C -bestemmingsplan-tankstation-etc-Verzetslaan-toelichting
Tekst van het document
5.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.3
Cultuurhistorische waarden
5.3.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecten worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 5.3.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van het plangebied geen sprake is van actuele cultuurhistorische waarden.
30
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Purmerend (bron: https://datalab.purmerend.nl/atlas )
5.3.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de in / rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
5.4
Dienstenrichtlijn
Uit de in 2006 vastgestelde Dienstenrichtlijn (art. 49 van het Verdrag betreffende de werking van de EU) vloeit voort dat als in bestemmingplannen beperkingen worden opgenomen aan de uitoefening van diensten, deze goed gemotiveerd moeten worden. Beperkingen zijn slechts mogelijk als voldaan wordt aan: het verbod op discriminatie de voorwaarde van noodzakelijkheid de voorwaarde van evenredigheid Detailhandel wordt ook als een dienst gezien. In het bestemmingsplan worden geen beperkingen opgenomen over de uitoefening van diensten. Omdat er geen beperkingen zijn is er geen strijdigheid met de Dienstenrichtlijn
5.5
Duurzaamheid
Naast de reguliere motorbrandstoffen benzine en diesel zal op het plangebied ook de nieuwe duurzame motorbrandstof HVO diesel aangeboden worden. Dit product biedt een CO2 reductie van 89% vs. de huidige reguliere diesel EN590. Dit is een nieuw product binnen het verzorgingsgebied dat elders in Purmerend nog niet aangeboden wordt. Door het nieuwe aanbod van duurzamere motorbrandstof draagt het plan bij aan de ambities van het gemeentelijke beleid. Op een groot deel van het dak van pand worden zonnepanelen geplaatst. Tevens zal een deel van het dak uitgevoerd worden als een groendak. Hiermee wordt het hemelwater langer vastgehouden en zorgt dit voor extra isolatie van het gebouw. Het nieuw te bouwen tankstation wordt niet
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
voorzien van een gasaansluiting maar wordt verwarmd door middel van warmtepompen. Door toepassing van vloeistofdichte vloeren wordt bodemvervuiling bij het afleveren van brandstoffen voorkomen.
5.6
Externe veiligheid
5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag.
Risicocommunicatie met inwoners Doordat de gemeente 'dichterbij' inwoners staat dan de Veiligheidsregio, communiceert de gemeente Purmerend ook over risico's en gevaren in de (directe) woon- en leefomgeving: op de gemeentesite wordt verwezen naar de websites www.risicokaart.nl en https://www.veiligheidsregiozaanstreekwaterland.nl/wat-te-doen-bij.html. Hier kunnen inwoners informatie vinden over gevaarlijke stoffen en inrichtingen, en wat men kan doen ingeval van een calamiteit; regelmatig wordt er een bericht gepost over veiligheid/risico's op de socialmedia-kanalen (Facebook/Twitter), met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites; ook wordt aandacht besteed aan het onderwerp in Purmerend Totaal, met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites. Zo werken de gemeente en de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland samen aan risicocommunicatie en weten inwoners sneller wat zij kunnen doen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een ramp of crisis. 5.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen zoals opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De dichtsbijzijnde risicobron is gelegen op een afstand van 700 meter en heeft geen invloegd op het plangebied.
Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. Het plan ziet op de realisatie van een tankstation zonder LPG. Voor tankstations zonder LPG geldt geen minimale afstandseis tot externe (beperkt) kwetsbare objecten. Wel geldt een vergunningplicht voor onbemande tankstations met een (beperkt) kwetsbaar object binnen 20 meter van de afleverzuil. Dit blijkt uit Bor bijlage 1 categorie 5.4-e. De dichtstbijzijnde kwetsbare objecten, de 108 tijdelijke woningen, zijn op een minimale afstand van 75 meter gelegen. Daarmee wordt aan de afstandseis voldaan. Voor tankstations zelf geldt geen minimale veiligheidsafstand ten overstaan van externe objecten. 5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan. 32
5.7
Geluid
5.7.1
Wegverkeerslawaai
5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.
Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.
Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.7.1.2 Analyse Het plan voorziet niet in het oprichten van geluidgevoelige bebouwing. Tevens zijn in de nabijheid geen geluidgevoelige functies aanwezig. 5.7.1.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van wegverkeerslawaai en volstaat de milieuzonering die in de paragraaf 5.11 is beschreven.
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
5.7.2
Spoorweglawaai
5.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.7.2.2 Analyse Het plan voorziet niet in het oprichten van geluidgevoelige bebouwing. Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.
5.8
Geur
5.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 5.8.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld, speelt geur hier geen rol. 5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.
34
5.9
Hoogbouw-effectrapportage
5.9.1 Beleidskader Op 28 september 2017 heeft de gemeenteraad van Purmerend de 'Hoogbouwvisie Purmerend' vastgesteld. In het kader van de 'Agenda Purmerend 2040' zal de focus de komende jaren vooral liggen op intensiveren in de bestaande stad. Ook het Rijk en de Provincie hebben in hun beleid aangegeven dat de noodzaak voor intensiveren in de stad urgent is. Eén van de middelen om te intensiveren in de stad is hoogbouw. Het doel van de hoogbouwvisie is het leveren van toetsingskaders voor hoogbouwinitiatieven op het schaalniveau van de stad en de plek. Bij het schaalniveau van de stad gaat het daarbij vooral om waar en hoe hoogbouw een bijdrage kan leveren aan de morfologie en ontwikkeling van Purmerend. Op het schaalniveau van de plek gaat het om inpassing van het gebouw in de omgeving. Hier spelen aspecten als bezonning en wind een rol, maar ook hoe hoogbouw kan bijdragen aan meer en beter gebruik van de publieke ruimte. De visie biedt een kader voor bewoners, beslissers, ontwikkelaars en de gemeente en geeft duidelijkheid over de keuzes die mogelijk zijn. Met deze visie kunnen de verschillende initiatieven binnen een afgewogen kader worden getoetst en wordt invulling gegeven aan de verschillende ambities en doelstellingen die de stad heeft gesteld voor de toekomst.
In de hoogbouwvisie zijn gebieden aangewezen waar door middel van hoogbouw van meer dan 25 meter een grote bijdrage kan worden geleverd aan de stedelijke woonbehoefte en de leefbaarheid en vitaliteit van Purmerend. Eén van deze gebieden is de stedelijke rug van Purmerend dat het oostelijk deel van Purmerend en het Purmerbos verbindt met het centrum. Hoogbouw kan zich concentreren langs deze stedelijke rug (o.a. Purmersteenweg, Waterlandlaan, IJsselmeerlaan). Belangrijke knooppunten langs entrees aan deze as kunnen worden gemarkeerd met hogere accenten. Om hoogbouwinitiatieven te beoordelen zijn vuistregels opgesteld. Van de initiatiefnemer van hoogbouw wordt verwacht dat de vuistregels worden meegenomen en afgewogen in een door de initiatiefnemer op te stellen hoogbouweffectrapportage. Deze is verplicht bij een hoogte van meer dan 25 meter (8 lagen). De hoogbouweffectrapportage helpt al in een vroeg stadium bij de beslissing of een hoogbouwinitiatief op die plek, met die hoogte en in die vorm wel of niet wenselijk is. 5.9.2 Analyse Het te gebouwen gebouw heeft een maximale bouwhoogte van 5,9 meter en ziet daarmee niet op de realisatie van hoogbouw. Een hoogbouweffectrapportage is dan ook niet aan de orde. 5.9.3 Conclusie Het planvoornemen past binnen de kaders van de 'Hoogbouwvisie Purmerend'.
5.10 Luchtkwaliteit 5.10.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of;
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is.
Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 5.10.2 Analyse Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). De voorgaande vrijstellingsregeling is van toepassing op dit planvoornemen voor het realiseren van een tankstation en een autoherstelbedrijf. De gemeente Purmerend staat aangemerkt als een sterk 36
stedelijk gebeid. Uit het document uitgangspunten verkeersbewegingen (Bijlage 8) blijkt dat er rekening gehouden moet worden met een toename van 668 ritten per etmaal.
Berekening nibm-tool
Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk. Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.10.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.11 Milieuzonering 5.11.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. 2. 3. 4.
Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?
Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. Om de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Deze Staat is overgenomen uit de eerdergenoemde VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 5.11.2 Analyse Uitwaartse werking Er is sprake van een tankstation zonder LPG of LNG. Een tankstation zonder LPG of LNG valt op grond van de VNG-publicatie binnen de milieucategorie 2 met een grootste afstand van 30 meter. Op basis van de VNG-brochure bedraagt de bijhorende afstand voor een autoherstelbedrijven of een autowasserij ook 30 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige functies zijn op minimaal 70 meter gelegen. Er wordt ruim aan de afstandsnormen voldaan. Het tankstation en de autoherstelgarage zijn twee separate bedrijven. De onderlinge afstand tussen het tankstation en het autoherstelbedrijf bedraagt minder dan 10 meter. Op basis hiervan is de ontwikkeling milieuvergunningplichtig. Deze milieuvergunning maakt onderdeel uit van de aanvraag omgevingsvergunning en is afgestemd met de Omgevingsdienst IJmond. Inwaartse werking Ook functies uit de omgeving kunnen invloed hebben op de nieuwe ontwikkeling in het plangebied. Een tankstation en het herstelbedrijf zijn geen geluidsgevoelig objecten.
Aangezien door middel van het bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, is nader onderzoek niet noodzakelijk. 5.11.3 Conclusie Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde gevoelige functies, vormt de activiteit geen knelpunt. Ook andersom vormen de omliggende functies geen knelpunt voor het realiseren van het plan. Er bestaan wat betreft bedrijven- en milieuzonering geen belemmeringen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
5.12 Natuurwaarden 5.12.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.
De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor 38
Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet.
Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijs 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is.
In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3. Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.12.2 Analyse Op 28 januari 2021 en op 3 februari 2022 zijn Flora en Fauna checks uitgevoerd op het plangebied.
Deze onderzoeken zijn te vinden in Bijlage 5.In de onderzoeken is uitgegaan dat de initiatiefnemer de volgende werkzaamheden gaat uitvoeren: Onkruidbeheersing maaiwerkzaamheden oevers watergang of schonen watergang Realiseren nieuw verlichting Verwijderen van struiken en hagen Werkzaamheden op/in open terrein (minimale vegetatie, kale grond) Werkzaamheden aan kunstwerken in een watergang Kappen / rooien van bomen Snoeien van bomen Snoeien van struiken en hagen Andere werkzaamheden op/in terrein met vegetatie Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat deze werkzaamheden een negatief effect kunnen hebben op een beschermde diersoort, de Buizerd. Door de gemeentelijke ecoloog is aangegeven dat de twee te kappen bomen gekapt kunnen worden zonder dat het leefgebied van de Buizerd aangetast wordt. Wel is van belang dat er geen nest in de bomen aanwezig is. Maar dat valt onder de algemene zorgplicht. Randvoorwaarden ontwikkeling Voor het realiseren van het plan staan in de onderzoeken enkele randvoorwaarden. Aan deze randvoorwaarden moet worden voldaan om te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening. De volgende randvoorwaarden staan in het rapport vermeld: Werkzaamheden worden niet tijdens het broedseizoen uitgevoerd. Uw project of plan behoort tot de categorieën: bestendig beheer en onderhoud; bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
Uw project of plan behelst een gebied van maximaal 1 ha en ligt buiten een natuurgebied. Tijdens werkzaamheden en daadwerkelijk gebruik / beheer wordt geen kunstlicht of geluidhinder naar de omgeving veroorzaakt. De werkzaamheden veroorzaken geen verrijkende effecten in Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. Externe effecten op beschermd natuurgebied Het plangebied ligt niet binnen of sluit niet aan op wettelijk of beleidsmatig beschermd natuurgebied. De Wet natuurbescherming eist dat ook externe effecten op de strengst beschermde nauurgebied (de Natura 2000-gebieden) worden uitgesloten. Op 5 december 2022 is er door S&W een rapportage stikstofdepositie opgemaakt voor het plangebied. Dit rapport is te 40
vinden in Bijlage 7. Het nieuw te bouwen tankstation wordt niet voorzien van een gasaansluiting maar wordt verwarmd d.m.v. warmtepompen. Voor het berekenen van de stikstofdepositie in de gebruiksfase zijn dan ook alleen de voertuigbewegingen van belang. Hierbij is uitgegaan van totaal 667,52 ritten per etmaal. Naast de gebruiksfase is ook de realisatiefase berekend.
Ligging plangebied ten aanzien van de NNN-gebieden (bron S&W)
Met behulp van de AERIUS Calculator (versie 2021.2) zijn berekeningen opgesteld voor de realisatie- en gebruiksfase. Met behulp van de AERIUS Calculator is de stikstof depositie berekend op alle relevante natuurgebieden. Uit de berekeningen volgt voor beide fasen geen bijdrage van stikstofdepositie. Op basis van de resultaten uit de berekeningen kan worden geconcludeerd dat zowel voor de realisatie(aanleg)fase en de gebruiksfase geen vergunningsplicht geldt, t.a.v. stikstofdepositie, op grond van de Wet natuurbescherming. 5.12.3 Conclusie Het project heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura 2000-gebieden. Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed op flora en fauna.
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Beleidskader Voor de berekening van de verkeersgeneratie is waar mogelijk gebruik gemaakt CROW publicatie 381, Toekomstbestendig parkeren – Van parkeercijfers naar parkeernormen, december 2018. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de nota parkeernormen gemeente Purmerend 2016. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van een bouwplan moet aangegeven worden wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. 5.13.2 Analyse Verkeersaantrekkende werking gemotoriseerd verkeer Nabij het plangebied (zie onderstaande afbeelding) ligt de beoogde nieuwbouwlocatie Vurige Staart. Voor deze ontwikkeling heeft Goudappel Coffeng op 19 juli 2019 een verkeerskundig onderzoek opgeleverd waarin onder andere de restcapaciteit van de N235 is bepaald. In aanvulling op dit onderzoek heeft Goudappel Coffeng BV het verkeerskundig onderzoek ‘Vurige Staart’ aangevuld met de ontwikkeling van het onbemande tankstation, het reparatie- en herstelbedrijf en de tijdelijke woningen.
Hierbij is de nadruk gelegd op de restcapaciteit die beschikbaar is op de N235 Verzetslaan en op het kruispunt N235 Verzetslaan – McDonald’s waar de ontwikkeling op wordt ontsloten. Het onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd.
Meegenomen plangebieden in verkeerskundig onderzoek (bron: Uitbreiding onderzoek Vurige Staart Purmerend)
Uit het rapport kan de volgende conlusie worden getrokken waarbij moet worden opgemerkt dat 42
het rapport ook ingaat op de realisatie van 108 sociale huurwoningen en 330 appartementen en 60 grondgebonden woningen. Deze woningen maken geen onderdeel uit van onderhavig bestemmingsplan. Hier zullen te zijner tijd separate procedures voor doorlopen moeten worden. De realisatie van de totale ontwikkeling, dus inclusief woningbouw, heeft een effect op het omliggende wegennet. Het effect van het te genereren verkeer is getoetst in het onderzoek, waar de volgende conclusie uit naar voren komt: na realisatie van het onbemande tankstation, het reparatie- en herstelbedrijf en de sociale huurwoningen kan het kruispunt de extra stroom aan verkeer afwikkelen. Langzaam verkeer De locatie is in de huidige situatie te bereiken voor langzaam verkeer. Er is een fietspad aanwezig langs de Jaagweg die ten westen van de locatie is gelegen. Dit fietspad is een tweerichtingenfietspad en gaat zowel Purmerend in als uit. Langzaam verkeer is niet de doelgroep voor het plan. Fietsers hebben geen reden om naar een tankstation of een autoherstelbedrijf te gaan. Er wordt dan ook geen toename aan langzaam verkeer verwacht. Parkeren De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de CROW rekentool 'Verkeersgeneratie & Parkeren'. Hierbij is de gemeente Purmerend als 'sterk stedelijk' en het plangebied als 'rest bebouwde kom' aangemerkt.
Het tankstation is niet genoemd in de CROW publicatie. Dit tankstation is tevens onbemand, er is geen personeel dat behoefte heeft aan parkeerplaatsen. De klanten van dit bedrijf hebben geen behoefte aan parkeerplaatsen. Zodra zij klaar zijn met tanken vertrekken zij weer. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het tankstation geen extra parkeerbehoefte kent. Het autoherstelbedrijf valt volgens de Nota parkeernormen Purmerend onder 'Bedrijf arbeidsintentief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats) en kent een parkeerbehoefte van 2,2 parkeerplaats per 100 m2 bvo. Het herstelbedrijf zal 531 m2 bvo in beslag nemen wat resulteert in een parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen.
Parkeerberekening
Binnen het plangbied worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd zoals blijkt uit de inrichtingstekening
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
in Bijlage 1. Hiermee wordt het benodigd aantal parkeerplaatsen op eigen terrein en binnen de grenzen van dit bestemmingsplan gerealiseerd. 5.13.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.14 Water 5.14.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen.
Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is 44
ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016.
Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.14.2 Analyse In het kader van dit bestemmingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is overleg gepleegd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Op 27 januari 2021 is de digitale watertoets doorlopen voor het verplaatsen van het tankstation en autoherstelbedrijf. Op 9 februari 2021 heeft het HHNK per mail het wateradvies toegestuurd (zie Bijlage 6). De resultaten van dit wateradvies zijn onderstaand weergegeven. Waterkwantiteit Het HHNK merkt op dat er geen sprake is van een substantiële verhardingstoename door het plan. Het plangebied is in de huidige situatie al geheel verhard. Derhalve hoeven er geen compenserende maatregelen genomen te worden. De ruimte rondom de huidige waterloop om het perceel moet wel vrijgehouden blijven voor onderhoud. Waterkwaliteit Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het uitgangspunt is dat huishoudelijk afvalwater en hemelwater van schone oppervlakken gescheiden worden. Door de gemeente wordt riolering aangelegd tot net over de grens van de kavel om het water te scheiden.
Schoon hemelwater kan direct afgekoppeld worden naar de bestaande watergangen binnen het plangebied. Het afvalwater bestaat uit huishoudelijk afvalwater vanuit de bebouwing, evenals afvalwater vanuit de wasboxen en hemelwater dat op vloeistofdichte vloer van het tankstation valt en mogelijke verontreinigingen meeneemt. Voor deze laatste twee stromen wordt een OBAS aangesloten om verontreinigingen te filteren. Vertraagd afvoer van hemelwater Er worden geen maatregelen genomen om het hemelwater langzamer af te voeren. Er is hier ook geen reden voor, het verharde oppervlakte blijft immers hetzelfde. Ruimtelijke adaptatie Het HHNK adviseert om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Het plan, waaronder de uitbreiding van bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte hier omheen, biedt uitstekende kansen hiertoe. Zo zou kunnen worden gedacht aan het
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit. Bij nieuwe verharding kan gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende infiltrerende onderlaag of waterberging in verlaagde groenstroken. 5.14.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.15 Milieu-effectrapportage 5.15.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. 5.15.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een tankstation, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.
D.11.2
Activiteiten Gevallen De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van een heeft op: stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of ontwikkelingsproject, meer, met inbegrip van de 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of bouw van meer woningen omvat, of winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van parkeerterreinen. 200.000 m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Wanneer de activiteit mogelijk wordt gemaakt door middel van een besluit genoemd in kolom 3 en 46
4 van onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit m.e.r., maar de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 niet overschrijdt, moet in de regel een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden opgesteld, ook al ligt de omvang van de activiteit (ver) onder de drempelwaarde. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets (vormvrije m.e.r.-beoordeling) worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is geoordeeld dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor dit planvoornemen is dan ook geen m.e.r.-procedure noodzakelijk op grond van het Besluit m.e.r 5.15.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een m.e.r.-procedure op te starten.
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor de omgevingsvergunning zullen via de gemeentelijke legesverordening worden doorberekend. De gemeentelijke kosten voor deze ontwikkeling zijn opgenomen in de grondexploitatie voor deze ontwikkeling. Hierdoor zijn de kosten anderszins verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld. De economische uitvoerbaarheid is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 6.2.2 Communicatie Met de bewoners aan overzijde van het kanaal en McDonald's en KFC heeft communicatie plaatsgevonden. Opmerkingen en suggesties van deze partijen zijn zoveel als mogelijk verwerkt. Zo wordt ter vermindering van het inschijnen van autolichten bij de woning aan de overzijde van het kanaal beplanting aangebracht onder de bomen aan de westzijde van het plangebied. Met McDonald's en KFC vindt overleg plaats over het plaatsen van reclameborden. 6.2.3 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. Het concept ontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de provincie Noord-Holland met het verzoek om hierop te reageren. De ontvangen reacties zijn hieronder samengevat en van beantwoording voorzien. De volledige reacties zijn als Bijlage 10 bijgevoegd. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft gereageerd dat het plan er goed uitziet en dat het advies uit eerdere fases is overgenomen. Wel vraagt het HHNK zich af in hoeverre een risicoanalyse is uitgevoerd naar het ontploffingsgevaar van de ondergrondse tanks nabij de regionale waterkering. Het HHNK verzoekt een geactualiseerde verse van het plan te ontvangen mocht de inhoud van het plan wijzigingen. Reactie gemeente 48
Er is voor deze ontwikkeling geen risicoanalyse uitgevoerd naar het ontploffingsgevaar van de ondergrondse tanks nabij de regionale waterkering. Het beoogde tankstation zal namelijk geen ontplofbare brandstoffen zoals LPG verkopen en opslaan in de ondergrondse opslagtank. In het kader van de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het tankstation heeft de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland aangegeven dat een advies op het gebied van externe veiligheid niet nodig is. Provincie Noord-Holland De provincie Noord-Holland mist in de toets aan de Omgevingsverordening NH2020 de regionale waterkering (artikel 6.77). Ook mag naast artikel 6.3 van de omgevingsverordening (omtrent nieuwe stedelijke ontwikkelingen) artikel 6.62 (klimaatadaptatie) in de onderbouwing benoemd worden. Graag ziet de provincie een toelichting van deze artikelen. Wat betreft de verbeelding van het bestemmingsplan het verzoek de beschermingszone regionale waterkering op te nemen zoals weergeven in de viewer Omgevingsverordening NH2020. Reactie gemeente Over de regionale waterkering (artikel 6.77 OVNH2020) heeft in 2021 communicatie plaatsgevonden met de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap. De conclusie hiervan is dat de ontwikkelingen geen problemen opleveren binnen de beschermingszone van de regionale waterkering.
Een meer inhoudelijke onderbouwing hiervan zal worden opgenomen in de paragraaf over provinciaal beleid (3.2.2) van de toelichting op het bestemmingsplan. Met betrekking tot het aspect klimaatadaptatie zal in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan in worden gegaan op dit onderwerp uit artikel 6.62 van de Omgevingsverordening NH2020. Op de verbeelding zal de beschermingszone van de regionale waterkering zoals weergegeven in de viewer Omgevingsverordening worden opgenomen als de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'. Als gevolg hiervan zal deze dubbelbestemming ook in de regels worden opgenomen. 6.2.4 Inspraak ingevolge Algemene inspraakverordening gemeente Purmerend De Algemene Inspraakverordening van de gemeente Purmerend bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden kan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het onderhavige geval is het project van zodanig omvang en aard dat besloten is om af te zien van de procedure op grond van de inspraakverordening. 6.2.5 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Artikel 3:8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze afdeling bevat bepalingen rond de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure.
Het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen van 10 oktober 2022 tot en met 21 november 2022. De kennisgeving is in het Gemeenteblad van 6 oktober 2022 geplaatst. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
Bestemmingsplan "Tankstation en autoherstelgarage Verzetslaan - 2022" (vastgesteld)
Hoofdstuk 7
Juridische planbeschrijving
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
7.1
Planvorm
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Gezien het gewenste behoud van de ruimtelijke en functionele structuur en de beperkte mate van ontwikkeling is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. In de bijbehorende voorschriften zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn.
Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis. Ten behoeve van de flexibiliteit is een aantal afwijkingsmogelijkheden opgenomen.
7.2
Bestemmingsregeling
De verschillende in het plangebied aanwezige functies zijn in overwegende mate overeenkomstig hun huidige gebruik bestemd. Daarnaast komen enkele nieuwe ontwikkelingen voor. Een aantal regelingen is hieronder toegelicht. Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf Binnen de bestemming Bedrijf worden twee bedrijven toegestaan. Een tankstation zonder LPG en een autoherstelbedrijf. Beide bedrijven zijn aangegeven met een aanduiding. Artikel 4 Groen Op gronden waar flexibiliteit bij de inrichting van de openbare ruimte minder noodzakelijk is, zijn bestemd voor Groen. Kleine stukjes siergroen vallen onder de bestemming Verkeer-2. Binnen de bestemming Groen is een beperkt aantal gebruiksvormen toegestaan, zoals groen, voet- en fietspaden, water, afvalverzamelplaatsen, nutsvoorzieningen en kunstobjecten. Tevens is één reclamezuil en één reclamemast toegestaan. Op/onder de gronden in de openbare ruimte is het plaatsen van ondergrondse containers toegestaan. Artikel 5 Verkeer - 2 De bestemming Verkeer-2 wordt toegekend aan wegen met een verkeers- of verblijfsfunctie. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, het verzamelen van huisvuil, groen- en waterpartijen en kleine nutsvoorzieningen en 50
dergelijke. Artikel 6 Water De in het plangebied aanwezige gronden die zijn aangewezen voor water zijn bestemd voor de waterhuishouding. In dit plan is de hoeveelheid water beperkt. Er is een smalle strook in het westen van het plangebied. Deze strook water dient ter bescherming van een goede waterhuishouding. Artikel 7 Waterstaat - Waterkering De in het plangebied aanwezige gronden die zijn aangewezen voor waterstaatkundige doeleinden worden beschermd via de dubbelbestemming Waterstaat-Waterkering. Voor bouwwerken of bouwwerkzaamheden binnen de grenzen van het waterstaatswerk is een watervergunning van het Hoogheemraadschap vereist. Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven. Artikel 9 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bouwwerken die op twee of meer bestemmingen van toepassing zijn. Ondergrondse bouw Het bouwen onder het maaiveld is alleen toegestaan als B&W daar een binnenplanse afwijking voor verleent.
Het onderhavige plantype verbindt daar de regel aan dat qua diepte de ondergrondse bouw beperkt moet blijven tot ten hoogste één bouwlaag en dat het geen significante negatieve effecten op de grondwaterstromen mag hebben. Onder 'ondergronds bouwen' wordt verstaan het realiseren van een kelder of iets soortgelijks. Het leggen van kabels of leidingen, funderingen en het aanbrengen van heipalen in de grond wordt hier niet onder begrepen. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe op eigen terrein gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. Hiervoor wordt verwezen naar de in mei 2016 vastgestelde Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Artikel 13 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt.