CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

b-programmabegroting-purmerend-2025-2028

Gemeenteraad 7 november 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Integrale behandeling Programmabegroting met moties/amendementen (reguliere spreektijd; 20 minuten)32.108 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Onderzoeksagenda Vanaf 1 januari 2023 is het verdeelmodel van het gemeentefonds volledig herzien. Het doel van het Rijk is een stabiel verdeelmodel dat zoveel mogelijk aansluit bij de kosten van de gemeenten. Een ‘ingroeipad’ zorgt ervoor dat de gevolgen van de herziening beperkt blijven. Tot en met 2027 blijven de financiële gevolgen beperkt tot maximaal € 37,50 per inwoner. Dat geldt voor alle gemeenten. Bij de invoering van het nieuwe verdeelstelsel in 2023 was Purmerend een nadeelgemeente. Op de definitieve stand van deze herverdeeleffecten is voor Purmerend een geleidelijk ingroeipad (waarmee gemeenten naar de nieuwe verdeling ingroeien) bepaald. Hierbij is het negatieve herverdeeleffect als gevolg van het nieuwe verdeelmodel in de jaren 2023 tot en met 2026 weer 86

verhoogd met een bedrag van € 1,6 miljoen. Dit bedrag wordt toegekend via de suppletie-uitkering nieuw verdeelstelsel 2023. Deze (voorlopige) verdeling is volledig verwerkt in onze begroting, maar het nieuwe verdeelmodel is geen eindstation en zal continu onderhoud vragen. Het Rijk evalueert en beoordeelt het verdeelmodel of het nog beter kan. Hiervoor is een onderzoeksagenda opgesteld voor verdere onderzoeken naar de stapeling problematiek sociaal domein (maatstaf huishoudens laag inkomen met drempel), de overige eigen middelen (waar onder vereveningspercentage OZB) en de grootstedelijkheid. Dit zal leiden tot nieuwe herverdeeleffecten. Daarnaast is er een aantal nieuwe verdeelmaatstaven dat (nog steeds) fluctueert en daarmee schommelingen in de algemene uitkering veroorzaakt. Om beide risico’s op te kunnen vangen is er een reservering opgenomen van € 1,3 miljoen in onze begroting. Nieuwe financieringssystematiek In 2023 zijn het kabinet en de gemeenten overeengekomen dat het gemeentefonds vanaf 2027 wordt geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp) met de verwachting dat de accressystematiek hierdoor minder schommelt. Dit voorjaar is afgesproken dat deze systematiek al vanaf 2024 ingaat en de normeringssystematiek (trap op- trap af op de rijksuitgaven) kwam te vervallen.

Het prijsdeel bruto binnenlands product is op basis van het geraamde prijspeil bbp van het lopende jaar, zoals geraamd met het CEP (Centraal Economisch Plan) in het voorjaar. Het prijsaccres moet prijsstijgingen van de inkoop opvangen en het deel van het stijgen van de lonen voor koopkrachtbehoud (onder andere door inflatie). Het volumedeel bruto binnenlands product is op basis van het historisch gemiddelde van de gerealiseerde volumegroei bbp in de afgelopen 8 jaar (t-9 t/m t-2). Het is het indexpercentage van Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CBP). Het reëel accres, dat is gebaseerd op de volumegroei bbp, kan benut worden voor het opvangen van stijgende kosten door volumegroei, zoals door een stijgend inwonertal, en voor het opvangen van de reële stijging van de lonen. Elk jaar worden de nieuwe cijfers 2 keer geraamd. Dit gebeurt op basis van de Centraal Economisch Plan (CEP) in de Voorjaarsnota van het Rijk en op basis van de Macro Economisch Verkenning (MEV) in de Miljoenennota van het Rijk. Dit wordt verwerkt in de mei- en septembercirculaire. In het voorjaar van het lopende jaar wordt het accres definitief. Hoewel de nieuwe financieringssystematiek stabiliteit kan brengen, schiet ze tekort om de groei van de uitgaven voor zorgkosten door vergrijzing en infrastructuur (uitbreiding, vernieuwing, renovatie, onderhoud en beheer) op te vangen.

Vanwege deze bedenkingen van de VNG en het IPO loopt er een discussie met de fondsbeheerders. Terugdringen specifieke uitkeringen In de afgelopen jaren is het aantal specifieke uitkeringen en de daaraan verbonden uitgaven sterk gestegen. Deze groei betekent bovendien minder bestedingsvrijheid en meer verantwoordingslasten voor gemeenten. In de Voorjaarsnota van het Rijk staat dat er voor een bedrag van ruim € 4 miljard wordt overgeheveld naar het gemeentefonds. Deze overheveling gaat gepaard met een korting van 10%, waarbij de bestaande specifieke uitkeringen tegen het licht worden gehouden met de vraag of ze op korte termijn al kunnen worden opgenomen in het gemeentefonds. De korting is hoger dan de uitvoeringskosten voor gemeenten. Nog voor de zomer wil het kabinet met medeoverheden afspraken maken over de verdere uitwerking hiervan om de overheveling vanaf 2026 in te voeren. Deze middelen zijn nog niet overgeheveld naar het gemeentefonds. 87

Deelneming Stadsverwarming (SVP) SVP heeft momenteel circa 29.000 aansluitingen en groeit jaarlijks als gevolg van zowel de nieuwbouw-activiteiten in Purmerend en omstreken als van het gasvrij maken van bestaande woningen. Om in de warmtevraag op een duurzame en stabiele wijze te blijven voorzien, werkt SVP verder aan haar bronnenstrategie. Daarbij wordt onder andere door SVP samengewerkt met andere partijen ten einde de komende jaren toe te werken naar ontwikkeling, realisatie en ingebruikname van een aardwarmte (geothermie) bron. De stabilisatie en optimalisatie van de huidige productie-assets, evenals de doorontwikkeling van nieuwe duurzame bronnen, zijn van groot belang om de afhankelijkheid van aardgas af te bouwen. Dit is zowel belangrijk vanuit het oogpunt van verduurzaming als ter beperking van de invloed van de volatiliteit van de gasmarkt op het bedrijf. Door verdere brondiversificatie neemt het risicoprofiel van SVP af en kan gestaag gewerkt worden aan de doelstelling van een CO2 neutrale warmtelevering in 2050. Voor de collegeperiode 2022-2025 wordt vastgehouden aan de strategie om SVP te ontwikkelen tot een modern duurzaam warmtebedrijf en motor van de Purmerendse energietransitie. Daarnaast willen we kansen benutten door innovatie en uitbreiding om het financieel resultaat van SVP de komende jaren te verbeteren, met het oog op de grote opgaven van de toekomst.

In het dividendbeleid wordt vastgehouden aan een jaarlijkse dividenduitkering van € 700.000 over de winst 2022-2025. Indien het resultaat lager is dan € 700.000 wordt maximaal het resultaat uitgekeerd. Met die bepaling wordt aan banken zekerheid gegeven dat er geen bovenmatig dividend zal worden uitgekeerd. Het overige winstdeel van de gemeente in de periode 2022-2025 minus de dividenduitkering wordt ingezet ter versterking van de vermogenspositie van SVP. Hierbij wordt een zodanig (cash)management gevoerd dat er op koers wordt gebleven om in de komende 10 jaar te groeien naar een niveau van 40% solvabiliteit en dat de levering van warmte (gemiddeld) goedkoper blijft dan gas. De financiële resultaten van SVP zijn mede afhankelijk van exogene factoren als de gasprijs- en graaddagenontwikkeling. Deze kunnen een grote impact op het resultaat hebben, evenals de wet- en regelgeving met name op het gebied van de tarieven. Als gevolg van het begrote resultaat 2024 begin 2024 (raadsbrief 1593233) en de door de toezichthouder Autoriteit Consument & Markt (ACM) gemaakte rekenfout in de berekening van het maximumtarief voor het vastrecht warmte (1600012) is er in deze begroting rekening mee gehouden dat er geen dividenduitkering in 2025 over 2024 komt. Indien uit het jaarrekeningresultaat 2024 blijkt dat dit (deels) wel mogelijk is zal de gemeente aanspraak maken op het afgeraamde dividend.

Binnen het met de raad afgesproken leningplafond (besluit 1587205) van € 65 miljoen voor de jaren 2023-2026 is tot op heden € 15 miljoen aan borgstellingen verstrekt. Hierdoor resteert nog een leningplafond van € 50 miljoen. Het door de gemeenteraad afgegeven maximale borgstellingsplafond ten aanzien van de langlopende geldleningen bedraagt maximaal € 123 miljoen. De gemeente staat daarnaast borg voor het rekening-courant krediet van SVP dat € 15 miljoen bedraagt. Daarmee komt de totale borgstelling op maximaal € 138 miljoen uit.

88

Alliander N.V. Met de aandeelhouders is afgesproken om het dividendbeleid te actualiseren. Doorslaggevend hierbij is dat de sterk stijgende investeringen, op basis van de huidige verwachtingen en nu geldende regulering tot de volgende ontwikkelingen leiden: • toenemende druk op de financiële positie; • stijgende tarieven; • hogere winsten en dividenden. Hierdoor ontstaat een situatie waarin de tarieven voor netgebruikers sterk stijgen, de netcongestie toeneemt en aandeelhouders hogere en stijgende dividenden ontvangen. Dit kunnen de vennootschap, de aandeelhouders en andere stakeholders maatschappelijk niet verantwoorden. Ook kan niet worden verantwoord dat Alliander, gezien de investeringsopgave en de structureel negatieve cashflow, hogere en stijgende dividenden uitkeert, temeer Alliander in de huidige situatie - waarin er meer geld de onderneming uitgaat dan erin komt - geld moet lenen om dividend uit te kunnen keren. Door een groter deel van de winst te herinvesteren in de energienetten, hoeft er minder dure externe financiering worden aangetrokken. Dit draagt bij aan het kostenefficiënt realiseren van de maatschappelijke opdracht.

Ook versterkt het herinvesteren van een groter deel van de winst de financiële positie van Alliander, waardoor er meer ruimte ontstaat voor investeringen en er minder snel aan de aandeelhouders of de Staat gevraagd hoeft te worden om (extra) eigen vermogen te storten en hiermee de conversie van de aandeelhouderslening langer kan worden uitgesteld. De verwachting is dat er eind 2024 een geactualiseerd dividendbeleid is, passend bij de realisatie van de maatschappelijke opdracht van Alliander. Over de mogelijke impact op het te ontvangen dividend voor Purmerend, wordt u geïnformeerd bij de tussenrapportages.

89

Financiële toelichting Primitieve Begroting Rekening begroting 2024 Begroting Begroting Begroting Begroting 2023 2024 (Bijgesteld) 2025 2026 2027 2028

(Bedragen x € 1.000) 1 Lokale heffingen

Lasten

45

64

64

64

64

64

65

1 Lokale heffingen

Baten

-19.453

-21.184

-21.184

-22.056

-22.585

-23.125

-23.689

-19.409

-21.120

-21.120

-21.992

-22.521

-23.060

-23.624

2 Nog te bestemmen middelen

Lasten

0

2.300

-742

-425

429

1.129

2.052

2 Nog te bestemmen middelen

Baten

0

0

0

0

0

0

0

0

2.300

-742

-425

429

1.129

2.052

3 Gemeentefonds

Lasten

0

0

0

0

0

0

0

3 Gemeentefonds

Baten

-199.793

-203.632

-206.116

-217.118

-212.618

-219.789

-226.338

-199.793

-203.632

-206.116

-217.118

-212.618

-219.789

-226.338

4 Eigen financieringsmiddelen Lasten

-896

1.096

1.096

241

1.564

2.814

4.365

4 Eigen financieringsmiddelen Baten

-218

-127

-127

-225

-204

-187

-199

-1.114

968

968

16

1.359

2.626

4.167

5 Deelnemingen

Lasten

614

527

527

588

588

588

588

5 Deelnemingen

Baten

-2.357

-1.404

-2.574

-2.476

-3.065

-3.065

-2.045

-1.743

-877

-2.047

-1.888

-2.477

-2.477

-1.457

6 Incidentele baten en lasten

Lasten

5.607

0

0

8

8

8

8

6 Incidentele baten en lasten

Baten

0

-50

-50

-50

-50

-50

-50

5.607

-50

-50

-42

-42

-42

-42

PGR11 Algemene dekkingsmiddelen

Lasten

5.369

3.987

944

476

2.653

4.603

7.079

PGR11 Algemene dekkingsmiddelen

Baten

-221.821

-226.398

-230.052

-241.924

-238.522

-246.216

-252.320

-216.452

-222.411

-229.108

-241.448

-235.869

-241.614

-245.242

Saldo programma

In dit programma hebben we voor de begroting 2025 € 468.000 lagere lasten en € 11.872.000 hogere baten ten opzichte van de bijgestelde begroting 2024. Hieronder wordt dit verder toegelicht. 1. Lokale heffingen Onder dit product vallen de onroerende zaak- en roerende ruimtebelastingen, de hondenbelasting, de precariobelasting en de toeristenbelasting. De ontwikkeling in de baten wordt veroorzaakt door de jaarlijkse aanpassing van de tarieven en de toename van areaal dat in de heffing wordt betrokken. Dit resulteert in een stijging van de baten ten opzichte van 2024 van € 0,9 miljoen. Voor 90

2025 geldt dat de indexering 3,2% (CBS/CPI januari 2024) is voor (on-)roerende zaakbelastingen (OZB/RZB). In de meerjarenraming wordt voor de jaren na 2025 uitgegaan van 1,50%. Op basis van de bouwmonitor wordt er rekening gehouden met een toename van het aantal woningen van 1,02%. De honden-, toeristen, reclame- en precariobelasting zijn voor 2025 verhoogd met 3,2% als autonome ontwikkeling. Deze indexering is de reguliere indexering om de inflatie te corrigeren. De stijging aan de lastenkant wordt veroorzaakt door een verhoging op de voorziening belastingdebiteuren in verband met oninbaarheid. 2. Nog te bestemmen middelen In de Voorjaarsnota 2024 was de verwachting dat er nog middelen bij zouden komen om prijsstijgingen in salarissen, investeringen, gemeenschappelijke regelingen en subsidiepartners op te kunnen vangen vanuit de meicirculaire. De uitwerking van de meicirculaire laat echter een ander beeld zien: door een lagere inflatieverwachting van de loon- en prijsontwikkeling (LPO) in met name de loonvoet van 2025 en 2026 daalt het accres, wat leidt tot een lagere compensatie voor Purmerend. Gezien de onzekerheden in de nieuwe systematiek over prijsontwikkeling bbp en een stelpost LPO die nihil is op dit moment, zijn de uitgangspunten uit de Voorjaarsnota 2024 doorgerekend in de begroting 2025.

Het voorstel uit de meicirculaire is om bij de Voorjaarsnota 2025 te kijken of de verwerkte loonstijging in de meerjarenraming naar beneden kan worden bijgesteld. Doordat de huidige stand van de stelpost voor de prijs-en loonontwikkeling niet meer toereikend is voor een verhoging van alle budgetten conform de begrotingsuitgangspunten, wordt de begrotingsruimte aangesproken. In het onderdeel nog te bestemmen middelen is voor 2025 alleen nog rekening gehouden met een stelpost voor verwachte lagere kapitaallasten als gevolg van vertragingen in de investeringen: € 425.000. 3. Gemeentefonds De uitkering uit het gemeentefonds is gebaseerd op de Meicirculaire 2024. De opbrengst uit het gemeentefonds stijgt met € 11 miljoen naar ruim € 217 miljoen. De uitkering uit het gemeentefonds valt uiteen in 3 onderdelen: a. De algemene uitkering Deze stijgt met € 9,9 miljoen naar € 201,4 miljoen door algemene mutaties in de uitkeringsfactor, taakmutaties en ontwikkelingen in de uitkeringsbasis. De stijging van de algemene mutaties in de uitkeringsfactor wordt veroorzaakt door de ontwikkeling in het accres. Bij de uitbreiding op taken vanuit het Rijk zien we 7 kleine mutaties, waarvan alleen toekenning van de incidentele middelen in 2024 voor de jeugdzorg noemenswaardig is.

Daarnaast is de uitkeringsbasis aangepast voor de verdeelmaatstaven (onder andere inwoners, bijstandsontvangers, WOZ-waarden inclusief rekentarieven, woonruimten). Verder houden we in het gemeentefonds ook rekening met 2 stelposten voor de toekomstige onderhoudsagenda van het nieuwe verdeelstelsel en de te verwachte compensatie vanuit het Rijk voor extra middelen jeugdzorg.

91

b. Integratie uitkeringen binnen het sociaal domein De middelen voor deze integratie-uitkeringen stijgen met € 0,9 miljoen naar ruim € 13,1 miljoen. Dit betreft de volgende onderdelen: • Beschermd wonen, structureel bijna € 6,8 miljoen; • Participatie onderdelen (Wsw budget oude stijl inclusief beschut werk), structureel € 6,3 miljoen. De invoering van het nieuwe objectieve verdeelmodel (inclusief het woonplaatsbeginsel) beschermd wonen is uitgesteld. De invoering is nu voorzien op 1 januari 2026. c. Overige integratie- en decentralisatie uitkeringen De overige integratie- en decentralisatie-uitkeringen stijgen met € 0,2 miljoen naar bijna € 2,6 miljoen. Deze stijging komt voornamelijk door de extra middelen vanuit het nationaal actieplan dakloosheid en middelen voor het LHBTI-emancipatiebeleid. In afwijking op het beleid van voorgaande jaren zijn posten uit de meicirculaire die een beleidsdoel hebben en normaliter worden overgeheveld naar de beleidsvelden, toegevoegd aan het begrotingssaldo. Dit gezien de huidige financiële situatie. Voor een verdere toelichting op de meicirculaire 2024 verwijzen wij u naar de raadsbrief van 18 juni 2024 (1599104). 4. Eigen financieringsmiddelen Voor de verwerking van de rentelasten en -baten zijn de bepalingen en richtlijnen van de notitie rente van de commissie BBV van toepassing.

Alle rentelasten en -baten worden in eerste instantie geboekt onder het product eigen financieringsmiddelen (taakveld treasury). Het resultaat op het taakveld treasury is het verschil tussen de aan de producten (taakvelden) toegerekende rente en de per saldo werkelijk betaalde rente. De opbrengst van de eigen financieringsmiddelen dalen met ruim € 0,8 miljoen. In de gemeentebegroting wordt met een vast rentepercentage gewerkt voor de kapitaallasten. Over de boekwaarde wordt voor wegen, gebouwen, installaties en dergelijke en ook voor grondexploitaties gerekend met 1,40%. De werkelijk berekende toe te rekenen rente aan de producten over 2025 bedraagt 1,41%. Dit wordt veroorzaakt door nieuw aan te trekken extra financiering in de komende jaren die tegen een hogere rente wordt afgesloten ten opzichte van de huidige leningportefeuille en het toerekenen van hogere rente aan het grondbedrijf dat leidt tot een rentevoordeel voor de algemene dienst. De verwachting is dat de komende jaren het renteomslagpercentage steeds hoger zal worden bijgesteld. In de Programmabegroting 2026 wordt hier nader op terug gekomen. 5. Deelnemingen De baten dalen met bijna € 0,1 miljoen door een lager geraamde risicoprovisie SVP. 6.

Incidentele baten en lasten Opbrengst anti-speculatiebeding Bij de verkoop van de grond in Leeghwater fase 3 in Middenbeemster aan Wooncompagnie voor de bouw van 18 huurwoningen, is in de verkoopovereenkomst een anti-speculatiebeding opgenomen. Indien Wooncompagnie binnen 15 jaar na de eerste oplevering (2010) een woning verkoopt, draagt Wooncompagnie het verschil tussen de overeengekomen grondprijs en de actuele marktprijs voor een vergelijkbare koopwoning in Leeghwater 3 in Middenbeemster af aan de gemeente. Het nominale verschil is in 2010 bepaald op € 41.500 voor 10 bereikbare huurwoningen en € 50.000 92

voor 8 dure huurwoningen. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. In de begroting wordt rekening gehouden met de verkoop van 1 woning per jaar.

93

Overzicht overhead Primitieve Begroting Rekening begroting 2024 Begroting Begroting Begroting Begroting 2023 2024 (Bijgesteld) 2025 2026 2027 2028

(Bedragen x € 1.000) BV121 Overhead

Lasten

30.147

30.154

31.498

33.174

33.008

33.986

34.726

BV121 Overhead

Baten

-617

-302

-302

-310

-311

-312

-314

29.530

29.852

31.197

32.864

32.697

33.674

34.412

In dit programma hebben we voor de begroting 2025 € 1.676.000 hogere lasten en € 8.000 hogere baten ten opzichte van de bijgestelde begroting 2024. Hieronder wordt dit verder toegelicht.

Ontwikkeling exploitatie 2024-2025 BV121 Overhead

Lasten

Baten

Loonkosten Door indexering van de loonkosten en stijging van de formatie wegens groei van de stad (reeds eerder besloten) zijn er hogere lasten 2025 ten opzichte van 2024.

1.515

Overhead SPUK's Er zijn hogere overheadlasten geraamd voor werkzaamheden die gedekt worden uit specifieke uitkeringen (SPUK). Hier tegenover staat een hogere baat op programma 2 omdat op dat programma de bijbehorende SPUK-baten worden verantwoord. Per saldo is dit budgettair neutraal.

101

Inzet projectleiders ict en IV Hogere lasten door de inzet van projectleiders voor de volgende 3 projecten: het onderzoeken en voorbereiden van de verdere implementatie van Microsoft 365, het ontwikkelen van beleid en randvoorwaarden voor het beheerd uitrollen van nieuwe devices en het inschatten van de impact van de Nis2 wetgevingen en de invloed op onze operationele technologie.

300

Verminderen externe inhuur Onderdeel H2 vanuit de Voorjaarsnota 2024 is het verminderen van de externe inhuur. Deze invoering zorgt voor een lagere last in 2025 ten opzichte van 2024.

-300

Hogere doorbelastingen naar het ruimtelijk domein Onderdeel F4 vanuit de Voorjaarsnota 2024. Er zal meer worden gewerkt aan investeringen en grondexploitaties in 2025. Waardoor er een hogere doorbelasting is op de projecten, wat zorgt voor een lagere last op het overzicht Overhead.

-513

Diverse Afwijkingen lager dan € 100.000 Totaal

94

573

-8

1.676

-8

Voorzieningen Voorziening spaarverlof medewerkers In 2025 staat een dotatie van € 37.000 aan de voorziening begroot.

Investeringen De jaarschijf 2025 van het overzicht Overhead heeft een totaalbedrag van € 8,4 miljoen. Hiervan heeft € 7,0 miljoen betrekking op de nieuwbouw van het kantoorgebouw van de Werf/milieustraat, € 1,0 miljoen op ICT vervanging en € 0,4 miljoen op vervangingen wagenpark. Voor de specificatie van de investeringen wordt verwezen naar de bijlage Investeringsoverzicht. Toelichting overhead De indirecte kosten (overhead) worden begroot en verantwoord in het overzicht overhead. Onder overhead verstaan wij het geheel van taken en activiteiten gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Globaal betreft het de kosten van bedrijfsvoering (huisvesting, facilitair, ICT, overig) en directie, maar ook de kosten van het management en het opleidingsbudget. Specifieke kosten binnen bedrijfsvoering die direct toe te rekenen zijn aan een product/programma vallen niet onder de overheadkosten en worden rechtstreeks toegerekend aan het desbetreffende product of de gebruiker. Het is toegestaan om overheadkosten toe te rekenen aan grondexploitaties, investeringen en projecten (particuliere initiatieven/anterieure overeenkomsten). Deze kosten worden in mindering gebracht op de overheadbegroting.

De overheadkosten zijn als volgt te specificeren: • Management: betreft de kosten van alle hiërarchische leidinggevenden (directie, teammanagers) en de managementondersteuning (stafbureaus, secretariaten). • Informatievoorziening: betreft onder andere de kosten van informatisering, automatisering, systeem- en netwerkbeheer, beveiliging en ICT-ontwikkelingen. Uitzondering hierop zijn de direct toerekenbare kosten van applicaties en software voor een specifieke taak. Deze worden begroot en verantwoord op het betreffende taakveld/programma. • Huisvesting en facilitair: betreft de kosten van het gemeentehuis. • Overige ondersteuning: betreft onder andere de kosten van de teams op het gebied van bestuursondersteuning, communicatie, juridische ondersteuning, financiën en personeelszaken voor zover ze niet direct aan een specifieke taak kunnen worden toegerekend. Tevens alle vormings- en opleidingskosten. • Verrekeningen: een gedeelte van de overheadkosten wordt doorbelast aan grondexploitaties, investeringen en projecten (dit is een minpost).

Percentage opslag overheadkosten 2025 Om de overheadopslag te bepalen voor de doorbelasting aan investeringen en grondexploitaties en aan de tariefberekening van het rioolrecht, de afvalstoffenheffing, de begraafrechten en de leges Omgevindswet wordt onderscheid gemaakt tussen de organisatieonderdelen gehuisvest in het gemeentehuis ('binnendienst') en onderdelen die gehuisvest zijn in De Koog ('buitendienst'). Voor de onderdelen in het gemeentehuis geldt dat deze duurdere huisvesting hebben inclusief vergader- en ICT-faciliteiten. De medewerkers op De Koog maken hier minder gebruik van en dat komt tot uitdrukking in de doorberekende overhead. Als uitgangspunt bij de berekening van het 95

percentage worden de totale overheadkosten voor de buitendienst verminderd met 60% van de kosten huisvesting gemeentehuis en met 60% van de ICT-kosten. De uitkomst van dit saldo wordt uitgedrukt in een percentage van de loonsom van de primaire (lijn-)afdelingen. Voor de begroting 2025 komt dit percentage uit op 61% voor de binnendienst (2024: 62%) en 50% voor de buitendienst (2024: 51%). De daling van deze opslagpercentages komt vooral door uitbreiding van formatie van het primaire proces (noemer-effect). De verwachting is dat met het nieuwe kantoorgebouw van de werf de overhead weer wat zal stijgen. Het is toegestaan om overheadkosten toe te rekenen aan investeringen, grondexploitaties en projecten (particuliere initiatieven). Voor de toerekening van overheadkosten ten laste van investeringen, grondexploitaties en projecten wordt het percentage van 61% bovenop de interne loonkosten gehanteerd. De overheadopslag voor kosten inhuur externen is bepaald op de helft van dit percentage, 30,5%. Voor de toerekening van overhead aan de kostendekkende tarieven voor riool en afval is het percentage 50%. Berekening percentage (bedragen x € 1.000) Buitendienst Totale lasten overhead

Binnendienst -35.683 Totale lasten overhead

-35.683

Minus 60% kosten huisvesting gemeentehuis

1.210 Minus 60% kosten huisvesting gemeentehuis

0

Minus 60% kosten ICT

5.073 Minus 60% kosten ICT

0

Overheadkosten

-29.400 Overheadkosten

-35.683

Loonkosten primaire (lijn-) afdelingen

-58.864 Loonkosten primaire (lijn-) afdelingen

-58.864

Overhead in % van de loonkosten

50% Overhead in % van de loonkosten

61%

Beleidsindicatoren De vanaf 2017 verplicht op te nemen beleidsindicatoren komen voor de programma's van de bron waarstaatjegemeente.nl. Voor het onderdeel bestuur en organisatie zijn ook vijf indicatoren ontwikkelt die echter door de gemeente uit de eigen gegevens of de eigen begroting overgenomen moeten worden omdat er geen landelijke bron beschikbaar is. Omdat het gaat om indicatoren betreffende de organisatie nemen wij ze op bij het onderdeel overhead. Indicator

2025

Formatie (fte per 1.000 inwoners)

9,41

Bezetting (fte per 1.000 inwoners)

9,41

Apparaatskosten (kosten per inwoner)

955,8

Externe inhuur als % van (loonsom + kst inhuur) 7,81% Overhead (percentage van de totale lasten)

8,95%

96

Heffing vennootschapsbelasting en onvoorzien

(Bedragen x € 1.000) BV131 Vennootschapsbelasting Lasten

Primitieve Begroting Rekening begroting 2024 Begroting Begroting Begroting Begroting 2023 2024 (Bijgesteld) 2025 2026 2027 2028 -149

0

0

0

0

0

0

-149

0

0

0

0

0

0

Door een wetswijziging zijn vanaf 2016 bepaalde activiteiten van de gemeente belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (Vpb). In 2022 is tussen de gemeente en de Belastingdienst overeenstemming bereikt over de zogenaamde openingsbalans voor de vennootschapsbelasting. Dat is de basis voor de berekening van de fiscale winst waarover jaarlijks belasting moet worden betaald. Op dit moment gaat het om 3 activiteiten die belastingplichtig zijn. 1. Grondexploitaties De gemeente heeft met de grondexploitaties een activiteit die in ieder geval kwalificeert als onderneming voor de Vpb. Met de Belastingdienst is overeengekomen dat dit voor de Purmerendse grondexploitaties vanaf 1 januari 2017 het geval is. Dit is vastgelegd in een principeovereenkomst eind 2021. Vanaf 2017 is sprake van een structureel te verwachten winst. In februari 2022 is tussen de gemeente en de Belastingdienst een zogenaamde fiscale beginbalans per 1 januari 2017 afgesproken. Over de waarde van die beginbalans hoeft de gemeente geen belasting te betalen. In de meerjarenbegroting ramen we geen winsten. Dit is de reden dat er geen vpb last wordt geraamd. 2. Reclameopbrengsten Voor de Belastingdienst zijn ook reclameopbrengsten belastingplichtige activiteiten. De gemeente en haar adviseurs vinden dit echter regulier vermogensbeheer zodat dit buiten de Vpb plicht valt. Veel gemeenten en adviseurs delen die mening.

Voor het onderdeel reclamebelasting is daarom een gezamenlijk “proefproces” gestart. De Belastingdienst heeft hiervoor echter al voorlopige aanslagen opgelegd waartegen de gemeente bezwaar heeft gemaakt. Het gaat om circa € 40.000 per jaar. Voorzichtigheidshalve is in de Jaarrekening 2023 een bedrag van ongeveer € 320.000 aan Vpb-last over de jaren 2016 tot en met 2023 voor dit onderdeel opgenomen. Als de Belastingdienst niet of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld kan dit bedrag geheel of gedeeltelijk vrijvallen. 3. Verkoop reststromen afvalinzaling Ten aanzien van de afvalinzameling is de verkoop van reststromen aangemerkt als een belaste activiteit. Met betrekking tot de belastbaarheid van de verkoop van reststromen zijn op landelijk niveau met de Belastingdienst en de NVRD (Koninklijke Vereniging voor Afval- en 97

Reinigingsmanagement) generieke afspraken gemaakt. Eén van deze afspraken houdt in dat de fiscale winst wordt bepaald op 1% van de omzet uit reststromen, waarbij geen rekening hoeft te worden gehouden met de omzet behaald uit de bijdragen van Nedvang/Stichting Afvalfonds. De inkomsten uit reststromen worden jaarlijks door de gemeente in kaart gebracht. Dit wordt verminderd met het deel dat wordt doorbelast aan andere gemeenten in verband met de milieustraat en de inkomsten van Nedvang/ Stichting Afvalfonds. De belastbare omzet uit reststromen over 2023 betrof € 41.664. In de begroting is geen raming opgenomen voor de vpb last omdat de winsten van de grondexploitaties ook niet worden geraamd. Deze resultaten van de grondexploitaties en de vpb last worden verwerkt in de jaarstukken en toegevoegd aan de algemene reserve en de reserve gronden (50/50 conform de financiële verordening) zodat deze geen invloed op het begrotingssaldo hebben. In de Najaarsnota van elk jaar wordt de vpb last geraamd om geen begrotingsonrechtmatigheid te krijgen. Primitieve Begroting Rekening begroting 2024 Begroting Begroting Begroting Begroting 2023 2024 (Bijgesteld) 2025 2026 2027 2028

(Bedragen x € 1.000) BV141 Onvoorzien

Lasten

0

50

50

50

50

50

50

0

50

50

50

50

50

50

In de begroting is een vast bedrag voor onvoorziene lasten opgenomen van jaarlijks € 50.000. Een raming voor onvoorziene uitgaven is verplicht. Gelet op het bedrag is duidelijk dat dit vooral is opgenomen om te voldoen aan de regelgeving. De integrale afweging van de raad over de begrotingsruimte vervult feitelijk dezelfde rol.

98

Het financieel resultaat Algemeen De indeling van de begroting kent verplicht een programmaplan en dit programmaplan kent weer een aantal verplichte onderdelen (artikel 8 Besluit Begroting en Verantwoording (BBV)): • De te realiseren programma's. • Een overzicht van de algemene dekkingsmiddelen. • Een overzicht van de kosten van overhead. • Het bedrag voor de heffing van de vennootschapsbelasting • Het bedrag voor onvoorzien. Het aantal 'te realiseren programma’s' en de indeling daarvan is vrij; dit mag op gemeentelijk niveau bepaald worden. De onderdelen van het programmaplan zijn voorgeschreven. Daarnaast is er een apart overzicht van de kosten van overhead in het programmaplan. De programma's zelf bevatten geen overhead, alleen de kosten van het primaire proces. Tenslotte geldt als indelingsvoorschrift voor de begroting dat alle mutaties op reserves onderdeel uitmaken van het resultaat van de begroting. Voor de mutaties op deze reserves gelden de volgende richtlijnen: Algemene reserve Aan de algemene reserve wordt het voordelige resultaat van de totale begroting toegevoegd of het nadelige resultaat van de totale begroting onttrokken. Voor deze reserve is geen specifieke bestemming. Een deel van de algemene reserve wordt aangemerkt als weerstandsvermogen en dient in stand te blijven om risico's te kunnen opvangen.

Groei van de algemene reserve is nodig om de investeringsuitgaven de komende jaren voor een deel met eigen vermogen te betalen en zo de financiële positie van de gemeente in balans te houden en waar mogelijk te verbeteren. Het door de raad vastgestelde gewenst niveau van solvabiliteit is 20%. Dit is in de Jaarrekening 2022 voor het eerst bereikt, maar wel in het vooruitzicht van nog te plegen grote investeringen. Bestemmingsreserves Voor bestemmingsreserves geldt dat deze worden ingesteld voor 1 specifiek doel binnen een vastgestelde termijn. Aanwending in de begroting mag enkel binnen de door de raad vastgestelde kaders voor de betreffende reserve. In het vervolg van dit onderdeel van de begroting wordt ingegaan op: • De samenstelling van het resultaat 2025. • Het meerjarig overzicht 2025-2028 van de saldi per programma. • De reeds in de programmabegroting verwerkte inzet van reserves (conform eerdere besluitvorming) en de voorgestelde keuzes.

99

Het totaal van de afzonderlijke programma's en het resultaat 2025 Programma (Bedragen x € 1.000)

Lasten

PGR01 Publieksdiensten

Baten

Saldo

9.914

-6.152

3.761

185.729

-43.108

142.622

PGR03 Wonen

1.120

-130

990

PGR04 Milieu

17.558

-18.822

-1.264

PGR05 Bereikbaarheid

6.553

-4.694

1.859

PGR06 Beheer openbare ruimte

40.508

-13.689

26.818

PGR07 Ruimtelijke ordening

39.615

-35.533

4.083

PGR08 Veiligheid

13.101

-20

13.081

PGR09 Economie

3.306

-898

2.408

PGR10 Bestuur & concern

6.009

-44

5.965

323.414

-123.090

200.324

476

-241.924

-241.448

33.174

-310

32.864

Heffing VPB

0

0

0

Onvoorzien

50

0

50

357.113

-365.323

-8.210

Resultaatbepaling via bestemmingsreserves

2.250

-1.260

990

Resultaatbepaling via algemene reserve

5.643

-132

5.511

365.006

-366.715

-1.709

PGR02 Samenleving

Totaal programma Algemene dekkingsmiddelen Overhead

Resultaat voor bestemming

Resultaat na bestemming

In het totaal van de afzonderlijke programma's (inclusief resultaatbestemmingen) hebben we hogere baten dan lasten. Wat resulteeert in een positief resultaat van € 1,7 miljoen in 2025.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14508615/1