CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

B-rapport-groenbeleid-rekenkamer-purmerend

Gemeenteraad 30 maart 2023, gemeente PurmerendBij agendapunt: Aanbevelingen rekenkamer - onderzoek groenbeleid14.090 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

30

H4 Risico’s & kansen In dit hoofdstuk worden op vijf thema’s de risico’s en kansen beschreven voor het groenbeheer. Alle vijf de thema’s hebben een relatie met ontwikkelingen die van belang zijn voor het behalen van de doelen zoals die in het gemeentelijk beleid nu zijn omschreven.

4.1 Voorbereiding alternatieven bij bezuinigingen De Nederlandsche Bank gaf in het Overzicht Financiële Stabiliteit in oktober 2022 een waarschuwing voor een wereldwijde recessie. De combinatie van hoge inflatie, oplopende rentes en onzekerheid over het verloop van de oorlog in Oekraïne zorgen voor ongekende omstandigheden op de financiële markten. Een risico voor gemeenten is dat bij een economische recessie ook de bijdrage uit het gemeentefonds daalt en er een groter beroep gedaan wordt op voorzieningen. Groen is in de praktijk bij veel gemeenten een post waar op bezuinigd wordt als het financieel slecht gaat en in geïnvesteerd wordt zodra het weer goed gaat met de economie. Gemeenten zijn verplicht een robuuste meerjarenbegroting te presenteren en kunnen bij financieel slecht weer op veel uitgaven niet bezuinigen omdat er sprake is van wettelijke taken. Groen valt daar niet onder en loopt dan het risico het onderspit te delven in een begrotingsdiscussie. Hoewel het vanuit het oogpunt van kapitaalvernietiging niet doelmatig is om achterstanden te laten ontstaan in groenbeheer, onderstreept dit wel het belang om kritisch te kijken naar welke alternatieven er zijn op het moment dat er toch bezuinigd moet gaan worden.

4.2 Biodiversiteit en groen In de biodiversiteitsstrategie zoals omschreven in o.a. Groenkoers spelen de groen-blauwe corridors door de stad een belangrijke rol. Ook in andere gemeenten in Nederland is het gebruik van “natte” en “droge” corridors of ecologische verbindingszones door de gemeente heen vaak de basis van het biodiversiteitsbeleid. Verschillende soorten dieren en planten kunnen zich door de corridor heen bewegen, waardoor meer levensvatbare populaties ontstaan. Biodiversiteit omvat niet alleen planten en dieren, maar ook schimmels en bacteriën die met elkaar en met de planten en dieren samenwerken. In Groenkoers is ook de ambitie neergezet om de “droge” linten in de stad verder te ontwikkelen en de stad zo te verbinden met het buitengebied. De “natte” linten zijn in de structuur van de openbare ruimte al redelijk goed uitgewerkt. De “droge” linten kunnen als corridor een bijdrage leveren aan de verbetering van leefomstandigheden voor bijvoorbeeld wilde bijen. Hierbij moet gelet worden op de juiste beplanting van deze linten om de goede omstandigheden te creëren. In Purmerend worden nu zeven verschillende speciale zaadmengsels gebruikt die zijn afgestemd op de bodem. Er is meer dan 200.000 m2 ingezaaid met deze zaden. Tot nu toe heeft dat als resultaat gehad dat een aantal bijzondere planten waargenomen is.

In de kwartaalrapportages is de raad geïnformeerd over de verschillende biodiversiteitsprojecten. Zo wordt er bij ruw gras en bloemweides natuurvriendelijk gemaaid, waarbij 30% blijft staan.

31

In veel gemeenten waar biodiversiteitsbeleid specifieker is uitgewerkt, wordt een analyse gemaakt op welke plekken de grootste natuurwaarde kan worden behaald. In Purmerend is dat – voor zover we weten- nog niet gebeurd, maar uit de gevoerde gesprekken komt naar voren dat hier wel aan wordt gewerkt. Uit de gevoerde gesprekken komt als aandachtspunt naar voren dat in de afgelopen jaren er wel veel aandacht is geweest voor biodiversiteit, maar dat het teveel gericht was op losse projecten en niet op het verbeteren van de structuur. Ook zou het onderhoud van groene linten niet optimaal zijn voor de biodiversiteit wanneer er veel planten worden toegepast die wel sierwaarde hebben, maar niet inheems zijn en weinig ecologische waarde hebben. In de voormalige gemeente Beemster gaat de gemeente over het groen binnen de bebouwde kom. Het buitengebied van de gemeente Beemster wordt nu onderhouden door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, voor zover het geen landbouwgrond betreft. In dit onderzoek zijn verschillende deskundigen gesproken over het (ecologisch) beheer. Ook het HHNK heeft ecologisch beleid en heeft zich daarbij gericht op het investeren in ecologische verbindingszones in kansrijke gebieden. Geen van die gebieden ligt in de Beemster. Er is wel een ontwikkeling geweest van het klepelen naar natuurvriendelijk maaien en het maaisel daarna weg te halen.

Hierdoor wordt de bodem minder rijk aan voedingsstoffen en daarmee aantrekkelijker voor meer verschillende soorten grassen en kruiden. HHNK heeft wel een aantal ecologische investeringen gedaan aan de zuidkant van Purmerend (o.a. de Purmerringdijk richting Ilpendam). De investering bestaat vaak uit het inzaaien van bloemvakken van ongeveer 100 meter lang met specifieke kruidenmengsels en lijkt succesvol in termen van toegenomen soortenrijkdom. Het grondgebied van de Beemster wordt voor een groot deel gebruikt voor landbouw (o.a. akkerbouw, fruitteelt) en veeteelt. In die gebieden is de focus op voedselproductie en niet op het verkrijgen van soortenrijkdom. Aan de akkerranden wordt regelmatig wel een strook ingezaaid met kruiden- en bloemenmengsels. De deskundigen die de rekenkamer hierover heeft gesproken zijn wel wat kritisch hierop, omdat het vaak gaat om geïsoleerde stroken met een te rijke voedingsbodem, waar vaak ook de verkeerde kruidenmengsels gebruikt worden. Het resultaat kan er attractief uitzien, maar heeft een beperkte waarde voor versterking van de biodiversiteit. Qua biodiversiteit zou het dan zelfs beter kunnen zijn om niet te maaien en de zaden die in de grond zitten hun werk te laten doen. De vaste leveranciers van (sier) planten en bloembollen leveren nog vaak weinig vanuit biologische teelt (op basis van biologische keurmerken). Volgens o.a.

de Universiteit Wageningen is vooral de teelt van bloembollen erg afhankelijk van gewasbeschermingsmiddelen en niet toekomstbestendig (zie link). Er bestaan wel kleinere leveranciers voor biologische bloem(boll)en, maar de inkoopprijs hiervan is hoger en de beschikbaarheid onzekerder. De markt is nog erg gericht op lage prijs en hoge productie. Overigens speelt hierbij ook de discussie van het landgebruik: biologische teelt heeft meer oppervlakte aan grond nodig, omdat de opbrengsten lager zijn. Dit kan ook weer ten koste gaan van biodiversiteit op een andere plek.

32

4.3 Groen in een verdichtende stad In het handboek natuurinclusief bouwen en in het uitvoeringsplan klimaatadaptatie wordt beschreven hoe een verdichtende stad tegelijk ook groen kan zijn en ruimte kan bieden voor verschillende soorten dieren. Door een aantal opties in kaart te brengen en hier punten aan toe te kennen kan voor ontwerpers inzichtelijk worden gemaakt hoe dit in de praktijk kan worden gebracht. In de praktijk worden veel opties die in theorie aantrekkelijk zijn niet vaak toegepast. Een daktuin (of intensief groendak), waarbij het dak wordt voorzien van een laag grond op een goed doorlatend materiaal schrikt ontwerpers vaak af. Angst voor lekkages of ingewikkeld onderhoud, plus de wens om snel en zonder risicovolle extra’s een bouwproject af te ronden staan dit type oplossingen in de weg. Een sedumdak, waarbij een dunne vegetatielaag op een dak wordt gelegd, is populairder en is eenvoudiger aan te brengen. De ecologische waarde is beperkt, maar deze oplossing werkt wel verkoelend in de zomer en isolerend in de winter. Ook wordt dit vaak visueel aantrekkelijk gevonden. Een deel van de opties die de stad aantrekkelijker kunnen maken voor flora en fauna zijn prijzig of lastig uitvoerbaar. Een muurtuin, zoals bij de Purmaryn, wordt als aantrekkelijk ervaren, maar is kostbaar in onderhoud en aanleg. Andere opties zijn vaak eenvoudiger en goedkoper.

Een tegel lichten voor een geveltuin en daarin een klimplant plaatsen bijvoorbeeld een alternatief. Ook daarmee kan een muur na verloop van tijd groen worden. Sinds 2015 is stichting Steenbreek bij verschillende gemeenten aan de weg aan het timmeren om bewoners te motiveren hun versteende tuin te vervangen door planten. Ook Purmerend heeft zich hierbij aangesloten en roept bewoners op om verharding te vervangen door groen. In Nederland hebben particuliere tuinen een totale oppervlakte van de helft van het IJsselmeer (560 km2, bron: WUR). Naar schatting 40% van deze tuinen is versteend (bron, CBS). Wanneer meer mensen natuur in hun tuin de ruimte geven, kan dit een groot effect hebben op de versterking van biodiversiteit, is de claim van o.a. stichting Steenbreek. Hoewel er oplossingen zijn om in een verdichtende stad groen meer ruimte te geven, blijft het ingewikkelder dan op plekken waar meer ruimte is. Het planten van bomen in een stedelijke omgeving kan, maar vereist vaak dure oplossingen om de boom op de lange termijn voldoende vrije wortelruimte te geven. Denk aan grote ondergrondse constructies om de wortel te beschermen tegen de omliggende verharding. Deze oplossingen worden in de binnenstad van Purmerend met succes toegepast, maar hebben een prijskaartje.

Verdichting is ook een bedreiging voor de bestaande cultuurhistorische waarden van het (stedelijke) landschap, zoals in parken. Als oplossing voor een ruimtelijk probleem kan het verleidelijk zijn om een hap uit een park te nemen. Groen dat eenmaal weg is, zal niet snel meer terugkomen. En de cultuurhistorische waarde van de landschapslijnen uit een park kunnen niet op een andere plek gecompenseerd worden. Hier is niet altijd een goede oplossing voor, het is wel van belang het besluitvormingsproces zo in te richten dat deze waarden bewust worden meegenomen. Het Parkenplan heeft als doel om deze bedreigingen te identificeren en hier goede tegenmaatregelen voor te ontwerpen.

33

4.4 Sociale kant groenbeheer De oppervlaktes aan groen die in Purmerend beheerd moeten worden zijn groot, hiervoor is dan ook veel capaciteit nodig aan menskracht. Voor een groot deel van het werk dat moet gebeuren is niet veel opleiding vereist. Dit biedt kansen voor mensen die cognitief minder goed functioneren, maar wel bereid zijn hard te werken en veel buiten te zijn. In de meeste Nederlandse gemeenten wordt voor de uitvoering van het groenbeheer ook gebruik gemaakt van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zoals mensen die vanuit een uitkeringssituatie op zoek willen naar werk of statushouders. Hierbij heeft Werkom als leerwerkbedrijf een belangrijke rol. Ten opzichte van de vroegere situatie met Baanstede is de verandering dat het bedrijf meer gericht is op tijdelijke trajecten, gericht op participatie en niet op het bieden van een lange termijn beschermde werkomgeving. De consequentie hiervan is dat ander type capaciteiten en competenties beschikbaar zijn en de inzet in de groenvoorziening daarom ook daarop aangepast wordt. In Purmerend wordt ook gebruik gemaakt van de inzet van vrijwilligers, maar dit is beperkt tot de buurtadoptieprojecten, het onderhoud van de oude begraafplaats en concrete projecten in de groengebieden zoals bij Baanstee-Noord.

Verkeerde uitvoering van groenbeleid kan leiden tot kapitaalvernietiging, bijvoorbeeld wanneer de verkeerde planten worden weggeschoffeld of wanneer heesters op een verkeerde manier worden gesnoeid. Het is een uitdaging om mensen te vinden met voldoende vakkennis om de teams aan te sturen die iedere dag op pad gaan om het Purmerendse groen goed te onderhouden. Hoewel het vanuit een maatschappelijk oogpunt mooi is dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een baan kunnen krijgen, is het wel een uitdaging om de minimale benodigde vakkennis op niveau te krijgen. Hier wordt op verschillende manieren aandacht aan gegeven. Een aantal medewerkers volgt een meerjarige opleiding extern. Tevens worden brainstormsessies gehouden, workshops en interne trainingen gericht op het vakgebied. Bij een aantal grote projecten in de Stad, o.a. daktuin op parkeergarage stadhuis worden de medewerkers vanaf dag 1 meegenomen in het proces en bij oplevering lopen er minimaal 1 of 2 medewerkers met de aannemer mee. Dit is ook opgenomen in het bestek. Voor zover bekend worden in Purmerend geen statushouders ingezet voor het beheer en onderhoud, waar dit in sommige andere gemeenten bewust beleid is. Wel worden 6 medewerkers uit Oekraïne ingezet..

4.5 Doelmatigheid en doeltreffendheid In de afgelopen jaren is op verschillende manieren gewerkt aan doelmatige inzet van middelen om de gestelde doelen van het groenbeleid te bereiken binnen het beschikbare budget. De taak van de rekenkamer is het beoordelen van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, met andere woorden: is het beschikbare budget verstandig uitgegeven. Voor een aantal verschillende vormen van groen is een poging gedaan om de doelmatigheid in kaart te brengen. Onderstaand overzicht is gebaseerd op informatie uit de desk research en interviews. Onderstaand overzicht is gebaseerd op inschattingen. De kosten en effecten hangen af van de toepassing ter plekke:

34

Maatregel / techniek

1. Bloemrijke bermen i.p.v. gras 2. Bomen in verharding 3. Inkoop biologische planten / bloembollen 4. Sierplanten op beeldbepalende plekken 5. Groen sedumdak 6. Daktuin 7. Muurtuinen 8. Geveltuinen

Kosten (meer € = duurdere maatregel) €

Effect biodiversiteit

Effect waterberging

Effect uitstraling

Energiebesparing

+++

0

+ tot +++

+

€€€

+

+

++

+

€€€

+++

0

+

0

€

0

0

++

0

€

+/-

+

++

+

€€ ++ ++ ++ €€€ + + ++ € +/+ ++ Figuur 11: overzicht maatregelen en doelmatigheid

+ +/0

Toelichting: 1. Bloemrijke bermen in plaats van gras Bloemrijke bermen lijkt een heel doelmatige investering te zijn: het bewerken en inzaaien van de grond kost geld, maar doordat er minder gemaaid hoeft te worden, vindt er ook besparing plaats. Bloemrijke bermen zijn in principe ingezaaid met specifieke, inheemse zadenmengsels die geoptimaliseerd zijn op versterking biodiversiteit en niet op attractiviteit. De uitstraling kan dus als minder mooi ervaren worden dan bij sommige exotische planten. De kosten kunnen lager zijn dan bij regulier gazon. Daarbij moet aangetekend worden dat er weliswaar minder gemaaid hoeft te worden (2x per jaar i.p.v. 22x per jaar), maar dat er wel zwaardere machines nodig zijn en het inplannen minder flexibel is. De timing van het maaien van bloemrijke bermen nauwer komt dan bij het maaien van gazon. 2. Bomen in verharde omgeving De concurrentie om de ruimte wordt groter, waardoor het lastiger is om bomen goed in te passen. Veel bomen kunnen slecht tegen een harde omgeving. Met innovatieve maatregelen lukt het in Purmerend bomen in het centrum een goede standplaats te geven, maar dit kan kostbaar zijn. De schaduwwerking van deze bomen kan voor de leefbaarheid in de drukkere delen van de stad in de toekomst weer heel waardevol zijn. 3.

Inkoop biologische planten / bollen Op dit moment vindt het grootste deel van de inkoop van planten via de reguliere routes plaats. Vooral voor bloembollen is de productie (volgens onderzoek van de WUR) richting de toekomst niet

35

houdbaar. Er zijn veel bestrijdingsmiddelen nodig om de bloembollen te kunnen produceren. Biologische bloembollen bestaan, maar de productie is kleinschaliger, duurder en minder stabiel. Op dit moment is er bij de inkoop hiervan door de gemeente nog niet voor gekozen. 4. Sierplanten op beeldbepalende plekken Sierplanten, zoals de manden met hanggeraniums in de binnenstad, maar ook de vaste planten op beeldbepalende plekken, zijn vaak exoten en hebben een lage ecologische waarde. In het beleid is ervoor gekozen om op beeldbepalende plekken de voorkeur te geven aan attractiviteit boven ecologische waarde. Bij de deskundigen die voor dit onderzoek zijn gesproken waren ook ideeën om beide meer te combineren. 5. Groen sedumdak De gemeente subsidieert groene daken. Daarin zijn verschillende typen mogelijk. Het sedumdak is het meest eenvoudig, omdat dit weinig eisen stelt aan de constructie en op veel daken mogelijk is. Hoewel de ecologische waarde hiervan laag is, heeft een sedumdak wel een isolerende functie (lagere stookkosten in de winter), wordt het als attractief ervaren en is het in hete zomers verkoelend (en daarmee energiebesparend als daardoor geen airco aan hoeft). 6. Daktuin In een daktuin is een dikkere laag aarde aangebracht (of ander groeimedium) waarop grotere planten kunnen groeien. Hiermee kan een hogere ecologische waarde bereikt worden dan bij een sedumdak.

Door het hogere gewicht is dit niet bij alle daken mogelijk. 7. Muurtuin Met een muurtuin bedoelen we een verticale tuin, ook wel een “green wall” genoemd. In Purmerend heeft de Purmaryn een muurtuin. Nadeel hiervan is dat het veel aandacht vraagt qua bewatering en een relatief hoge investering. 8. Geveltuin In de afgelopen jaren zijn op veel plekken in Purmerend tegels op de grond vervangen door kleine geveltuintjes. Vaak kiezen bewoners voor planten met een hoge sierwaarde (en lage ecologische waarde). Wanneer deze geveltuinen voorzien zijn van klimplanten, kan min of meer hetzelfde effect bereikt worden als een muurtuin, maar dan eenvoudiger.

36

H5 Conclusies In dit hoofdstuk worden de onderzoeksvragen beantwoord. Eerst worden de antwoorden op de deelvragen gegeven en daarna de hoofdvraag van dit onderzoek. Het hoofdstuk conclusies bevat geen nieuwe informatie, maar vat de antwoorden op de onderzoeksvragen samen op basis van de eerder in het rapport beschreven bevindingen. Hoofdvraag: In hoeverre zijn de doelen van het Groenbeleid in Purmerend en Beemster uit 2014 en 2018 gerealiseerd? Deelvragen: 1. Zijn er in de praktijk verschillen in de uitvoering tussen de verschillende gebieden in Purmerend en Beemster? 2.

Op welke manier is het beleid van Beemster geïntegreerd in de uitvoering in Purmerend?

Het beleid in Beemster was historisch anders georganiseerd dan in Purmerend. Qua oppervlakte valt het grootste gedeelte van Beemster onder de verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In de afgelopen jaren is er in het beleid van HHNK meer aandacht gekomen voor biodiversiteit, wat zich o.a. uit in natuurvriendelijk maaien in plaats van klepelen. In de bebouwde kom van Beemster is relatief veel gras / gazon. In het beheer- en onderhoud worden de beeldbepalende locaties op A niveau worden onderhouden, maar de overige locaties op C niveau. Er is in de afgelopen jaren een harmonisatie en kwaliteitsverbetering doorgevoerd in het onderhoud. Dit houdt o.a. in dat het groen meer gestructureerd wordt onderhouden. Het opvallende is dat er in de gemeenteraad van Beemster wel groenbeleid is vastgesteld, maar dit in de praktijk geen grote rol heeft gespeeld in de manier waarop het onderhoud is uitgevoerd. In Purmerend is sinds 2018 een inhaalslag gemaakt, waarbij een aantal grote uitdagingen zijn opgepakt. De belangrijkste zijn de verhoging van het cyclisch onderhoud, zoals het maaien en schoffelen, waardoor het groen op niveau blijft. Bij de aanleg van de nieuwbouwwijken eind 20e eeuw zijn een aantal ongelukkige keuzes gemaakt die niet eenvoudig te herstellen zijn.

Doordat er stapsgewijs meer budget is vrijgekomen voor de verschillende soorten groenbeheer, is er nu wel een goede start gemaakt. Tegelijkertijd zijn er ook verschillende succesvolle projecten en veranderingen geweest, zoals natuurvriendelijk maaien, het inzaaien van bloemrijke bermen, geveltuinen plaatsen en het op een hoger onderhoudsniveau krijgen van het groen. Door de harmonisatie van de uitvoering is de verwachting dat de verschillen tussen Purmerend en Beemster kleiner gaan worden. In de Omnibus enquête is een stijgende lijn te zien in zowel Purmerend als Beemster over de tevredenheid van bewoners over de uitvoering van het groenbeleid. Ook in externe beeldkwaliteitstoetsen (zie bijlage A) is de trend omhoog te zien. 3. Wat waren de grootste uitdagingen bij de uitvoering van het groenbeleid in de afgelopen jaren?

37

Een aantal belangrijke uitdagingen zijn: • • • • • • • •

Achterstanden inlopen in beheer- en vervanging - van bomen en heesters Schaarste aan vakkundige medewerkers door tekorten arbeidsmarkt Grotere concurrentie om de ruimte door nieuwbouwprojecten Stimuleren vergroening van particuliere tuinen en daken Betrekken mensen met afstand tot de arbeidsmarkt Met beperkt geld zo effectief mogelijk groenbeleid uitvoeren Communicatie en bewustwording bewoners over veranderingen in groenbeleid (zoals anders maaien en toepassing “saaiere” inheemse planten) Afstemming andere afdelingen en projecten binnen de gemeente

Waarbij het laatste punt zowel betrekking heeft op het uitdragen van het door de raad vastgestelde beleid (o.a. Frame en Franje), maar ook het vroegtijdig betrekken van de expertise van de deskundigen bij de vergroening bij nieuwbouwprojecten. Na het vaststellen van de Visie Leefbare Stad lijkt goede interne afstemming wel meer vanzelfsprekend geworden. 4.

Welke externe factoren beïnvloeden de kwaliteit van het groen in de openbare ruimte?

In de afgelopen jaren heeft extreem weer zowel een positieve als negatieve invloed gehad op het groenbeheer. Een positief effect is dat bij droogte onkruid minder hard groeit, waardoor beheer eenvoudiger wordt. Het negatieve effect is dat er meer bewatering nodig is. Stormen zorgen voor een hoger risico op schade, maar ook voor extra onderhoud doordat takken opgeruimd moeten worden voor er gemaaid kan worden. Wanneer op de langere termijn duidelijk wordt dat bepaalde weersomstandigheden vaker voorkomen, zoals periodes van hitte en droogte en in andere periodes zwaardere regenval en storm, dan zal dit een negatief effect hebben op de kwaliteit van het groen, als hier geen adequate tegenmaatregelen tegen genomen worden. 5.

Welke lessen zijn er in de afgelopen jaren geleerd in de verbetering van de (beeld)kwaliteit van het groen en het beheer van het groen?

Het beleid zoals uitgezet in Groenkoers (2014) en Groenplan (2018) was in de afgelopen jaren de basis voor de uitvoering. De lessen die zijn geleerd hebben vooral betrekking op de uitdagingen die tegengekomen worden in de uitvoering: • • • •

Het belang van voldoende budget en voldoende continuïteit dat nodig is voor goed beheer. Het belang van goed werkende systemen, zowel qua techniek (machines), qua mensen (voldoende vakkundig personeel) en organisatie (beheersysteem op orde). Gezonde verdeling voor inbesteding en uitbesteding werk. Het belang van vroegtijdig meedoen in processen die later een effect gaan hebben op het groenbeheer, zoals nieuwbouwprojecten.

Beantwoording hoofdvraag: “In hoeverre zijn de doelen van het Groenbeleid in Purmerend en Beemster uit 2014 en 2018 gerealiseerd?”

38

In het door de raad vastgestelde groenbeleid zijn negen doelen vastgelegd. Bij de meeste van deze doelen kan worden geconcludeerd dat deze ook zijn behaald. De tevredenheid van inwoners over het groenbeleid is toegenomen, er is meer aandacht voor ecologie en biodiversiteit en het proces voor de afhandeling van klachten en meldingen wordt steeds verder geprofessionaliseerd. Bij twee doelen is onvoldoende informatie beschikbaar om volledige conclusies te kunnen trekken. In de eerste plaats gaat dit over het doel om de regie op inbesteding / uitbesteding van groen te verbeteren. We zien dat er aandacht is om dit op een goede manier te doen, maar zijn in dit onderzoek ook punten van kritiek cq. verbetering tegengekomen. We kunnen als rekenkamer daarom niet goed beoordelen of dit doel ook is behaald. In de tweede plaats is het doel over het belang van delen van de groenvisie binnen de gemeentelijke organisatie (het verkopen van de boodschap van frame en franje). Er zijn in dit onderzoek verschillende voorbeelden naar voren gekomen waarbij dit niet goed lijkt te zijn gelukt. Door de grote concurrentie om de ruimte kunnen doelen voor groenbeleid het onderspit delven in de afweging die uiteindelijk gemaakt wordt in de besluitvorming. Het groenbeleid van Beemster uit 2018 is inmiddels voor wat betreft de uitvoering geïntegreerd in de werkorganisatie van de nieuwe gemeente Purmerend.

De uitvoering van het groenbeleid buiten de bebouwde kom in Beemster wordt door het hoogheemraadschap uitgevoerd. De belangrijkste verandering daar is de introductie van natuurvriendelijk maaibeleid.

39

40

Bijlage A: memo analyse beeldkwaliteit openbaar groen

41

Memo

Onderwerp : Datum: Van: Aan:

Ontwikkeling beeldkwaliteit openbaar groen periode 2016 t/m 2020 25 oktober 2022 Team Groen & Spelen Eveline Tijmstra & Niek Wijmenga

Inleiding Sinds 2018 investeert de gemeente structureel meer in het openbaar groen in Purmerend1. De investeringen worden onder meer gebruikt voor: • het verhogen van het cyclisch onderhoud; • het omvormen van versleten plantvakken; • verhogen van personele inzet (zowel binnen- als buitendienst); • het opwaarderen van bestaande parken; • het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen (van grijs naar groen); • verhogen van betrokkenheid van inwoners (adoptiegroen en geveltuintjes); • meer aandacht voor ecologie en biodiversiteit, zowel in uitvoerende maatregelen als bewustwording. Begin 2018 is er een overzicht gegeven van de ontwikkeling van de kwaliteit van het openbaar groen aan de hand van beeldkwaliteitsmetingen2. Deze metingen zijn gebaseerd op CROW beeldmeetlatten, een landelijke en veelgebruikte methodiek om de kwaliteit van de openbare ruimte op een laagdrempelige manier te meten. Opvallend aan dit overzicht is het structureel achterblijven van de kwaliteit – minimaal beeldkwaliteitsniveau C – van de grashoogte van gazon en onkruid in beplanting. Vanaf 2019 is daarom de frequentie van het cyclisch onderhoud verhoogd, evenals de bestuurlijke ambitie voor het minimale beeldkwaliteitsniveau (van C naar B). Verantwoording over het gevoerde beleid wordt gegeven via periodieke groenrapportages. In de groenrapportages ligt de nadruk vooral op de geleverde inspanning.

Deze memo beschrijft het behaalde resultaat aan de hand van de beeldkwaliteitsmetingen in de periode 2016 tot en met 2020. Ontwikkeling beeldkwaliteitsniveau openbaar groen 2016-2020 Op basis van de beeldkwaliteitsmetingen per kwartaal, uitgevoerd door de DG Groep, zijn analyses gemaakt om te zien hoeveel procent van de metingen voldoet aan minimaal kwaliteitsniveau B. In de analyses zijn alleen de metingen meegenomen die betrekking hebben op beheeractiviteiten binnen het groenonderhoud. Voorbeelden hiervan zijn: grashoogte, onkruid in beplanting, snoeibeeld hagen en (rand)overgroei van heesters en gras. Beheeractiviteiten die buiten het groenonderhoud vallen maar wel betrekking hebben op groen zijn niet in de analyses meegenomen, bijvoorbeeld de aanwezigheid van zwerfvuil in beplanting of uitwerpselen in boomspiegels. Ook metingen die betrekking hebben op bomen – zoals verwijderen van stam- en wortelopschot – zijn niet meegenomen in de analyses. Tot slot zijn metingen die slechts enkele keren zijn uitgevoerd maar wel binnen het groenonderhoud vallen niet meegenomen. Bijvoorbeeld metingen met betrekking op de kwaliteit van bosplantsoen, bodembedekkers en mate van kale plekken in gras en hagen. Van de 19 meetmomenten (tweede kwartaal 2016 tot en met het vierde kwartaal van 2020) zijn deze metingen slechts 3 keer uitgevoerd.

1 Zie onder meer: raadsbesluit kwaliteitsimpuls openbaar groen Purmerend (reg.nr: 1416699), coalitieakkoord 2018-2022, Groenplan Purmerend

2019-2022: groenonderhoud op structuur (bijbehorend raadbesluit, reg.nr: 1458747), Bomenplan Purmerend 2020-2040 (bijbehorend raadbesluit, reg.nr: 1494769), Parkenplan 2021-2040 (bijbehorend raadsbesluit, reg.nr: 1546940) en coalitieakkoord 2022-2026: samen op koers 2 Zie pagina 4 van het raadsbesluit kwaliteitsimpuls openbaar groen Purmerend (reg.nr: 1416699)

-1-

Resultaten Voor de analyse van de kwaliteit van het openbaar groen is het jaargemiddelde (vier kwartalen) berekend van alle beheeractiviteiten gezamenlijk. Hieruit blijkt dat in 2016 gemiddeld 73% van de metingen voldeed aan minimaal beeldkwaliteitsniveau B. In 2020 was dit gestegen tot gemiddeld 93%.

Omdat de ontwikkeling van groen seizoensafhankelijk is, is er ook gekeken naar de ontwikkeling van het beeldkwaliteitsniveau per kwartaal, gerekend over vier jaar (2016 t/m 2020). Alleen het eerste kwartaal (Q1) is gebaseerd op drie jaar (2017 t/m 2020) omdat de eerste beeldkwaliteitsmeting pas in het tweede kwartaal van 2016 plaatsvond. Voor de kwaliteit van het openbaar groen als geheel geldt dat het percentage van de metingen dat aan minimaal kwaliteitsniveau B voldoet gedurende het hele jaar stabiel is. Wel zijn er verschillen tussen de jaren te zien. Zo scoorden de drie kwartalen in 2016 een percentage tussen 69% (Q2) en 76% (Q3) terwijl in 2020 de vier kwartalen tussen de 89% (Q1) en 95% (Q2) scoorden.

Uit een eerdere analyse bleek dat met name de beeldkwaliteit van onkruid in beplanting en grashoogte van gazon onder druk stond. Vanaf de nieuwe collegeperiode 2018-2022is de frequentie van werkzaamheden – schoffelen en maaien – aanzienlijk verhoogd. Vanaf 2023 wordt de schoffelfrequentie verder verhoogd, van acht keer paar jaar nu naar tien keer. Uit de analyses blijkt dat voor beide beheeractiviteiten het percentage van de metingen dat minimaal voldoet aan beeldkwaliteitsniveau B toeneemt.

-2-

Resultaten onkruid in beplanting In 2016 voldeed gemiddeld 38% van de metingen aan minimaal beeldkwaliteitsniveau B. In 2020 was dit gestegen tot gemiddeld 81%. Omdat de ontwikkeling van groen seizoensafhankelijk is, is er ook gekeken naar de ontwikkeling van het beeldkwaliteitsniveau per kwartaal en hoe dit zich verhoudt tot voorgaande jaren. Ook hier weer geldt dat kwartaal 1 (Q1) gebaseerd is op het gemiddelde percentage berekend over drie jaar (2017 t/m 2020) en de overige kwartalen gebaseerd is op het gemiddelde percentage berekend over vier jaar (2016 t/m 2020). Uit de analyse blijkt dat het percentage van de metingen dat voldoet aan minimaal beeldkwaliteitsniveau B gedurende het groeiseizoen (Q2 en Q3) lager is dan het percentage buiten het groeiseizoen (Q1 en Q4). Voor nagenoeg alle kwartalen geldt wel: elk jaar voldoet een hoger percentage van de metingen aan minimaal beeldkwaliteitsniveau B dan in hetzelfde kwartaal het jaar ervoor.

Resultaten grashoogte gazon In 2016 voldeed gemiddeld 35% van de metingen aan minimaal beeldkwaliteitsniveau B. In 2020 was dit gestegen tot gemiddeld 66%. Voor de ontwikkeling per kwartaal is een ander beeld zichtbaar dan bij onkruid in beplanting. Buiten het groeiseizoen (Q1 en Q4) is het percentage van de metingen dat voldoet aan beeldkwaliteitsniveau B lager dan tijdens het groeiseizoen (Q2 en Q3).

-3-

Tijdens het groeiseizoen (Q2 en Q3) stijgt het percentage wel jaarlijks. Buiten het groeiseizoen is het beeld wisselender. Mogelijk heeft dit te maken met de relatief zachte weersomstandigheden in het najaar en winter en dat er buiten het groeiseizoen niet wordt gemaaid. Zo voldeed in het vierde kwartaal van 2019 slechts 42% aan minstens beeldkwaliteitsniveau B en was het percentage in het daarop volgende kwartaal – Q1 2020 – zelfs gedaald naar 29%. Daarentegen is het percentage gedurende het groeiseizoen in 2020 wel flink toegenomen: van 38% in 2016 tot 84% in 2020 (Q2) en van 37% in 2016 tot 79% in 2020 (Q3). De maaiwerkzaamheden vinden ook grotendeels plaats gedurende deze twee kwartalen.

Conclusie Uit de analyses van de beeldkwaliteitsmetingen openbaar groen blijkt dat een steeds hoger percentage van de metingen voldoet aan minstens beeldkwaliteitsniveau B. Dit geldt ook voor de ‘kwetsbare’ beheeractiviteiten ‘onkruid in beplanting’ en ‘grashoogte gazon’. Sinds 2021 worden er geen beeldkwaliteitsmetingen voor openbaar groen meer verricht. De metingen zijn gestopt omdat men hierin geen toegevoegde waarde ziet. Daarnaast zijn de weersomstandigheden van grote invloed op de groeiomstandigheden. Een ‘verkeerd’ meetmoment kan daardoor leiden tot een vertekend beeld. Een mogelijk voorbeeld hiervan is de lage score voor grashoogte gazon in de najaars- en winterperiode van 2019/2020. De vraag is echter of het effect van wisselende weersomstandigheden dusdanig is dat het daarmee alle beheerinspanningen teniet doet. Uit bovenstaande analyses blijkt het mogelijk effect van het verhogen van de frequentie van cyclisch onderhoud op de beeldkwaliteit van het openbaar groen veel groter is dan het mogelijk effect van wisselende weersomstandigheden. Wel is een juiste interpretatie van de cijfers en het vergelijken van cijfers over tijd (in kwartalen en jaren) van groot belang om een zo’n accuraat mogelijk beeld te schetsen.

-4-

Bezoekadres

Purmersteenweg 42 1441 DM Purmerend Postadres

Postbus 15 1440 AA Purmerend Telefoon & e-mail

(0299) 452 452 rekenkamer@purmerend.nl

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12445717/1