B1-bestemmingsplan-rotterdamhaven-2021-toelichting-(gewijzigde-versie)
Tekst van het document
Figuur 4.1: 3D beelden toekomstige situatie (bron: EWP Ingenieurs, maart 2022)
26
Figuur 4.2: 3D beelden toekomstige situatie (bron: EWP Ingenieurs, maart 2022)
Figuur 4.3: 3D beelden toekomstige situatie (bron: EWP Ingenieurs, maart 2022)
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
Figuur 4.4: 3D beelden toekomstige situatie (bron: EWP Ingenieurs, maart 2022)
28
Hoofdstuk 5 5.1
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
Archeologie
5.1.1 Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. Ter plaatse van een lage archeologische verwachtingswaarde is er geen noodzaak om een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren voordat nieuwe bouwactiviteiten plaatsvinden. Ter plaatse van een hoge en middelhoge verwachtingswaarde dient bij grondwerkzaamheden eerst een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau. 5.1.2 Analyse De archeologische verwachtingskaart laat zien dat voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt. Er zijn geen voorwaarden t.a.v. bodemingrepen geformuleerd. In het huidige bestemmingsplan is dan ook geen dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. 5.1.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan spelen archeologische waarden niet.
5.2
Bezonning
Ten behoeve van het (bouw)plan van het appartementengebouw is een bezonningsstudie verricht (Bijlage 1 Bezonningsonderzoek). Op grond van deze studie kan geconcludeerd worden dat door de ligging van het gebouw en de draaiing van de zon de hinder als gevolg van de optopping van de bestaande bebouwing minimaal is. In de bezonningsstudie is gekeken naar een eventuele beperking van zonuren in de maanden maart, juni en september.
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
5.2.1 Conclusie Als gevolg van de beoogde nieuwbouw ondervinden omliggende gebouwen geen onevenredige licht- of schaduwhinder. Aanvullende maatregelen zijn dan ook niet nodig.
5.3
Bodemkwaliteit
5.3.1 Beleidskader Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat in de toelichting van een plantype onder meer moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Een onderzoek naar de bodemgesteldheid maakt hiervan deel uit. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. In de bestaande stad is dit niet in alle gevallen mogelijk in verband met de aanwezigheid van eventuele historische verontreinigingen. Teneinde maatschappelijke en/of ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren als gevolg van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, is het mogelijk om onder voorwaarden bestemmingen op een verontreinigde bodem te realiseren. Een en ander is ook verwoord in het in 2009 door burgemeester en wethouders vastgestelde bodembeleidsplan van de gemeente Purmerend en het hieraan gekoppelde bodembeheerplan en de in 2014 vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Met deze instrumenten wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke taak met betrekking tot actief bodembeheer. In 2002 heeft de gemeente de actie tankslag afgerond, waarbij burgers, bedrijven en instellingen in de gelegenheid zijn gesteld om een op hun perceel aanwezige tank te melden (wettelijke verplichting) en vervolgens te saneren. Het valt echter niet uit te sluiten dat zich in het plangebied nog één of meerdere tanks bevinden die niet zijn aangemeld.
Hierop is het Activiteitenbesluit van toepassing. Nieuwe gevallen worden per geval beoordeeld en zo nodig wordt handhaving ingezet teneinde de ondergrondse tank en eventuele bodemverontreiniging te saneren. Ook is binnen de gemeente een bodeminformatiesysteem aanwezig. In dit systeem is de bij de gemeente bekende bodeminformatie geregistreerd. Dit systeem wordt ook in het kader van de bodemtoets bij bouwaanvragen regelmatig geraadpleegd en voortdurend geactualiseerd met nieuwe onderzoeksgegevens of geplande en gerealiseerde bodemsaneringen. Door het vaststellen van het bodembeleid, het bodembeheerplan en de bodemkwaliteitskaart heeft de gemeente invulling gegeven aan haar beleidsvrijheid op het gebied van bodemtaken. Bij procedures voor ruimtelijke plannen worden deze instrumenten ingezet, waardoor er in de praktijk steeds minder vaak bodemonderzoek en bodemsanering hoeft te worden uitgevoerd. De mogelijkheid om op (eventueel verontreinigde) grond te kunnen bouwen dient per geval te worden beoordeeld. De Wet bodembescherming biedt de kaders waarbinnen gehandeld dient te worden. Afhankelijk van de verontreinigingssituatie, is de gemeente dan wel de provincie het bevoegd gezag bij een eventuele sanering. In het geval dat de gemeente het bevoegd gezag is, kan het bouwen op verontreinigde bodem geregeld worden in de omgevingsvergunning. Dit is in alle gevallen maatwerk.
Indien de bevoegdheid ligt bij de provincie, dan dient bij de provincie een BUS-melding te worden ingediend. Wanneer binnen 4 weken geen reactie van de provincie wordt ontvangen, is het toegestaan om te saneren conform de BUS-melding. Deze procedure is in de plaats gekomen van de voormalige goedkeuring van de provincie. De BUS-melding wordt gepubliceerd in een huis-aan-huisblad. Indien noodzakelijk worden aanvullend saneringsvoorschriften in de omgevingsvergunning opgenomen. De beschikking is hiervoor leidend. 30
5.3.2 Analyse Door Tauw is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van 23 april 2021 is bijgevoegd als bijlage bij het bestemmingsplan en de resultaten worden hieronder samenvattend beschreven (Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek). Op basis van het vooronderzoek is, behoudens het voorkomen van lichte verontreinigingen, de locatie onverdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. In de grond zijn geen asbestverdachte bijmengingen of overige verdachte bijmengingen waargenomen. In de grond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De grond voldoet na indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit aan de klasse Altijd Toepasbaar. In de bovengrond en kleiige ondergrond is PFAS licht verhoogd gemeten waarbij de toetsingswaarden voor Landbouw / natuur niet worden overschreden. 5.3.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.4
Cultuurhistorische waarden
5.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken.
Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen. Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld, onderstaand figuur betreft een uitsnede van deze kaart. Figuur 5.0: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Purtmerend (plangebied globaal omkaderd).
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van actuele cultuurhistorische waarden. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de in / rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
32
5.5
Externe veiligheid
5.5.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. Plaatsgebonden risico (PR) De kans per jaar dat een persoon komt te overlijden door een ongeval met (het transport van) gevaarlijke stoffen, indien deze persoon zich permanent (vierentwintig uur per dag, gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Groepsrisico (GR) De cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het PR is het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. In het besluit is een norm opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Deze norm is een grenswaarde voor kwetsbare objecten en moet daarom door het bevoegde gezag in acht worden genomen (mag niet van worden afgeweken). Het plaatsgebonden risico wordt beheerst door de inherente veiligheid (veiligheidsmaatregelen die aan risicobronnen zijn opgelegd zonder tussenkomst van externe veiligheid) waarmee risicobronnen zijn omgeven. De kans op een ongeval is daardoor zowel volgens de risicoanalyseberekeningen als blijkens de statistiek buitengewoon klein. Het plaatsgebonden risico is daarom een norm waaraan moet worden voldaan. De mogelijkheid van een ramp is een beleidsrelevante afweging voor de inrichting van de ruimte. Omdat de kans op een ongeval buitengewoon klein is, is de zeer kleine kans op een ramp daarmee per definitie een gegeven. Het groepsrisico is om die reden een oriëntatiewaarde, ten aanzien waarvan een afweging moet worden gemaakt. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico heeft in beginsel geen wettelijk basis en het wettelijk gezag kan alleen op grond hiervan niet haar oordeel baseren.
In de praktijk heeft de oriëntatiewaarde wel juridische relevantie en fungeert als markeringspunt, niet als wettelijke waarde met rechtsgevolgen (het al dan niet doorgaan van een plan). In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) staat wanneer het groepsrisico moet worden verantwoord. In de artikelen 12 en 13 van het Bevi is de verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag ten aanzien van de acceptatie van het groepsrisico wettelijk geregeld. Artikel 12 regelt de verantwoordingsplicht bij omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en artikel 13 bij de vaststelling van besluiten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. In artikel 13 lid 1 onder a tot en met i staat aangegeven welke onderwerpen in de verantwoordingsplicht aan de orde moeten komen. Risicocommunicatie met inwoners Doordat de gemeente 'dichterbij' inwoners staat dan de Veiligheidsregio, communiceert de gemeente Purmerend ook over risico's en gevaren in de (directe) woon- en leefomgeving:
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
op de gemeentesite wordt verwezen naar de websites www.risicokaart.nl en https://www.veiligheidsregiozaanstreekwaterland.nl/wat-te-doen-bij.html. Hier kunnen inwoners informatie vinden over gevaarlijke stoffen en inrichtingen, en wat men kan doen ingeval van een calamiteit; regelmatig wordt er een bericht gepost over veiligheid/risico's op de socialmedia-kanalen (Facebook/Twitter), met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites; ook wordt aandacht besteed aan het onderwerp in Purmerend Totaal, met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites. Zo werken de gemeente en de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland samen aan risicocommunicatie en weten inwoners sneller wat zij kunnen doen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een ramp of crisis. 5.5.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. In onderstaand figuur is de ligging van het plangebied aangegeven met de dichtsbijzijnde risicovolle activiteiten zoals aangegeven op de risicokaart. Figuur 5.1: ligging plangebied op risicokaart
Risicovolle inrichtingen binnen het plangebied Binnen het plangebied worden woningen en kantoorruimten gerealiseerd. Binnen het plangebied kunnen geen Bevi-inrichtingen worden gevestigd. Risicovolle activiteiten in de omgeving De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting (Bevi-inrichting) is gelegen op 435 meter afstand van het plangebied (LPG-tankstation Tamoil Weidevenne). Het LPG-tankstation is een Bevi-inrichting waarvoor een invloedsgebied geldt van 150 meter rondom het LPG vulpunt en het LPG reservoir. Verder geldt op grond van de circulaire effectafstanden LPG tankstations een effectafstand van 34
160 meter rondom het LPG vulpunt. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van het LPG tankstations en buiten de effectafstand van 160 meter rondom het LPG vulpunt waardoor een verantwoording van het groepsrisico op grond van het Bevi niet is vereist. Daar waar sprake is van de opslag van consumentenvuurwerk geldt tevens dat geen sprake is van een invloedsgebied die tot binnen het plangebied reikt. De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor buisleidingen voor het transport voor gevaarlijke stoffen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van het besluit externe veiligheid buisleidingen en de regeling externe veiligheid buisleidingen gelden normen ten aanzien van belemmeringenstroken, het plaatsgebonden risico en (de verantwoording van) het groepsrisico. Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van buisleidingen. Het plangebied bevindt zich op: • ca. 520 meter afstand van buisleiding W-521-23 van Gasunie (werkdruk van 40 bar en een diameter van 13 inch). De buisleiding heeft een 1% letaliteitscontour van 140 meter. • ca.
520 meter afstand van buisleiding W-521-01 van Gasunie (werkdruk van 40 bar en een diameter van 9 inch). De buisleiding heeft een 1% letaliteitscontour van 95 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de bovengenoemde buisleidingen. De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Voor transportroutes voor gevaarlijke stoffen over (spoor)wegen en vaarwegen is het wettelijk toetsingskader voor externe veiligheid bij ruimtelijke besluiten opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Conform het Bevt moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze route plaatsvindt. De Rijksweg A7 is gelegen op minder dan 200 meter afstand van het plangebied. Hierdoor is nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk. Dit nader onderzoek is uitgevoer door Prevent. De notitie van 18 mei 2021 is bijgevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan (bijlage 3). In de notitie van Prevent is getoetst aan de vuistregels van het groepsrisico. Vervolgens is het groepsrisico berekend. Uit de brekening blijkt dat er geen sprake is van een significante toename van het groepsrisico (minder dan 10% toename) en dat het groepsrisico ruimschoots onder de oriëntatiewaarde blijft.
Wel is in de notitie, vanwege art. 7 van het Bevt, ingegaan op: 1. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de Rijksweg A7, en; 2. voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. Rioolpersleiding Ter plaatse van het plangebied is een rioolpersleiding aanwezig. In de anterieure overenkomst is gewaarborgd dat deze persleiding uiterlijk één maand nadat voorliggend bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, wordt verlegd door de gemeente. De persleiding vormt hierdoor verder geen belemmering. 5.5.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan .
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
5.6
Geluid
5.6.1
Wegverkeerslawaai
5.6.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.
Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.
Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.6.1.2 Analyse Ten behoeve van het plan is door Het GeluidBuro een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting op de gevels van het nieuw te bouwen gebouw (Bijlage 4 Akoestisch onderzoek). Het plangebied is gelegen binnen de geluidszones van de ten noorden gelegen Wolgalaan en van de westelijk gelegen Rijksweg A7.
De geluidbelasting op alle gevels behalve de zuidgevel van de nieuw te bouwen appartementen ligt voor de Wolgalaan boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst optredende 36
geluidbelasting bedraagt 58 dB inclusief de aftrek op de noordgevel. Voor de Rijksweg A7 ligt de geluidbelasting op de gevel voor alle waarneempunten boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarnaast ligt de geluidbelasting op de gevel ook voor een groot aantal waarneempunten boven de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De hoogst optredende geluidbelasting bedraagt 63 dB inclusief de aftrek op de naar de rijksweg toegewende westgevel. Een aanzienlijk deel van de appartementen moeten worden voorzien van dove gevels, omdat de geluidbelasting op de gevel vanwege de A7 boven de maximale ontheffingswaarde ligt. Door de verblijfsgebieden te laten grenzen aan de dicht te zetten loggia’s is het toch mogelijk om de verblijfsruimten te kunnen spuien. Ook ontstaan er door de dicht te zetten loggia’s geluidluwe gevels bij de appartementen, waardoor de akoestische kwaliteit van de appartementen verbeterd wordt. 5.6.1.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor diverse appartementen de maximale onthefingswaarde wordt overschreden. Hierdoor worden dove gevels gerealiseerd. Tevens blijkt dat hogere grenswaarden in het kader van de Wet geluidhinder nodig zijn. Ten behoeve van het plan zal een besluit Hogere waarden geluid worden vastgesteld. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan. 5.6.2
Spoorweglawaai
5.6.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.6.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.6.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.
5.7
Luchtkwaliteit
5.7.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening.
Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.
In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3 ). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. 38
5.7.2 Analyse De nsl-monitor is geraadpleegd om de achtergrondconcentraties ter plaatse van de projectlocatie te bepalen. De totale achtergrondconcentraties in 2020 ter plaatse van de projectlocatie van stikstofdioxide NO2 bedraagt 21,31 µg/m3, van fijnstof PM10 17,76 µg/m3 en van fijnstof PM2,5 10,24 µg/m3. De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM10 is 40 µg/m3 en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m3 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Tevens kan geconcludeerd worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt, op grond van bovenstaande concrete voorbeelden. 5.7.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.8
Milieuzonering
5.8.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. 2. 3. 4.
Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?
Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. Om de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Deze Staat is overgenomen uit de eerdergenoemde VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Het plangebied ligt aan een hoofdinfrastructuur ( A7) en in de directe omgeving zijn onder andere kantoren, woningen en bedrijvigheid gelegen. Om overlast voor woningen als gevolg van de nabijheid van horeca te beperken, wordt in het bestemmingsplan "Weidevenne 2012" een horecazonering gehanteerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Staat van Horeca-activiteiten. Aanwezige horecagelegenheden worden volgens deze staat ingeschaald.
In Weidevenne zijn in principe alleen horecagelegenheden toegestaan in het winkelcentrum en in het recreatiegebied Purmerland. De toegestane horecagelegenheden hebben beperkte openingstijden ('s nachts gesloten) en een beperkte verkeersaantrekkende werking. Hierdoor is de invloed op de directe omgeving te verwaarlozen.
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
5.8.2 Analyse In gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voor een dergelijk gebied wordt een specifieke Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging gehanteerd. Daarin zijn categorieën opgenomen die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Richtafstanden zijn niet van toepassing. Categorie A bedrijven zijn toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B bedrijven zijn toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C bedrijven zijn toelaatbaar indien zij beschikken over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Bedrijven in categorie C zijn toelaatbaar indien: het gaat om kleinschalige, voornamelijk ambachtelijke bedrijvigheid; de productie- en/ of laad- en loswerkzaamheden plaatsvinden in de dag- en avondperiode; en de activiteiten inclusief opslag hoofdzakelijk inpandig gescheiden. Kantoren behoren tot categorie A zoals hierboven beschreven. De kantoorruimten op de begane grond zijn bouwkundig afgescheiden van de woningen en zijn derhalve inpasbaar. In de nabijheid van de projectlocatie zijn daarnaast geen bedrijven gevestigd die als gevolg van de realisatie van de woningen, kunnen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. 5.8.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.
5.9
Natuurwaarden
5.9.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.
De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming 40
in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden.
De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden.
De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Provinciale Ecologische Hoofdstructuur De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS) en de ecologische verbindingszones significant kunnen aantasten. In Purmerend vallen alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, onder de PEHS. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een ecologische verbindingszone. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.9.2 Analyse Soorten bescherming Ten behoeve van het plan is middels de FloraFaunaCheck onderzoek gedaan naar flora en fauna. De resultaten van deze check zijn bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting (Bijlage 5 Flora en fauna check). Resultaat is dat er geen beschermde soorten in het plangebied te verwachten of aanwezig zijn. Het te realiseren gebouw wordt in de noord- en oostgevel voorzien van meerdere kasten voor vogels en vleermuizen. Gebiedsbescherming Op circa 800 meter van het plangebied is het meest nabij gelegen NNN-gebied gelegen. Op circa 3,0 kilometer is het Natura 2000-gebied 'Wormer- en Jisperveld & Kalver polder' gelegen en op circa 3,3 kilometer ligt 'Polder Zeevang'. Figuur 5.2: ligging projectgebied ten opzichte van NNN en Natura 2000-gebieden
Met inachtneming van uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1603 van Raad van State d.d. 29 mei 2019, is het Programma Aanpak Stikstofdepositie (PAS) onverbindend verklaard. In het verlengde hiervan heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 16 september 2019 een herziene rekentool 'Aerius Calculator' beschikbaar gesteld. In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook vegetaties of Natura 2000- gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen 'stikstofgevoelige habitattypen' (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. Ten behoeve van het plan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase (Bijlage 6 Stikstofdepositieberekening). Op basis hiervan kan geconcludeerd dat er geen rekenresultaten optreden hoger dan 0,00 mol/ha/jr. 42
Het rekeninstrument AERIUS Calculator en AERIUS Monitor zijn op 26 januari geactualiseerd naar versie 2022. In verband met deze update heeft een herberekening van de stikstofdepositie plaatsgevonden voor de aanleg- en gebruiksfase (Bijlage 7 Herberekening stikstofdepositie). Ook op basis van deze herberekening kan geconcludeerd dat er geen rekenresultaten optreden hoger dan 0,00 mol/ha/jr. 5.9.3 Conclusie Het project heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura 2000-gebieden. Voor onderhavige bestemmingsplan hoeft verder geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed op flora en fauna.
5.10 Verkeer en parkeren 5.10.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en een parkeerbehoefte. De ontwikkeling mag het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Daarnaast dient het plan een parkeeroplossing te bieden. Verkeersgeneratie Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren” (dit betreffen kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan is bepalend 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. In de huidige (planologische) situatie zijn op kavel 8 kantoren mogelijk met een maximum bruto bedrijfsvloeroppervlakte van 840 m². Voor 840 m² kantoor (zonder baliefunctie) geldt een minimale verkeersgeneratie van 40 en een maximale verkeersgeneratie van 55. Voor de toekomstige functie (kantoor zonder baliefunctie van 285 m² en 19 appartementen) geldt een minimale verkeersgeneratie van 109 en een maximale verkeersgeneratie van 136.
De verkeersgeneratie neemt dus toe in de toekomstige situatie. De verwachting is dat deze toename goed opgevangen kan worden op de bestaande wegenstructuur. Ontsluiting De ontsluiting verloopt via de Wolgalaan. Middels de Oude Provincialeweg is de A7 bereikbaar. Op circa 150 meter loopafstand is de bushalte 'Vuurtorengracht, Purmerend' gelegen. De projectlocatie is derhalve goed bereikbaar. Parkeren De parkeerbehoefte van het onderhavige plan is berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016 (vastgesteld op 26 mei 2016). 5.10.2 Analyse Met de totstandkoming van bestemmingsplan "Weidevenne 2012" is voor kavel 7 en 8 gezamenlijk rekening gehouden met een parkeerbehoefte van 26,2. Hierbij is uitgegaan van een 840 m2 bvo kantoor (zonder baliefunctie) voor kavel 8. Ten aanzien van kavel 7 is een maximum bruto bedrijfsvloeroppervlakte van 750 m² opgenomen.
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
Bestemmingsplan 2012 functie
kavel 8 kavel 7 Totaal
840 m2 bvo kantoor zonder baliefunctie 750 m2 bvo kantoor zonder baliefunctie 1590 m2 bvo kantoor zonder baliefunctie
parkeernorm 'rest bebouwde kom' 1,65 per 100m2bvo
oorspronkelijke parkeervraag
1,65 per 100m2bvo 1,65 per 100m2bvo
26,2
De functie an kavel 8 verandert en voorziet in de toekomstige situatie in kantoor zonder baliefunctie van 285 m2 en 18 gestapelde woningen met een oppervlakte tussen de 65-120 m2 (tussen de 67 en 114 m2) en één gestapelde woning 40-65 m2 (63,5 m2) en is gelegen binnen het gebied 'rest bebouwde kom' zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen.
Door het gewijzigde programma van kavel 8 neemt de gezamenlijke parkeerbehoefte van kavel 7 en 8 toe. Gebruikelijk bij de berekening van de parkeerbehoefte is dat uitgegaan wordt van dubbel gebruik van parkeerplaatsen. Onder dubbel of meervoudig gebruik wordt verstaan dat meerdere functies op verschillende momenten gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen. Bij woningen is de behoefte aan parkeercapaciteit bijvoorbeeld 's avonds en 's nachts het grootst; bij een kantoor zal die behoefte vooral overdag zijn. Deze functies kunnen dus gebruik maken van dezelfde parkeerplaatsen. Conform de Nota Parkeernormen worden de CROW aanwezigheidspercentages toegepast bij de berekening van dubbel gebruik.
Huidig plan functie
kavel 8
kavel 7 Totale parkeervraag inclusief dubbelgebruik
285 m2 kantoor zonder baliefunctie 18 gestapelde woningen 65-120 1 gestapelde woning 40-65 750 m2 bvo kantoor zonder baliefunctie
parkeernorm 'rest bebouwde kom' 1,65 per 100m2bvo
normatief
1,7 per woning
30,6
1,5 per woning
1,5
1,65 per 100m2bvo
12.3
dubbel gebruik
4.7
31,4
Uitgaande van dubbel gebruik is de parkeervraag het hoogst op werkdagmiddag met 31,4 parkeerplekken (zie figuur 1) en vormt dan ook de nieuwe parkeereis. De parkeerbehoefte is ten opzichte van het oorspronkelijke plan hierdoor toegenomen met afgerond 6 parkeerplaatsen. Dit aantal parkeerplaatsen zal dan ook aangelegd worden in het plangebied.
44
Berekening dubbelgebruik. 5.10.3 Conclusie Ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden neemt de verkeersgeneratie toe. De verwachting is echter dat deze toename goed opgevangen kan worden binnen de bestaande wegenstructuur. Voor wat betreft de parkeerbehoefte geldt dat deze toeneemt met 6 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden in het plangebied aangelegd.
5.11 Water 5.11.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. aarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.11.2 Analyse Voor het plan is in het kader van de watertoets advies aangevraagd aan het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Het advies is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan (Bijlage 8 Watertoets Rotterdamhaven kavel 8). Ten westen van het plangebied is een watergang gelegen met bijbehorende beschermingszone. Deze watergang staat via een duiker in verbinding met de watergang aan de overzijde van de Wolgalaan/ Point Neuf. Binnen de beschermingszone van de watergang vinden geen werkzaamheden plaats noch worden er wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem aangebracht.
In verband met de waterkwaliteit wordt bij de bouwwerkzaamheden van het pand geen uitloogbare materialen toegepast die in contact kunnen komen met het hemelwater. Het aantal m² verharding neemt als gevolg van het plan toe met 421 m2. Aangezien dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld 46
van de riolering. 5.11.3 Conclusie Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.12 Milieu-effectrapportage 5.12.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.
Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. 5.12.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.
D.11.2
Activiteiten Gevallen De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van heeft op: een stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of ontwikkelingsprojec meer, t, met inbegrip van 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of de bouw van meer woningen omvat, of winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van parkeerterreinen. 200.000 m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan
Dit betekent dat het verplicht is een vormvrije mer-beoordelingsplicht uit te voeren. De inhoudelijke vereisten voor deze beoordeling staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn mer. Hierin staat dat de voorgenomen activiteiten aan de volgende drie aspecten moeten worden getoetst: 1. kenmerken van het project;
Bestemmingsplan "Rotterdamhaven 2021" (vastgesteld)
2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie (Bijlage 9 Vormvrije mer) opgesteld waarin deze aspecten aan de orde komen. Uitkomst van de aanmeldnotitie is dat belangrijke nadelige gevolgen in het kader van het Besluit m.e.r. voor het milieu niet te verwachten zijn (zie tevens de in deze toelichting beschreven milieu-aspecten). Het bevoegd gezag zal hierover een besluit nemen. 5.12.3 Conclusie Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten.
48
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
6.1
Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid
Er zijn geen privaatrechtelijke belemmeringen op het pand gevestigd. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initatiefnemer en gemeente. Middels deze overeenkomst is initatiefnemer eigenaar geworden van de gronden.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten waneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. De kosten van het project worden gedragen door initiatiefnemer. Deze heeft voldoende budget beschikbaar om het project te realiseren. Vanwege de behoefte aan woningen en kantoorruimte is de verwachting dat de ontwikkeling rendabel zal zijn. Voor dit project is een grondexploitatie vastgesteld en er is sprake van gronduitgifte door de gemeente. Daarmee is het kostenverhaal onderdeel van de gevraagde grondprijs en is een anterieure overeenkomst niet nodig.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat aan één belang minder gewicht wordt toegekend dan het andere. 6.3.2 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Het concept ontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 Bro naar het hoogheemraadschap en de Veiligheidsregio opgestuurd, omdat de belangen van de overige instanties niet in het geding zijn. Het hoogheemraadschap heeft gereageerd en aangegeven akkoord te zijn met het planvoorstel. Er is slechts in zeer beperkte mate sprake van een toename van verharding. Omdat dit een klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen getroffen te worden. In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Ook de Veiligheidsregio heeft gereageerd vanwege het aspect externe veiligheid.