B Bijlage-1-ruimtelijke-onderbouwing-Middenweg-22a-incl bijlagen
Tekst van het document
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Bestaande situatie
11
2.2
Beoogde situatie
12
Hoofdstuk 3
Ruimtelijk beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
14
3.3
Gemeentelijk beleid
19
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
21
4.1
Inleiding
21
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
21
4.3
Ecologie
22
4.4
Bodem
24
4.5
Externe veiligheid
24
4.6
Bedrijven en milieuzonering
27
4.7
Luchtkwaliteit
28
4.8
Water
29
4.9
Verkeer en parkeren
33
4.10
Geluid
34
4.11
Kabels en leidingen
34
4.12
Milieueffectrapportage
34
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
35
5.1
Economische uitvoerbaarheid
35
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
35
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Memo stikstofberekening
Bijlage 2
Quickscan Wet natuurbescherming
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
4
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Middenweg 22a in Noordbeemster is Loonbedrijf De Vlijt gevestigd. De eigenaar (en ook initiatiefnemer) is voornemens de bebouwing van het loonbedrijf uit te breiden. Het project is in strijd met de geldende planologische regeling omdat het bestemmingsplan niet voorziet in bedrijfsgebouwen buiten het bouwvlak op agrarisch bestemde gronden. Daarnaast is in het huidige bestemmingsplan geen mogelijkheid opgenomen om het bouwvlak uit te breiden en kan ook geen gebruik gemaakt worden van de kruimelafwijking omdat daar buiten de bebouwde kom beperkingen op liggen waaraan de ontwikkeling niet voldoet. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is een omgevingsvergunning voor de activiteit 'Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' nodig. Bij deze omgevingsvergunning is deze ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Purmerend, aan de Middenweg in Noordbeemster (zie figuur 1). De Middenweg is een lint in agrarisch landschap waaraan zich zowel woningen als (agrarische) bedrijven bevinden en de percelen veelal omringd zijn door watergangen. Het plangebied bevindt zich aan de westkant van de Middenweg. Aan noordzijde grenst een agrarisch perceel en aan de zuidzijde een agrarisch bedrijf. De achtergelegen gronden zijn agrarisch bestemd en aan de overzijde van de weg bevinden zich twee woningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
8
Figuur 1.1 - Ligging plangebied (Bron: Google Earth) Het betreft de kadastrale percelen in de gemeente Purmerend, sectie B, nummers 1490, 1555 en 1568.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het postzegelbestemmingsplan 'Middenweg 22a' dat is vastgesteld op 30 juni 2015. In 2014 is het bestemmingsplan 'Middenweg 22a 2014' vastgesteld voor het grondgebied. Op 30 juni 2015 is ter plaatse van het projectgebied het postzegelbestemmingsplan 'Middenweg 22a' vastgesteld. Thans geldt voor het projectgebied het bestemmingsplan 'Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021'. Op het perceel zijn gedeeltelijk de enkelbestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch - Hulpbedrijf' en 'Tuin' en de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' gelegen. De bebouwing op het erf mag maximaal 55% van het bouwvlak bedragen. Voor het voorste gedeelte van de bedrijfsbebouwing en de woning geldt een maximale goothoogte van 5 meter en een maximale bouwhoogte van 8 meter. Het achterste gedeelte van de bedrijfsbebouwing waar de bouwaanduiding 'nokrichting uitgesloten' geldt, zijn de maximale goot- en bouwhoogte 0,2 meter hoger dan voor het voorste gedeelte. Dit betekent dat voor het achterste gedeelte een goothoogte geldt van 5,2 meter en een bouwhoogte van 8,2 meter. Als laatste geldt een voorwaardelijke verplichting voor het mogen gebruiken van de gronden overeenkomstig de bestemming 'Agrarisch - Hulpbedrijf'.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
9
De voorwaardelijke verplichting houdt in dat het gebruik van de gronden overeenkomstig de bestemming 'Agrarisch - Hulpbedrijf' alleen is toegestaan indien de volgende drie ruimtelijke maatregelen zijn getroffen en in stand worden gelaten, zoals weergegeven in bijlage 1 van het bestemmingsplan 'Middenweg 22a', te weten: a. nabij de dam dient een deel van de verharding bij het groene voorerf te worden betrokken, waarbij de verharding tot de eerste geplande boom wordt teruggebracht. Het nieuwe voorerfdeel dient ingericht te worden/blijven met gras en bomen, aansluitend op de huidige beplanting op het groene voorerf; b. de bestaande houtige beplanting op de zuidelijke erfrand dient aangelengd te worden tot de achtererfgrens; c. aan de achterzijde van het beoogde erf dient een achtererfsloot gegraven te worden, voorzien van ten hoogste één brug of dam met duiker ter ontsluiting van de achterliggende agrarische productiegronden. De beoogde uitbreiding van de loodsen levert geen strijdigheid op met de genoemde maatregelen in de voorwaardelijke verplichting. De maatregelen van de voorwaardelijke verplichting zijn reeds uitgevoerd en het perceel is conform de maatregelen ingericht.
Figuur 1.2 - Vigerend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijke plannen)
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige planologische situatie beschreven. Waarna in hoofdstuk 3 de beoogde ontwikkeling getoetst wordt aan het vigerende beleid. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de milieuaspecten toegelicht waaraan in hetzelfde hoofdstuk getoetst wordt. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
10
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
11
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Op het erf aan Middenweg 22a in Noordbeemster bevindt zich Loonbedrijf De Vlijt. Het erf is voornamelijk bebouwd met bedrijfsbebouwing ten behoeve van het agrarisch hulpbedrijf dat hier gevestigd is. Aan de voorzijde van het erf bevindt zich de bedrijfswoning. Schuin hierachter begint het bedrijfserf. Er bevinden zich twee rechthoekige schuren haaks op de Middenweg, met daarachter twee schuren die evenwijdig aan de Middenweg geplaatst zijn (zie figuur 2.1). Op de achterzijde van het erf worden spullen opgeslagen ten behoeve van het bedrijf. Het bebouwd oppervlak (bedrijfswoning, -gebouwen, overkappingen en overige opstallen t.b.v. het bedrijf) binnen het bouwvlak bedraagt 3.824 m². Hiermee is in de huidige situatie het percentage bebouwd oppervlak overschreden. Daarmee is het percentage bebouwd oppervlak met 5,2% overschreden ten opzichte van wat planologisch wordt toegestaan (55%).
Figuur 2.1 - Luchtfoto bedrijfsbebouwing Loonbedrijf De Vlijt (Bron: Google Earth) Het bedrijf verricht activiteiten met betrekking tot verhardingswerken, bestratingen, loonwerkzaamheden, groenaanleg en -onderhoud, omgevingswerken en grondwerken. Het plangebied heeft voor een groot gedeelte de bestemming 'Agrarisch - Hulpbedrijf' (oppervlakte bestemming: 6.352 m²). Onder een 'agrarisch hulpbedrijf' wordt verstaan: "een bedrijf dat uitsluitend of in overwegende mate gericht is op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven en verder ook als agrarisch bedrijf kan functioneren'. Stichting Agrarische Beoordelings Commissie (Abc) heeft in het advies van 8 juni 2022 geconstateerd dat Loonbedrijf De Vlijt voor 95% agrarisch loonwerk (voor agrarische sectoren veehouderij, akkerbouw en bollenteelt) verricht en voor 5% niet-agrarische loonwerk. Daarmee valt het bedrijf aan te merken als een agrarisch hulpbedrijf c.q. loonbedrijf in de zin van zowel het bestemmingsplan 'Buitengebied Beemster 2012 Partiele herziening 2021'als de Omgevingsverordening Noord-Holland. Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
12
2.2
Beoogde situatie
De initiatiefnemer is voornemens de twee loodsen die evenwijdig aan de Middenweg gesitueerd zijn uit te breiden. De uitbreiding zal plaatsvinden in twee fases waarbij uiteindelijk beide loodsen aan de noordzijde met 18 meter uitgebreid worden. Elke fase betreft de uitbreiding van één gedeelte, waarbij als eerst de achterste loods uitgebreid zal worden om vervolgens de voorste loods uit te breiden. De loodsen die haaks op de Middenweg staan blijven ongewijzigd. Initiatiefnemer ervaart, door het grote machinepark voor de verschillende agrarische werkzaamheden, gebrek aan inpandige stallingsruimte. De uitbreiding van de bedrijfsgebouwen wordt noodzakelijk geacht om de uitbreiding van de voertuigenopslag te realiseren en alle machines binnen te kunnen stallen. Dit verlengt de levensduur en de bedrijfszekerheid ervan en vergemakkelijkt het onderhoud. De huidige bedrijfsgebouwen die parallel aan de weg gesitueerd zijn zullen met 18 meter worden verlengd. Met deze uitbreiding wordt in ieder geval een minimale afstand van 7,2 meter behouden vanaf de bebouwing tot aan de kopergravuresloot die grenst aan het perceel. De uitbreiding vindt plaats over een breedte van 50 meter waardoor de huidige bedrijfsgebouwen uitgebreid worden met 900 m². Het grootste gedeelte van de bebouwing, circa 550 m², wordt binnen het huidige bouwvlak gesitueerd.
Het overige gedeelte, circa 350 m², wordt buiten het bouwvlak gerealiseerd. Met de uitbreiding van de loodsen wordt het percentage bebouwd oppervlak binnen het bouwvlak verder overschreden. Het percentage bebouwd oppervlak binnen het bouwvlak betreft na de beoogde uitbreiding 68,9% (exclusief 350 m² die buiten het bouwvlak wordt toegevoegd). In totaal bedraagt het bebouwd oppervlak na uitbreiding 4.724 m².
Figuur 2.2 - Beoogde gefaseerde uitbreiding
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
13
Hoofdstuk 3
3.1
Ruimtelijk beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) en Barro (2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het Bkl is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.
Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Toetsing en conclusie De NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. In het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro, 2011) heeft het Rijk de Beemster als werelderfgoed vastgelegd. De door UNESCO benoemde ‘Uitzonderlijke en Universele Waarde’ (UUW) van de Beemster zijn gelijk aan de waarden waaraan getoetst wordt in paragraaf 3.2.2 onder artikel 6.49 lid 1. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017) Ieder bestemmingsplan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument met het doel efficiënt ruimtegebruik te bevorderen. Voor stedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Indien het bestemmingsplan de ontwikkelingen mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
14
Toetsing en conclusie Met de ontwikkeling worden de bouwmogelijkheden van een agrarisch loonbedrijf uitgebreid. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Gezien de agrarische bestemming is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 (vastgesteld d.d. 19 november 2018) De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kúnnen investeren in een prettige leefomgeving. Het leefbaar houden van Noord-Holland vraagt om grote investeringen in het landschap, natuurontwikkeling en de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap Noord-Holland beschikt over een unieke en rijke variatie aan (open) landschappen, ruimtelijke structuren, aardkundige en archeologische waarden, cultuurhistorie en gebouwd (wereld)erfgoed. De provincie onderscheidt zich door haar openheid, de grote afwisseling en de contrasten in het landschap. Voor de leefomgevingskwaliteit is het essentieel deze waarden en karakteristieken van landschap en cultuurhistorie te benoemen, te behouden, waar nodig adequaat te herstellen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. En het gaat er om ontwikkelingen en transities te benutten om een goede landschapskwaliteit in stand te houden en zo nodig te creëren.
Toetsing De ontwikkeling bevindt zich in de Beemster waar openheid, cultuurhistorie en landschapsstructuren erg belangrijk zijn. Deze kernkwaliteiten dienen aantoonbaar in stand gehouden te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich op kleinschalig niveau en rijkt niet verder dan de grenzen van het erf. Met de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen wordt de aanwezige landschapsstructuur dan ook niet aangetast en worden de doorzichten vanaf de Middenweg naar het achtergelegen open landschap niet aangetast. De zichtlijn wordt in de huidige situatie al belemmerd door de aanwezigheid van een bedrijfswoning. Daarnaast bevinden zich meerdere bedrijven van een vergelijkbare omvang in het lint van de Middenweg waardoor de ontwikkeling ook aansluit bij, en passend is in de karakteristiek van het lint. In paragraaf 3.2.2 wordt nader ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief. Met het realiseren van de beoogde ontwikkeling blijven de kernkwaliteiten behouden. Conclusie De Omgevingsvisie NH2050 vormt geen belemmering voor beoogde ontwikkeling. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 (vastgesteld d.d. 16 november 2020) In de Omgevingsverordening NH2020 heeft de provincie regels gesteld om de provinciale hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 juridisch te borgen.
Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De Omgevingsverordening is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. Uit de Omgevingsverordening zijn voor het voorliggende bestemmingsplan alleen artikel 6.33, 6.49 en 6.59 met bijbehorende beleidsdocumenten relevant. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan deze artikelen getoetst.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
15
Afdeling 6.3 Land- en tuinbouw Artikel 6.33 Agrarische bedrijven 1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied agrarische bedrijven voorzien in agrarische bedrijven, waarbij geldt dat: a. bebouwing wordt geconcentreerd in een bouwperceel, waarbij de omvang van het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt. b. bij het toestaan van een nieuw bouwperceel wordt gemotiveerd waarom niet op bestaande bouwpercelen in de behoefte kan worden voorzien, waarbij ingegaan wordt op de mogelijkheden tot hergebruik van bouwpercelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut en op het combineren van functies op bestaande bouwpercelen. c. in afwijking op onderdeel a is een omvang van het bouwperceel van meer dan 2 hectare toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft. d. in afwijking op onderdeel a geldt dat de omvang van een bouwperceel voor een glastuinbouwbedrijf meer kan bedragen dan 2 hectare, indien het bedrijf grenst aan bestaand stedelijk gebied, niet grenst aan andere glastuinbouwbedrijven, sprake is van grondgebonden teelt en sprake is van aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke functies. e. per volwaardig agrarisch bedrijf kan ten hoogste één bedrijfswoning worden toegestaan. f.
in afwijking van onderdeel e geldt dat een extra bedrijfswoning kan worden toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering. g. ten behoeve van de bedrijfsvoering kan worden voorzien in de huisvesting van tijdelijke werknemers, indien: de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel, en; het een ondergeschikte functie ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. h. indien het agrarisch bedrijf is gelegen in veenpolderlandschap, bevat het ruimtelijk plan een verbod op het scheuren van grasland, tenzij wordt aangetoond dat dit bijdraagt aan meer biodiversiteit in het grasland en daarbij bodemerosie en extra CO2 uitstoot wordt vermeden. 2. Niet-agrarische bedrijfsfuncties zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij geldt dat: a. uitsluitend kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij, detailhandel en zorgfuncties zijn toegestaan; en b. de omvang past binnen de op basis van het eerste lid bepaalde omvang van het bouwperceel. 3. Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: a. het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; b. het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of c.
het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en d. de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt. 4. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de aard en omvang van de in het tweede lid genoemde niet-agrarische bedrijfsfuncties. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van bouwmogelijkheden van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf. Het bouwvlak in de bestaande situatie heeft een oppervlak van 6.352 m2. Een gedeelte van de bebouwing (ca. 350 m2) komt buiten het bestaande bouwvlak te liggen. De oppervlakte van het bouwperceel blijft hiermee ruim onder de 2 hectare.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
16
Afdeling 6.4 Beschermd landelijk gebied Artikel 6.49 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde 1. De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 7 bij de verordening. 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. 3. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten. 4. In afwijking van het derde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject, voor zover: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid te mitigeren of te compenseren. 5. Ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet een ruimtelijk plan niet in een windturbine. 6.
Ter plaatse van Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam voorziet een ruimtelijk plan niet in een opstelling voor zonne-energie, tenzij de gronden zijn bestemd voor of feitelijk in gebruik zijn als nutsvoorzieningen, weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. 7. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, onder c, plaatsvindt. Bijlage 7 - Kernkwaliteiten van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Het plangebied bevindt zich in werelderfgoed De Beemster. In bijlage 7 zijn hier de volgende kwaliteiten voor opgenomen: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit: a. het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; b. de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); c. het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; d. bebouwing langs de wegen; e. de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; f. de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; g. de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; h. de structuur van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3.
Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster. Toetsing De beoogde ontwikkeling bevindt zich binnen de grenzen van het erf en de aanwezige landschapsstructuren niet worden aangetast. De uitbreiding van de loodsen zal gerealiseerd worden achter de bestaande bedrijfswoning, hierdoor wordt het doorzicht naar het achtergelegen landschap niet belemmerd en blijft de aanwezige openheid behouden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
17
Afdeling 6.5 Ruimtelijke inpassing landelijk gebied Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. 3. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 4. Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing.
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De voorgenomen ontwikkeling betreft een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. In dit geval is de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zoals vastgesteld op 10 april 2018 van toepassing. Hierna wordt het relevant beleid uit de leidraad voor de beoogde ontwikkeling beschreven. De ambities, ontwikkelprincipes, ontstaansgeschiedenis en provinciale kernwaarden van De Beemster worden betrokken bij de ontwikkeling. Ontstaansgeschiedenis De Beemster De Beemster werd in 1612 als eerste van de reeks grote droogmakerijen van de Gouden Eeuw drooggelegd. De droogmakerijen werden met geometrische precisie ingericht. De Beemster staat bekend als het hoogtepunt van de Hollandse landmeetkunde uit die tijd vanwege zijn indeling in volkomen vierkanten. De Beemster werd om deze redenen in 1999 op de UNESCO-Werelderfgoedlijst geplaatst. De kernkwaliteiten van de Beemster werden verbeeld op de kopergravure ‘Bedyckte Beemster’ uit 1644. Aan de noordoostzijde van de Beemster lag een klein gebied waarbinnen de indeling afweek van het rationele raster, het Kruisoord. Dit was een restant van het oude veenland dat binnen de ringdijk kwam te liggen en waar de oude perceelindeling werd gehandhaafd.
In de Beemster werden vier dorpen gevestigd, waarvan twee als lintbebouwing (Zuidoostbeemster en Westbeemster) en twee als kruisdorpen (Middenbeemster en Noordbeemster). De Beemster werd drooggemaakt met behulp van 40 molens in trappen van twee en drie gangen. Na 1632 werd de bemaling verbeterd en werd aan een aantal molengangen een vierde trap toegevoegd. Begin 20e eeuw werden de in totaal 50 poldermolens vervangen door gemalen en zijn de molens allemaal verdwenen. Provinciale kernwaarden - Schermer-Beemster I. De landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. II. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. III. De ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
18
I. Landschappelijke karakteristiek De landschappelijke karakteristiek van de Beemster wordt gevormd door een raster met gelijkwaardige wegen en vaarten die allemaal beplant zijn. Dit zorgt voor een droogmakerij met zeer herkenbare indeling in vierkanten. Aan de rand zijn de Beemstervierkanten afgekapt door de ringdijk. De geometrische indeling komt op verschillende schaalniveaus terug in sloot- en wegenpatroon, kavelverdeling, -inrichting en de bebouwing. De vierkante opzet van de erven met een vaste situering van de boerderijen (stolpen) in de Beemster is uniek. II. Openheid en ruimtebeleving In de Beemster begrenzen de laanbeplanting en bebouwing langs rasterwegen de openheid. Hierdoor ontstaan grote vierkante ‘kamers’ met daarbinnen een verdere opdeling in rechthoekige kavels. III. Ruimtelijke dragers De ringdijk van de Beemster is in tegenstelling tot die van de Schermer beplant. Het polderraster bestaat uit hoger gelegen, beplante wegen. De hooggelegen en beplante snelweg A7 is aangelegd langs de Oostersloot en volgt daardoor deels het raster van de polder en is als zodanig beeldbepalend. Dynamiek De Beemster heeft de UNESCO-Werelderfgoedstatus. In het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro, 2011) heeft het Rijk de Beemster als werelderfgoed vastgelegd.
De door UNESCO benoemde ‘Uitzonderlijke en Universele Waarde’ (UUW) van de Beemster zijn gelijk aan de waarden waaraan getoetst wordt in deze paragraaf onder artikel 6.49 lid 1. Ambities en ontwikkelprincipes De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Onderstaande ambities en de bijbehorende ontwikkelprincipes zijn vertrekpunt bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit. 1. De drie deelgebieden vormen een contrastrijk ensemble. a. het behouden en versterken van de contrasten tussen de drie landschappelijke deelgebieden b. het intact houden van de openheid en de ruimtebeleving van de deelgebieden c. het manifest houden van de landschappelijke overgangen vanaf de hoofdwegen 2. De Beemster: Werelderfgoed en droogmakerij met raster van vierkanten. a. behoud van het vierkante raster (grid) van waterlopen, wegen en rechthoekige poldervlak b. behoud van de gelijkwaardigheid van de polderwegen en het transparant houden van (lint)bebouwing c. een eenduidige verschijningsvorm van ringdijk en ringvaart d. het herkenbaar houden van het waterhuishoudingssysteem e.
het behouden van de openheid van de Beemster, gekenmerkt door transparante kamers f. het ontwikkelen aan het raster of ter versterking van het kruisdorpprincipe g. behoud van monumentale en typerende (stolp)boerderijen en de groene erven Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied, om deze reden dient getoetst te worden aan artikel 6.59 uit de Omgevingsverordening van de provincie. In dit artikel wordt verwezen naar de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie waarin de provinciale kernwaarden beschreven zijn. Kenmerkend voor het landschap waarin de ontwikkeling gelegen is, is de indeling in volkomen vierkanten, de openheid en ruimte en de ruimtelijke dragers van het gebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
19
De ontwikkeling betreft een ontwikkeling die alleen betrekking heeft op het eigen perceel, hierdoor worden geen landschapsstructuren aangetast. Ook het open landschap en de doorzichten worden niet aangetast doordat de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen niet plaatsvindt in het open landschap en er geen zichtlijn naar open landschap wordt belemmerd. De bedrijfswoning voor op het erf staat in de huidige situatie niet in lijn met de bedrijfsbebouwing, waarbij de gewenste uitbreiding recht achter de woning komt te liggen. Door de aanwezigheid van een kopergravuresloot op de erfgrens, zal de afstand tussen de bebouwing en de waterloop (kadelijn) minimaal 7,2 meter bedragen. Kopergravuresloten in de Beemster zijn van significant belang voor de cultuurhistorische waarde van de Beemster en haar werelderfgoed. Om deze zo optimaal mogelijk te beschermen en zichtbaar te houden, geldt de minimale afstand van 7,2m. Zo blijft het werelderfgoed en het geometrische ruitenpatroon van de Beemster zo optimaal mogelijk beleefbaar. Met deze ontwikkeling blijven de karakteristieken en ambities zoals genoemd in artikel 6.59 behouden. Conclusie De beoogde ontwikkeling overschrijdt niet de maximale bebouwingsmogelijkheden voor een agrarisch aanverwant bedrijf en de aanwezige kwaliteiten in het plangebied. Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Beemster 2012 (vastgesteld d.d. 14 september 2012) Beleidskader Voor de toekomst van de droogmakerij is het van belang de veelgeroemde ruimtelijke identiteit van De Beemster concreet te benoemen en hanteerbaar te maken voor de opgaven die nu en in de toekomst spelen. De Beemster is immers geen gebied onder een kaasstolp, maar een dynamische droogmakerij waarin verschillende opgaven en tendensen zoals agrarische schaalvergroting, waterberging, woningbouw en uitbreiding van bedrijven aan de orde van de dag zijn. Als kernwaarden van De Beemster beschouwt de gemeente de openheid van het polderlandschap, het historisch sloten- en wegenpatroon met beplanting, de ringvaart met ringdijk, de structuur en ligging van de dorpen, het raster van de bebouwing, de indeling van de erven, het functionele, agrarische gebruik van deze droogmakerij en de originele maatvoering en verkaveling. De volgende ambities worden gehandhaafd: Behoud en herstel van het landschapspatroon Tegengaan van verrommeling Behouden en versterken van de ruimtelijke structuur en karakteristiek Recreatie en duurzaamheid Oplossen mobiliteitsdruk binnen neutraal raster Een van de ruimtelijke opgaven die nu voorzien worden is het veranderend agrarisch gebruik.
Hiervoor gaat de provincie uit van een ruimtelijk tweesporenbeleid voor de agrarische sector, namelijk: Het bieden van voldoende ruimte voor passende schaalvergroting en innovatie. Het bieden van voldoende ruimte voor mogelijkheden tot verbreding. In de Beemster Omgevingsnota (thans Nota Omgevingskwaliteit Purmerend) worden handvaten geboden voor de veranderende agrarische sector. Zo kan een agrariër op basis van een bedrijfsplan zijn bouwvlak uitbreiden tot maximaal 2 hectare.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
20
Hieronder worden negen kwaliteiten onderscheiden die tezamen het Beemster erf karakteriseren die ook omschreven zijn in het bestemmingsplan en de omgevingsnota. Nieuwe ontwikkelingen en transformaties op erven worden hierop getoetst. 1. Mathematische organisatie 2. Open representatieve voortuin 3. Zonering in gebruik 4. Erfpad, brug, entreemarkering en bomenlaan, in de vorm van achtereenvolgens kavelbrug, poort (met hek), poortwachters (bomen) en een recht erfpad met zicht op het achterliggende landschap 5. Afbakening van het erf door een sloot en streekeigen erfbeplanting vaak bestaand uit een enkele bomenrij op de rand van het erf 6. Hoofdgebouw: stolp (of woning) met pronkgevel 7. Kleine bijgebouwen direct achter achtergevel 8. Grote bijgebouwen achter op het erf 9. Boomgaard en solitaire bomen Toetsing De beoogde ontwikkeling is gelegen aan de Middenweg in Noordbeemster en beperkt zich tot het eigen erf. De ambities op hoger niveau worden niet negatief beïnvloed. Ook op het eigen erf voorziet de ontwikkeling niet in een verandering van de indeling van het erf. De uitbreiding van de bedrijfsgebouwen vindt plaats op het midden van het erf waar al bedrijfsbebouwing aanwezig is. De betreffende bedrijfsgebouwen staan achter op het erf gesitueerd, met de nok parallel aan de weg, wat in de gewenste uitbreiding doorgetrokken zal worden.
Conform de erfinrichtingsprincipes wordt in beginsel enkel bedrijfsbebouwing op het erf toegestaan met de nokrichting haaks op de weg, ter waarborging van de openheid van het landschap. Echter, omdat in de huidige situatie reeds de bestaande bedrijfsbebouwing (deels) de nokrichting parallel aan de weg heeft staan, en aan deze bewuste bebouwing de uitbreiding zal plaatsvinden, wordt het doortrekken van de nokrichting hier wenselijk geacht. Omdat de goot- en nokhoogte, evenals de dakhelling, evenredig wordt doorgetrokken ten opzichte van de bestaande situatie, ontstaat een volwaardig geheel, welke passend wordt geacht binnen het cluster. Er wordt aangesloten bij de ambities uit de structuurvisie en de negen kwaliteiten uit de Beemster Omgevingsnota die het Beemster erf karakteriseren. Ten aanzien van de welstand is het bouwplan voorgelegd aan de Welstandscommissie. De commissie heeft het bouwplan goedgekeurd. Conclusie De structuurvisie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
21
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Archeologie & Cultuurhistorie
Beleid en normstelling Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Cultuurhistorie' en 'Waarde Archeologie'.
De gronden ter plaatse van deze dubbelbestemmingen zijn mede bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden. Het gebied is gelegen in UNESCO werelderfgoed gebied de Beemster. De specifieke waarden behorend bij dit gebied zijn beschreven in het Barro, het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid. In Hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling getoetst aan de aanwezige landschappelijke waarden van de Beemster. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling de aanwezige waarden niet negatief beïnvloed. In 2003 heeft de toenmalige gemeente Beemster de Beleidsnota archeologie gemeente Beemster 2003 vastgesteld. De archeologische verwachtingswaarden zijn als dubbelbestemming archeologie opgenomen in de bestemmingsplannen. Voor het plangebied Middenweg 22a is er geen archeologische verwachting. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitbreiding van de bouwmogelijkheden van het bedrijf.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
22
4.3
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.
De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Voor de beoogde ontwikkeling dient de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden beschouwd. Met het rekenmodel Aerius (versie 2023.0.1) is de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling berekend om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen. De berekening is bijgevoegd in Bijlage 1.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
23
Uit de rekenresultaten blijkt dat geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunning noodzakelijk. Soortenbescherming In februari 2022 is een ecologische quickscan uitgevoerd door E.C.O.Logisch naar eventueel aanwezige beschermde soorten. Het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 2. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek naar beschermde flora en fauna niet nodig is. Indien er werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels (globaal vanaf maart tot en met augustus), dient een aanvullende inspectie op broedvogels te worden uitgevoerd door een ecoloog om overtredingen te voorkomen. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen. Hierbij dient men in één richting te werken om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats.
Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. Maatregelen tegen vóórkomen rugstreeppad Voorkom het ontstaan van grond-/zanddepots en takkenbossen op bouwplaats. Anders grond-/zanddepots afdekken met bouwplastic en deze aan de onderkant goed afsluiten. Schermen rondom bouwplaats en/of depot om padden te weren. Deze schermen zijn meestal 60 cm hoog en 10 cm diep de grond in. Voorkom het ontstaan van ondiepe plassen en poeltjes. Het kan al gaan om water in bandsporen. Broedseizoen De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels (circa 15 maart – 1 augustus) uitgevoerd te worden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Tijdens de werkzaamheden dient er rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht en dienen er maatregelen te worden genomen om het doden van dieren te voorkomen. Zorgplicht De zorgplicht blijft altijd van kracht. Soorten mogen niet verstoord of gedood worden. Dit betekent bijvoorbeeld: Als er bij de werkzaamheden beschermde soorten aanwezig zijn, men de aanwezigheid vermoed of aanwijzingen zijn, dat het werk per direct stilgelegd dient worden om dit nader te laten onderzoeken door een erkende ecoloog.
De ecoloog kan adviseren in het bouwproces om schade, vertraging en overtreding te voorkomen, bijvoorbeeld door de effecten van trillingen, geluid, licht, maar ook in welk seizoen het beste gewerkt kan worden. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
24
4.4
Bodem
Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Onderzoek en conclusie In geval van functiewijziging dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemgesteldheid in het plangebied. In de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een functieverzwaring, maar van het uitbreiden van de bouwmogelijkheden. Het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van de voorgenomen ontwikkeling is daarom niet nodig. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
25
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek De uitbreiding van de bestaande loodsen is bedoeld om materiaal en materieel in de toekomst binnen op te kunnen slaan. Als gevolg van de uitbreiding wordt het aantal werknemers niet verhoogd op deze locatie. Daarnaast voert het personeel dat werkzaam is voor het bedrijf voornamelijk werkzaamheden uit op andere locaties waardoor de personendichtheid als gevolg van de ontwikkeling op de locatie niet toeneemt. Voor het plangebied is onderzoek gedaan naar de aspecten die invloed zouden kunnen hebben op de externe veiligheid van het plangebied.
Dit onderzoek is uitgevoerd door op basis van de risicokaart te kijken of er in de nabije omgeving risicobronnen aanwezig zijn. Zoals te zien is in figuur 4.1 is in de nabije omgeving van het plangebied geen risicobron aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt de N243. Vanuit de risicokaart blijkt dat deze weg niet is opgenomen in het basisnet waardoor verdere toetsing niet aan de orde is.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
26
Figuur 4.1 - Uitsnede van de risicokaart (Bron: Risicokaart.nl - Openbaar) Zelfredzaamheid De aanwezige personen worden beschouwd als zelfredzaam. Ook zijn de werknemers van het bedrijf voornamelijk elders aan het werk. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen op de N243 kan de brandweer van 2 kanten aanrijden. Ter hoogte van Middenweg 22 is een brandkraan aanwezig. Ook kan de brandweer gebruik maken van open water. Verder zijn de brandweermensen opgeleid en getraind voor een bestrijding van incidenten met gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitbreiding van de bouwmogelijkheden van het bedrijf.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
27
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.
Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek In de beoogde ontwikkeling is sprake van de uitbreiding de bouwmogelijkheden van een loonbedrijf uit categorie 3.1 van de richtafstandenlijst van de VNG. Voor deze bedrijven geldt in een rustige woonwijk of rustig buitengebied een maximale richtafstand van 50 meter tot aan milieugevoelige functies. De omgeving van de beoogde ontwikkeling kan echter getypeerd worden als gemengd gebied gezien de ligging in een lint waar bedrijvigheid en woningen zich afwisselen. Daarom kan voor deze ontwikkeling in dit gebied een maximale richtafstand van 30 meter aangehouden worden. De maximale richtafstand dient gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan (of vergunningsvrij bouwen) mogelijk is. De afstand vanaf de grens van de bestemming tot aan het naastgelegen bouwvlak bedraagt minder dan 30 meter.
Echter wordt de situering van de bedrijfswoning achter op het perceel onmogelijk gemaakt door een bepaling in het bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021. In dit artikel wordt bepaald dat bedrijfswoningen uitsluitend vooraan binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. Daarbij geldt ook voor bedrijfswoningen een maximale inhoudsmaat (voor bedrijfswoningen niet zijnde stolpen) van 750 m³ en een maximale oppervlaktemaat (voor stolpen) van maximaal 400 m². Gezien de maximale maatvoering van de bedrijfswoning en de regeling dat de bedrijfswoning uitsluitend vooraan binnen het bouwvlak gesitueerd mag worden, bevindt de beoogde uitbreiding van de loodsen van het bedrijf zich op ruim 30 meter van de maatgevende woning. Een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning kan worden gegarandeerd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
28
4.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 2 – Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m³ (NO2) concentratie Uurgemiddelde Max. 18 keer p.j. meer dan concentratie 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m³ concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. Meer dan concentratie 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m³ concentratie Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt de uitbreiding van bedrijfsgebouwen mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate. Dit betekent dat de beoogde uitbreiding niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk geacht wordt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Het dichtstbijzijnde maatgevende meetpunt is gelegen nabij het erf aan de Middenweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.
De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020: 15,4 µg/m³voor NO2, 15,0 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. De jaargemiddelde concentraties voldoen ruimschoots aan de gestelde grenswaarden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
29
4.8
Water
Toetsingskader Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en die is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Water Programma (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Watervisie 2021 Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie). De Deltavisie is vertaald in een Waterplan (WBP6) voor de middellange termijn. Hierin presenteert het hoogheemraadschap haar koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar het hoogheemraadschap zelf en met anderen aan werken. Het hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Keur HHNK In september 2016 heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) een nieuwe Keur 2016 vastgesteld die op 1 oktober 2016 in werking is getreden.
Rho adviseurs voor leefruimte
20220014.001
30
Onderzoek Huidige situatie Algemeen In de bestaande situatie is het plangebied voor een groot gedeelte verhard. Op de voorzijde van het erf bevindt zich de bedrijfswoning met daarom een tuin gelegen. Het midden en achterste gedeelte van het erf is volledig verhard op een kleine strook aan de noordzijde van het erf na.