Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013
Tekst van het document
De beoordeling van de overige gebouwen als bijbehorende woningen en bedrijfsgebouwen is gericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 24
Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen in het glastuinbouwgebied zal worden geadviseerd op basis van de volgende criteria:
Ligging
hoofdbebouwing staat aan de straatzijde, bijgebouwen behorende bij de woning of het bedrijf hebben een ondergeschikte positie de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar de bebouwing is met de voorgevel georiënteerd op de weg publieke of representatieve functies zijn gericht op de straat
Massa
gebouwen zijn individueel en afwisselend woningen bestaan uit een onderbouw van één tot twee lagen met een kap de nokrichting is evenwijdig aan of haaks op de weg zijgevels van vrijstaande woningen zijn niet als blinde gevel uitgevoerd op-, aan- en uitbouwen zijn eenvoudig vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa
Architectonische uitwerking
de detaillering is zorgvuldig en afwisselend zeer grote lengtes zijn door middel van geleding van de wand (in materiaal of vorm) doorbroken wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume
Materiaal- en kleurgebruik
de kleuren zijn traditioneel en terughoudend grote vlakken zijn geleed vormgegeven of hebben een duidelijke textuur gevels van de woningen zijn van baksteen of vergelijkbaar steenachtig materiaal hellende daken van woningen zijn gedekt met pannen kleuren contrasteren niet met de omliggende bebouwing op-, aan- en bijgebouwen zijn in materiaal- en kleurgebruik afgestemd op de hoofdmassa
Kassen Voor kassen gelden onderstaande criteria • kassen uitgevoerd in helder glas zijn welstandsvrij • voor kassen die deels in andere materialen zijn uitgevoerd geldt: - kleurgebruik terughoudend - materialen zijn duurzaam - uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar zorgvuldig
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 25
6. BUITENGEBIED Beschrijving Het veenweidegebied is ontstaan uit ontgonnen veengrond met veen-riviertjes als de Schie en de Leede. Door de ontwatering te verbeteren en nieuwe sloten te graven, werd de veengrond bewoonbaar gemaakt. Het vertoont alle kenmerken van een karakteristiek slagenlandschap: smalle polderwegen omzoomd door knotwilgen, oude boerderijen verscholen in een dichte erfbeplanting en kaarsrechte vaarten. In het buitengebied bevinden zich ook sport- en recreatieterreinen. De bebouwing van de sport- en recreatieterreinen is veelal geclusterd en is verschillend van grootte en is de architectuur eenvoudig. Langs de snelweg A 13 en iets ten noorden van de Ackerdijkseweg ligt het parkeerterrein Ruyven. Dit terrein is volledig gericht op de snelweg. Vanaf de snelweg wordt het terrein ervaren als zichtlocatie. Het agrarisch buitengebied vormt een open decor voor de bebouwing die overwegend in of tussen linten is gegroepeerd. De bebouwing is vrijstaand en gericht op de weg of vaart. De bebouwing, bestaande uit woonhuizen, boerderijen en agrarische bedrijven, wordt via de weg en soms oprijlanen ontsloten, en is aan de vaarten gedeeltelijk via bruggetjes te bereiken. Ook komen enkele kassen voor. De rooilijn volgt de weg of vaart en verspringt. Kenmerkend bij de boerderijen zijn de vele bijgebouwen die achter het hoofdgebouw liggen.
De bebouwing is individueel en afwisselend. Ze hebben een simpele opbouw van één en soms twee lagen met hellende kap. Bij de boerderijen heeft het voorste deel vaak van oorsprong een woonfunctie en is meer representatief. De gebouwen hebben een zorgvuldige detaillering. Grote gevelopeningen zijn staand, waarbij de vensters veelal zijn onderverdeeld. In het gevelvlak komen voornamelijk bij oudere panden baksteendetailleringen voor in de vorm van gemetselde lateien, vlechtwerk en andere patronen. De materialisering is traditioneel. Gevels zijn gemetseld in gele danwel rode baksteen of in lichte tint gepleisterd. De meeste daken zijn gedekt met rode of gesmoorde pannen danwel met riet. De gebruikte kleuren zijn terughoudend en in het algemeen traditioneel. Waardebepaling, ontwikkeling en dynamiek Het buitengebied met de onregelmatige verkaveling is waardevol. Ook de structuur van vaarten en wegen met daarlangs gevarieerde en verzorgde vrijstaande bebouwing met de verfijnde details, evenals de doorzichten naar het achterliggende landschap maken deel uit van de landschappelijke kenmerken. Er ligt druk op het gebied door ondermeer uitbreiding van woonwijken, kassengebieden en infrastructurele werken. Doordat sport- en recreatieterreinen meestal aan de rand van de kern of zelfs op enige afstand daarvan zijn gebouwd, is de landschappelijke inpassing van de bebouwing van groot belang.
De zichtbaarheid in het landschap kan een bedreiging vormen. Ook de inrichting van grootschalige ver-hardingsoppervlakten voor bijvoorbeeld parkeerplaatsen dient te worden vermeden. Reclame komt steeds meer voor, veelal in de vorm van sponsoring. Met name de reclame die niet op het terrein gericht is maar naar buiten toe vormt een bedreiging voor de beeldkwaliteit. De dynamiek van deze terreinen is over het algemeen laag. Voor het parkeerterrein Ruyven is de inrichting van de openbare ruimte en de verschijningsvorm van de bebouwing van belang. Beleidsinzet Voor het buitengebied, met de kleinschalige, zorgvuldig ingepaste bebouwing en de sport- en recreatieterreinen, geldt een regulier welstandsregime. Bij de beoordeling van plannen zal met name worden gelet op een zorgvuldige detaillering en een overwegend traditioneel kleur- en materiaalgebruik. Ook de doorzichten en de transparantie naar het achterliggende landschap dienen behouden te blijven. Bij de beoordeling van sport- en recreatieterreinen en het parkeerterrein Ruyven zal worden gelet op een terughoudende architectuur, zorgvuldige materialisatie en landschappelijke inpassing.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 26
Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen in het buitengebied zal op de volgende aspecten worden getoetst: Ligging
per erf of kavel is er één hoofdmassa het hoofdgebouw is met de voor- of representatieve gevel gericht naar de openbare weg rooilijnen van bouwmassa’s liggen evenwijdig aan de weg of parallel aan de sloten doorzichten behouden en waar mogelijk versterken gebouwen op sport- en recreatieterreinen en parkeerterrein Ruyven zijn gericht op de openbare ruimte opslag vindt uit het zicht plaats of is opgenomen in het hoofdvolume
Massa
woongebouwen zijn vrijstaand, individueel en afwisselend bijgebouwen en (agrarische) loodsen bezitten een eenvoudige hoofdvorm Deze gebouwen zijn over het algemeen smal en diep woongebouwen bestaan uit een onderbouw van een tot twee lagen met kap gebouwen op sport- en recreatieterreinen hebben per cluster samenhang geen gesloten gevel aan de straat
Architectonische uitwerking de detaillering van kozijnen, dakgoten, daklijsten en dergelijke is zorgvuldig en verzorgd bijgebouwen zijn eenvoudiger uitgevoerd dan de hoofdgebouwen maar eveneens zorgvuldig gedetailleerd wijzigingen en toevoegingen in stijl, maat en schaal afstemmen op het hoofdvolume gevelopeningen hebben staande verhoudingen entreepartijen zijn vormgegeven als accent of als zelfstandig volume Materiaal- en kleurgebruik grote vlakken van deze gebouwen bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat, en zijn geleed vormgegeven gevels zijn van donkere baksteen of andersoortige steenachtige materialen met een vergelijkbare uitstraling of in een enkel geval op sport- en recreatieterreinen en parkeerterrein Ruyven van een duurzaam plaatmateriaal of glas hellende daken in het agrarisch buitengebied zijn gedekt met keramische pannen of in een enkel geval met (natuurlijk) riet bij agrarische loodsen zijn geprofileerde dakplaten mogelijk in een donkere kleur het kleur- en materiaalgebruik is traditioneel en terughoudend
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 27
7. BEDRIJVENTERREINEN Beschrijving Bedrijventerreinen worden gekarakteriseerd door een afwisselend beeld van meer en minder representatieve bedrijfsbebouwing. In deze monofunctionele gebieden gaat het meestal om aan productie, verkoop of diensten gerelateerde bedrijven. De terreinen zijn over het algemeen duidelijk als een eenheid in de stedelijke structuur te herkennen en hebben vaak een heldere stedenbouwkundige opzet. De inrichting van het gebied is doelmatig, eenvoudig en sober. Soms versterkt de inrichting van de openbare ruimte en het gebruik van groenelementen de representativiteit van het bedrijventerrein. Opslag van goederen vindt soms in het zicht plaats; dit levert vaak een onverzorgd beeld op. De panden zijn individueel en afwisselend, waarbij er een grote variatie bestaat in maat en schaal. Ook het verspringen van rooi- en noklijnen duidt de individualiteit van de panden. De hoofdmassa van de panden is over het algemeen gericht op de openbare weg. De opbouw van de gevels is eenvoudig, meestal tot drie lagen hoog met overwegend een plat dak. Bij gesloten gevels zijn de entrees, verkoopruimten en kantoren vormgegeven als accenten. De detaillering van deze gevels is over het algemeen eenvoudig en seriematig van aard.
Het materiaalgebruik is traditioneel tot modern, de gevels zijn gemaakt van baksteen, prefab elementen, stucwerk, moderne plaatmaterialen of gevouwen staalplaat. Het kleurgebruik is samenhangend. Het kleurgebruik varieert van terughoudende en samenhangend tot felle kleuren. Het laatste geldt vooral voor reclame-uitingen. Waardebepaling, ontwikkeling en dynamiek De dynamiek van de bedrijventerreinen is gemiddeld en betreft zowel kleine aanpassingen als vervanging en een enkele keer nieuwbouw. Afhankelijk van de ouderdom van de bestaande bebouwing en de behoefte van de daarin gevestigde bedrijven zullen er veranderingen gewenst zijn. Daarbij zal het voornamelijk gaan om het plaatsen van bijgebouwen en de vervanging van oudere hallen door gebouwen die aan de huidige eisen voldoen. Ook het opnieuw bekleden van gedateerde gevels zal voorkomen. Het goed functioneren van de bedrijventerreinen is van belang. Het beleid is erop gericht dat het terrein er goed uit blijft zien en dat hinder en overlast in de hand worden gehouden. Voor moderne bedrijventerreinen zijn de openbare ruimte en de verschijningsvorm van de bebouwing, die onder meer dienst doet als blikvanger, van belang. Beleidsinzet Voor de bedrijventerreinen geldt een regulier welstandsregime. Het beleid is terughoudend en vooral gericht op beheer.
De welstandsbeoordeling zal ingaan op de individualiteit van de panden, de rooilijn, een basiskwaliteit in de detaillering en samenhang in kleur- en materiaalgebruik. Aan reclame-uitingen wordt extra aandacht besteed.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 28
Welstandscriteria Bij de beoordeling van bouwplannen op een bedrijventerrein zal worden geadviseerd op basis van de volgende criteria:
Ligging
gebouwen zijn georiënteerd op de weg gebouwen zijn vrijstaand, individueel en representatief expeditieruimte zoveel mogelijk aan de achterzijde van het gebouw situeren, tenzij sprake is vaan een hoogwaardige architectonische inpassing opslag vindt uit het zicht plaats of is opgenomen in het hoofdvolume
Massa
gebouwen zijn overwegend individueel en afwisselend geen gesloten gevels aan de straat aan-, uit- of bijgebouwen zijn beperkt in maat en ondergeschikt ten opzichte van het hoofdvolume
Architectonische uitwerking
gevels hebben een plint de detaillering is zorgvuldig en sober accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking zijn afgestemd op het hoofdvolume
Materiaal- en kleurgebruik
de plint is uitgevoerd in een steenachtig materiaal gevels zijn plaatmateriaal, baksteen of andere steenachtige materialen, een enkele keer gepleisterd. materiaal- en kleurgebruik van aanbouwen is afgestemd op het hoofdvolume het kleurgebruik is terughoudend en in onderlinge samenhang
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 29
HOOFDSTUK 5 Objectgerichte welstandscriteria Toelichting Net als te onderscheiden gebieden zijn er voor de gemeente te onderscheiden bouwwerken die beeld bepalend zijn. De gebiedsgerichte welstandcriteria voor de onderscheidde gebieden waarin objecten als boerderijen, agrarische bedrijfshallen, water- en warmteopslagtanks een silo’s en dak-opbouwen voorkomen zijn voldoende kader stellend. Reclame objecten en uitingen zijn hierop een uitzondering. Specifieke bouwwerken Reclame-uitingen
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 30
RECLAME-UITINGEN Objectbeschrijving Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames vragen vanuit hun doelstelling aandacht en vormen hiermee een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. In gebieden met commerciële functies zijn reclames op zijn plaats en kunnen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving verhogen, hoewel daar een kritische grens aan verbonden is. Evenals bij een gebouw speelt ook bij een reclame de relatie met de (stedenbouwkundige) situatie waarin deze wordt geplaatst alsmede het karakter van die situatie een belangrijke rol. Gevelreclame-uitingen worden aangebracht tegen of aan een gebouw. Deze kunnen bestaan uit borden, losse belettering, lichtbakken en andere uitingen die loodrecht op of evenwijdig aan de gevel zijn te bevestigen. Naast deze gevelreclames zijn er reclamevormen die zich op eigen terrein bevinden; het gaat dan om vrijstaande reclameuitingen. Het plaatsen van een reclame-uiting is een ingrijpende verandering aan een bouwwerk die het straatbeeld makkelijk kan aantasten. Bij het vaststellen van normen voor reclametekens, is het zinvol onderscheid te maken tussen verschillende soorten gebieden in de gemeente. Een woonwijk vraagt een andere benadering dan een winkelgebied, maar ook een buitengebied.
Deze gebieden zullen ernstig aangetast worden bij plaatsing van reclametekens die op een bedrijventerrein gebruikelijk zijn. In de welstandscriteria is een onderscheid gemaakt naar verschillende gebieden, die eveneens zijn aangegeven op het kaartmateriaal van het reclamebeleid in bijlage 1:
Winkelgebieden Woongebieden Sportterreinen Overgangsgebieden en verbindingsassen Buitengebied Kassengebied Bedrijventerreinen
Waardebepalingen, ontwikkelingen en dynamiek Een reclame is geslaagd wanneer deze een volledig geïntegreerd onderdeel van het totale architectonische beeld in de ruimtelijke context uitmaakt. Blijft de zorg voor een goede inpassing van een reclame in zijn omgeving achterwege dan wordt de reclame ervaren als een verstoring van de visuele kwaliteit van de omgeving en kan zelfs agressief overkomen. Beleidsinzet Het beleid is gericht op het handhaven van het gevelbeeld van waardevolle bebouwing en inpassing van de reclame-uitingen in de bestaande omgeving. Hierbij dienen vorm, kleur en afmetingen te passen bij de architectuur en de schaal van het pand. In gebieden waar geen sprake is van commerciële functies zijn reclame-uitingen ongewenst
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 31
Welstandscriteria Bij de welstandsbeoordeling van plannen voor reclame-uitingen zal op de volgende aspecten worden getoetst: algemeen: de reclame moet voor wat betreft vorm, kleur en afmeting passen bij de architectuur en de schaal van het pand voor alle reclameobjecten geldt dat er een direct verband moet bestaan tussen de reclame en de in het pand uitgeoefende activiteiten knipperende, bewegende en/of reflecterende reclames zijn niet toegestaan. Ook kabelkranten vallen hieronder de reclame dient beperkt te worden tot de essentie. reclameobjecten buiten de contouren van een gebouw, zoals op daken, zijn niet toegestaan ondoorzichtige (blinde) etalages met reclame daarop aangebracht zijn niet toegestaan gevelreclame-objecten worden alleen aan de voorgevel toegestaan. Hier kan van worden afgeweken wanneer er sprake is van een hoekpand of wanneer de achterkant grenst aan een parkeergebied bij (ondergeschikte) bedrijfsactiviteiten in een woning is één onverlicht reclameobject van maximaal 0.50 m2 toegestaan winkelgebieden per bedrijf maximaal 2 reclameobjecten, waarvan maximaal één uitsteek reclame. Een uitzondering kan betrekking hebben op een hoekpand. Hier is als uitgangspunt één extra reclameobject toelaatbaar reclames mogen uitsluitend aangebracht worden in het bedrijfsgebied van de gevel.
Reclames dienen beneden de onderzijde van de ramen op de eerste verdieping te worden aangebracht, echter niet hoger dan 4.00 m. (bovenkant reclame) vanaf het maaiveld. Deze richtlijn geldt ook voor reclameobjecten die geplaatst worden op een luifel uitgangspunt is het integreren van het reclameobject in de luifel of om losse letters te gebruiken langsreclame maximaal 60% van de breedte van het pand, hierbij dient rekening gehouden te worden met de compositie en indeling van de gevel als richtlijn geldt een maximale hoogte van 0.40 m. Een grotere hoogte hoeft niet per definitie bezwaarlijk te zijn, mits de verhouding tussen het pand en de reclame-afmetingen worden gewaarborgd vrijstaande reclame is niet toegestaan. Bij teruggelegen winkel- of bedrijfspanden of bij reclame voor een winkelgebied als geheel, kan hierop een uitzondering worden gemaakt geen reclame aangebracht op bouwlagen met een woonbestemming of bouwlagen met een bedrijfsbestemming zonder publieksfunctie (winkel- en bedrijfspanden in) woongebieden maximaal 2 reclameobjecten per pand of perceel toegestaan vrijstaande reclame is niet toegestaan. Een uitzondering kan worden gemaakt voor teruggelegen panden of indien gevelreclame teveel afbreuk zou doen aan het karakter van het gebouw.
Vrijstaande reclame vormt dan een alternatief woningen met in woongebieden inpasbare beroepen mogen een beperkte, onverlichte naam- of beroepsaanduiding hebben van maximaal 0,5 m2
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 32
sportterreinen per gebouw maximaal 2 reclameobjecten speelveldreclame dient te zijn gericht naar het speelveld. Indien een speelveld langs een doorgaande (provinciale) weg ligt, mag speelveld-reclame op die weg worden gericht. Dit geldt echter niet in het geval dat deze reclame zichtbaar is of naar verwachting zichtbaar zal worden vanuit de voorzijde van woningen verlichte reclameobjecten aan de randen van het speelveld zijn niet toegestaan. Ten aanzien van speelveldreclame geldt dat die tot 1.00 m. boven het maaiveld mag reiken overgangsgebieden en verbindingsassen per winkel- of bedrijfspand zijn maximaal 2 reclameobjecten toegestaan, waaronder maximaal één vrijstaande reclame uitgangspunt is een maximaal oppervlak van 0.50 m2 per reclameobject het reclameobject wordt afgestemd op het gebied waarvan de criteria het meest van toepassing zijn buitengebied maximaal één reclameobject per pand of perceel toegestaan vrijstaande reclame is niet toegestaan. Bij teruggelegen bedrijfspanden kan hierop een uitzondering worden gemaakt. indien gevelreclame afbreuk doet aan het karakter van het gebouw kan vrijstaande reclame een goed alternatief vormen uitgangspunt is een maximaal oppervlak van 0.50 m2 en een hoogte van maximaal 1.20 m kassengebied per bedrijf maximaal één reclameobject of andersoortige aanduidingen.
Een uitzondering kan worden gemaakt voor een hoekpand of hoekperceel bij voorkeur langsreclame toepassen bedrijventerreinen Reclame op bedrijventerreinen worden ambtelijk getoetst aan de welstandscriteria. Indien deze plannen niet voldoen aan de welstandscriteria, worden ze alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie per bedrijfspand in principe niet meer dan 3 reclameobjecten, met inbegrip van vlaggenmasten, of andersoortige aanduidingen (waarbij voor hoekpanden en grote terreinen afhankelijk van de inpassing in de omgeving een uitzondering denkbaar kan zijn) bij voorkeur langsreclame toepassen passend in de gevelstructuur: boven een overheaddeur als losse letters of bord met een bescheiden kleurstelling en maatvoering: een breedte van een derde van de gevel met een maximum van 4.00 meter, een hoogte van niet meer dan 0.75 meter en niet meer dan 0.30 meter uitstekend uit de gevel als bord of lichtbak naast een entree geplaatst boven de entree binnen de contouren van een luifel In verhouding te zijn met het totaalbeeld van het bouwwerk 1 of 2 dubbelzijdige reclameborden of -objecten loodrecht op de gevel te plaatsen met een uitvoering passend in de structuur van de gevel: maximaal 1.00 meter hoog, 1.00 meter breed maximaal 1.20 meter uit de gevel stekend uitgevoerd als losse letters, reclamebord, -object of lichtbak maximaal 3 gelijk uitgevoerde vlaggen, vaandels,
wimpels of banieren: vlaggenstok bevestigd onder de vloer van de eerste verdieping banier plat of loodrecht bevestigd onder de bovendorpel van het kozijn op de eerste verdieping met een maximale hoogte van 2.40 meter, een maximale breedte van 0.80 meter en bij loodrechte plaatsing maximaal 1.00 meter uit de gevel stekend op bedrijventerrein de Boezem zijn vrijstaande reclameobjecten met een hoogte van maximaal 2.00 meter, een breedte tot 1.00 meter en maximaal 0.30 meter dik mogelijk voor verwijzing naar een bedrijf of bedrijvencomplex in aanvulling op de hierboven genoemde reclame
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 33
HOOFDSTUK 6 Criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken TOETSINGSCRITERIA Veel voorkomende kleine bouwwerken In deze paragraaf worden de welstandscriteria gegeven voor de toetsing van enkele categorieën veel voorkomende kleine bouwwerken: • bijbehorende bouwwerken • dakkapellen • gevelwijzigingen • rolhekken, luiken en rolluiken In tegenstelling tot alle eerder beschreven relatieve welstandscriteria gaat het in deze paragraaf om concrete criteria die de planindiener vooraf maximale duidelijkheid geven. De wijze waarop deze toetsingscriteria worden gebruikt is afhankelijk van het welstandsregime van het gebied dan wel het object. Burgemeester en wethouders moeten ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand advies vragen aan de Welstandscommissie (artikel 6.2 Besluit omgevingsrecht). Een advies kan achterwege blijven indien dit niet noodzakelijk wordt geacht. Dit moet wel vastgelegd worden in de welstandsnota ingevolge artikel 12a lid 1 van de Woningwet. Het benoemen van bouwwerken waarvoor geen redelijke eisen van welstand gelden zonder daaraan criteria te verbinden zou voor een aantal veel voorkomende kleine bouwwerken - uit oogpunt van welstand - tot ongewenste ontwikkelingen kunnen leiden.
In verband daarmee zullen voor bouwplannen die voldoen aan de in het onderhavige hoofdstuk 6 opgenomen criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken en de hieronder aangegeven beoordelingscriteria, geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Vaak kan immers - doordat ze voldoen aan die criteria - de conclusie worden getrokken dat ze voldoen aan redelijke eisen van welstand. Bouwplannen die niet geheel vallen binnen de criteria zullen ter beoordeling (moeten) worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Beoordelingsaspecten Een bouwwerk is in ieder geval niet strijdig met redelijke eisen van welstand als: • Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde toetsingscriteria zoals hierna zijn opgenomen, en; • Het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde criteria in de gebiedsuitwerking met betrekking tot de kleine bouwwerken, of; • Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar, of; • Het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door welstand en gemeente goedgekeurde geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een woning of; • Het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk.
• De dakkapellen aan de voorzijde van de woningen aan de: Botdragerstraat Leeuwstraat Schildstraat Schellingstraat, voldoen aan de maatvoering van een reeds eerder verleende omgevingsvergunning in deze straten en de hoogte en hoogteligging van de gevraagde dakkapel per type dakkapel en per dakvlak hetzelfde is.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 34
De veel voorkomende kleine bouwwerken worden ambtelijk getoetst aan de welstandscriteria. Indien deze plannen niet voldoen aan de welstandscriteria, worden ze alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie Reguliere welstandsgebieden In de reguliere welstandsgebieden zijn de genoemde bouwwerken binnen bepaalde randvoorwaarden vergunningvrij. Dat betekent dat een deel van deze plannen (met name aan de achterzijde van woningen) niet preventief, dus vooraf, wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Wel kan de gemeente bij een vergunningvrij bouwwerk achteraf ingrijpen als dit in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (dit gebeurt op grond van de excessenregeling, zie hoofdstuk 8). Daarom wordt aanbevolen ook bij vergunningvrije bouwwerken kennis te nemen van de toetsingscriteria. Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de toetsingscriteria zijn uiteraard nooit een exces. Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet vergunningvrij is moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. In dat geval treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan zich niet tegen het bouwplan verzet wordt het bouwplan getoetst aan de toetsingscriteria van de welstandsnota. Voldoet het plan aan deze criteria dan bestaan er geen welstandshalve bezwaren.
Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan aan de welstandscommissie (dan wel een namens haar gemandateerd lid) voorgelegd, die bij de beoordeling tevens gebruik maakt van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria. Bijzondere welstandsgebieden en bij karakteristieke of beeldbepalende panden Ook in de bijzondere welstandsgebieden en bij karakteristieke of beeldbepalende panden zijn de genoemde bouwwerken binnen bepaalde randvoorwaarden vergunningvrij. Net als in de reguliere gebieden betekent dit dat alleen repressief welstandstoezicht mogelijk is. Het spreekt voor zich dat de excessenregeling in de bijzondere welstandsgebieden en bij de karakteristieke of beeldbepalende panden eerder van toepassing zal zijn dan in de reguliere welstandsgebieden omdat deze gebieden en objecten gevoeliger zijn voor aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Daarom wordt met klem aanbevolen bij vergunningvrije bouwwerken in bijzondere welstandsgebieden of bij karakteristieke of beeldbepalende panden kennis te nemen van de toetsingscriteria. Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de toetsingscriteria zijn uiteraard nooit een exces.
Indien een bouwwerk dat valt onder de bovengenoemde categorieën niet vergunningvrij is moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Net als in de reguliere gebieden treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan zich niet tegen het bouwplan verzet, wordt het bouwplan door de welstandscommissie (dan wel een namens haar gemandateerd lid) getoetst aan de toetsingscriteria van de welstandsnota. Voldoet het plan aan deze criteria dan volgt een positief welstandsadvies. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria. Bij aangewezen beschermde monumenten Bij de door het Rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten zijn de elders vergunningvrije bouwwerken, vergunningplichtig. Dat betekent dat altijd een omgevingsvergunning is vereist. Ook in deze gevallen treedt het bestemmingsplan in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan zich niet tegen het bouwwerk verzet, wordt het bouwplan door de welstandscommissie (dan wel een namens haar gemandateerd lid) getoetst aan de toetsingscriteria.
Voldoet het plan aan deze criteria dan volgt een positief welstandsadvies. Voldoet het bouwplan niet aan deze criteria of is er sprake van een bijzondere situatie waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de criteria, dan wordt het bouwplan beoordeeld op grond van de gebiedsgerichte, de objectgerichte en de algemene welstandscriteria.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 35
Voor- en achterkant benadering In het verlengde van de Algemene bepalingen van bijlage II van het Bor, wordt bij de toetsingscriteria onderscheid gemaakt in de voor- en de achterkant van een bouwwerk door deze aan te duiden als gelegen in/aan het voorerfgebied en/of het achtererfgebied. Onder voorerfgebied wordt in dit verband verstaan: • erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; • onder achtererfgebied wordt in dit verband verstaan: • erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; In het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt onder "openbaar toegankelijk gebied" verstaan: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen en ander openbaar gebied, niet zijnde water, dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. Uit de toelichting op dat begrip blijkt dat met "toegankelijkheid" wordt bedoeld dat het openbaar gebied geschikt moet zijn om te betreden. Stroken restgroen die niet bedoeld zijn om te betreden, zijn niet toegankelijk en kunnen in de zin van deze regeling dan ook niet aangemerkt worden als "openbaar toegankelijk gebied".
Anders dan in het voorheen geldende Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) is ook openbaar toegankelijk water toegevoegd aan het openbaar toegankelijk gebied. Dit is om waterkanten beter af te scheiden van vergunningvrije bouwwerken. De zogenaamde brandgangen (paden veelal gelegen aan de achterzijde van woningen) die bedoeld zijn voor de (achter)ontsluiting van achtertuinen bij woningen en uitsluitend dienen voor langzaam verkeer, worden niet tot openbaar gebied gerekend. De definitie van "openbaar toegankelijk gebied" uit het Bor en de strekking daarvan zijn in deze nota overgenomen. Opbouw van de teksten Per type bouwwerk komen de volgende punten aan de orde: • een korte beschrijving van wat precies wordt bedoeld en waar de gemeente vanuit welstandsoogpunt naar streeft, • de toetsingscriteria
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 36
BIJBEHOREND BOUWWERK Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een bijbehorend bouwwerk is een grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag. Een bijbehorend bouwwerk is een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Een bijbehorend bouwwerk kan los op het erf van het hoofdgebouw staan maar kan ook tegen het hoofdgebouw aangebouwd zijn. Meestal is een bijbehorend bouwwerk dus een aan-/uitbouw, een schuur, een tuinhuis een overkapping of een garage. De overkapping staat los op het erf of tegen een (hoofd-)gebouw aan en is meestal bedoeld als carport of luifel boven een deur of raampartij. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen. Als een bijbehorend bouwwerk zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, is deze voor het straatbeeld zeer bepalend. De voorkeur gaat daarom uit naar een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied. De gemeente streeft in principe naar een bescheiden uiterlijk van een bijbehorend bouwwerk: materialen en kleuren van gevels en dakvlakken afgestemd op die van het hoofdgebouw, eenvoudige kapvorm en geen onnodig grote dak-overstekken of versieringen.
Een bijbehorend bouwwerk moet qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het oorspronkelijke hoofdgebouw en afgestemd worden op het karakter van het hoofdgebouw of de erfinrichting. Een belangrijk kenmerk van een overkapping is de transparantie. Overkappingen mogen niet met wanden worden dichtgezet. Een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, dat contrasteert met het hoofdgebouw, zal altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Welstandscriteria voor een bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied Een bijbehorend bouwwerk aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Voldoet een bijbehorend bouwwerk niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan wordt de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie voorgelegd. In geval van een monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. Een bijbehorend bouwwerk op het voorerf wordt ambtelijk getoetst aan de welstandscriteria. Indien deze plannen niet voldoen aan de welstandscriteria, worden ze alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft rooilijnen en maximale afmetingen.
Als een bijbehorend bouwwerk zichtbaar is vanuit de openbare ruimte, is deze voor het straatbeeld zeer bepalend.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 37
algemeen: • een bijbehorend bouwwerk is een ondergeschikte toevoeging aan een hoofdgebouw of is een ondergeschikt, vrijstaand op het erf gesitueerd bouwwerk • geen secundair bijbehorend bouwwerk (bijvoorbeeld aan een bestaande aanof uitbouw); een uitbreiding in een identieke vormgeving is wel mogelijk vormgeving: • vormgegeven in één bouwlaag • plat afgedekt; geen balkonhek • gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van het hoofdgebouw. • indeling en profielen van ramen en kozijnen afgestemd op die van de gevelramen en kozijnen van het hoofdgebouw • geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten materiaal en kleur: • materiaal- en kleurgebruik gevels, ramen, kozijnen en profielen afgestemd op gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw • bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of m.b.v. scheidende penant Standaardplan als trendsetter Een bijbehorend bouwwerk voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan een voor het betreffende bouwblok of woningtype of in de betreffende straat eerder als zodanig goedgekeurd standaardplan.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 38
DAKKAPELLEN Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Later toegevoegde dakkapellen zijn zelden een verrijking van het straatbeeld. Wanneer het mogelijk is zal de welstandscommissie dan ook adviseren de dakkapel aan de achterkant van de woning aan te brengen (op het achter- of zijdakvlak als het zijerf of de gevel niet gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied). Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. Daarom mag een dakkapel nooit domineren in het silhouet van het dak en moet de noklijn van het dak, afhankelijk van straatprofiel, vanaf de weg zichtbaar blijven. Bovendien moet de ruimte tussen dakkapel en goot voldoende zijn. Bij meerdere dakkapellen op één doorgaand dakvlak streeft de gemeente naar een herhaling van uniforme exemplaren en een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn. Herhaling binnen een blok (van dezelfde architectuur/bouwstijl) kan rust en samenhang brengen.
Dubbele dakkapellen Met toetsingscriteria kan een dakkapel boven een bestaande dakkapel op het achterdakvlak worden beoordeeld. Bij dakkapellen boven elkaar is ordening, ritmiek en maatvoering ten opzichte van elkaar van belang. De gemeente streeft naar een gelijke ritmiek bij woonblokken met doorlopende dakvlakken, een ordening op het dakvlak van de betreffende woning, waarbij de bovenste dakkapel kleiner is. Bovendien moeten de ruimte tussen de dakkapellen onderling en de randen van het dak voldoende groot zijn. Dakkapellen op een (gehalveerd) mansardedak. Voor dakkapellen aan de achterzijde bij woningen met een (gehalveerd) mansardedak gelden andere crtieria voor wat betreft de plaatsing van de dakkapel dan bij andere daken. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat plaatsing van een dakkapel in het lager gelegen dakvlak bij dergelijke daken minder functioneel is. In plaats van een dakkapel kunnen ook dakramen worden aangebracht. Deze zijn minder dominant in het straatbeeld. Welstandscriteria voor dakkapellen aan de voorkant Een dakkapel aan de voorkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan.
Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan wordt de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie voorgelegd. In geval van een monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd. algemeen: de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 39
plaatsing en aantal: hoogte en hoogteligging van de dakkapel overeenkomstig de reeds op het dakvlak aanwezige dakkapellen geen dakkapellen boven elkaar plaatsen afstand voet dakkapel tot de dakvoet minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m. verticaal gemeten. Minimaal 0.50 m. dakvlak boven en aan weerszijden van de dakkapel; afstand tot bovenkant dak verticaal gemeten en afstand aan zijkant gemeten vanaf de zijwangen van de dakkapel tot de (gemeenschappelijke) bouwmuur niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak bij plaatsing op een zijdakvlak afstand tot de voorgevellijn minimaal 1.00m. maatvoering: hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.50 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim breedte in totaal maximaal 50% van de breedte van het dakvlak van de betreffende woning met een maximum van 3.00 m. (buitenwerks gemeten van zijwang tot zijwang van de dakkapel) de kozijnhoogte van een aangekapte dakkapel is max. 1.00 m.
vormgeving: plat afgedekt of indien passend in architectuurbeeld/bouwstijl en bij een dakhelling groter dan 45° een aangekapte dakkapel met een dakhelling van minimaal 25° profielen van kozijnen en ramen afgestemd op die van de ramen en kozijnen van het hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen afgestemd op gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken Welstandscriteria voor dakkapellen aan de achterkant (voor zover niet vergunningvrij) Een dakkapel aan de achterkant (voor zover niet vergunningvrij) is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande toetsingscriteria wordt voldaan. Voldoet een dakkapel niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan wordt de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie voorgelegd. In geval van een monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen: de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw plaatsing en aantal: hoogte en hoogteligging van de dakkapel overeenkomstig de reeds op het dakvlak aanwezige dakkapellen afstand voet dakkapel tot de dakvoet minimaal 0.50 m. en maximaal 1.00 m. verticaal gemeten. Minimaal 0.50 m. dakvlak boven en aan weerszijden van de dakkapel; afstand tot bovenkant dak verticaal gemeten en afstand aan zijkant gemeten vanaf de zijwangen van de dakkapel tot de (gemeenschappelijke) bouwmuur bij plaatsing op een zijdakvlak afstand tot de voorgevellijn minimaal 1.00 m. bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1.00 m. niet meer dan twee dakkapellen per woning (regelmatig gerangschikt op
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 40
horizontale lijn) op het betreffende dakvlak maatvoering: breedte maximaal 6.00 m. buitenwerks gemeten van zijwang tot zijwang van de dakkapel hoogte maximaal 1.75 m. gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeibord of daktrim de kozijnhoogte van een aangekapte dakkapel is max. 1.00 m. vormgeving: plat afgedekt of indien passend in architectuurbeeld/bouwstijl en bij een dakhelling groter dan 45° een aangekapte dakkapel met een dakhelling van minimaal 25°. profielen van kozijnen en ramen afgestemd op die van de ramen en kozijnen van het hoofdgebouw geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeibord en ornamenten materiaal en kleur: materiaal- en kleurgebruik dakkapel, kozijnen en profielen afgestemd op gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen Welstandscriteria voor dakkapellen boven elkaar aan de achterkant Een tweede dakkapel aan de achterkant is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande welstandscriteria wordt voldaan. Wordt niet aan deze criteria voldaan of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de toetsingscriteria dan wordt de bouwaanvraag voor advies aan de welstandscommissie voorgelegd.
standaardplan Een dakkapel voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan een voor het betreffende bouwblok of in de betreffende straat eerder als zodanig goedgekeurd standaardplan. algemeen de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw de dakkapel voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader de dakkapel is gesitueerd op het achterdakvlak dat niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd de dakkapel wordt niet gebouwd op een Rijks, provinciaal of gemeentelijk monument de dakkapel wordt geplaatst op een woning met een lang dakvlak (over meerdere verdiepingen) plaatsing en aantal de onderzijde van de dakkapel is minstens 1,00 meter gesitueerd boven de ondergelegen dakkapel de bovenzijde van de dakkapel is gesitueerd minstens 0,50 meter onder de daknok indien er op het dakvlak van het woningblok andere dakkapellen op dezelfde verdieping aanwezig zijn, dan wordt de dakkapel op dezelfde horizontale lijn ten opzichte van deze andere dakkapellen geplaatst de zijkanten van de dakkapel staan minstens 0,50 meter van de zijkanten van het dakvlak, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel en bij kilkepers gemeten aan de onderzijde / dakvoet van de dakkapel de tussenruimte tussen de dakkapel en een andere dakkapel of dakraam is minstens 1,00 meter maximaal één hoog geplaatste dakkapel per dakvlak van een
woning, mits er reeds een lager gelegen dakkapel op dezelfde woning/op hetzelfde dakvlak aanwezig is de dakkapel in de tweede lijn dient in principe centraal boven de bestaande
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 41
dakkapel in de eerste lijn geplaatst te worden maar kan ook links of rechts met de zijkant van de eronder gelegen dakkapel uitgelijnd worden. maatvoering de bovenste dakkapel is niet breder dan 75% van de breedte van de dakkapel eronder de bovenste dakkapel is lager dan de dakkapel eronder (maximaal 80% van de onderliggende dakkapel) de hoogte van de bovenste dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel is maximaal 1,20 meter de hoogte van het boeibord is afgestemd op de hoogte van het boeibord van de reeds aanwezige dakkapel de maatverhouding van de vensters van de dakkapel komt overeen met de maatverhouding van de vensters van de ondergelegen dakkapel.
vormgeving de dakkapel is plat afgedekt indien er op het dakvlak van het woningblok andere dakkapellen op dezelfde verdieping aanwezig zijn, dan is de dakkapel gelijkvormig aan deze eerdere geplaatste dakkapellen de detaillering is bescheiden, dus geen overmaat aan detailleringen en wel bijvoorbeeld een bescheiden boeibord en bescheiden ornamenten materiaal en kleur het materiaal- en kleurgebruik van de gevels, kozijnen en profielen is afgestemd op de gevels, kozijnen en profielen van het hoofdgebouw het voorvlak van de dakkapel is grotendeels gevuld met glas dichte panelen worden in beperkte mate toegepast de dakkapel heeft geen borstwering Voldoet het bouwplan niet aan de toetsingscriteria dan zal de welstandscommissie het bouwplan ook toetsen aan de gebiedsgerichte criteria. Welstandscriteria voor dakkapellen op daken met een (gehalveerde) mansarde kapvorm De eis dat een dakkapel hoog in het dakvlak alleen mag worden gerealiseerd als er reeds een dakkapel in het lager gelegen dakvlak is gerealiseerd geldt niet bij daken met een (gehalveerde) kapvorm indien aan de volgende criteria wordt voldaan. standaardplan Een dakkapel voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan een voor het betreffende bouwblok of in de betreffende straat eerder als zodanig goedgekeurd standaardplan.
maatwerk Bij de criteria voor een dakkapel op daken met een (gehalveerde) mansarde kapvorm wordt uitgegaan van een 2e verdiepingsvloer die gelijk of lager ligt dan de knik van het mansardedak. In afwijkende situaties, waarbij de vloer hoger ligt dan de knik in het dakvlak, zal hiervoor maatwerk geleverd worden om tot een bruikbare oplossing te komen. Algemeen de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw de dakkapel voldoet aan het gebiedsgerichte beoordelingskader de dakkapel is gesitueerd op het achterdakvlak dat niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd de dakkapel wordt niet gebouwd op een Rijks, provinciaal of gemeentelijk monument plaatsing en aantal afstand van de voet van de dakkapel tot de dakknik is minimaal 0,50 meter en maximaal 1,2 meter (vertikaal gemeten)
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 42
minimaal 0,5 meter dakvlak boven de dakkapel (vertikaal gemeten) indien er op het dakvlak van het woningblok andere dakkapellen op dezelfde verdieping aanwezig zijn, dan wordt de dakkapel op dezelfde horizontale lijn ten opzichte van deze andere dakkapellen geplaatst de zijkanten van de dakkapel staan minstens 0,50 meter van de zijkanten van het dakvlak, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel en bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel de tussenruimte tussen de dakkapel en een andere dakkapel of dakraam is minstens 1,00 meter maximaal één hoog geplaatste dakkapel per dakvlak van een woning maximaal 2 dakkapellen op het achterdakvlak per woning de dakkapel in de tweede lijn dient centraal in het dakvlak geplaatst te worden
maatvoering breedte van de dakkapel totaal maximaal 6 meter buitenwerks gemeten hoogte van de dakkapel maximaal 1,5 meter vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde boeibord. Vormgeving de dakkapel is plat afgedekt indien er op het dakvlak van het woningblok andere dakkapellen op dezelfde verdieping aanwezig zijn, dan is de dakkapel gelijkvormig aan deze eerdere geplaatste dakkapellen de detaillering is bescheiden, dus geen overmaat aan detailleringen en wel bijvoorbeeld een bescheiden boeibord en bescheiden ornamenten, bescheiden overstek profielen van kozijnen en ramen zijn afgestemd op die van het hoofdgebouw materiaal en kleur het materiaal- en kleurgebruik van de gevels, kozijnen en profielen is afgestemd op de gevels, kozijnen en profielen van het hoofdgebouw het voorvlak van de dakkapel is grotendeels gevuld met glas dichte panelen worden in beperkte mate toegepast de dakkapel heeft geen borstwering Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm Bij een aantal afwijkende kapvormen is naast eerdergenoemde toetsingscriteria voor de voor- en achterkant een aantal aanvullende welstandscriteria van toepassing. In geval van combinaties van verschillende dakvormen zal door de welstandscommissie per situatie een afweging gemaakt worden van de toelaatbare uitbreidingen.
Zadeldak met hellingshoek <30° Soms geeft een zadeldak door de flauwe helling weinig tot geen gelegenheid om een dakkapel toe te passen. Door de flauwe helling wordt de bovenzijde van de dakkapel namelijk (nagenoeg) gelijk met de nok. Hierdoor worden het dakvlak en het silhouet te sterk aangetast, daarom is het plaatsen van een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° welstandshalve ongewenst. Een reguliere dakkapel is hier dus niet goed mogelijk. Als de vrije hoogte onder de nok tenminste 2.00 meter bedraagt kan soms een oplossing worden gevonden door de nok te verplaatsen en te verhogen. Dan spreken we van een dakopbouw. Zadeldak met hellingshoek > 30° De algemene toetsingscriteria voor dakkapellen zijn hier van toepassing. Hiervoor gelden dus geen aanvullende criteria. Zadeldak met wolfseind De beperkte maat van het wolfseind is ongeschikt voor toevoegingen. De zijdakvlakken zijn hiervoor meer geschikt, en dienen behandeld te worden als het zadeldak. Hierbij dienen de wolfseinden gerespecteerd te worden.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 43
Zadeldak met vliering of lage opslagruimte De basismaat van de vliering of opslagruimte is te gering om een dakkapel of -opbouw te realiseren. Plaatsing hoog in het dakvlak geeft een onevenwichtig beeld. Bij deze dakvorm dus geen dakkapellen op het dakvlak. Zadeldak met een kap over meerdere verdiepingen Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een dakvlak dat over meerdere verdiepingen doorloopt een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. In het algemeen worden dakkapellen onder in het dakvlak toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld. Door de hoogte van het dakvlak is hier een dakkapel met een inwendige hoogte tot de verdiepingsvloer voorstelbaar. Voor de plaatsing van een tweede dakkapel boven een reeds onder in het dakvlak geplaatste dakkapel is een afzonderlijke paragraaf opgenomen. Schild-, tent- of piramidedak Het karakter van deze kapvormen, met naar de nok toelopende hoekkepers, vereist een zeer beperkte afmeting van de dakkapel. Bij situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient minimaal 0.50 m. dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel. Lessenaardak Voor dakkapellen op lessenaardaken gelden dezelfde uitgangspunten als voor zadeldaken. Afhankelijk van de hoek van het dak en de nok- en goothoogte gelden verschillende regels.
Wanneer de hoek kleiner is dan 30° is een dakkapel welstandshalve niet wenselijk. Bij een hoek kleiner dan 45° is een dakkapel aanvaardbaar wanneer de vrije hoogte onder de nok meer dan 2.70 m meet, zodat de dakkapel voldoende ver onder de nok zal blijven. Asymmetrisch dak Een dakkapel hoog in het dakvlak geeft bij een asymmetrisch dakvlak een onevenwichtig beeld en is welstandshalve niet gewenst. Het advies hier is omzetten naar het andere dakvlak. Daarnaast kunnen in het algemeen dakkapellen onder in het dakvlak worden toegepast. Door de grootte van het dakvlak ontstaat hiermede een goed en evenwichtig beeld. Mansardedak en gehalveerd mansardedak Een daktoevoeging aan de achterkant is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen een schuin afgedekte dakkapel en een dakkapel met plat dak. In beide gevallen dient de bovenaansluiting met het dakvlak op de knik van het dakvlak plaats te vinden. Onder bepaalde voorwaarden is het toegestaan om een dakkapel hoog in het dakvlak te realiseren. Hiervoor is een aparte paragraaf opgenomen. Lang dakvlak over meerdere verdiepingen Op een lang dakvlak, eventueel met een knik over meerdere verdiepingen aan de achterzijde van een woning is een tweede dakkapel onder voorwaarden toegestaan. De tweede dakkapel dient centraal boven de bestaande dakkapel in de eerste lijn geplaatst te worden.
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 44
KOZIJN- en GEVELWIJZIGINGEN Beschrijving en uitgangspunten voor welstandsbeleid Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. Omdat de opbouw en indeling van de gevel een belangrijk onderdeel is van de architectonische vormgeving van het gebouw en/of de straatwand moeten ook de kozijn- of gevelwijzigingen zorgvuldig worden ingepast. Samenhang en ritmiek in straatwanden mogen niet worden verstoord door incidentele kozijn- of gevelwijzigingen. Met name een kozijn- of gevelwijziging in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied vraagt om een zorgvuldige vormgeving. Een kozijn- of gevelwijziging moet passen bij het karakter van het hoofdgebouw en de karakteristiek van de omgeving. Een naoorlogse woning vraagt bijvoorbeeld om andere vormgeving dan een historisch pand uit de 19de eeuw. Het uitgangspunt van de toetsingscriteria is dat de oorspronkelijke of originele vormgeving in elk geval niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Belangrijke te handhaven kenmerken daarbij zijn de maatvoering van de negge en profilering van het kozijn en het raamhout. De materialisering en (mate aan) detaillering is voornamelijk afhankelijk van het gebiedsgerichte beoordelingskader.
Wijzigingen in de gevel die contrasteren met het hoofdgebouw of de directe omgeving zullen altijd aan de welstandscommissie worden voorgelegd. Welstandscriteria voor kozijn- of gevelwijzigingen Een kozijn- of gevelwijziging van een hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk in het voorerfgebied, is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande toetsingscriteria wordt voldaan. Voldoet een kozijn- of gevelwijziging niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan wordt de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie voorgelegd. In geval van een monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
algemeen: • op gevelwijzigingen op de begane grond, grenzend aan het achtererfgebied zijn onderstaande criteria niet van toepassing • op kozijn- en gevelwijzigingen in een gevel van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, zijn onderstaande criteria ook niet van toepassing; • kleine kozijn- en/of gevelwijzigingen van een hoofdgebouw en grenzend aan het voorerfgebied, volgens een zorgvuldige ambtelijke toets in overeenstemming zijn met de hieronder staande criteria van maatvoering, vormgeving en materiaal en kleur, dan voldoet een dergelijk bouwplan aan redelijke eisen van welstand • een kozijn- en/of gevelwijziging voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan een voor het betreffende bouwblok of woningtype of in de betreffende straat eerder als zodanig goedgekeurd (standaard-)plan plaatsing en aantal: • niet van toepassing maatvoering: • oorspronkelijke maatvoering kozijn en ramen behouden • diepte van negge afgestemd op die van de bestaande situatie • oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 45
vormgeving: • gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur/tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel • een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van gevel handhaven • samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet verstoord • de gevel van begane grond en verdieping(en) blijft samenhangend • de hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling • indeling raamhout behouden • eventuele roedeverdeling alleen met ‘authentieke’ roedes • toegevoegde of vervangende draaiende of schuivende delen zijn mogelijk • gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk • bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen in originele staat of in ieder geval in overeenstemming met op de vormentaal van andere in de gevel voorkomende lateien, onderdorpels en/of raamlijsten materiaal en kleur: • materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw. Andere vergelijkbare materialen en kleuren passend in de omgeving zijn ook mogelijk. • geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 46
ROLHEKKEN, LUIKEN EN ROLLUIKEN Beschrijving en uitgangspunten welstandsbeleid Rolhekken, luiken en rolluiken zijn voorzieningen om ruiten van gebouwen tegen inbraak en vandalisme te beschermen. Deze voorzieningen kunnen de omgeving echter ook een onherbergzaam aanzien geven, hetgeen verloedering juist in de hand werkt. Daarom stimuleert de gemeente in de eerste plaats het toepassen van alternatieve oplossingen zoals geweldbestendig glas of elektronische beveiligingssystemen. Voor woningen is het toepassen van rolhekken, luiken en rolluiken vergunningvrij gesteld. Voor gebouwen anders dan woningen en woongebouwen echter niet. Juist in winkelgebieden zijn de problemen met deze anti-inbraak en –vandalisme voorzieningen het grootst. De gemeente streeft er daarom naar dat rolhekken, luiken en rolluiken de uitstraling van een pand niet negatief beïnvloeden. Welstandscriteria voor rolhekken of (rol)luiken Een rolhek, luik of rolluik is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande toetsingscriteria wordt voldaan. Voldoet een rolhek, luik of rolluik niet aan onderstaande criteria of is er sprake van een bijzondere situatie of gerede twijfel aan de toepasbaarheid van de criteria dan wordt de aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de welstandscommissie voorgelegd. In geval van een monument zal altijd de welstandscommissie om advies worden gevraagd.
plaatsing: • bij voorkeur minimaal 2.00 meter teruggelegen van de uitwendige scheidingsconstructie (pui) aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie (pui), mits: • voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen • ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met interieur/gevel aan de buitengevel, mits: • plaatsing aan de binnenzijde niet mogelijk is • voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen • rolkasten, geleidingen en rolhekken in de gevel worden ingepast • ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met gevel
Welstandsnota Pijnacker-Nootdorp 2013 Pagina 47
HOOFDSTUK 7 Welstandscriteria bij (her)ontwikkelingen Toelichting De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. Procedure Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten vormt een vast onderdeel van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitsplan, worden opgesteld door de stedenbouwkundige of de supervisor, in overleg met de welstandscommissie. De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vervolgens vast ter aanvulling op de welstandsnota. De gemeenteraad kan dit delegeren aan de raadscommissie. Voor dergelijke aanvullingen op de welstandsnota geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De welstandscriteria moeten zijn vastgesteld voordat de planvorming van de concrete bouwplannen start en worden bekend gemaakt aan alle potentiële opdrachtgevers in het gebied.