B Bijlage-1-ruimtelijke-onderbouwing-Middenweg-22a-incl bijlagen
Tekst van het document
Figuur 4.2 - Verharding plangebied (Bron: Google Earth) Bodem en grondwater Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit kalkrijke poldervaaggronden; zware klei. Het maaiveld is gelegen op 2,09 meter onder NAP. In het plangebied is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op een 0,25 meter beneden het maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand op een diepte van 0,85 meter beneden het maaiveld. Waterkwantiteit Het plangebied wordt omringd door water, zowel aan de noord-, oost-, zuid- als westzijde zijn secundaire watergangen gelegen. Aan de oostzijde wordt het erf gescheiden van de weg door een watergang (OAF-Q-132324) waarvoor de wegeigenaar onderhoudsplichtig is voor het buitengewoon onderhoud en het baggeren. Voor het gewone onderhoud (nat en droog) is de aanliggend eigenaar onderhoudsplichtig. Bij de overige watergangen (OAF-M-3052, OAF-M-3054, OAF-M-3053 en OAF-CS-19393) zijn de aanliggende eigenaren onderhoudsplichtig voor al het onderhoud. Alle watergangen hebben een beschermingszone die in figuur 4.3 blauw gearceerd is. In de watergang waaraan het achtererf grenst zit een duiker (KDU-M-3055), hiervoor is de belanghebbend eigenaar verantwoordelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
31
Figuur 4.3 - Watergangen (Bron: Legger Wateren 2021, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) Watersysteem en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het bestaande gebouw is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen In de toekomstige situatie wordt de bestaande bebouwing van het bedrijf uitgebreid. De loodsen met de nokrichting parallel aan de middenweg worden uitgebreid richting het noorden met 18 meter. Ter plaatse van deze beoogde uitbreiding is grotendeels verharding aanwezig. Het oppervlak van het onverharde deel dat in de toekomstige situatie bebouwd zal zijn bedraagt circa 200 m².
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
32
Figuur 4.4 - Beoogd uitbreidingsvlak (blauwe contour) met onverhard deel (oranje contour) Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hanteert een grenswaarde van 800 m². Bij een plan met een toename in verharding van minder dan 800 m² is compensatie niet verplicht. De toename in verharding bij de beoogde ontwikkeling bedraagt maximaal 200 m², derhalve is geen compensatie noodzakelijk. Watersysteem en waterkwaliteit De ontwikkeling van dit plangebied bevindt zich in een polder met een dynamisch peilgebied van NAP -4,37. Het regenwater van de nieuwe bebouwing wordt direct afgekoppeld en afgevoerd naar de bestaande watergang aan de noordzijde. Met betrekking tot het afstromend hemelwaterwater raden wij aan om terughoudend om te gaan met uitlogende materialen zoals koper, lood en zink. Als uit architectonische overwegingen gekozen wordt voor bijvoorbeeld een zinken dak, kan een zuiverende voorziening noodzakelijk zijn. Klimaatadaptatie Geadviseerd wordt om bij de inrichting van het omliggende terrein rondom de uitbreiding van het bedrijf rekening te houden met een klimaat adaptieve inrichting. Het gaat dan om bijvoorbeeld om het aanleggen van verharding die waterdoorlatend is.
Het plan biedt hiertoe goede kansen en daarmee kan voorkomen worden dat er een toename van hittestress plaatsvindt. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering De ontwikkeling heeft geen invloed op de afvalwaterketen en de riolering. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
33
4.9
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor parkeren hanteert de gemeente Purmerend de meest recente parkeernormen van het CROW. Deze vormen het uitgangspunt maar de kanttekening wordt geplaatst dat het berekenen van de parkeerbehoefte altijd maatwerk is en sterk wordt bepaald door de specifieke locatie en ontwikkeling. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Purmerend en heeft een niet stedelijk karakter Onderzoek Ontsluiting Het projectgebied bevindt zich aan de Middenweg in het buitengebied van de gemeente Purmerend. De ontsluiting vindt plaats via een voorrangsweg buiten de bebouwde kom waar een maximale snelheid van 80 km/uur geldt. Langzaam verkeer Het langzame verkeer wordt op de Middenweg van het gemotoriseerd verkeer gescheiden. Parkeren De parkeerbehoefte van een ontwikkeling wordt doorgaans bepaald aan de hand van het gemeentelijke parkeernormenbeleid (Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016).
Binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid is de ligging van het plangebied gedefinieerd als 'rest bebouwde kom' en sluit de beoogde ontwikkeling het beste aan bij de functie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Voor deze functie geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 100 m² bvo. Uitgaande van een oppervlakte van 900 m² bvo leidt de beoogde uitbreiding op basis van de gemeentelijke parkeernormen tot een aanvullende parkeerbehoefte van 9 parkeerplaatsen. De beoogde parkeerbehoefte conform de gemeentelijke parkeernormen sluit echter niet goed aan op de daadwerkelijke verwachte parkeerbehoefte van de aanwezige functie. De beoogde uitbreiding is namelijk uitsluitend bedoeld ten behoeve van het binnen opslaan van materiaal en materieel dat in de huidige situatie al aanwezig is. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een stijging van het aantal werknemers waardoor de parkeerbehoefte van het bedrijf gelijk zal blijven. Er is dan ook geen aanleiding om aanvullende parkeergelegenheid te realiseren. Daarnaast is naast de aanwezige parkeerplaatsen nog voldoende ruimte op eigen terrein om te voorzien in de parkeerbehoefte. Verkeersgeneratie De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van de bouwmogelijkheden van een bedrijf om materiaal en materieel wat nu op het buitenterrein opgeslagen wordt, overdekt op te kunnen slaan.
Met de uitbreiding zullen de verkeersbewegingen op locatie niet toenemen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
34
4.10
Geluid
Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Onderzoek Een bedrijf betreft geen gevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. Wel kan de uitbreiding van bebouwing resulteren in meer geluidsoverlast omdat het aantal verkeersbewegingen kan toenemen. In dit geval beoogt het bedrijf zelf geen uitbreiding waarmee meer verkeersbewegingen gepaard gaan. De uitbreiding is gewenst om materiaal en materieel wat in de huidige situatie in de buitenlucht wordt opgeslagen, voortaan binnen op te kunnen slaan. Daarbij is ook akoestisch onderzoek naar de representatieve bedrijfssituatie niet nodig omdat aan de minimale richtafstand voor geluid wordt voldaan. Een nadere onderbouwing hiervoor is opgenomen in paragraaf 4.6. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Er is geen sprake van een activiteit genoemd in het Besluit m.e.r. Omdat het plan niet als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. wordt gezien is een vorm-vrije m.e.r.-beoordeling en m.e.r.-beoordelingsbesluit niet nodig.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
35
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Er hoeft geen exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro te worden vastgesteld. De beoogde ontwikkeling betreft alleen een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. De vergoeding van plankosten wordt geregeld via de legesverordening. Ook is een planschadeovereenkomst gesloten waarin is geregeld dat de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie De ontwikkeling die mogelijk gemaakt wordt met deze ruimtelijke onderbouwing is door de initiatiefnemer besproken met omwonenden. Er hebben fysieke gesprekken plaatsgevonden met 11 omwonenden. Een van de omwonende heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen de ontwikkeling omdat de beoogde bebouwing het zicht op het landschap gedeeltelijk ontneemt. Alternatieven voor de uitbreiding zijn door de initiatiefnemer overwogen, maar de plannen zijn naar aanleiding van het bezwaar niet aangepast. De keuze voor de uitbreiding in het verlengde van de huidige nokrichting is qua bouwplan de meest logische keuze. Alternatieve uitbreidingen zijn ook niet bevorderend voor het zicht op het landschap. De overige omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de beoogde ontwikkeling. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg artikel 3.1.1 Bro wordt de ontwerp-omgevingsvergunning aan de gebruikelijk overleginstanties toegestuurd. Terinzagelegging De ontwerp-omgevingsvergunning, inclusief bijbehorende ruimtelijke onderbouwing, wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze kenbaar te maken. Mocht hierop zienswijzen worden ingebracht, dan volgt een belangenafweging waarna het college een besluit neemt.
Bijlagen toelichting Bijlage 1 Memo stikstofberekening Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
36
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
Bijlage 1 Memo stikstofberekening
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres:
Rho Adviseurs Postbus 150 3000 AD Rotterdam
Tel: E-mail: Uitvoering: Adres: Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider: Auteur: Kwaliteitscontrole: Projectcode: Status: Datum:
RANA2227 Definitief 25-2-2022
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.
2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens om twee loodsen te verlengen aan de Middenweg 22a te Noordbeemster. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkelingen in het proje ctg e b i e d niet strijdige zijn met de Wet natuurbescherming. De loodsen van loonbedrijf “De Vlijt” bieden geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen of jaarrond beschermde nestlocaties van broedvogels. De groenstructuren in het projectgebied blijven behoud en , d e rh a l ve worden er geen negatieve effecten verwacht voor te komen op het aanwezige functionele leefgebied van de huismus. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht voor te komen. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op Natura 2000-gebieden kunnen o p vo o rh a n d n i e t worden uitgesloten. In de Wet natuurbescherming (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntro ducee rd va n d e Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. Voor de realisatiefase van het realiseren van bouwwerken is vanaf 1 juli 2021 geen vergunning benodigd. De ui tb re i d i n g van de huidige situatie kan leiden tot een toename in stikstofemissie.
Om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000 -gebieden, is het aan te bevelen een stikstofberekening te maken met behulp van de “AERIUS Calculator”. Er is geen aanvullend onderzoek naar beschermde flora en fauna nodig, alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen van vogels plaats moeten vinden (globaal maart – augustus), dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te w o rd e n uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te w o rd e n getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaam heden uit te vluchten. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding.............................................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ........................................................................................................................................ 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving .................................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming................................................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ..................................................................................................................................... 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ..................................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer...................................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen................................................................................................................ 8 Projectgebied................................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen .............................................................................................................................................. 8
3 Soortbescherming........................................................................................................................................... 9 3.1 Bronnenonderzoek ....................................................................................................................................... 9 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................................... 9 3.2.1 Zoogdieren ................................................................................................................................................. 9 3.2.2 Vogels....................................................................................................................................................... 10 3.2.3 Amfibieën.................................................................................................................................................. 10 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................................. 10 3.2.5 Vissen .......................................................................................................................................................
10 3.2.6 Ongewervelden ....................................................................................................................................... 10 3.2.7 Vaatplanten .............................................................................................................................................. 10 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ...................................................................... 10 3.3 Effecten ........................................................................................................................................................ 10 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ......................................................................................................................... 11 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming .............................................................. 11 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ......................................................................................... 11 3.4.2 Mitigerende maatregelen ....................................................................................................................... 11 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming ..................................................................................................... 12 4 4.1
Gebiedsbescherming ................................................................................................................................... 13 Effecten ........................................................................................................................................................ 13
5 5.1 5.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................................... 14 Conclusies ................................................................................................................................................... 14 Aanbevelingen............................................................................................................................................. 14
6
Literatuur ......................................................................................................................................................... 15
Bijlage 1: Foto-impressie ......................................................................................................................................... 16 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten....................................................................................................... 17
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens om twee loodsen te verlengen aan de Middenweg 22a te Noordbeemster. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadvise e rd o ve r d e vervolgstappen. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen u i t d e We t natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherm i ng zi j n er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habita ts van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De af sp ra ke n zi j n vastgelegd in het ‘Besluit algemene regels ruimtelijke ordening’ en zijn uitgewerkt in de provinciale verordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’-regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in het NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van d e mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden e n voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt v oor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatre ge l e n tre f t o m die gevolgen te voorkomen, of; c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het w ild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te verniele n of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is o p de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artik el 3.5 va n d e We t natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun na tuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rap en. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bi j l a g e I b i j het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen i n artikel 3.10 van d e We t natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de so o rte n , genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bij lage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, ind i e n i s voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zi j n o p d e aanwezige beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving va n d e projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Purmerend in kilometerhok: X: 124 / Y: 511 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft de werkplaats van loonbedrijf “De Vlijt” aan de Middenweg 22a te Noordbee ms te r. H e t bedrijf bestaat uit vier loodsen met aan de oostkant de oprit en aan de westkant een plein met opslag. Aan de noord-, oost-, zuid- en westkant van het projectgebied is een watergang aanwezig. Langs de zuidkant zijn een aantal knotwilgen aangeplant. Op het terrein is aan de oostkant een woonhuis aanwezig. Rond het woonhuis zi j n er een aantal solitaire bomen, een heg en een gazon aanwezig. Dit woonhuis wordt niet meegenomen in de quickscan, omdat het buiten de werkzaamheden in het projectgebied valt. In bijlage 1 is een sfeerimpre ssi e va n het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN De geplande ontwikkelingen in het projectgebied betreffen de uitbreiding van de huidige loodsen (afbe e ld i ng 2 ) . De initiatiefnemer is voornemens om de twee loodsen gefaseerd met 19 meter in noordelijke rich ting te verlengen. Hiermee wordt het bestaande bouwvlak met ongeveer 9 meter overschreden. In de eerste fas e w o rd t de meest westelijk gelegen loods uitgebreid en in fase 2 wordt ook de tussengelegen loods uitgebreid (Rho Adviseurs).
Afbeelding 2: Geplande ontwikkelingen (bron: Rho Adviseurs)
8
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgege ve ns geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebi e de n . Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebra ch t. U i t h e t bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke moge lijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn u i t de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectge b i e d te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van he t verbo d o p d o d e n e n verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Noord-Holland zij n m i d d el s artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepali n ge n uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht b lijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord -Holland een meldingsplicht bij aanvang van de werkzaamheden indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog so o rte n worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsg e vo n d e n op 27 januari 2022 en is uitgevoerd door Tijdens de habitatscan was het droog, zwaar bewolkt, met een temperatuur van circa 9 °C en een windkracht van 4 Bft. 3.2.1
ZOOGDIEREN
De loodsen in het projectgebied bieden geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. Vleerm ui ze n ku n n en onder andere verblijven in ruimtes in de spouwmuur, onder dakpannen, achter gevelbekleding of onder loodflappen. De loodsen zijn opgebouwd uit aluminium gevelprofielen met een golfplaten dak. Er zijn geen ruimtes achter de metalen gevelbekleding aanwezig welke potentiële verblijfplaatsen voor vlee rm u i zen b i e d e n. De gevelbekleding op de bebouwing is bovendien te glad om als landingsplaats door vleermuizen te kunnen worden gebruikt. In het projectgebied zijn geen boomholtes aanwezig. Er worden geen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten verwacht voor te komen in het projectgebied. In het projectgebi e d zi j n g e e n lijnvormige elementen aanwezig die door vleermuizen als vliegroute kunnen worden gebruikt. De bomen rond h e t woonhuis aan de oostkant van het projectgebied kunnen door vleermuizen als foerageergebied gebruikt worden. In de omgeving van het projectgebied zijn de soorten de bunzing, hermelijn, noordse woelmuis, wa te r sp i tsmu i s en de wezel bekend voor te komen. De omgeving van het projectgebied bestaat vrijwel uitsluitend uit open landbouwgronden met weinig schuilmogelijkheden. In het projectgebied is één heg aanwezig van enkele meters lang, het projectgebied bestaat verder uit gazon en betegeling.
Het projectgebied biedt geen potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen. Er worden geen kleine marterachtigen verwacht voor te komen in het projectgebied. De noordse woelmuis komt voornamelijk voor in vochtige gebieden met flauwe oevers en hoge vegetatie, bij voorkeur grasachtige planten. De waterspitsmuis komt voor in en langs water met ruig begroeide oevers. Door d e afwezigheid van een watergang, begroeide oevers en hoge vegetatie worden de noordse woelmuis en de waterspitsmuis niet verwacht voor te komen in het projectgebied. 9
3.4.3
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand worden uitgesloten indien buiten het broedseizoen van vogels wordt gewerkt.
12
4
GEBIEDSBESCHERMING
Het projectgebied is niet gelegen in een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt o p ruim 3 kilometer van het projectgebied en betreft de “Eilandspolder”. Op circa 2 kilometer van het pro j e ctg e b i e d ligt een gedeelte van het NNN. Dit kerngebied maakt onderdeel uit van het gebied “Oeverlanden Beemsterringvaart”.
Afbeelding 2: Projectgebied ten opzichte van beschermde natuur (geoapps.noord-holland.nl)
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich niet in de nabijheid van beschermde natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe ef f e cte n u i t te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Als gevolg van de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. In de Wet natuurbescherming (artikel 2.9a) is een partiële vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000- vergunnin g p l i cht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. Voor de realisatiefase van het realiseren van bouwwerken is vanaf 1 juli 2021 geen vergunning benodigd. Er is sprake van uitbreiding ten opzichte van de huidige situatie. In de gebruiksfase is het mogelijk dat er een toename ontstaat in het aantal verkeersbewegingen. De ontwikkeling van de nieuwe gebruiksfase zou kunnen leiden tot een toename in stikstofemissie. Om uitsluitsel te geven of de werkzaamheden een effect hebben op Natura 2000-gebieden, is he t aan te bevelen een stikstofberekening te maken met behulp van de “AERIUS Calculator”.
13
6
LITERATUUR
BIJ12 (2017) Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 (2017) Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, (2011) Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Netwerk Groene Bureaus (2017) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherm i n g, j u l i 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereni ging (2020) Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020. Internet NDFF geoapps.noord-holland.nl www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
15
Bijlage 1:
Foto-impressie
16