B-bijlage-1-ruimtelijke-onderbouwing
Tekst van het document
Onderstaand is het onderzoeksgebied weergegeven. Figuur 17. Onderzoeksgebied
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 53
De drukste meetmomenten zijn onderstaand weergegeven, zodat gerekend is met de 'worst case situatie'. Tot 85% parkeerbezetting is er sprake van een acceptabele situatie volgens de Nota Parkeernormen van de gemeente Purmerend. Neemt de parkeerbezetting toe tot een waarde tussen 85% en 100%, dan neemt de zoektijd naar een vrije parkeerplaats toe. Op het drukste moment is de parkeerbezetting 71%. Op alle momenten is er daarom sprake van een restcapaciteit. De restcapaciteit wordt als volgt bepaald: 85% van de parkeercapaciteit (85% x 520 parkeerplaatsen) minus de parkeerdruk op het betreffende meetmoment. De complete parkeerbehoefte van de bezoekers van de woningen kan opgelost worden in de omliggende openbare ruimte. Tabel 11. Aantal geparkeerde auto’s in het onderzoeksgebied & bezettingsgraad
Tabel 12. Restcapaciteit (uitgaande van maximale parkeerbezetting van 85%)
Tabel 13. Parkeerbehoefte bezoekers van woningen en commerciële ruimten rekening houdend met aanwezigheidspercentages
In de omgeving zijn voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om de parkeerbehoefte van de bezoekers van de toekomstige woningen en commerciële ruimten op te vangen. Beleidsmatig binnen de gemeente Purmerend is de restcapaciteit niet van toepassing bij sloop-/nieuwbouw.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 54
In de huidige situatie worden de parkeerplaatsen in de omgeving op dit moment ook gebruikt door bezoekers van winkels en kantoren van de percelen Waterlandlaan 1 - 57. Deze parkeerbehoefte komt te vervallen en wordt vervangen door hetgeen hiervoor aan parkeerbehoefte is berekend. Hieronder wordt inzichtelijk gemaakt wat het vervallen van de bestaande parkeerbehoefte betekent voor de berekende restcapaciteit van de openbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van de ontwikkellocatie. De aanwezigheidspercentages van winkels en kantoren zijn onderstaand weergegeven. Tabel 14. Aanwezigheidspercentages winkel- en kantoorfunctie
De parkeerbehoefte van de huidige situatie is onderstaand weergegeven. In de parkeerbehoefteberekening is rekening gehouden met de nu aanwezige 40 parkeerplaatsen op eigen terrein die zullen komen te vervallen. Uit de berekening volgt dat op het drukste moment 10 parkeerplaatsen in de openbare ruimte nodig zijn. Tabel 15. Huidige parkeerbehoefte volgens de Nota Parkeernormen Purmerend en de aanwezigheidspercentages
Vanwege het vervallen van de huidige parkeerbehoefte, neemt de werkelijke parkeerdruk in de omgeving op een aantal momenten van de week minder toe dan berekend. Opgemerkt wordt dat ook zonder saldering van de parkeerbehoefte van de huidige bebouwing er sprake is van een acceptabele parkeerbezetting in de openbare ruimte. Tabel 16. Parkeerbehoefte bezoekers van woningen en commerciële ruimten rekening houdend met de aanwezigheidspercentages en saldering van de huidige bebouwing
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 55
Fietsparkeren Bewonersparkeren De gemeente Purmerend heeft geen fietsparkeernorm voor bewoners. Het fietsparkeeraanbod (parkeerplaatsen en bergingen) voor bewoners is 698 fietsparkeerplaatsen en 137 privé bergingen op de begane grond/1e verdieping. Dit komt neer op een fietsparkeernorm van 2,5 fietsparkeerplaats per woning. Deze norm komt overeen met de fietsparkeernorm van de gemeente Amsterdam voor woningen tussen 50 en 75 m2. Vanwege het stimuleren van duurzame mobiliteit is aansluiting bij de fietsparkeernorm van Amsterdam gepast. De norm van 2,5 fietsparkeerplaats per woning is exclusief de bergingen. Deze bieden de gelegenheid voor extra stallingsmogelijkheden. Er is daarmee sprake van een acceptabel fietsparkeeraanbod. Tabel 17. Fietsparkeeraanbod
Bezoekersparkeren appartementen De gemeente Purmerend heeft geen onderzoek beschikbaar naar fietsparkeren. Onderzoek naar de behoefte van fietsparkeerplekken is ook niet aanwezig. Dit zorgt ervoor dat op voorhand niet exact kan worden bepaald welk aantal fietsparkeerplekken rondom het gebouw benodigd is voor bezoekers. In het huidige ontwerp van de buitenruimte rondom het gebouw wordt rekening gehouden met de aanleg van 64 fietsparkeerplekken. Dit komt neer op een fietsparkeernorm van 0,22 per woning, Met de gemeente is afgestemd dat – indien het aantal van 64 te weinig blijkt te zijn – aanvullende fietsparkeervoorzieningen worden aangelegd. Die aanvulling ziet op nog eens 24 fietsparkeerplaatsen, zodat – indien nodig - in totaal 88 plekken aanwezig kunnen zijn. 88 fietsparkeerplekken betekent een norm van 0,3 parkeerplaats per woning, conform de bezoekersnorm voor auto’s. Bedrijfsruimten Voor de fietsparkeernorm voor de bedrijfsruimte is aangesloten bij de norm van Amsterdam: 2 fietsparkeerplaatsen per 100 m² b.v.o. Dit komt neer op 583,2/ 100 x 2 = 12 fietsparkeerplaatsen. Het aandeel bezoek is 20%. Dubbelgebruik met de fietsparkeerplaatsen voor bezoekers van de woningen is mogelijk, omdat de bezoekerspiek van de woningen op een ander moment van de dag ligt dan de bezoekerspiek van de commerciële ruimten.
De gewogen fietsparkeerbehoefte voor bezoekers en werknemers is onderstaand weergegeven. Hieruit blijkt dat de 64 fietsparkeerplekken die rondom het gebouw worden gerealiseerd voor de bezoekers van de woningen, op de relevante momenten meer dan voldoende zijn voor de bezoekers van de commerciële ruimten.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 56
Tabel 18. Aanwezigheidspercentages
Tabel 19. Fietsparkeerbehoefte werknemers en bezoekers
Conclusie De ontwikkeling heeft een autoparkeerbehoefte van 159 parkeerplaatsen voor bewoners/werknemers, waarvan 8 parkeerplaatsen voor deelauto's. Op eigen terrein zijn 164 autoparkeerplaatsen opgenomen. Er is daarmee sprake van een acceptabele parkeersituatie. In de studie is uitgegaan van een lagere parkeernorm voor bewoners. Toepassing van een lagere parkeernorm zoals opgenomen in de Nota parkeernormen 2016 past in de wens om verkeersbewegingen in te perken conform de gemeentelijke mobiliteitsvisie, zoals deze voor het Waterlandkwartier in 2022 is vastgesteld. De autoparkeerbehoefte voor bezoekers (van woningen en commerciële ruimten) wordt voor 50% opgevangen in de parkeergarage en 50% in het openbaar gebied. Uit een parkeeronderzoek in de omgeving van het plangebied blijkt dat er ruim voldoende restcapaciteit beschikbaar is om deze parkeerbehoefte op te vangen. De verkeersgeneratie neemt toe met 1.078 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Deze toename is aanvaardbaar. Uit de kruispuntberekeningen volgt dat op de naastgelegen kruispunten op de Waterlandlaan er sprake is van een acceptabele doorstroming in zowel de referentie- als planvariant. Het verkeer verdeelt zich over de Zeevangstraat en het Waterlandplein. Het is zonder meer mogelijk het langzaam en gemotoriseerde verkeer op een verkeersveilige wijze van dezelfde rijbaan gebruik te laten maken.
Op eigen terrein is rekening gehouden met 2,5 fietsparkeerplaats per woning (voor bewoners). Vooralsnog worden 64 fietsparkeerplaatsen aangelegd rondom het gebouw ten behoeve van bezoekers van de woningen en de commerciële ruimten. Mocht blijken dat dit onvoldoende is, dan worden alsnog extra fietsparkeerplaatsen aangelegd in de groenvoorziening. Het aspect Verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 57
GELUID Beleidskader Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn.
Wet geluidhinder Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.
Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.
Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 58
Analyse Door Peutz is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op het bouwplan, zie ook bijlage 2. Uit het onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer ter plaatse van de beoogde woningen ten gevolge van verkeer over de Waterlandlaan wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor wegverkeer wordt tevens overschreden. Er treden ten gevolge van wegverkeer over de Waterlandlaan ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen geluidbelastingen op tot ten hoogste 64 (inclusief aftrek volgens artikel 110g Wgh). De maximale ontheffingswaarde voor wegverkeer wordt overschreden ter plaatse van 6 van de 291 appartementen. Voor deze 6 woningen dient een dove gevel gerealiseerd te worden, alvorens voor deze woningen een omgevingsvergunning activiteit bouwen verleend kan worden. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over de Purmerweg en Zeevangstraat overschrijdt eveneens de waarde van 48 dB. Aangezien voor deze wegen (vanwege de maximaal toegestane snelheid van 30 km/uur) formeel geen toetsing aan grenswaarden hoeft plaats te vinden hoeven hiervoor geen hogere waarden te worden aangevraagd. De geluidbelasting als gevolg van railverkeerslawaai bedraagt maximaal 55 dB ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai niet overschreden.
Aangezien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer wordt overschreden dienen hogere waarden aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Voordat het college van burgemeester en wethouders hogere waarden kan verlenen, dient daarom eerst onderzocht te worden of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. In deze situatie zijn de mogelijkheden voor stedenbouwkundige, bron- en overdrachtsmaatregelen beperkt. Maatregelen aan de woningen kunnen daarmee als meest kansrijk worden aangemerkt. Opgemerkt wordt dat de beoogde woningen wat betreft het binnenniveau uiteraard zullen moeten voldoen aan de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012. Hiermee zal een aanvaardbaar akoestisch binnenniveau worden gewaarborgd.
Conclusie In dit geval is een besluit hogere waarden nodig vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van verschillende wegen en railverkeerslawaai. Bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling zal ervoor worden zorggedragen dat aan het geluidbeleid van de gemeente wordt voldaan. Ten aanzien van de woningen die belast worden met een geluidswaarde boven de maximale ontheffingswaarde, worden dove gevels toegepast.
LUCHTKWALITEIT Beleidskader Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 59
Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
Analyse Met de voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Toetsing van de ontwikkelingen aan het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve aan de orde. Er is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen betreffen woningen en commerciële voorzieningen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De beoogde ontwikkeling blijven hier ruim onder. Op basis van de te verwachten verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.2) is de NIBM-tool ingevuld, zie ook figuur 18. Uit de NIBM-tool volgt dat uitgaande van een worst-case situatie de ontwikkeling in niet betekenende mate bijdraagt aan de heersende achtergrondconcentraties. Figuur 18. Uitsnede NIBM-rekentool
Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de totale concentratie is ter plaatse van een specifiek rekenpunt. De totale concentratie bestaat uit de achtergrondconcentratie (op basis van de GCN-kaart) en de lokale bijdrage (van lokale bronnen, op basis van data over o.a. verkeersgegevens). Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 60
boringen zijn verricht. Over de bodemkwaliteit onder de bebouwing kan geen definitieve uitspraak worden gedaan. Wel wordt verwacht dat gezien de historie van het perceel de bodem onder het pand kwalitatief niet afwijkt van de geanalyseerde bodem rondom het pand. Gezien de resultaten is de bodemkwaliteit voldoende voor de beoogde (woon)functie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek vraagt het aspect bodem niet om nadere aandacht en staat dit de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Een bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. Ter plaatse van een lage archeologische verwachtingswaarde is er geen noodzaak om een verkennend archeologisch onderzoek uit te voeren voordat nieuwe bouwactiviteiten plaatsvinden. Ter plaatse van een hoge en middelhoge verwachtingswaarde dient bij grondwerkzaamheden eerst een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau.
Analyse Archeologie De verwachtings- en beleidsadvieskaart regelt niet de bescherming van archeologische resten. Het is een kaart die de wetenschappelijke kennis en waardering van het bodemarchief weergeeft. In de Purmerendse bestemmingsplannen zijn regels voor het beschermen van archeologische resten opgenomen. Het grootste deel van het projectgebied kent volgens het geldende bestemmingsplan geen archeologische verwachtingswaarde. Volgens de toelichting behorend bij bestemmingsplan "De Gors e.o. 2010" zijn de archeologische waarden in het gebied laag en is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk voorafgaand aan nieuwe bouwinitiatieven.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 62
Figuur 19. Duiding zone dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ (bron: QGIS, eigen bewerking)
Een klein deel van de projectlocatie (zie figuur 19) kent wel een dubbelbestemming met het oog op bescherming van archeologische waarden. Het betreft een zone langs de noordrand van de projectlocatie, waarbij ca. 20 m2 van de geplande bebouwing wordt opgericht binnen gronden waarop de dubbelbestemming van toepassing is. Omdat volgens de geldende beschermingsregeling uitsluitend onderzoek noodzakelijk is wanneer bebouwing wordt gerealiseerd met een oppervlakte van meer dan 500 m2, is voor onderhavig initiatief geen verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie Binnen het projectgebied zijn geen monumenten gesitueerd en is geen sprake van een beschermd stadsgezicht. Het aspect cultuurhistorie vraagt daarmee niet om nadere aandacht.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
EXTERNE VEILIGHEID Beleidskader Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 63
buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR.
Risicocommunicatie met inwoners Doordat de gemeente 'dichterbij' inwoners staat dan de Veiligheidsregio, communiceert de gemeente Purmerend ook over risico's en gevaren in de (directe) woon- en leefomgeving: Op de gemeentesite wordt verwezen naar de websites www.risicokaart.nl en https://www.veiligheidsregiozaanstreekwaterland.nl/wat-te-doen-bij.html. Hier kunnen inwoners informatie vinden over gevaarlijke stoffen en inrichtingen, en wat men kan doen ingeval van een calamiteit; Regelmatig wordt er een bericht gepost over veiligheid/risico's op de social media-kanalen (Facebook/Twitter), met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites; Ook wordt aandacht besteed aan het onderwerp in Purmerend Totaal, met een verwijzing naar de twee bovengenoemde sites. Zo werken de gemeente en de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland samen aan risicocommunicatie en weten inwoners sneller wat zij kunnen doen om zichzelf in veiligheid te brengen in geval van een ramp of crisis.
Analyse De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten volgens wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In het kader van de externe veiligheid zijn nabij de beoogde ontwikkeling een aantal risicobronnen gesitueerd, zie risicokaart in figuur 20. Het voorgenomen initiatief is geen risicovolle activiteit.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 64
Figuur 20. Uitsnede risicokaart, buisleidingen rood op de kaart (bron: www.nederland.risicokaart.nl).
Figuur 21. Weergave invloedsgebied buisleidingen, invloedsgebied aangegeven met blauwe doorgetrokken lijn (bron: Aviv).
Uit de risicokaart volgt dat op een afstand van circa 140 meter ten opzichte van de projectlocatie twee aardgasbuisleidingen aanwezig zijn. Dit betreffen buisleiding W-570-23 en W-570-01 (zie figuur 20). Buisleiding W-570-23 heeft een uitwendige diameter van 324 mm en een maximale werkdruk van 4000 kpa
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 65
(40 bar). Buisleiding W-570-1 heeft een uitwendige diameter van 219 mm en eveneens een maximale werkdruk van 4000 kpa. Volgens het Handboek Buisleidingen in bestemmingsplan geldt een 1% letaliteitsgrens van respectievelijk 140 en 95 meter. Het projectgebied bevindt zich als gevolg deels binnen de 1% letaliteitsgrens van één aardgasbuisleiding.
Hiermee ligt de bebouwing ook buiten de 1% letaliteitsgrens van deze buisleiding. Figuur 21, opgesteld door AVIV toont eveneens aan dat de projectlocatie net buiten het invloedsgebied (ononderbroken blauwe lijnen) ligt van de twee buisleidingen. Nader onderzoek en een groepsrisicoberekening zijn derhalve niet noodzakelijk. Omdat het projectgebied op de grens van de 1% letaliteitsgrens is gelegen, is voor de zekerheid toch een beperkte groepsrisicoverantwoording opgesteld. Onder normale omstandigheden is een buisleiding ongevaarlijk en is de kans op een ongeluk klein. Het helemaal uitsluiten van een ongeluk is echter niet mogelijk. Wanneer een calamiteit zich voordoet, is het scenario van een fakkelbrand het maatgevende scenario omdat dit de 'worst-case' situatie betreft. De warmtestraling die van de fakkelbrand afkomt is daarbij - afhankelijk van de afstand tot het projectgebied van invloed op omliggende bebouwing en in het gebied aanwezige personen. Gezien de afstand tot de projectlocatie (ongeveer 140 meter) ligt een deel van het projectgebied in de 3e ring (tussen de 140-210 meter) bij een fakkelbrand in de eerste fase van de grootste buisleiding. De warmtestraling bedraagt dan tussen 4 en 10 kW/ m2. De binnen aanwezige personen zijn afdoende beschermd tegen deze warmtebelasting.
Dit is bij brief van 3 augustus 2022 door de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland (VrZW) in een advies bevestigd. In het advies gaat de VrZW daarnaast onder andere in op de zelfredzaamheid en het handelingsperspectief van in het projectgebied aanwezige personen.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 66
Bij de stabiele fase van een fakkelbrand van de grootste buisleiding is het projectgebied buiten de 3e ring (tussen de 90- 130 meter) gelegen.
Conclusie Het projectgebied ligt niet binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van een risicobron. Wel ligt de projectlocatie op de grens van de 1% letaliteitsgrens van een aardgasbuisleiding, maar het daaruit volgende restrisico blijft beperkt tot een minimum en wordt daarmee aanvaardbaar geacht. Door rekening te houden met het advies van de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland, wordt o.a. zorggedragen voor een goede risicocommunicatie en wordt de zelfredzaamheid van personen in het gebied bevorderd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
KLIMAATADAPTATIE Algemeen Voor de ontwikkeling Waterlandlaan 1-57 is in de ‘Handreiking Decentrale Regelgeving Klimaatadaptief bouwen en inrichten’ van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opgenomen. Klimaatadaptatie kent vier thema’s; wateroverlast, droogte, hitte en overstromingsbeperkende maatregelen. Voor de Omgevingsvergunning wordt getoetst of er klimaatadaptieve maatregelen genomen worden voor deze vier thema’s. 1. 2. 3. 4.
Wateroverlast/berging Hitte Droogte Overstromingsbeperkende maatregelen
Analyse Ook klimaatadaptatie vormt een integraal onderdeel van de ontwikkelopgave. Bestendig zijn tegen piekbuien en extreem weer is van levensbelang om duurzame gebieden te ontwikkelen. Dit doen wij door praktische ingrepen zoals: 1. Wateroverlast/berging In de ontwikkelopgave wordt een gescheiden hemelwater en vuilwater afvoersysteem aangebracht. Daarnaast wordt bestaande verharding deels vervangen voor groenvoorzieningen, waardoor water beter opgenomen kan worden. Zo worden de dekken en randen groen ingericht, dakterrassen voorzien van groen en een structuur van klimplanten aangebracht. Vervolgens wordt in de parkeergarage waterberging retentiekratten van 70 mm/m2 gerealiseerd die kunnen vollopen. Deze waterbergingen geven het hemelwater vertraagd af aan het gemeenteriool. Het volume van de retentie is afgestemd om op de verwachte overlastmomenten overbelasting van het riool te voorkomen. Ten slotte worden deze waterbergingen aangesloten op het watergeefsysteem voor het complex. 2. Hitte In de ontwikkelopgave wordt deels de bestaande verharding vervangen voor groenvoorzieningen. Naast dat groen goed werkt tegen regenwateroverlast, helpt ze ook in het bestrijden van hittestress. Ze houden warmte weg, en direct zonlicht wordt tegengehouden waardoor omliggende gebieden koeler blijven.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 67
Daarnaast wordt een warmte- koudeopslag in de bodem toegepast (WKO-installatie). Hiermede wordt voldaan aan de BENG met slechts beperkte toepassing van PV-panelen. Ten slotte wordt door toepassing van koeling ook voldaan aan de TO-juli eis c.q. is deze niet van toepassing. 3. Droogte Er wordt een waterberging in de ontwikkeling gerealiseerd. De waterberging wordt tevens aangesloten op het watergeefsysteem voor het complex, waardoor deze als reservoir dienstdoet. Zo kan om het groen van water te voorzien, gebruik gemaakt worden van het water uit de berging i.p.v. schoon kraanwater. Hierdoor vermindert de vraag zoetwatervraag en de kans op schade aan het groen in lange perioden van droogte. 4. Overstromingsbeperkende maatregelen In het kader van de overstromingsbeperkende maatregelen wordt een aantal maatregelen getroffen. Zo wordt het vloerpeil van de nieuwbouw 5 tot 10 cm hoger aangebracht dan het bestaande peil in de omgeving. Slechts 5 woningen hebben hun entree op peilniveau. De overige 286 appartementen hebben hun entreedeur vanaf de 1e verdieping en hoger. Dit geldt ook voor de balkons van deze woningen. Voor de 5 woningen met entree op maaiveld en evt. kwetsbare technische- en nutsinstallaties zullen uitneembare waterschotten worden toegepast (in centrale opslag). Bovendien geldt voor technische en nutsinstallaties dat deze op een verhoging c.q.
op een minimale maat vrij van de vloer worden gemonteerd. Hiermee wordt invulling gegeven aan gevolgbeperking bij overstromingen.
Conclusie De ontwikkeling geeft invulling aan de klimaatadaptieve maatregelen en voldoet hiermee aan de eisen.
NATUUR Beleidskader Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn.
De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.
De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. In dat kader dient bij planontwikkeling ook een berekening van de stikstofdepositie te worden uitgevoerd, zodat het effect daarvan op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op voorhand inzichtelijk is en zo nodig maatregelen kunnen worden getroffen om negatieve effecten te voorkomen.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 68
Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen:
strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
Analyse Beoogd wordt om het projectgebied te herontwikkelen. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt nieuwbouw gerealiseerd. Op dit moment is een voormalig kantoorpand aanwezig binnen de projectlocatie. Om te bepalen op de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een overtreding van de natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd door Dresmé&VanderValk. De quickscan is opgenomen in bijlage 4 en hieronder gedeeltelijk overgenomen. Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet in of nabij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) of Natura 2000-gebieden gelegen, zie figuren 22 en 23. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn Polder Zeevang (3 kilometer), Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (4 kilometer), Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (5 kilometer). Het Natuurnetwerk Nederland komt veelal overeen met de Natura 2000-gebieden. Op figuur 23 is te zien dat de dichtstbijzijnde NNN zich op een afstand van 2 kilometer ten opzichte van het projectgebied bevindt.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 69
Figuur 22. Natura 2000-gebieden nabij het projectgebied (bron: Omgevingsverordening NH2020 Provincie Noord-Holland)
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 70
Figuur 23. Natuurnetwerk Nederland (NNN) nabij projectgebied (bron: Omgevingsverordening NH2020 Provincie Noord-Holland)
De kans op negatieve effecten als gevolg van de extra stikstof die als gevolg van de beoogde ontwikkeling vrijkomt, is vooraf niet uit te sluiten. In bijlage 5 is het stikstofdepositieonderzoek toegevoegd. Daaruit blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. Soortenbescherming Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna volgt dat binnen het projectgebied geen mogelijke holtes voor vogelnesten zijn waargenomen. Omdat de gebouwen beperkt geschikt zijn voor vleermuizen en in het gemeentebrede onderzoek in 2017 en in 2020 geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn waargenomen kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Echter is volgt uit het gemeentelijk onderzoek van 2014 dat er naast het gebouw een 'roepend' mannetje is aangetroffen. Een roepend mannetje betekent dat hij in de buurt is van zijn paarverblijf, alwaar hij en het vrouwtje (alleen) verblijven om te paren en daarna weer wegvliegen. Om deze reden is zekerheidshalve een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Deze ontheffing is op 6 december 2022 verleend (zie bijlage 10). Het is niet volledig uit te sluiten dat in een toekomstig broedseizoen vogels als merel een nest bouwen in de aanwezige bomen en hagen.
Als de bomen worden gekapt, dienen deze buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart en 15 juli) te worden gekapt of vooraf te worden gecontroleerd op nesten. Aan de Zorgplicht wordt voldaan als tijdens de sloop kleine dieren zoals muizen, de gelegenheid krijgen weg te vluchten.
Conclusie Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat geen beschermde flora en fauna aanwezig is. Uit het gemeentebrede onderzoek van 2014 is een roepend mannetje gesignaleerd binnen de projectlocatie. Om deze reden is voor de ontwikkeling een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Daarnaast is geen sprake van negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Hiermee vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 71
BEZONNING Beleidskader Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO-norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober.
Analyse In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Peutz een bezonningsstudie uitgevoerd waarbij de bestaande situatie is vergeleken met het beoogde bouwplan, zie bijlage 6. Met het onderzoek is de potentiële bezonningsduur, de afname van de bezonning alsmede de schaduwwerking op grafische wijze inzichtelijk gemaakt op de data 19 februari, 21 april en 21 juni (langste dag), hetgeen tevens representatief is voor de maanden augustus en oktober. De onderzoeksresultaten geven met een interval van 2 maanden een beeld van de bezonningssituatie gedurende een groot deel van het jaar, overeenkomend met de periode volgens de lichte TNO-norm. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de bezonning van alle woningen voldoet aan de criteria van de lichte TNO-norm.
Conclusie Het aspect bezonning voldoet aan de van toepassing zijnde kaders en staat de vaststelling van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
WINDHINDER Beleidskader Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties winhinderonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een nokhoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek noodzakelijk geacht.
Analyse Vanwege de geplande bouwhoogte van maximaal 70 meter, is door Peutz een windhinderonderzoek uitgevoerd, zie ook bijlage 7. Het doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing. Aan de hand van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 72
Figuur 24. Criteria windhinder (bron: onderzoek windhinder Peutz)
Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt de waardering van het lokale windklimaat gekwalificeerd met 'goed', 'matig' of 'slecht. Bij een goed windklimaat ondervindt men geen overmatige windhinder. In een situatie zonder overmatige windhinder heeft het merendeel van het publiek onder normale omstandigheden geen last van windhinder. Bij een matig windklimaat ervaart men af en toe overmatige windhinder. In een slecht windklimaat ervaart men regelmatig overmatige windhinder. In een dergelijke situatie heeft het merendeel van het publiek last van windhinder. Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Activiteitenklasse 'langdurig zitten' is dusdanig kritisch dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. In onderhavig onderzoek is deze activiteitenklasse niet toegepast. Hieronder zijn de resultaten uit het onderzoek overgenomen.
In de geplande situatie is rondom de geplande bebouwing op de meeste plaatsen een lage hinderkans te verwachten, waarmee het windklimaat voor het criterium doorlopen als goed beoordeeld wordt. Aan de noordwesthoek van de geplande bebouwing, langs de Landsmeerstraat, is plaatselijk sprake van een matig windklimaat. Het windklimaat kan hier worden verbeterd door het toevoegen van extra begroeiing. Tussen de geplande bouwdelen is tevens een matig windklimaat vastgesteld, zeer plaatselijk met een beperkt risico op windgevaar. Hierbij wordt opgemerkt dat het windremmende effect van de geplande begroeiing tussen de bouwdelen niet in de berekening is meegenomen. Deze geplande begroeiing zal zorgen voor een verbetering van het windklimaat. Desgewenst kan het windklimaat verder worden verbeterd door het toevoegen van extra begroeiing, bijvoorbeeld in de vorm van heesters in bakken, of door het aanbrengen van schermen. Voor het plaatsen van gebouwentrees dient gestreefd te worden naar een hinderkans van lager dan 5%, hetgeen overeenkomt met een beoordeling goed voor het criterium slenteren. Indien een gebouwentree wordt geplaatst op een positie waar een hogere hinderkans is vastgesteld dienen lokale windafschermende maatregelen te worden toegepast, zoals schermen of her verdiepen van de entree in de gevel.
Conclusie In de geplande bebouwingsituatie is een goed tot lokaal matig windklimaat voor het criterium doorlopen vastgesteld. Er is geen sprake van een slecht windklimaat of een overschrijding van het gevaarcriterium. Het windklimaat kan lokaal worden verbeterd door het eventueel toevoegen van schermen, alsmede door het toevoegen van groen. In overleg met de gemeente wordt invulling gegeven aan de openbare ruimte rond het projectgebied. Hierbij wordt gekeken of invulling plaatsvindt van groen, waardoor het windklimaat verbeterd kan worden. Gezien voorgaande levert het aspect windhinder geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 73
WATERPARAGRAAF Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet ervoor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven.
Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen.
Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld.
In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid,
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 74
wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
Analyse In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is overleg gepleegd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Hierna wordt dit nader toegelicht. Waterkwaliteit Binnen of in de directe nabijheid is geen sprake van watergangen. Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, zo veel mogelijk vermeden, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit Het projectgebied is in de huidige situatie volledig verhard, waardoor geen toename plaatsvindt van verhard oppervlak. Riolering Ter plaatse kan voorts gebruik gemaakt worden van de reeds aanwezige riolering. Voor de nieuwe woningen geldt dat wordt voorzien in een gescheiden rioolstelsel dat op het gemeentelijk systeem wordt aangesloten. Op die manier wordt vuil water gescheiden van schoon hemelwater, zodat het stelsel niet onnodig wordt belast met de afvoer van dit hemelwater. Beschermde gebieden De projectlocatie ligt voor een groot deel binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Het projectgebied raakt daarbij zowel aan de beschermingszone B, als de beschermingszone A, als het profiel van vrije ruimte (zie figuur 25). Het bouwen binnen de beschermingszone is afgestemd met het Hoogheemraadschap.
Op 30 januari 2023 is hiervoor een watervergunning verleend door het Hoogheemraadschap (zie bijlage 11). Zij hebben aangegeven dat op deze locatie gebouwd kan worden.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 75
Figuur 25. Leggerkaart regionale waterkering HHNK met projectgebied Waterlandlaan 2021 (bron: Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier)
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Beleidskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.
Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 76
Conclusie Op basis van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt het bevoegd gezag verzocht te besluiten dat de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet MER-plichtig is.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 78
6
BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID PRIVAATRECHTELIJKE UITVOERBAARHEID Er zijn geen privaatrechtelijke belemmeringen ter plaatse van het projectgebied gevestigd
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Waterlandlaan 1 – 57 is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Purmerend en de initiatiefnemer. Hierin wordt overeengekomen dat op het moment er sprake is van planschade, voortvloeiend uit voorliggende planologische mutatie, deze schade in zijn geheel ten laste komt aan initiatiefnemer.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Als onderdeel het Waterlandkwartier zijn verschillende informatieavonden georganiseerd waar ondernemers, maar ook bewoners inspraak konden hebben op de invulling van Waterlandkwartier. De ontwikkeling aan de Waterlandlaan 1-57 is ook in deze participatie aan bod gekomen. De tijdslijn voor dit ontwikkelgebied is in de afgelopen drie jaren als volgt geweest: Sinds januari 2020 is een gebiedsvisie voor het Waterlandkwartier vastgesteld. In 2021 is een informatieavond gehouden en zijn gesprekken gevoerd met bewoners over het stedenbouwkundig plan. Eind 2021 is de ontwerp-structuurvisie ‘Materplan Waterlandkwartier Purmerend’ ter inzage gelegd. Deze is in juni 2022 vastgesteld, na inspraak mogelijkheden voor inwoners tijdens de commissievergadering in mei. In de zomer van 2022 zijn 5 wandelingen georganiseerd voor bewoners en ondernemers door het Waterlandkwartier. Op 7 november 2022 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor bewoners en ondernemers waarin het bouwplan en de omgevingsvergunningsprocedure is toegelicht. Bij deze bijeenkomst zijn 55 gasten aanwezig geweest. De informatieavond was opgedeeld in twee delen, een centrale presentatie van het projectteam over de voorgeschiedenis van het initiatief, de nieuwbouwplannen en de planning.
Daarnaast hebben bij informatiepunten gesprekken plaatsgevonden tussen de aanwezigen en projectteamleden. Aan de betrokkenen is een verslag van de informatieavond toegezonden. In dit verslag zijn tevens de verzamelde vragen van de aanwezigen benoemd en beantwoord.
Planologische procedure Voor deze ontwikkeling wordt de uitgebreide procedure voor een omgevingsvergunning doorlopen met toepassing van een coördinatieregeling voor andere vergunningen en toestemmingen, zoals een ontheffing voor geluidhinder. Het is daarom in eerste instantie voor eenieder mogelijk door middel van een zienswijze te reageren op het ontwerpbesluit, dat gedurende zes weken ter inzage ligt. Vervolgens staat nog de gang naar
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 79
de rechtbank en daarna de Raad van State open. Met bovenstaande procedure wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 80
7
CONCLUSIE RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE INPASBAARHEID De initiatiefnemer heeft als doel 291 woningen, maximaal 650 m2 b.v.o aan commerciële ruimten in de plint en een parkeergarage te realiseren. Voor deze ontwikkeling dient een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt voor een aanvraag om een omgevingsvergunning doorlopen. Middels voorliggende rapportage is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. Tevens is de uitvoerbaarheid van het initiatief getoetst aan de diverse omgevingsaspecten en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke en functionele inpasbaarheid is daarmee gewaarborgd.
Mees Ruimte & Milieu | 21080.RO
Pagina | 81