B -bestemmingsplan-torenmolen-9-2022-toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: bestaande bebouwing Torenmolen 9 (bron: kavelpaspoort) Aan de westkant van de voormalige Montessorischool is aan de Torenmolen 7 kinderdagverblijf de Torenmolen gevestigd. De kinderopvang, bedoeld voor kinderen in de leeftijdscategorie 0 - 4 jaar, is van maandag tot en met vrijdag geopend van 7.30 tot 18.30. De speelplaats behorende bij het kinderdagverblijf is in de huidige situatie gesitueerd aan de oostzijde van het gebouw, waar de sociale woningbouw is geprojecteerd. Het gebouw waar het kinderdagverblijf in gevestigd is, is éénlaags met kap.
Afbeelding: Kinderdagverblijf De Torenmolen (bron: google maps) Het plangebied is toegankelijk via een doodlopende aftakking vanaf de Torenmolen en de Koogsingel. De Koogsingel komt op zijn beurt uit op de wijkontsluitingsweg Dominee Martin Luther Kingweg. Omgeving plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van de wijk Overwhere. Dit was de eerste naoorlogse uitbreiding van Purmerend en bestaat uit twee delen. Overwhere-Zuid is gebouwd in de jaren 1958-1969. De gemeentegrens met de toenmalige gemeente Kwadijk vormde een belemmering voor verdere ontwikkeling. Vandaar dat eerst de wijk Wheermolen werd ontwikkeld. Na een grenswijziging in 1970 kon Overwhere verder worden uitgebreid aan de noordzijde van Purmerend 28
met Overwhere-Noord. In deze tijd zijn binnen de gemeente Purmerend veel sociale woningen gerealiseerd, onder andere om de woningvraag binnen de gemeente Amsterdam op te vangen. Karakteristiek voor Overwhere Noord is de afwisseling van naoorlogse strokenbouw, kleine flats, eengezinswoningen, twee-onder- één-kapwoningen, bungalows en grote torenflats aan de rand van de wijk die als landmarks dienen. De wijk Overwhere Noord bestaat uit twee buurten. Het plangebied is gelegen in de buurt Molenkoog. Deze buurt ligt in het noordoosten van Overwhere. Het is een functioneel gemengde buurt met woningen en voorzieningen. De woningen zijn gebouwd tegen het einde van de jaren zeventig. Binnen Overwhere is Molenkoog de woonbuurt met de minste gestapelde woningen. De buurt is gelegen aan de groene periferie van de stad. De stedenbouwkundige opzet van de buurt is typisch voor de jaren '70 en bestaat uit een hovenstructuur van veelal doodlopende woonstraten en parkeervoorzieningen met daar omheen rijbebouwing. De rijbebouwing bestaat voornamelijk uit 2 bouwlagen met kap (goot en nok van respectievelijk circa 6 en 9 meter hoog), de voorgevel direct aan de straatzijde en een tuin die grenst aan de achtergevel.
Afbeelding: rijbebouwing Torenmolen met links het nog te behouden gebouw waarin het kinderdagverblijf is gevestigd en rechts het te slopen schoolgebouw (bron: google earth) De kleine woonbuurten worden omzoomd door groen. Ook de woonbuurt waarin het plangebied zich bevindt wordt omgeven door een groene rand, die in dit geval grotendeels bestaat uit het Park de Noord en haar uitlopers. Door de school en het schoolplein wordt de aansluiting met het park geblokkeerd, waardoor de bestaande woningen aan de Torenmolen weinig verbinding hebben met het park.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: Park de Noord (bron: google earth)
4.2
Nieuwe situatie
Het project gaat uit van sloop van het bestaande schoolgebouw en nieuwbouw van 35 appartementen en 5 grondgebonden rijwoningen. Gelet op de positionering en omvang van de nieuwbouw heeft het plan op voorhand beperkt ruimtelijke effecten op de bestaande woonbebouwing in de omgeving. De nieuwbouw bevindt zich namelijk op voldoende afstand van bestaande bebouwing aan de Torenmolen en doordat er ook sprake is van een beperkte bouwhoogte, die overeenkomt met de bebouwing in de omgeving, zijn er geen relevante effecten te verwachten op het gebied van uitzicht, privacy en/of lichtinval.
30
Dat wordt hierna toegelicht voor de bestaande bebouwing rondom de nieuwbouw van de woningen: De zijgevel van de meest zuidelijke grondgebonden woning ligt op ongeveer 4 meter afstand van de erfgrens van Torenmolen 59 en op op ongeveer 15 meter afstand van achtergevel. Door de aanwezige erfafscheiding is er vanaf de zijgevel geen sprake van inkijk of vermindering van privacy. De nieuwbouw komt aan de noordkant van de bestaande woningen, zodat er geen gevolgen zijn voor de bezonning. Voor de overige rijwoningen ten zuiden van het parkeerterrein geldt dat door de positionering van de nieuwe woningen geen sprake is van rechtstreekse inkijk en er geen gevolgen zijn voor bezonning. De afstand tussen de tuinen van de 5 grondgebonden rijwoningen in het zuidoostelijk deel van het plangebied en tuinen van de bestaande rijwoningen aan de Torenmolen 33 t/m 43 bedraagt ten minste 40 meter. Het tussengelegen terrein zal worden ingericht als parkeerterrein. Gezien de afstand tot de woningen is er geen sprake van inkijk of vermindering van privacy. Ook zijn er gezien de afstand en de positionering geen gevolgen voor de bezonning van de bestaande woningen. Met een bouwhoogte van maximaal 10 meter sluit de nieuwbouw van de rijwoningen aan op de bouwhoogte van de bestaande woonbebouwing in de omgeving.
De 2 appartementencomplexen aan de noordkant van het plangebied krijgen een bouwhoogte van maximaal 14 meter (4 bouwlagen) en nemen in volume iets toe ten opzichte van de bestaande omliggende bebouwing. Deze beperkte schaalvergroting in bebouwing aan de rand van het park draagt bij aan de sociale cohesie in het gebied en markeert het einde van de bebouwde stad. Door uit te gaan van maximaal 4 bouwlagen, blijft de aansluiting met de bestaande bebouwing gehandhaafd en is passend bij de menselijke maat van het gebied. Door de ligging ten noorden van de bestaande woonbebouwing zijn er geen gevolgen voor de bezonning. Zie ook paragraaf 5.2 Bezonning.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
De toevoeging van in totaal 40 nieuwe woningen leidt niet tot extra verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie (school). Wel zullen de verkeersbewegingen meer verspreid plaatsvinden over de dag. (zie ook paragraaf 5.13 Verkeer en parkeren). De ontsluiting vindt plaats via een nieuw aan te leggen toegangsweg tussen Torenmolen 7 en 33 en de reguliere wegen van de Torenmolen en de Koogsingel, die aansluit op de Martin Luther Kingweg. Ten behoeve van de nieuwbouw worden 53 parkeerplaatsen aangelegd, zodat er geen extra parkeerdruk ontstaat. Om de bereikbaarheid van het park te bevorderen krijgt het park De Noord nieuwe voetpaden en wordt het verbonden met de wijk door groenzones tussen de nieuwe bebouwing. De speelplek die nodig is voor het kinderdagverblijf komt aan de noordzijde van het bestaande gebouw te liggen en krijgt een natuurlijke uitstraling. Door de speelplek te situeren aan de noordzijde, wordt het speelterrein afgeschermd door de bebouwing van het kinderdagverblijf, waardoor eventuele geluidsoverlast door spelende kinderen voor de bestaande woningen zal verminderen.
32
Hoofdstuk 5 5.1
Randvoorwaarden / omgevingsaspecten
Archeologie
5.1.1 Beleidskader In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeente Purmerend heeft in 2009 een eigen archeologisch beleid opgesteld. In 2017 is dit beleid opgegaan in het Erfgoedbeleid Purmerend 2017. Hierbij hoort een archeologische verwachtingskaart. Dit is een voorspellingskaart waarop verwachtingen met betrekking tot de situering van (nog) onbekende archeologische vindplaatsen zijn vertaald in termen van vlakken en zones. Op de kaart worden zones aangegeven met verschillende verwachtingen: hoge, middelhoge of lage verwachting. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het opstellen van een beleidsadvieskaart, die vervolgens kan worden gebruikt voor de toetsing van ruimtelijke plannen op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Het bestemmingsplan vormt het belangrijkste instrument voor de archeologische monumentenzorg.
Voor gemeenten kunnen de door deskundigen opgestelde archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten als leidraad worden gebuikt voor zowel de planologische bescherming van archeologische waarden in het ruimtelijke plan als voor het vaststellen van het benodigde archeologisch onderzoek dat bij voorbereiding van ruimtelijke plannen moet plaatsvinden. 5.1.2 Analyse Het plangebied valt volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart in een zone waar sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde. Onderzoek is daarom niet nodig.
Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (bron: datalab Purmerend) 5.1.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan spelen archeologische waarden niet.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
5.2
Bezonning
Voor de locatie Torenmolen 9 is een bezonningsstudie gemaakt, om inzicht te krijgen in de gevolgen van de nieuwbouw op de bezonning van omliggende gronden en percelen (Bijlage 3 Bezonningsstudie). Hierin is het volgende geconcludeerd: In de bestaande situatie is er tijdens de ochtenduren in de lente en herfst lichte schaduwval op de tuinen aan de Torenmolen 33 t/m 43. Dit is maar van een korte duur. De rest van de tijd blijft de schaduwval op eigen terrein en geeft geen hinder aan andere woningen aan de Torenmolen. Vanwege de noordelijke ligging van de nieuwe appartementen en de ruime afstand van de nieuwe rijwoningen ten opzichte van de huidige woningen, is van schaduwval amper sprake. Tijdens de ochtend levert de nieuwbouw schaduwval op het nieuw gesitueerde speelplein van de kinderopvang. Dit wordt niet bezwaarlijk geacht, aangezien de kinderopvang geen baat heeft bij hoge hoeveelheden zonuren op het speelplein. Op 21 juni, de langste dag van het jaar, hebben Torenmolen 57 en 59 tijdens de ochtendzon kans op milde hinder in hun achtertuin van de nieuwbouw. Dit zal echter van korte duur zijn. Rond het middaguur ondervinden beide woningen aan de noordzijde alleen nog milde hinder van de eigen bebouwing.
Gelet op het klimaat en het gebruik van de eigen buitenruimte van zowel de nieuwbouw als omliggende bebouwing, wordt aantasting van schaduwval door de nieuwbouw minimaal geacht en is de bezonning ruim voldoende. Er wordt voor alle bebouwing, zowel nieuw als bestaand, voldaan aan de lichte norm (ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober) van TNO.
5.3
Bodemkwaliteit
5.3.1 Beleidskader Op 7 mei 2020 is het nieuwe bodembeleid vastgesteld door de gemeenteraad. Deze stukken, bestaande uit de “Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend en “Nota bodembeheer Purmerend”, bevatten de regels om grondverzet binnen Purmerend plaats te laten vinden zonder dat daar extra bodemonderzoek noodzakelijk is. De bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op bodemonderzoek, en daarin zijn ook de PFAS- en PFOA-gerelateerde stoffen meegenomen. Daarbij heeft de gemeenteraad ook de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Beemster geaccepteerd als erkend bewijsmateriaal van de bodemkwaliteit. Hierdoor is voor veel locaties uitwisseling van grond tussen Purmerend en Beemster mogelijk zonder extra bodemonderzoek. Het bodembeleid is voornamelijk generiek (wat schoon is, moet schoon blijven). Voor de rijkswegen, spoorbanen en grond in eigendom van het Hoogheemraadschap zijn uitzonderingen daarop gemaakt en is het beleid specifiek (meer grondverzet mogelijk). In Beemster is het beleid voor alle locaties specifiek. Wat betreft de concrete ontwikkelingen dient in geval van functiewijziging onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. 5.3.2 Analyse Op de locatie Torenmolen 9 is door Landview een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd (kenmerk 2020310, 5 maart 2020, zie bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek).
Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de grond licht verontreinigd is met minerale olie. Deze verontreinigingen op de locatie kunnen worden verklaard door de aangetroffen zintuiglijke verontreiniging met brandstof en het gebruik van minerale olie op de locatie. Verder is het gehalte aan PFAS licht verhoogd. Afhankelijk van de gemeten waarden valt de grond 34
op de locatie in de klasse "wonen/industrie" of "landbouw/natuur”. Bodemsanering is niet noodzakelijk. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen, barium en nikkel aangetroffen. Dit kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van zwevende fijne stofdeeltjes in het grondwater, zonder dat daadwerkelijk sprake is van verontreiniging. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Op de locatie is geen asbest aangetroffen. Daarnaast is een apart milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht voor de gronden rondom het kinderdagverblijf Torenmolen 7 (zie bijlage 5).
Afbeelding: ligging onderzoekslocatie bodemonderzoek kinderspeelplaats Uit dit onderzoek volgt dat: in de bovengrond geen verontreiniging is aangetroffen in de ondergrond een lichte verontreiniging met minerale olie is aangetoond de PFAS gehalten in de bovengrond voldoen aan de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. de geanalyseerde grond beoordeeld is als niet-asbesthoudend het grondwater niet verontreinigd is. De resultaten van dit bodemonderzoek staan de realisatie van een speeltuin niet in de weg. Uit milieuhygiënisch oogpunt bestaan er geen bezwaren met het oog op de ontwikkeling van de locatie. 5.3.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
5.4
Cultuurhistorische waarden
5.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van cultuurhistorische waarden. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden aangezien dergelijke waarden niet aanwezig zijn in/rond het plangebied.
5.5
Duurzaamheid
Voor de ontwikkeling van dit plan wordt rekening gehouden met duurzaam bouwen. Er kunnen tal van duurzame maatregelen worden getroffen. Hieronder valt bijvoorbeeld het gebruik van stadsverwarming als een duurzame energievoorziening waardoor gasloos gebouwd kan worden. Daarnaast kunnen de woningen voorzien worden van een sedumdak, dat bijdraagt aan de waterretentie en hittestress in de wijk. De gehele inrichting moet klimaatbestendig zijn (zo min mogelijk verharding, gevel- en dakbegroeiing, waterretentie, etc.). Het plan zal dan ook volgens het laatste bouwbesluit en de dan geldende BENG norm worden uitgevoerd.Welke maatregelen er getroffen zullen worden en hoe hier aan wordt voldaan, zal pas in een volgende fase duidelijk worden, als de plannen verder uitgewerkt zijn.
36
5.6
Externe veiligheid
5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. 5.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. Ook ligt het plangebied niet in een contour van een transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding. Zie voor planologisch relevante leidingen ook paragraaf 5.12)
Afbeelding: uitsnede nl.ev-signaleringskaart.nl ter hoogte van plangebied 5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.7
Geluid
5.7.1
Wegverkeerslawaai
5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor wegen die zijn ondergebracht in een 30 km/h-gebied geldt geen wettelijke geluidszone en is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai in nieuwe situaties op grond van de Wgh niet verplicht. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Indien dit niet aannemelijk is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidsbelasting op de gevels noodzakelijk, mogelijk en doelmatig zijn. Bij gebrek aan wettelijke normen kunnen uitsluitend de eerder vermelde voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde uit de Wgh als referentiekader worden gehanteerd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden.
Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden.
Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB. Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld 5.7.1.2 Analyse Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 40 nieuwe woningen mogelijk. Deze nieuwe woningen liggen binnen de zone van de N244 en de Dominee Martin Luther Kingweg, overgaand in Koogsingel. Onderzocht is of er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Buro Ontwerp en Omgeving, datum 23 november 2021 (zie bijlage 6). De hoogste geluidsbelastingen van de ontwikkelingslocatie Torenmolen afkomstig van de N244, Dominee Martin Luther overgaand in Koogsingel en de Torenmolen staan in de onderstaande tabel:
38
Geluidsbelasting van de ontwikkelingslocatie Torenmolen 9 (bron: Akoestisch onderzoek) De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de N244, Dominee Martin Luther overgaand in Koogsingel en de Torenmolen bedraagt 48, 32 respectievelijk 41 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt daarmee voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. 5.7.1.3 Conclusie De wetgeving inzake wegverkeerslawaai levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan. 5.7.2
Spoorweglawaai
5.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 5.7.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai.
5.7.3 Industrielawaai De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 5.7.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in de geluidszone van een industrieterrein.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
5.7.3.2 Conclusie Er hoeft voor dit bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van industrielawaai.
5.8
Geur
5.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 5.8.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld, speelt geur hier geen rol. 5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit 40
een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan.
Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 5.9.2 Analyse Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden na de sloop van de voormalige Montessorischool, 40 woningen toegevoegd. Uit toepassing van de NIBM-tool blijkt dat 40 woningen als 'niet in betekenende mate' (NIBM) is aan te merken.
Naast bovenstaande beoordeling is ook gekeken of in de huidige situatie de luchtkwaliteit voldoende is. Hiertoe is de NSL-monitoringskaart geraadpleegd.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: uitsnede NSL-monitoringstool Uit deze kaart blijkt dat de concentraties stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijnstof in 2020 langs de N244 en de Salvador Allendelaan ter hoogte van de Martin Luther Kingweg niet hoger zijn dan 35 microgram per m3 . Voor fijnstof (PM2.5 concentratie) zijn de waarden niet hoger dan 20 microgram per m3 . Hiermee bevinden de concentraties stikstofdioxide en fijnstof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 . Deze grenswaarde beoogt vooral bescherming te bieden tegen de langetermijneffecten van fijnstof. 5.9.3 Conclusie De ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan de kaders biedt draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regelgeving. Ook is in het plangebied de luchtkwaliteit voldoende en levert dat ook geen belemmering op voor de voorgestane ontwikkeling. Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.
5.10 Milieuzonering 5.10.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. 5.10.2 Analyse Op het adres Torenmolen 7, direct naast de geprojecteerde nieuwbouw van 21 appartementen, is kinderdagverblijf De Torenmolen gevestigd.
42
Afbeelding: locatie kinderdagverblijf en nieuwbouwlocatie Op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering, geldt voor een kinderdagverblijf een richtafstand van 30 meter ten opzichte van woningen. Hier wordt niet aan voldaan. Het geluid ven spelende kinderen bepaalt vaak de geluidbelasting in de omgeving. Het bevoegd gezag betrekt het geluid van spelende kinderen bij hun oordeel over het goed woon- en leefklimaat in de ruimtelijke onderbouwing. Bij toetsing aan het Activiteitenbesluit blijft de beoordeling van stemgeluid van spelende kinderen buiten beschouwing. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door het geluidBuro onderzocht wat de geluiduitstraling van het toekomstige speelplein van het bestaande kinderdagverblijf (KDV), naar de omgeving is (zie bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat de berekende langtijdgemiddelde geluidniveaus op het toekomstige appartementencomplex nabij het speelpleintje van het KDV hoger zijn dan de richtwaarden van 45 dB(A) die passen bij een rustige woonwijk. Ook zijn de berekende maximale geluidniveaus hoger dan de richtwaarde van 65 dB(A) die kan worden aangehouden voor het maximale geluidniveau bij een rustige woonwijk en de maximale grenswaarde van 70 dB(A). Er wordt niet voldaan aan de richtwaarden voor een goede ruimtelijke ordening en de kans op hinder daar, is groot.
Er moet gemiddeld 11 dB gereduceerd worden en de piekniveaus zijn 19 dB te hoog. Om te zorgen dat sprake kan zijn van een goede ruimtelijke ordening moeten maatregelen worden getroffen. Een mogelijkheid is om de betreffende gevel doof uit te voeren (geen te openen delen), dan valt de gevel buiten de beoordeling. Geadviseerd wordt om bij gevels met geluidniveaus boven de richtwaarde die passen bij een rustige woonwijk goed naar de indeling van de woning en de gevelwering te kijken. De plannen zijn nog niet concreet genoeg om te bepalen wat voor de naastgelegen nieuwbouw de meest geschikte oplossing is. Dit is mede afhankelijk van de indeling van de toekomstige woningen, gebruikte materialen aan de gevel, de situering van de entrees.
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
Ten aanzien van de bestaande bebouwing in de omgeving kan gesteld worden dat door verplaatsen van het buitenterrein van het kinderdagverblijf geen verslechtering optreedt ten opzichte van de huidige situatie. Verwacht wordt zelfs dat eventuele geluidsoverlast minder wordt door de afschermende werking van de bebouwing van het kinderdagverblijf. 5.10.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering een rol. Op korte afstand van het bestaande kinderdagverblijf de Torenmolen is een woonblok geprojecteerd. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstanden van 30 meter voor een rustige woonwijk, zoals opgenomen in de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Uit het akoestisch onderzoek dat gedaan is, blijkt dat voor 5 appartementen de maximaal toegestane geluidsniveaus worden overschreden. Deze overschrijding vindt plaats op werkdagen, gedurende een deel van de dag. In het weekend en in de avonduren is het kinderdagverblijf gesloten en wordt het terrein door middel van een hek afgesloten. De plannen zijn echter nog niet concreet om in deze fase van het planproces te bepalen wat de meest geschikte oplossing is om mogelijke overlast veroorzaakt door spelende kinderen te beperken.
Om te zorgen dat bij de uitvoering van de plannen passende maatregelen worden getroffen om geluidsoverlast veroorzaakt door spelende kinderen te beperken, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Geluid is derhalve geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.11 Natuurwaarden 5.11.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.
De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: 44
Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2.
Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.
3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden.
In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.11.2 Analyse Gemeentebreed wordt geregeld onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Deze gegevens worden beschikbaar gesteld via de online applicatie FloraFaunaCheck.nl. Op 21 december 2021 is met behulp van deze applicatie gekeken of de gewenste ontwikkeling gevolgen heeft voor beschermde dier- en plantensoorten (zie bijlage 8) De conclusie is dat er beschermde soorten aanwezig zijn, waardoor onderhavige ontwikkeling een negatief effect kan hebben op de functie van het gebied voor de in de tabel hieronder vermelde soorten.
De soorten en functies die aangetoond zijn, zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Wanneer de ingreep negatieve effecten heeft op de soorten en functies, moeten mitigerende maatregelen getroffen worden. Dat zijn maatregelen die erop gericht zijn negatieve effecten op soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Als met het nemen van maatregelen niet kan worden voorkomen dat een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming wordt overtreden, dient een ontheffing aangevraagd te worden. In een notitie van Regelink (zie bijlage 9) worden de resultaten van het onderzoek, de effecten van de ingreep en de eventueel benodigde handelingen die moeten worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten beschreven. De randvoorwaarden zijn zoveel mogelijk leidend in de uitwerking van het bouwplan voor het plangebied. Wanneer de randvoorwaarden niet, of niet afdoende, kunnen worden uitgevoerd, zal een ontheffing op de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Naar aanleiding van jurisprudentie en de daaruit voortkomende gewijzigde regelgeving met betrekking tot de PAS is het voor projecten nodig om na te gaan of sprake is van significant negatieve effecten op nabijgelegen natuurgebieden. Door Buro Ontwerp en Omgeving is onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebied (zie bijlage 10) .
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Polder Zeevang’ dat op circa 730 meter ten noorden van het projectgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het ‘Wormer- enJisperveld & Kalverpolder’ (ca. 5,6 km), ‘Markermeer & IJmeer’ (ca. 5,8 km), ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ (ca. 6,6 km) en ‘Eilandspolder’ (8,9 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven.
46
Het project heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura2000-gebieden. 5.11.3 Conclusie In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ter bescherming van de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. Gelet op het voorgaande staat de Wet natuurbescherming niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg.
5.12 Planologisch relevante leidingen 5.12.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 5.12.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project. 5.12.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan .
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en bovendien zijn er meer parkeerplaatsen noodzakelijk. Het onderhavige plan mag als gevolg van deze invloed het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Bovendien dient te worden voldaan aan de parkeernormering. 5.13.2 Analyse Verkeersgeneratie In het onderhavige plan worden 40 woningen toegevoegd. Dit heeft een toename van de verkeersgeneratie tot gevolg. Voor de berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet rekening gehouden worden met de 1) de stedelijkheidsgraad van een gemeente en 2) in welk gebied het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'rest bebouwde kom'. De 35 appartementen vallen in de categorie 'huur, appartement, middel/goedkoop'. Hiervoor geldt een kencijfer van minimaal 3,2 tot maximaal 4,0 motorvoertuigbewegingen per woning. Dit geeft een verkeersgeneratie van gemiddeld 126 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Daarnaast worden 5 grondgebonden woningen gerealiseerd. De woningen vallen in de categorie 'koop, huis, tussen/hoek'.
Hiervoor geldt een kencijfer van minimaal 6,7 tot maximaal 7,5 motorvoertuigbewegingen per woning en zorgt voor een verkeersgeneratie van gemiddeld 36 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In totaal zal het plan in de nieuwe situatie gemiddeld 162 extra motorvoertuigen per etmaal generen. Deze verkeersbewegingen komen in de plaats van de verkeersbewegingen van de school. Het aantal motorvoertuigbewegingen veroorzaakt door het halen en brengen van leerlingen bedroeg ongeveer 216 motorvoertuigbewegingen per etmaal, verspreid over 2 haal- en brengmomenten. Uitgangspunt hierbij is dat de school beschikte over 9 leslokalen, circa 30 leerlingen per leslokaal en dat 40% van de leerlingen met de auto naar school wordt gebracht. Op een dag zijn 2 haal en brengmomenten. Door verwijdering van de school neemt het aantal verkeersbewegingen af met 54 mvt/etmaal. Doordat er nu woningen voor in de plaats komen zal het aantal bewegingen meer verspreid over de dag plaatsvinden. De Torenmolen heeft in de bestaande situatie een etmaalintensiteit van 1.300 motorvoertuigen per etmaal. Het verkeer zal worden afgewikkeld via de Torenmolen, Koogsingel en de Martin Luther Kingweg. Deze bestaande wegen hebben voldoende capaciteit om het verkeer (inclusief fietsverkeer) zonder problemen te kunnen afwikkelen. De nieuwbouw zelf zal worden ontsloten door de aanleg van een nieuwe weg tussen Torenmolen 7 en 33.
Zie onderstaande afbeelding.
48
Afbeelding: aan te leggen ontsluitingsweg nieuwbouw tussen Torenmolen 7 en 33 (gele pijl) Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. Parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld op 26 mei 2016. De Nota Parkeernormen doorloopt een parkeertoets die moet vaststellen hoeveel parkeerplekken er nodig zijn ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich in de zone 'rest bebouwde kom'. 19 nieuw te bouwen woningen vallen onder de categorie 'woning 80-150 m² niet gestapeld/woning 65-120 m² gestapeld'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per woning. 21 woningen vallen onder de categorie 'woning 40-80 m2 niet gestapeld/woning 40-65m2 gestapeld'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning. Voor de 40 nieuw te bouwen woningen zijn bruto 63,8 parkeerplaatsen nodig. In het aantal van 63,8 bruto benodigde parkeerplaatsen is een deel voor het parkeren van bezoek. Het aandeel bezoek bestaat uit 0,3 parkeerplaats per woning. In totaal zijn er 12 parkeerplaatsen bestemd voor het bezoek en zijn de overige 51,8 toegekend aan bewoners (het vast gebruik).
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
Afbeelding: aan te leggen parkeerplaatsen ten behoeve van de nieuwbouw (bron: kavelpaspoort v8) Voor het berekenen van de netto parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Dubbelgebruik wordt toegepast omdat de gemeente zo goed mogelijk de openbare ruimte wil benutten. Bewoners zijn namelijk niet altijd op hetzelfde tijdstip thuis en bezoekers komen niet allemaal op hetzelfde moment langs. Hierdoor kunnen parkeerplaatsen optimaal benut worden. Aan dubbelgebruik zijn in de Nota parkeernormen 2016 percentages gekoppeld. Per functie verschillen de aanwezigheidspercentages. Voor de functie wonen gelden de volgende aanwezigheidpercentages:
Bron: Nota parkeernormen 2016 Met behulp van deze percentages wordt de parkeerbehoefte berekend, waardoor er een netto parkeerbehoefte ontstaat.
Het maatgevende aantal parkeerplaatsen op basis van dubbelgebruik bedraag 56,2. Voor de school gelden ook parkeernormen. Deze komen te vervallen, omdat het gebouw wordt gesloopt en mogen worden afgetrokken van de nieuwe behoefte. Het gaat hier om een 50
parkeernorm voor het personeel en voor het halen en brengen van schoolkinderen. Vanwege de parkeerdruk in de huidige situatie is besloten om hier alleen de parkeernorm voor personeel in mindering te brengen. Het gaat hier om 6,8 parkeerplaatsen. Voor de nieuwe ontwikkeling moeten ten minste 49,4 parkeerplaatsen worden aangelegd, afgerond 50. In de plannen voor de nieuwe situatie worden 53 parkeerplaatsen voorgesteld, waarmee het plan voldoet aan het benodigde aantal parkeerplaatsen. De 10 bestaande parkeervakken worden met de nieuwe inrichting van de openbare ruimte weer teruggebracht. Hiervan komen 6 parkeerplaatsen terug op hun oorspronkelijke plek en worden 4 parkeerplaatsen op acceptabele loopafstand (100 meter voor bewoners, 300 meter voor bezoekers) gerealiseerd, zodat de maatvoering van de straat ter hoogte van Torenmolen 33 - 43 conform richtlijnen kan worden aangepast en passeren van motorvoertuigen mogelijk is.
Afbeelding: situering bestaande parkeerplaatsen na herinrichting openbare ruimte Parkeren vormt geen belemmering. 5.13.3 Conclusie Door de beoogde ontwikkeling, waarin de school verdwijnt en nieuwbouw van woningen wordt gerealiseerd, neemt het aantal verkeersbewegingen met 54 mvt/etmaal af. Door de komst van de woningen zal het aantal bewegingen wel meer verspreid over de dag plaatsvinden. Het verkeer zal worden afgewikkeld via de Torenmolen, Koogsingel en de Martin Luther Kingweg. Deze bestaande wegen hebben voldoende capaciteit om het verkeer (inclusief fietsverkeer) zonder problemen te kunnen afwikkelen. De nieuwbouw zelf zal worden ontsloten door de aanleg van een nieuwe weg tussen Torenmolen 7 en 33. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. In totaal wordt voorzien in 53 parkeerplaatsen, waarvan 5 parkeerplaatsen op eigen terrein (bij de grondgebonden woningen). De 10 bestaande parkeerplaatsen worden in aantal weer teruggebracht. Alleen zijn deze anders in de wijk gesitueerd. Parkeren vormt geen belemmering.
5.14 Water 5.14.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke
Bestemmingsplan "Torenmolen 9, 2022" (vastgesteld)
plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden. Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is.
Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing.
Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van 52
het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.14.2 Analyse In het kader van dit bestemmingsplan is overleg opgestart met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) door middel van het digitaal watertoetsformulier. De aanvraag is gedaan op dinsdag 21 december 2021 en geregistreerd onder kenmerk 00002933. In deze digitale watertoets is aangegeven dat een zogenaamde korte procedure moest worden gevolgd, vanwege de beperkte belangen van het hoogheemraadschap bij dit plan. Dat wil zeggen dat de waterbeerder (HHNK) kan volstaan met een standaard advies en dat geen overleg noodzakelijk is. Peilgebied Het plangebied is gelegen in peilgebied 5741-1 in polder De Koog. Het ter plaatse geldende streefpeil is NAP -2,04. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen. Verhardingstoename De verhardingstoename bedraagt minder dan 800 m2.
Het gaat hierbij om alle verharding die leidt tot versnelde afvoer van hemelwater, zoals trottoir, parkeerplaatsen en dakoppervlakte van gebouwen. Compensatie is niet nodig. Klimaat(adaptatie) De verandering van het klimaat heeft gevolgen voor de veiligheid, de economie en de gezondheid van inwoners. De hevige buien veroorzaken hinder, schade en overlast. De droogte brengt weer andere problemen voor mens en dier. Het is daarom nodig om onze leefomgeving aan te passen aan deze extreme weersomstandigheden. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk water te bergen tijdens extreme buien en het vervolgens weer kunnen gebruiken in droge perioden. Er geldt geen verplichting voor watercompensatie bij een verhardingstoename onder de 800 m2, maar er wordt geadviseerd om bij de uitwerking van de plannen alsnog na te denken over watercompensatie en een robuuste inrichting, zoals bijvoorbeeld wadi's, waterpasserende verharding of opslag in ondergrondse voorzieningen, bijvoorbeeld onder de weg. Zie ook de paragrafen 3.4.5 en 5.5 Riolering Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het uitgangspunt is dat huishoudelijk afvalwater en hemelwater van schone oppervlakken gescheiden worden. Gezien de ligging van de nieuwbouw wordt verwacht dat het afvalwater zal worden aangesloten op gemeentelijke riolering.
Het hemelwater kan direct afgekoppeld worden naar watergangen nabij het plangebied. Voor een lozing op het oppervlaktewater moet op grond van de Waterwet een vergunning worden aangevraagd of moet een melding worden gedaan. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het afstromende hemelwater. Met betrekking tot het afstromend hemelwaterwater wordt aangeraden om terughoudend om te gaan met uitlogende materialen zoals koper, lood en zink. Indien uit architectonische overwegingen gekozen wordt voor bijvoorbeeld een zinken dak, kan een zuiverende voorziening noodzakelijk zijn. Watervergunning