B bijlage-1-ruimtelijke-onderbouwing-zuiddijk-11
Tekst van het document
34
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
Een van de gemeentelijke ambities is het toegankelijk en beleefbaar maken van De Beemster als werelderfgoed. Ook wil de gemeente in de metropoolregio de rol vervullen die historisch gezien goed bij de gemeente past, namelijk die van “lusthof voor Amsterdam”. De gemeente zet in op een programma Recreatie en Toerisme met daarin een samenhangende aanpak voor het toegankelijk en beleefbaar maken van de Beemster. In dat programma vertaalt de gemeente haar ambities in concrete doelstellingen en wordt samenhang aangebracht tussen ontwikkelingen die al in gang zijn gezet. Tegelijkertijd werkt de gemeente aan een duidelijke set uitgangspunten of kaders, vergelijkbaar met de systematiek van de Beemster erven of de Kopergravure, om recreatie en toerisme een passende plek te geven in De Beemster, gebruikmakend van de kwaliteit van het gebied. 3.3.2 Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf Op 24 december 2010 is door de raad het Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf vastgesteld. Hierin staat het beleidskader voor ruimtelijke ontwikkelingen in de Beemster. In het onderhavige geval is sprake van vernieuwing van bebouwing. De vernieuwing dient te voldoen aan de ruimtelijke kwaliteitseisen, die voor erven in de Beemster gelden.
Die kwaliteitseisen zijn vanuit het RKK vertaald naar het beleid voor het Des Beemsters Erf, dat gehanteerd is bij het inrichten van het erf voor het recreatieverblijf, zie ook paragraaf 2.3. 3.3.3 Ruimtelijke beleidskader De Beemster & Stelling van Amsterdam Het ruimtelijk beleidskader voor werelderfgoederen De Beemster & Stelling van Amsterdam is door de raad vastgesteld op 25 november 2011. In dit beleid staan de uitgangspunten waaraan nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen. De voorliggende ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten die vastgesteld zijn in het beleid. Er is geen sprake van verdichting van het landschap door te bouwen binnen het bestaand bouwvlak dat voor de woonfunctie is aangewezen. Het erf wordt volgens het Beemsterprincipe ingericht zodat ook hieraan voldaan zal gaan worden. 3.3.4 Beemster Omgevingsnota De raad van Beemster heeft op 10 juli 2012 de Beemster Omgevingsnota vastgesteld. Het doel van de Omgevingsnota is het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteit. In het overvolle Nederland is ruimtelijke kwaliteit een gemeenschappelijk bezit, het is geen zaak van de eigenaren van grond of gebouwen alleen, het is een waarde die niet geïndividualiseerd of geprivatiseerd kan worden. Een goede ruimtelijke kwaliteit levert een bijdrage aan de leefbaarheid, de duurzaamheid en de culturele betekenis van een gebied.
Het versterkt de ‘eigenheid’ (of identiteit) van een plek of een gemeente. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Mensen zijn graag in gebieden met een goede ruimtelijke kwaliteit. De Omgevingsnota is een grondige actualisering en aanvulling van de Welstandsnota Beemster uit 2003, en heeft deze na vaststelling door de gemeenteraad vervangen. De Omgevingsnota is dus (ondermeer) de welstandsnota in de zin van de Woningwet, en is ook als zodanig behandeld in het inspraak- en besluitvormingstraject.
35
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
De Beemster erven worden traditioneel omgeven door sloten en bomen waardoor elk erf zich langs de weg manifesteert als een ruimtelijke eenheid. Soms zijn de inrichting en opzet van het erf –of een deel daarvan- terug te voeren op historische inrichtingsprincipes, mede gebaseerd op de renaissance idealen. Uiteraard is de hedendaagse agrarische bedrijfsvoering nu sterk leidend bij de erfinrichting. Dat is ook terug te zien in de erfinrichting van het plangebied. Het initiatief heeft geen gevolgen voor de wijze waarop de erfbebouwing is gelegen. Wel wordt de bebouwing sterk verbeterd en neemt de kwaliteit aanzienlijk toe. Ten aanzien van de welstand is het bouwplan voorgelegd aan de Welstandscommissie. De commissie heeft het bouwplan goedgekeurd. 3.3.5 Economische visie Beemster+Purmerend #datwerkt In februari 2021 is de economische visie Beemster+Purmerend # datwerkt tot stand gekomen. De visie is een vertaling van eerder vastgesteld beleid in de gemeenten Beemster en Purmerend. De nieuwe gemeente Purmerend creëert grote kansen op het gebied van toerisme, recreatie en cultuur; een sector met grote economische en maatschappelijke betekenis.
Beemster + Purmerend willen steeds meer samenwerken om bezoekers van buiten aan te trekken en zo niet alleen de lokale economie (bijvoorbeeld winkels en horeca) te stimuleren, maar tevens een gunstig klimaat te scheppen voor bedrijven om zich hier te willen vestigen of mensen om hier te komen wonen. De gemeente stimuleert kleinschalige overnachtingsmogelijkheden in de Beemster. Grotere overnachtingsmogelijkheden worden in de kom van de rijksweg A7 gerealiseerd. Met de inzet op kwalitatieve overnachtingsmogelijkheden stimuleert de gemeente de beleving van het Unesco erfgoed De Beemster, de producten die in de Beemster worden geproduceerd en wordt de potentie van Purmerend aangesproken. Het initiatief voorziet in een hoogwaardige en kleinschalige recreatieverblijf op een strategische locatie nabij diverse forten en op fietsafstand van het centrum van Purmerend. Daarmee draagt het initiatief direct bij aan de beleving van het werelderfgoed, bestaande uit de droogmakerij en de stelling van Amsterdam.
36
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
4 Milieu en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt de voorliggende afwijking van het bestemmingsplan getoetst aan de relevante milieu en omgevingsaspecten. Per aspect wordt aangegeven of er belemmeringen zijn te verwachten voor de afwijking van het bestemmingsplan.
4.1 Verkeer en parkeren In het kader van een nieuwe ontwikkeling moet gekeken worden wat de verkeersgeneratie is, wat de parkeerbehoefte is en hoe de ontsluiting geregeld wordt van de nieuwe functie om voldoende parkeerplaatsen te waarborgen en ongewenste verkeerssituaties tegen te gaan. Parkeren Zoals in paragraaf 1.4.2 reeds is aangegeven worden de parkeerkencijfers van het CROW gehanteerd. De laatste versie van de CROW (publicatie 381) wordt hierbij toegepast. De vier recreatie-eenheden kennen een parkeerbehoefte van 1,5 parkeerplaatsen per eenheid. De benodigde 6 parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd, naast de twee parkeerplaatsen die nodig zijn voor de woning. Voor het aan-huis-verbonden bedrijf zijn er twee activiteiten die niet gelijktijdig plaatsvinden. Zij vinden namelijk in dezelfde ruimte plaats. Het bijgebouw wordt dus als yogastudio of als workshopruimte gebruikt. Dit gebruik kent een parkeerbehoefte van maximaal 5,4 parkeerplaatsen volgens de CROW. Normatief zijn er daarom 13,4 parkeerplaatsen nodig. Er kan echter gebruik worden gemaakt van dubbelgebruik, doordat het bezoek aan de yogastudio niet gelijktijdig aanwezig zal zijn als het bezoek aan de workshopruimte of in andere gevallen juist hetzelfde publiek is (personen die zowel de yoga of workshopruimte gebruiken als daar ook verblijven).
Daarnaast zijn de bewoners van de woning, waar een bezoekersdeel aanwezig is op het erf, ook betrokken bij het gebruik van het bijgebouw, zodat hun parkeerplaatsen ingezet kunnen worden. Naast de reeds aanwezige parkeerplaats van de bewoners, kan worden volstaan met twee parkeerplaatsen nabij de woning en de aanleg van negen parkeerplaatsen langs de waterkant op de gronden met de agrarische bestemming conform het inrichtingsplan, figuur 11. Deze parkeerplaatsen worden met bomen landschappelijk ingepast. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit ten goede. Want ondanks dat het voorerf meer dan genoeg ruimte biedt om parkeerruimte aan te leggen, is het kwalitatief gezien wenselijker om het erf zoveel mogelijk vrij te houden van parkeren. Verkeer De vier recreatie-eenheden kennen een verkeersgeneratie volgens de CROW van maximaal 2,3 voertuigbewegingen per etmaal per eenheid. In totaal is daarmee sprake van een extra 9.2 voertuigbewegingen per etmaal door het gebruik van het recreatieverblijf. De gebruikers van de recreatie-eenheden zijn in het algemeen ook gebruikers van de yoga- en workshopruimte maar voor de verkeersgeneratie is ook naar zelfstandig bezoek van de ruimte gekeken. Daarbij is worstcase gerekend en rekening gehouden met de ligging in het buitengebied. 37
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
Uitgaande van de parkeervraag van 6 parkeerplaatsen en drie yoga- of workshopsessies per dag, zou er sprake zijn van een verkeersgeneratie van 36 mvt/etmaal. Dat maakt een totale toename van afgerond 46 mvt/etmaal. Het perceel kent een eigen opgang richting de autoluwe Zuiddijk. De extra verkeersgeneratie van het recreatieverblijf en de yogastudio/workshopruimte kan goed op de bestaande wegenstructuur worden afgewenteld. Van nadelige verkeersafwikkeling is daarom geen sprake. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn geen belemmeringen te verwachten.
4.2 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Logiesverblijven worden niet aangemerkt als geluidgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder. Onderzoek naar de effecten van geluidbelasting op de nieuwe recreatie-eenheden is daarom niet vereist. Overigens is de ligging van de eenheden aan de rustige Zuiddijk goed met elkaar verenigbaar.
4.3 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De externe veiligheidsregelgeving is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en Besluit Buisleidingen en Externe Veiligheid. De regelgeving is gekoppeld aan de Wet ruimtelijke ordening.
38
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
Figuur 20 uitsnede risicokaart Nederland
In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen Bevi-inrichtingen aanwezig. In de nabijheid van het projectgebied er geen wegen, spoorwegen aanwezig of is water aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Door de afwezigheid van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen in de directe omgeving (bron: www.risicokaart.nl) van het bouwplan, voldoet de ontwikkeling aan de eis voor het plaatsgebonden risico (artikel 5 van het BEVI). Het plangebied ligt op ongeveer 830 meter vanaf de A7 en ligt derhalve ruim buiten het invloedsgebied van dit wegtracé. Uit het oogpunt van externe veiligheid is er geen belemmering voor de realisatie van het plangebied.
4.4 Milieuzonering Ten aanzien van de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder. Uitgangspunt hierbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van een milieugevoelige functie, sprake is van een aanvaardbaar leef- en verblijfsklimaat. Voor de afstemming tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient milieuzonering te worden toegepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Het doel van de VNG-publicatie is het bieden van een handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk en de publicatie biedt mogelijkheden voor maatwerk en flexibiliteit bij het inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving en bij het inpassen van woningen en andere gevoelige functies nabij bedrijven. Logiesverblijven worden niet aangemerkt als milieugevoelige bestemmingen. Het initiatief kan daarom geen van de in de nabijheid gelegen bedrijven hinderen. Bovendien is voor wat betreft het plangebied al sprake van een bestaande woonfunctie, waarmee omliggende bedrijven rekening moeten houden. 39
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
4.5 Luchtkwaliteit In Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, worden normen gesteld aan de luchtkwaliteit. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin de grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de wettelijke grenswaarden. De gevolgen van een ruimtelijk besluit voor de luchtkwaliteit hangen direct samen met de eventuele verkeersaantrekkende werking van het plan ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan dan wel de bestaande toestand. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan bestaat er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: - woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; - kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Gelet op de geringe ruimtelijke gevolgen door het initiatief is afgezien van een onderzoek naar luchtkwaliteit. Op basis van de specifieke kenmerken van het initiaitief staat in voldoende mate vast dat wordt voldaan aan de regelgeving en dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.6 Ecologie Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming. In dit geval is er sprake van een al gerealiseerd bouwwerk met nog te initiëren gebruik. Bij de sloop van de bijgebouwen en renovatie van het bijgebouw is rekening gehouden met het broedseizoen.
40
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
Een ecologische quickscan heeft voor de uitvoerbaarheid van de ruimtelijke procedure voor dat deel geen toegevoegde waarde. Het gebruik van het recreatieverblijf is vergelijkbaar met dat van het woongebruik en heeft geen andere gevolgen voor de aanwezige flora op het perceel. Voor de aanleg van de parkeerplaatsen is met behulp van de flora en faunacheck geconstateerd dat er geen beschermde soorten in het plangebied te verwachten zijn. Desondanks worden bij de werkzaamheden diverse zorgvuldigheidsuitgangspunten in acht genomen. Zo geldt dat de werkzaamheden niet tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd. Het plan behoort tot de categorieën: bestendig beheer en onderhoud; bestendig gebruik of ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en behelst een gebied van maximaal 1 ha en ligt buiten een natuurgebied. Er wordt tijdens werkzaamheden en daadwerkelijk gebruik / beheer wordt geen kunstlicht of geluidhinder naar de omgeving veroorzaakt en de werkzaamheden veroorzaken geen verrijkende effecten in Natura 2000gebieden in de directe omgeving. De werkzaamheden zijn daarom in overeenstemming met de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie (zie hierna), is op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Berekening stikstofdepositie In de Natuurbeschermingswet 1998 en Habitatrichtlijn is opgenomen dat een planologisch plan geen significante effecten mag hebben op Natura 2000. Natura 2000 is het Europese netwerk van natuurgebieden, maar het is ook de naam van het Europese beleid om de natuur en vooral de biodiversiteit in die gebieden te beschermen. Bouwplannen (ook kleinschalige plannen) kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatste van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Het gebruik van de woningen of inrichting (de gebruiksfase) kan leiden tot een emissie van stikstof. Deze emissie kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas (voor verwarming) en het autoverkeer van bewoners en/of bezoekers van de planlocatie. Ook kan sprake zijn van een emissie van stikstof als gevolg van de werkzaamheden in de aanlegfase, bijvoorbeeld als gevolg van de af- en aanvoer van bouwmaterialen en grondverzet op de bouwplaats.
Door BuroDB is op 28 maart 2023 onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie door het project (BuroDB, “Zuiddijk 11 in Zuidoostbeemster, herbestemming, Onderzoek stikstofdepositie”, NOT232317-55-01). Op basis van het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie kan worden gesteld dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Uit de voortoets blijkt dat voor het plan geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Het rapport is bijgevoegd als bijlage 1.
41
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
4.7 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologische erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde ‘veroorzakerprincipe’. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit vertaald in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die op 1 september 2007 van kracht is geworden. Met name de Erfgoedwet is door de Wamz aangepast en gaat concreet in op de bescherming van archeologische waarden in bestemmingsplannen. In 2003 is door de gemeente Beemster beleid geformuleerd ten aanzien van mogelijke archeologische waarden. Hiervoor is de 'Beleidsnota Archeologie gemeente Beemster' vastgesteld. Hierin worden archeologische waarden in de gemeente beschreven en voorgesteld wordt hoe de bescherming hiervan in toekomstige ruimtelijke plannen dient te worden geregeld.
Bij deze nota is een beleidsverbeelding gemaakt waarvan is af te lezen waar welk soort beschermingsregime van toepassing is. Buiten de kernen zijn de belangrijkste archeologiegebieden: de (voormalige) buitenplaatsen, boerderijerven, eendenkooien, molengangen en molenplaatsen en de Ringdijk. Voor deze gebieden is een bijzonder archeologisch regiem voorgesteld, dat tot uiting zou moeten komen in een aanlegvergunningenstelsel voor ingrepen, alsmede een dubbelbestemming voor bebouwing. Al naar gelang de waarde zijn hiervoor criteria genoemd. De locatie ligt op de archeologische beleidskaart in het 'overige grondgebied' waarbij een lage verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten. In 2008 heeft de gemeenteraad van Beemster dan ook besloten dat voor het overig gebied archeologisch onderzoek vervalt. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In 3.2.2 en 3.3 is ingegaan op een landschappelijke inpassing teneinde de ontwikkeling goed te laten passen in het UNESCO- Werelderfgoedgebied. Het plan is vanuit het oogpunt van archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar.
4.8 Bodemkwaliteit In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderbouwing van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. 42
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
Bij de renovatie van de bijgebouwen in het plangebied hebben geen bodemroerende activiteiten plaatsgevonden. Het plangebied heeft al de bestemming voor woondoeleinden zodat de bodemhygiëne in overeenstemming met het woongebruik moet worden verondersteld. Nader bodemonderzoek is in dit geval niet vereist en het voorgenomen initiatief is daarom uitvoerbaar.
4.9 Waterhuishouding Op grond van artikel 3.1.1 Bro is de watertoets verplicht voor bestemmingsplannen. In een hierover op te nemen paragraaf dient te worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.
Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Watertoets Uit de watertoets blijkt dat voor de beoordeling van het initiatief de belangrijkste regels uit de Keur het verbod op werkzaamheden in een waterkering en het verbod op toename van oppervlakteverhardingen betreffen. Werkzaamheden in de waterkering zijn alleen toelaatbaar als deze geen negatieve effecten op de stabiliteit of veiligheid van de waterkering hebben. Oppervlakteverharding is in beginsel mogelijk, maar als de oppervlakteverharding door een initiatief met meer dan 800 m2 toeneemt moet watercompensatie plaatsvinden. Beoordeling initiatief: waterkering In voorliggend geval is er bebouwing verwijderd en zijn twee bijgebouwen samengevoegd en vernieuwd. Hierdoor is er per saldo 60 m2 bebouwing verwijderd.
Omdat hier slechts sprake is van vernieuwing en geen fundering is bijgevoegd of verwijderd of toevoeging van bebouwing in de richting van de waterkering heeft plaatsgevonden, hebben de werkzaamheden geen negatieve effecten op de waterkering.
43
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
De gerealiseerde brug is beperkt van omvang en zorgt niet voor demping van oppervlaktewater of beperkingen voor de waterkering. Beoordeling initiatief: oppervlakteverharding Ten behoeve van het recreatieverblijf worden parkeerplaatsen aangelegd aan een bestaand pad. Hiervoor worden grastegels gebruikt met een hoge mate van waterdoorlaatbaarheid. Deze worden echter meegeteld in de oppervlakteverharding. De aanleg van de parkeerplaatsen meet in totaal 112,5 m2 (9 parkeerplaatsen maal 12,5 m2). Per saldo neemt de oppervlakteverharding met 52,5 m2 toe, hetgeen niet leidt tot verplichte watercompensatie. Het plan is wat betreft het aspect water uitvoerbaar. Voor de werkzaamheden in de waterkering wordt afzonderlijk een watervergunning aangevraagd.
4.10 Duurzaamheid Bij de renovatie van de bijgebouwen zijn allerlei moderne technieken gebruikt om een energieneutraal bijgebouw te realiseren. Zo is moderne isolatie gebruikt, worden de bijgebouwen gasloos verwarmd en zijn de daken voorzien van zonnecollectoren om de energievraag op te vangen. Deze maatregelen gaan veel verder dan het Bouwbesluit 2012 voor bijgebouwen voorschrijft.
4.11 Besluit milieueffectrapportage In het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt in MER-beoordelingsplichtige activiteiten en MER-plichtige activiteiten. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten waar op grond van het Besluit niet direct een MER-beoordelingsplicht of MER-plicht geldt, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Vooropgesteld wordt dat het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' ruimte voor interpretatie laat. Mede daardoor kan ook discussie ontstaan over de vraag wanneer sprake is van een wijziging van een dergelijk project. Niet iedere mogelijk gemaakte (wijziging van een) stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, kan aangemerkt worden als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. De voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van een recreatieverblijf in bestaande bijgebouwen. Uit voorliggende ruimtelijke onderbouwing blijkt verder ook dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Mocht toch blijken dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dan toont de voorliggende ruimtelijke onderbouwing aan dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu en dat een mer-beoordeling niet aan de orde is.
44
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Uit de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is niet gebleken dat er een financieel risico bestaat voor de uitvoerbaarheid van het project. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemers die alle kosten voor de ontwikkeling zelf hebben gedragen. Kostenverhaal van de gemeente vindt plaats via een anterieure overeenkomst. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet verplicht.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure). Ten aanzien van het ontwerpbesluit kan een ieder gedurende de inzagetermijn mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen bij het college. De vastgestelde ruimtelijke onderbouwing wordt samen met het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Mochten hierop zienswijzen worden ingebracht, dan volgt een belangenafweging, waarna het college een besluit neemt.
5.3 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bor is het plan voorgelegd aan betrokken bestuursorganen, nutsbedrijven en andere instanties.
45
Ruimtelijke onderbouwing transformatie kattenpension naar recreatieverblijf Zuiddijk 11 ZOB
14 september 2023
6 Conclusie Het voorliggende initiatief is een ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling. Voor het gevraagde kan een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12 eerste lid sub a, onder 3° van de Wabo genomen worden. Het Rijks-, provinciale of gemeentelijke beleid werpt geen belemmeringen op en ook vanuit de omgevingsaspecten zijn geen belemmeringen te verwachten. Op diverse milieuaspecten is onderzoek uitgevoerd. Hieruit zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Het voorliggende projectgebied heeft een lage kwalitatief ruimtelijke uitstraling en dat wordt met voorliggende herontwikkeling aanzienlijk verbeterd. Voorts past het toevoegen van een hoogwaardige recreatieverblijf binnen de visies op het gebied van recreatie en toerisme.
46