. Schema van de taakverdeling in het grondwaterbeheer
4.4
Evaluatie voorgaand grondwaterbeleidsperiode
Gedurende de planperiode (2018-2023) van het voorgaande grondwaterbeleidsplan heeft gemeente Purmerend verschillende stappen ondernomen op het gebied van haar grondwatertaak: ▪ Het grondwatermeetnet is geactualiseerd en hernieuwd. Sinds 2022 worden de peilbuizen uit het meetnet hoogfrequent bemeten en beheerd door een partner. De grondwatergegevens bieden de gemeente inzicht in het grondwatersysteem voor het verrichten van haar werkzaamheden in de openbare ruimte, daarnaast worden de gegevens gebruikt voor het informeren van burgers en bedrijven en voor het uitvoeren van onderzoeken naar grondwateroverlast en -onderlast. ▪ In Middenbeemster, Zuidoostbeemster en in Overwhere-Zuid zijn in de laatste planperiode nieuwe drainagestelsels aangelegd om de grondwaterstand te beheren. ▪ In verband met toekomstige herstructureringen heeft gemeente Purmerend in de buurten Wheermolen Oost en Overwhere Zuid de grondwatersituatie gedetailleerd in beeld gebracht. Hierbij is een drainagestelsel ontworpen om de grondwatersituatie in de buurt te verbeteren. In het ontwerp is onderbouwd afgeweken van de streefwaarde voor hoge grondwaterstanden op openbaar terrein van 0,7 m, om te voorkomen dat in het nieuwe drainagesysteem een bemaling nodig is.
Het meest doelmatige instelniveau in deze gebieden lag hier hoger dan de streefwaarde van 0,7 m onder maaiveld, zodat het systeem in open verbinding met het oppervlaktewater kon worden aangelegd. ▪ De gemeente heeft de laatste drie jaar circa twintig geregistreerde meldingen ontvangen van grondwateroverlast. Naar verwachting zijn het aantal meldingen hoger, maar zijn die direct afgerond met een advies aan de bewoner. Deze meldingen betreffen vooral meldingen over water in de kruipruimte. Meldingen over zakkingen van panden komen incidenteel voor.
16
5. Grondwater missie en visie Missie Onder de missie wordt een strategische doelstelling voor de lange termijn verstaan, waarbij de continuïteit wordt geborgd. Gemeente Purmerend streeft in haar gebied een leefbare gemeente na waar het aangenaam verblijven is voor bewoners en bedrijven, niet gehinderd door grondwater. Daarbij wordt een grondwaterstand nagestreefd, welke geen structurele overlast en onderlast veroorzaakt bij perceel- en pandeigenaren.
Visie Onder de visie wordt verstaan de wijze waarop de missie kan worden bereikt. De grondwatervisie van gemeente Purmerend luidt als volgt: De gemeente is verantwoordelijk voor het onderzoek en de controle of de grondwaterstand structureel negatieve gevolgen heeft voor de gebruiksfunctie en de aan de grond gegeven bestemming. De gemeente draagt dan zorg om, voor zover doelmatig, maatregelen te treffen in de openbare ruimte die de gevolgen voorkomen of - als dat niet lukt - beperken. De gemeente doet dit samen met het waterschap en perceeleigenaren die allen een eigen verantwoordelijkheid hebben. Uit de missie en de visie van gemeente Purmerend volgt dat de werkzaamheden van gemeente Purmerend erop gericht zijn om de veiligheid en de leefbaarheid voor haar inwoners en bedrijven te waarborgen en waar mogelijk te verbeteren. Bovendien streeft de gemeente naar een robuuste leefomgeving die bestand is tegen klimaatverandering en ruimte biedt voor ontwikkelingen. Grondwater heeft invloed op deze aspecten. Grondwater heeft een positieve invloed doordat het water beschikbaar stelt voor bomen en ander groen, waarmee de leefomgeving kan worden verrijkt en de stad verkoeld. De onverzadigde zone boven het grondwater kan bovendien regenwater worden geborgen en vastgehouden, wat zorgt voor minder regenwateroverlast en droogte (en minder hitte door meer verdamping).
Grondwater heeft ook negatieve invloed. Het kan leiden tot vochtoverlast en verslechterde leefomstandigheden in woningen en schade aan funderingen, bomen en infrastructuur. Gemeente Purmerend wil waar doelmatig de positieve potentie van grondwater benutten en de negatieve gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden beperken. De gemeente neemt ten aanzien van het ondiepe grondwater de regie in het proces, waarin problemen en oplossingen worden verkend. Als metingen (grondwatermeetnet), klachtenregistratie of gemeentebrede analyses daar aanleiding toe geven, voert de gemeente locatiespecifieke onderzoeken uit om de aard, omvang, mogelijke oorzaken en oplossingsrichtingen te begrijpen. De gemeente neemt bij grondwateroverlast of -onderlast pas maatregelen als deze
17
doelmatig worden bevonden. Eventueel benodigde maatregelen worden zo veel mogelijk aangesloten bij andere werkzaamheden. Er wordt een voorkeursprincipe voor maatregelen gehanteerd: zoveel mogelijk aansluiting op de natuurlijke omstandigheden waarbij zo weinig mogelijk water wordt afgevoerd, maatregelen met een lange levensduur en onderhoudsarm verdienen de voorkeur. Deze voorkeursvolgorde voor de toe te passen maatregelen wordt besproken in paragraaf 6.1. De gemeente wil een duidelijk aanspreekpunt zijn voor perceel- en pandeigenaren betreffende grondwaterproblematiek en vragen over het grondwater. Bij vragen en meldingen over grondwateroverlast of -onderlast denkt de gemeente mee met perceel- en pandeigenaren en helpt hen met informatie op weg bij het beperken van de grondwaterproblematiek. De gemeente werkt samen met het hoogheemraadschap om te komen tot een efficiënte uitvoering van haar grondwatertaken. De gemeente heeft nazorg bij uitgevoerde maatregelen en de monitoring van effecten van deze maatregelen.
18
6. Strategie toepassing technische maatregelen In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de toepassing van technische maatregelen tegen grondwateroverlast of onderlast of hoe deze problematiek voorkomen kan worden, wat de voorkeursvolgorde is van de gemeente in de toepassing van de maatregelen én welke grondwaterstanden gewenst zijn. In Bijlage 1 1 staat een overzicht van de mogelijke maatregelen tegen grondwateroverlast of -onderlast.
6.1
Voorkeursvolgorde
6.1.1 Voorkeursvolgorde (gemeentelijke) maatregelen grondwateroverlast op openbaar terrein De gemeente streeft de volgende voorkeursvolgorde na om grondwateroverlast bij nieuwbouw te voorkomen: 1. inrichting aanpassen aan hoge grondwaterstanden en zettingsgevoelige bodem (zoals kruipruimteloos bouwen, vochtbestendigde beplanting, robuuste wegfundering, mogelijk tijdelijk water tot aan maaiveld in groenstroken accepteren); 2. verhogen van het maaiveldniveau, bodemkundige maatregelen en/of de aanleg van meer open water; 3. aanleg van drainage of het op een andere manier structureel verlagen van de grondwaterstand. Er wordt rekening gehouden met water en bodem bij de inrichting van Nederland. De in een gebied behorende ‘natuurlijke’ hydrologische situatie wordt zo veel mogelijk gehandhaafd. Het aanpassen van het ontwerp aan het bodem en watersysteem, verhogen van het maaiveldniveau, bodemkundige maatregelen of de aanleg van meer open water heeft dan ook de voorkeur boven de aanleg van drainage of het op een andere manier structureel verlagen van de grondwaterstand. Hierbij dient het effect op de grondwaterstand in de omgeving in beeld te worden gebracht, en dienen indien noodzakelijk compenserende maatregelen te worden getroffen om grondwateroverlast of -onderlast tegen te gaan.
In bestaand bebouwd gebied en bij inbreidingslocaties is het mogelijk niet doelmatig om de inrichting aan te passen en het maaiveld te verhogen. In dat geval is de volgende optie om de structurele grondwateroverlast in het bestaand openbaar bebouwd gebied op te lossen via de aanleg van drainage in openbaar gebied. Bij maatregelen tegen grondwateroverlast, toetst de gemeente ook of de maatregel géén extra onderlast creëert. Er wordt in zowel bestaand gebied als bij nieuwbouw zoveel mogelijk ingezet op maatregelen met een lange levensduur en die onderhoudsarm zijn.
19
6.1.2 Voorkeursvolgorde (gemeentelijke) maatregelen grondwateronderlast op openbaar terrein Bij de afweging voor het treffen van (nieuwe) maatregelen tegen grondwateronderlast, wordt uitgegaan van de volgende voorkeursvolgorde: 1. Beperken van onttrekkingen 2. Infiltreren, bergen en vasthouden hemelwater in de bodem 3. Aanleggen/vasthouden/aanvoeren oppervlaktewater Net als bij maatregelen voor grondwateroverlast, wordt bij maatregelen voor grondwateronderlast uitgegaan van het duurzaamheidsprincipe.
6.2
Ontvangst particulier aangeboden grondwater
De gemeente biedt perceel- en pandeigenaren de mogelijkheid zich te ontdoen van het te veel aan grondwater, als de grondwaterstand op het particuliere terrein structureel te hoog is, en dit doelmatig kan worden gerealiseerd. Doelmatigheid wordt gedefinieerd in paragraaf 7.4 en toegepast in hoofdstuk 8. Het teveel aan grondwater kan worden aangeboden aan de gemeente om het verder af te voeren via gemeentelijke riolering. De gemeente beoordeelt met maatwerk of het grondwater in ontvangst wordt genomen; of het doelmatig is, het is uitdrukkelijk geen verplichting. De gemeente hanteert de volgende voorkeursvolgorde voor de afvoer van overtollig grondwater: ▪ naar een watergang; ▪ naar een openbaar drainagesysteem; ▪ naar een openbaar hemelwaterstelsel. De gemeente is terughoudend in het afvoeren van grondwater naar een vuilwaterstelsel om zo de rioolwaterzuiveringsinstallaties niet onnodig te belasten. De kosten van aansluitingen van drainage aan een bestaand stelsel zijn voor rekening van de aanvrager. Indien de aansluiting gelijktijdig met een rioolvervanging in de openbare weg wordt uitgevoerd, neemt de gemeente de kosten van de aansluiting tot de perceelgrens op zich.
In tegenstelling tot bij het in ontvangst nemen van water, heeft de gemeente op dit moment beperkte mogelijkheden om water aan te bieden via het rioolstelsel aan perceel- en pandeigenaren die water op hun perceel willen infiltreren.
6.3
Gewenste grondwaterstanden en streefwaarden
De gewenste grondwaterstand is afhankelijk van de gebruiksfunctie. De ouderdom van de bebouwing speelt hierin een rol. Bij oudere bebouwing kan eerder grondwateroverlast door optrekkend vocht worden ervaren dan bij nieuwbouw. Ook is oudere bebouwing gevoeliger voor een te lage grondwaterstand omdat in het verleden kwetsbaardere funderingen en constructies werden gebruikt. Vanaf 1992 is het Bouwbesluit van kracht. Een natte kruipruimte bij woningen gebouwd na 1992 mag niet leiden tot vochtoverlast in de verblijfsruimten. Anders is sprake van een bouwkundig gebrek. Afhankelijk van de toegepaste bouwwijze kan een natte kruipruimte bij woningen gebouwd vóór 1992 wel leiden tot vochtoverlast in de verblijfsruimten.
20
Het is van belang aan te geven welke grondwatersituatie de gemeente nastreeft. Hiermee geeft de gemeente ten aanzien van grondwater een praktische invulling gegeven aan het basisveiligheidsniveau en de doelen in de landelijke maatlat voor een groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving. De gemeente heeft echter geen resultaatsverplichting om het gewenste grondwaterpeil te handhaven. Middels het nemen van maatregelen kan de gemeente in het openbaar gebied indien doelmatig wel een inspanning leveren om de gewenste situatie te bereiken. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het bereiken van een bepaalde grondwatersituatie op het particuliere terrein. In deze paragraaf wordt gebruik gemaakt van gemiddelde/standaard maten voor kruipruimten of dikten van vloeren. Het kan voorkomen dat deze op specifieke locaties afwijken.
stoep
0,2 m wegas
vloer
kruipruimte
0,7 m
0,2 m 0,5 m 0,9 m 0,2 m
polderpeil
0,3 m
Streefwaarde maximale grondwaterstand Signaleringswaarde minimale grondwaterstand
0,5 m
Streefwaarde minimale grondwaterstand
Figuur 6. Streefwaarde voor maximale grondwaterstanden beneden het straatpeil ten opzichte van de kruipruimte en signaleringswaarde voor de minimale grondwaterstand beneden het oppervlaktewaterpeil, in bestaand bebouwd gebied met veenlagen (met een gangbaar profiel van de openbare weg ten opzichte van de woninghoogte).
6.3.1 Streefwaarde hoge grondwaterstand (grondwateroverlast) Bestaand bebouwd gebied: De gemeente streeft naar een ontwateringsdiepte van ten minste 0,7 m. Er is volgens de gemeente sprake van een structureel hoge grondwaterstand indien de gemeten representatieve hoge grondwaterstand (RHG) voor een gebied langdurig (orde grootte jaren) hoger is dan de hierboven genoemde streefwaarde van 0,7 m onder de wegas. Indien geen langjarige metingen beschikbaar zijn, kan uit grondwateronderzoek blijken dat dit het geval zal zijn. Als representatieve hoge grondwaterstand (RHG) geldt de meetwaarde die 10% van de tijd wordt overschreden. Uitgangspunt voor deze gewenste ontwateringsdiepte zijn eisen die aan de wegen worden gesteld en de bouwwijze van woningen met een kruipruimte.
21
Voor oudere bebouwing, van voor 1992, is de hoogst gewenste grondwaterstand 0,9 m – vloerpeil. Dit is gebaseerd op een standaard bouwwijze met een vloerpeil van 0,2 m boven de as van de weg, een vloerdikte van 0,20 m en een kruipruimte van 0,50 m hoog, zie Figuur 7. Door te streven naar een ontwateringsdiepte van 0,7 m beneden de as van de weg, wordt het particuliere belang nadrukkelijk meegenomen: een kruipruimte is dan minder snel vochtig dan bij een geringere na te streven ontwateringsdiepte. Het beleid van de gemeente ten aanzien van wateroverlast in (bestaande) kelders en souterrains is gebaseerd op het uitgangspunt dat de woningeigenaar zelf verantwoordelijk is voor de waterdichtheid van kelders en souterrains. Volgens het bouwbesluit 2012 dienen kelders die dienen als verblijfruimte en de onderkant van het huis waterdicht te zijn. De eigenaar is ook verantwoordelijk voor het op hoogte houden van tuinen en de bodem van de kruipruimte om overlast te voorkomen.
Figuur 7: Hoogst gewenste grondwaterstand bij wegen en woningen gebouwd voor 1992.
Nieuwbouw: De gemeente streeft bij in- en uitbreidingsplannen naar een vergelijkbare ontwateringsdiepte als in het bestaande bebouwde gebied. Waarbij in dit geval de streefwaarde met name gericht is op de stabiliteit/levensduur van de weg. Dit betekent dat een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m beneden de as van de weg wordt nagestreefd. Mogelijk kan hiervan af worden geweken indien de inrichting kan worden aangepast aan hogere grondwaterstanden.
22
Bij nieuwbouw wordt uitgegaan van een vloerpeil van minimaal 0,3 m boven de as van de weg, zie Figuur 8. De begane grondvloeren zijn veelal geïsoleerd waardoor deze nieuwe vloeren dikker zijn dan 0,2 m. Om een droge kruipruimte (vrije kruipruimte van gemiddeld 0,5 m) te houden is dan een lagere grondwaterstand nodig. Echter, een natte kruipruimte leidt bij nieuwbouw niet tot vochtproblemen in de woonruimte (Bouwbesluit 1992).
Figuur 8: Hoogst gewenste grondwaterstand bij wegen en woningen gebouwd na 1992.
Groengebieden: Voor openbare groengebieden en parken wordt gestreefd naar een ontwateringdiepte van ten minste 0,5 m onder maaiveld.
6.3.2 Streefwaarde lage grondwaterstand (grondwateronderlast) Ten aanzien van streefwaarden afgestemd op het voorkomen van (te) lage grondwaterstanden (onderlast) geldt dat maatwerk nodig is. De gewenste laagste grondwaterstand is namelijk afhankelijk van vele factoren, zoals de bodemgesteldheid, natuur, funderingen, watergangen, et cetera. Als voorbeeld: in de veengebieden kan een lage grondwaterstand sneller leiden tot gebouwschade en zakkingsschade aan wegen en riolering. Onderlast wordt dus met maatwerk bestreden. Omdat de gevolgen van te lage grondwaterstanden vaak niet direct worden opgemerkt, gelden signaleringswaarden voor lage grondwaterstanden, hiermee wordt voor zover aanwezig de kans op droogstand van houten paalfunderingen en zettingen in beeld gebracht. Dit is bijvoorbeeld relevant in relatie tot de toename van droogte door klimaatverandering, en de eventuele verlaging van de grondwaterstand door vergroening. De diepte van het funderingshout is voor de meeste panden niet bekend. Deze kan gerelateerd zijn aan het oppervlaktewaterpeil, of aan een bepaalde diepte onder maaiveld (afhankelijk van het bouwjaar van de panden). Daarom worden meerdere signaleringswaarden gehanteerd: ▪ ▪ ▪
0,3 m onder het vigerende oppervlaktewaterpeil van de dichtstbijzijnde watergang; 1 m onder maaiveld in gebieden met bebouwing met bouwjaar voor 1960; 1,5 m onder maaiveld in gebieden met bebouwing met bouwjaar tussen 1960 en 1980.
Deze signaleringswaarden kunnen (lokaal) worden aangescherpt indien er meer informatie over de diepte van het funderingshout en zettingsgevoelige lagen beschikbaar komt. In de komende planperiode gaan we na voor welke gebieden dit relevant is.
23
In de zettingsgevoelige gebieden is het over het algemeen ongewenst om de grondwaterstand verder te verlagen dan in de huidige situatie het geval is. Door verdere verlaging kunnen namelijk extra zettingen ontstaan of mogelijk kwetsbare funderingen droogvallen. Een dergelijke verlaging kan bijvoorbeeld optreden bij (grootschalige) vergroening, of bij het aanleggen van drainage om te voldoen aan de streefwaarde voor hoge grondwaterstanden (zie 6.3.1). Bij ingrepen die het grondwatersysteem beïnvloeden wordt de volgende streefwaarde aangehouden: ▪
De representatief lage grondwaterstand (RLG) dient niet te worden verlaagd door ingrepen.
Indien met nader onderzoek kan worden aangetoond dat er geen kwetsbare functies (droogvallende funderingen, verzakkingsgevoelige infrastructuur of panden) binnen de invloedsfeer van de grondwaterverlaging liggen, kan de streefwaarde lokaal worden aangepast. Anders moet een doelmatigheidsafweging worden gemaakt om maatregelen te nemen die de grondwaterverlaging voorkomt, of om de ingrepen anders vorm te geven.
24
7. Stappenplan aanpak grondwaterproblematiek Bij gemeente Purmerend komen elk jaar enkele meldingen van grondwateroverlast binnen. De periodiek hoge grondwaterstanden zijn kenmerkend voor het gebied. Waarschijnlijk is een groot deel van de perceel- en pandeigenaren zich bewust dat er af en toe hoge grondwaterstanden voorkomen. Er zijn nog geen meldingen omtrent droogteproblematiek bekend, dit betekent echter niet dat er geen sprake is van grondwateronderlast en daarmee een risico voor funderingen. Om te bepalen of en wanneer gemeente Purmerend maatregelen moet treffen is een stappenplan opgezet. Hierin speelt doelmatigheid een belangrijke rol.
7.1
Stap 1: Identificeren locaties mogelijke grondwaterproblemen
Deze stap bestaat uit het identificeren van locaties waar mogelijk ‘structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming’ optreden. Er is sprake van grondwateronderlast of -overlast als structureel te lage of te hoge grondwaterstanden optreden en blijkt dat dit de gebruiksfunctie aantast. Hiervoor wordt in stap 1a-c gekeken naar locaties waar veel meldingen binnenkomen, waar op basis van gemeentelijke analyses aandacht naar uitgaat en waar hoge of lage grondwaterstanden optreden. Met deze aanpak kan de gemeente probleemlocaties signaleren en meldingen duiden en evalueren. Wanneer de streefwaarde wordt overschreden en/of er overlast of onderlast wordt ervaren, zoekt de gemeente naar de oorzaak van de hoge of lage grondwaterstand, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een grondwateronderzoek. 1a: Veel meldingen en/of analyseresultaten Op basis van meldingen en/of gemeentelijke analyses wordt in beeld gebracht waar locaties met grondwater over- of onderlast zijn binnen de gemeente. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de meldingen zoals binnengekomen via het gemeentelijk loket en gemeentelijke grondwateranalyses. 1b: Lage grondwaterstanden Op basis van de grondwatermetingen wordt in beeld gebracht waar de grondwaterstand afwijkend laag is.
Een grondwaterstand in het openbare gebied wordt als afwijkend laag gedefinieerd als deze, ten minste voor drie opeenvolgende jaren, voor meer dan 10% van de tijd per jaar de signaleringswaarde onderschrijdt, zie voor meer uitleg de paragraaf 6.3.2.
25
De eerste resultaten van deze stap zijn weergegeven in Bijlage 2a en 2b, waarbij gebruik is gemaakt van de beschikbare data ten tijde van het schrijven, deze zijn beperkt tot één hydrologisch jaar (2022-2023), dit was een droger jaar dan gemiddeld1. 1c: Hoge grondwaterstanden Op basis van de grondwatermetingen wordt in beeld gebracht waar de grondwaterstand structureel hoog is. Een grondwaterstand in het openbare gebied wordt als structureel te hoog gedefinieerd als deze, ten minste voor drie opeenvolgende jaren, voor meer dan 10% per jaar hoger is dan 0,7 meter beneden maaiveld, zie voor meer uitleg de paragraaf 6.3.1. De eerste resultaten van deze stap zijn weergegeven in Bijlage 3, waarbij gebruik is gemaakt van de beschikbare data ten tijde van het schrijven, deze zijn beperkt tot één hydrologisch jaar (2022-2023), dit was een droger jaar dan gemiddeld1.
7.2
Stap 2: Identificeren problemen
Nadat gevoelige locaties zijn geïdentificeerd wordt gekeken of er op deze locaties ook nadelige gevolgen zijn als gevolg van de grondwaterstand. 2a: Nadelige gevolgen Voor de gevoelige locaties wordt nagegaan of de hoge of lage grondwaterstanden in het openbare gebied leiden tot structureel nadelige gevolgen voor de perceelsfunctie. Dit gebeurt op basis van de binnengekomen meldingen en de ervaringen van beheerders. Aanvullend worden mogelijke nadelige gevolgen in beeld gebracht voor de wijken die in de komende 5 jaar op de planning staan voor werkzaamheden, zodat eventuele grondwatermaatregelen hier kunnen worden meegenomen bij de werkzaamheden. Er is volgens de gemeente sprake van nadelige gevolgen, indien omstandigheden optreden die leiden tot volksgezondheidsproblemen, schade aan constructies en/of economische schade. Dit is niet altijd het geval. Grondwater in de kruipruimte op zich veroorzaakt niet altijd nadelige gevolgen, alleen als het vocht doordringt naar bovenliggende verblijfruimtes en/of de bebouwing aantast. Voorbeelden van schade zijn aantasting van een houten vloerconstructie, optrekkend vocht in muren, schimmel in verblijfruimten, aantasting van funderingen en verzakkingen.
2b: Veroorzaakt door grondwater Van de nadelige gevolgen wordt getoetst of deze veroorzaakt worden door te hoog of te laag grondwater of door gebrekkige constructies en bouwkundige gebreken, zoals lekke kelders. Verblijfsruimten dienen daarbij dan ook te voldoen aan de bouwregelgeving.
1
Voor meer informatie, zie: Analyse grondwater meetnet Purmerend, Aveco de Bondt, 2023. 231288_AdB_RAP_0001_v1
26
7.3
Stap 3: Identificeren verantwoordelijkheid
Op het moment dat vastgesteld is dat er een grondwater gerelateerd probleem speelt is de volgende stap de bepaling van de verantwoordelijkheid. Daarbij geldt het volgende: ▪ Het waterschap is de wettelijke beheerder van het watersysteem, waar het grondwater ook deel van is. Het waterschap beheert het oppervlaktewater en is bevoegd gezag voor (de meeste) grondwateronttrekkingen. Door middel van haar polder- en boezempeilbeheer geeft het waterschap de randvoorwaarden waarbinnen invulling wordt gegeven aan de grondwatertaak; ▪ De gemeente beheert het grondwater in het openbare gebied, en is het aanspreekpunt voor grondwateroverlast of – onderlast. Indien doelmatig, treft de gemeente grondwaterregulerende maatregelen als er sprake is van structurele overlast in het openbare gebied. De gemeente heeft hierbij een inspanningsverplichting; ▪ De perceeleigenaar beheert het grondwater op het eigen terrein. Hij neemt zelf de vereiste (water-huishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen om grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander, particulier of overheid.
Daarnaast is de perceeleigenaar, conform het Bouwbesluit 2012, verantwoordelijk voor het waterdicht maken van zijn verblijfsruimten, zodat eventuele hoge grondwaterstanden niet leiden tot overlast in de verblijfsruimten. In paragraaf 4.3 is een uitgebreid overzicht gegeven van de taakverdeling en verantwoordelijkheden.
7.4
Stap 4: Bepalen doelmatigheid
Pas als sprake is van structurele grondwateroverlast of -onderlast neemt de gemeente maatregelen in de openbare ruimte. Deze maatregelen moeten wel doelmatig zijn. Hoe dat bepaald wordt staat in deze stap beschreven. De doelmatigheid van grondwatermaatregelen wordt locatiespecifiek beoordeeld op basis van de volgende overkoepelende criteria: 4a: Er is een probleem De hoge of lage grondwaterstand, zoals ook benoemd in stap 1 en 2, in het openbare gebied leidt tot aantoonbare structureel nadelige gevolgen voor de perceelfuncties. In paragraaf 6.3 is aangegeven wat de gewenste grondwaterstanden zijn binnen gemeente Purmerend. 4b: De maatregel heeft nut De maatregelen op het openbare terrein hebben nut als deze daadwerkelijk de structureel nadelige gevolgen bestrijden. De maatregel moet dus effect hebben op de overlast of onderlast en niet alleen op de hoge of lage grondwaterstand op openbaar terrein. Belangrijk hierbij is dat de maatregel op openbaar terrein effect heeft bij een voor de omgeving passend grondwaterpeil op openbaar terrein, rekening houdend met de mogelijke risico’s van een verhoogde of verlaagde grondwaterstand voor overlast en onderlast (bijvoorbeeld droogstand/zettingen/natuurschade). Dit laatste geldt met name in de veengebieden.
4c: De maatregel is kosteneffectief De (globale) investerings- en beheerkosten van de maatregelen moeten in verhouding zijn met het effect en de kosten van maatregelen binnen particuliere percelen (zoals bouwkundige
27
maatregelen of drainage op eigen perceel, door de perceeleigenaren zelf uit te voeren) of eventueel te verwachten kosten voor schades. Als er sprake is van structureel nadelige gevolgen vanwege de grondwaterstand neemt de gemeente (op termijn) maatregelen om de afvoer van het overtollige grondwater te verbeteren. Grondwatermaatregelen worden wanneer mogelijk uitgevoerd in combinatie met afkoppelen, rioolvervanging of herinrichting van de openbare ruimte. Een hoge (of lage) grondwaterstand alleen maakt een maatregel in de openbare ruimte dus niet per definitie doelmatig. Er dient ook een grondwaterprobleem te zijn, die tegen acceptabele kosten effectief kan worden bestreden met maatregelen in de openbare ruimte. Daarom is doelmatigheid het criterium voor maatregelen (niet een bepaalde grondwaterstand). Voorbeeld doelmatige invulling grondwatertaak: De zorgplicht kan bijvoorbeeld inhouden dat, nadat is vastgesteld dat sprake is van structurele overlast, de gemeente pas maatregelen gaat treffen als er een samenloop is met andere maatregelen (doelmatigheidseis). Dit zou ook pas over bijvoorbeeld 20 jaar kunnen zijn, doordat dan het riool vervangen gaat worden. In de integrale aanpak worden opgaven van andere disciplines in de openbare ruimte meegenomen. Structurele overlast impliceert derhalve niet dat door de gemeente meteen maatregelen worden genomen.
28
8. Operationele invulling zorgplicht De gemeente neemt ten aanzien van het ondiepe grondwater de regie in het proces, waarin problemen en oplossingen worden verkend. Als metingen (grondwatermeetnet), klachtenregistratie of gemeentebrede analyses daar aanleiding toe geven, voert de gemeente locatiespecifieke onderzoeken uit om de aard, omvang, mogelijke oorzaken en oplossingsrichtingen bij grondwaterproblematiek in beeld te brengen. Gemeente Purmerend onderneemt acties met betrekking tot het grondwateroverlast of -onderlast als gevolg van zes verschillende thema’s en aanleidingen. Deze zijn: I II III IV V IV
8.1
Meldingen Meetnet en analyse Werken in de openbare ruimte Nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen Groenbeheer, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie Communicatie en betrekken bewoners
Meldingen
In de eerste plaats kunnen perceel- en pandeigenaren voor vragen en meldingen over grondwateronderlast terecht bij de gemeente en zal de gemeente informatie verstrekken over de bodem, het grondwater en eventuele oplossingen op particuliere terreinen en financieringsmogelijkheden voor funderingsherstel (reactief). Daarna is de perceel- of pandeigenaren zelf verantwoordelijk voor het benodigde onderzoek en het nemen van eventuele maatregelen. Grondwater gerelateerde klachten kunnen momenteel (digitaal, via de website) gemeld worden bij het Meldpunt “Bewonersmelding” bij het Klantcontactcentrum (KCC) van gemeente Purmerend. Het meldpunt is algemeen van opzet en dient voor vragen of opmerkingen over de onderhoudstoestand en het functioneren van gemeentelijke voorzieningen in openbare gebieden. In dit loket worden de meldingen geregistreerd zodat op een eenduidige manier de meldingen vastgelegd kunnen worden. De gemeente (back-office) neemt naar aanleiding van meldingen over grondwateroverlast het initiatief om te beoordelen wat de omvang, ernst en oorza(a)k(en) van het probleem is/zijn, wat passende maatregelen zijn en wie de verantwoordelijke partij hiervoor is (zoals perceeleigenaar, gemeente, waterschap).
Dit wordt centraal opgepakt door een verantwoordelijke, welke ook voor een antwoord zorgt richting de melder, maar die navraag binnen de organisatie kan doen indien noodzakelijk. Bij een veelvoud aan meldingen voert de gemeente grondwateronderzoek uit en overweegt of maatregelen op openbaar terrein doelmatig zijn en denkt mee over oplossingsrichtingen op particulier terrein (uitsluitend richtinggevend). Bij de analyse wordt gebruik gemaakt van gegevens van de melder (afhankelijk van noodzaak: e-mail, bellen, locatiebezoek), informatie uit het 29
grondwatermeetnet en van geohydrologische gebiedskennis. Dit levert input voor een prioritering van aan te pakken gebieden. De binnengekomen meldingen en afhandeling ervan worden jaarlijks gebundeld en kort geëvalueerd. Tijdens de evaluatie wordt overwogen of het aantal niet verholpen meldingen vraagt om een klachtgestuurde, dan wel een gebiedsgestuurde aanpak van overlast of onderlast in een wijk. Eens per planperiode worden de meldingen grondig geanalyseerd en beoordeeld of een koerswijziging nodig is. Reageren buurt- of wijkgerichte overlast Als een afwijkend (ten opzichte van andere jaren en/of wijken) groot aantal meldingen van grondwateroverlast of -onderlast binnenkomt uit een wijk, voert de gemeente een gebiedsgericht grondwateronderzoek uit naar de grondwatersituatie, de nadelige gevolgen van de grondwaterstand en mogelijke oplossingen. Op basis van de resultaten van het grondwateronderzoek beoordeelt de gemeente of maatregelen in de openbare ruimte doelmatig zijn, dan wel de perceeleigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor het nemen van maatregelen en of de gemeente hierin kan bijstaan bijvoorbeeld in de vorm van uitleggers voor drainagesystemen. De resultaten worden besproken met de betrokken bewoners en/of bedrijven.