Bijlage 5a - Toelichting
Tekst van het document
Omdat er maximaal 'minder dan 1 slachtoffers' kunnen vallen is er dus, conform art. 1 van het Bevb, formeel geen sprake van een groepsrisico voor de K2-leiding. De leiding ligt bovendien op ruime afstand van het plangebied en vormt daarom geen belemmering.
4.2.4
Advies Veiligheidsregio Haaglanden (VRH)
Het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden zal bij het ontwerpbestemmingsplan worden toegevoegd.
4.2.5
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Kerkweg Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Korteweg Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
26
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving en beleid
Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidsniveau kunnen hierdoor lichamelijke en psychische klachten oplopen. De Wet geluidhinder is van toepassing bij nieuwe situaties. Daarnaast dient het aspect geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij elk bestemmingsplan te worden meegenomen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht: onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour (voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Het gebied binnen deze contour is de zone van het industrieterrein. Middels zonering worden enerzijds bedrijven beschermd tegen oprukkende geluidgevoelige bestemmingen en anderzijds worden geluidgevoelige bestemmingen beschermd tegen eventuele uitbreidingen van de activiteiten op het industrieterrein.
De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar geluidbeleid vastgelegd in de nota 'Gebiedsgericht Geluidsbeleid' uit 2010. Deze Nota Geluidsbeleid, waarin de hoofdlijnen van het beleid uiteen worden gezet, bestaat verder uit de Nota Hogere Grenswaarden, de Nota Bedrijven en Geluid en een richtlijn bouwlawaai op grote bouwlocaties.
4.3.2
Wegverkeerslawaai
Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (zie Bijlage 4) uitgevoerd ten behoeve van de beoogde ontwikkeling aan de locaties Korteweg 1-3 en hoek Kerkweg - Adam Pijnackerstraat te Pijnacker. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de wegen Europalaan en Korteweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Derhalve is in het onderhavige akoestisch onderzoek tevens de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen Korteweg (30 km/uur gedeelte), Kerkweg en Adam Pijnackerstraat inzichtelijk gemaakt. Voor de 30 km/uur weg Adam Pijnackerstraat en het gedeelte van de Korteweg met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen en appartementen overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Kerkweg geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen op de hoek van de Kerkweg en Adam Pijnackerstraat de richtwaarde met maximaal 3 dB overschrijdt. Aangezien deze weg niet gezoneerd is, is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Voor de gezoneerde wegen Europalaan en het gedeelte van de Korteweg met een snelheidsregime van 50 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen aan de Korteweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt.
De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet. Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van financiele, stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie eveneens
27
gemeente Pijnacker-Nootdorp
niet doeltreffend. Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) op de Korteweg geldt dat de voorkeurgrenswaarde nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet doeltreffend. Het toepassen van een stiller wegdek ontmoet bovendien overwegende bezwaren van financiele aard. Voor de Europalaan geldt dat deze in de toekomst reeds van stiller wegdek zal worden voorzien. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document 'Nota Hogere Grenswaarden Gemeente Pijnacker-Nootdorp' d.d. 30 maart 2010 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De nieuwe appartementen aan de Korteweg bevinden zich in 'Centrum stedelijk' gebied. Derhalve geldt voor wegverkeerslawaai een maximale ontheffingswaarde van 58 dB. De hoogste geluidbelasting op de gevels van de appartementen bedraagt 55 dB. Derhalve wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Om een hogere waarde te kunnen verlenen worden tevens de subcriteria zoals genoemd in het document 'Nota hogere grenswaarden' d.d. 30 maart 2010 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp bij de afweging betrokken. 13 appartementen aan de Korteweg Het toepassen van overdrachts- en bronmaatregelen is in de voorgaande paragrafen besproken. De 13 appartementen aan de Korteweg schermen het achterliggende gebied af.
Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de noord-, west- en een gedeelte van de oostgevel de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. Derhalve beschikt niet ieder appartement zondermeer over een geluidluwe gevel. Bij de uitwerking van plattegronden dient derhalve rekening gehouden te worden met de eis van een geluidluwe gevel voor de appartementen welke niet beschikken over een verblijfsruimte aan de oostelijke en/of zuidelijke gevel van het appartementengebouw. Tevens dient rekening te worden gehouden met de buitenruimte van deze appartementen, de geluidbelasting mag de ambitiewaarde van maximaal 48 dB niet overschrijden. Dit is enkel het geval ter plaatse van de buitenruimte aan de zuidzijde van de appartementen. Voor de appartementen is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig om vervolgens te kunnen voldoen aan de binnenwaarde conform het bouwbesluit. Het geluidsaspect is vanaf het eerste ontwerp-stadium betrokken. Bij de appartementen dient minimaal een verblijfsruimte aan de geluidluwe zijde te worden gesitueerd. Een geluidluwe gevel en buitenruimte kunnen bijvoorbeeld worden gerealiseerd door het toepassen van loggia's met een voldoende hoge (nader te bepalen), geluidafschermende borstwering.
Een alternatief is het toepassen van een SilentAir gevelscherm ter plaatse van gevelopeningen van minimaal 1 verblijfsruimte van de betreffende appartementen. 8 eengezinswoningen aan de Kerkweg Het toepassen van overdrachts- en bronmaatregelen is in de voorgaande paragrafen besproken. De woningen schermen het achterliggende gebied af. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de oostgevel de richtwaarde van 48 dB overschrijdt. De plattegronden van de woningen zijn nog niet bekend. Echter, de woningen aan de Kerkweg betreffen eengezinswoningen. Derhalve kan ervan uitgegaan worden dat het doorzonwoningen zijn met verblijfruimtes aan de geluidonbelaste achtergevel. Tevens beschikt iedere woning over een geluidluwe buitenruimte, gelegen aan de achtergevel. Voor de woningen welke direct aan de Kerkweg zijn gelegen, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat een onderzoek naar de geluidwering van de gevels geadviseerd om vervolgens te allen tijde te kunnen voldoen aan de binnenwaarde conform het bouwbesluit. Het geluidsaspect is vanaf het eerste ontwerp-stadium betrokken.
4.3.3
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Kerkweg Wegverkeerslawaai Aangezien voor de nieuwe rijwoningen en appartementen op de hoek van de Kerkweg en Adam Pijnackerstraat geen sprake is van een procedure hogere waarde is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet aan de orde. Spoorweglawaai
28
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Het plangebied ligt buiten de geluidszone van de Randstadrail, derhalve is onderzoek naar spoorweglawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een industrieterrein, derhalve is onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk. Korteweg Wegverkeerslawaai Verzocht wordt om een hogere waarde te verlenen voor de appartementen aan de Korteweg conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Aangezien in onderhavige situatie voor de nieuwe appartementen aan de Korteweg sprake is van een procedure hogere waarde zal de procedure hogere waarde worden doorlopen. Spoorweglawaai Het plangebied ligt buiten de geluidszone van de Randstadrail, derhalve is onderzoek naar spoorweglawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een industrieterrein, derhalve is onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk.
4.4
Luchtkwaliteit
Ten aanzien van het plangebied kan worden gesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdrage aan de luchtkwaliteit. Uit onderzoek met behulp van de NSL-rekentool kan worden gesteld dat de jaargemiddelde grenswaarden voor de jaren 2020 en 2030 nergens op de omliggende (ontsluitings)wegen worden overschreden. Er wordt derhalve voldaan aan de normen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Aangezien er geen (dreigende) overschrijding is van de grenswaarden zijn er ook geen beperkingen ten aanzien van realisatie van eventuele specifieke woonvormen die vallen onder het Besluit gevoelige bestemmingen. Een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is hiermee gewaarborgd. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2018, 2020 en 2030 afgelezen. In de verkeersmodellen die gebruikt worden bij de NSL-monitoringstool is de verkeersgeneratie in de omgeving reeds opgenomen in het model voor de jaren 2020 en 2030. Er zijn derhalve geen aanpassingen doorgevoerd aan de data afkomstig uit de NSL-rekentool. NO2 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor NO2 in alle gevallen afnemen ten opzichte van 2018. In geen van de gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde overschreden. PM10 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor PM10 in 2020 nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van 2018.
In 2030 neemt de concentratie echter af. Ter plaatse van het plangebied is de concentratie PM10 in 2030 kleiner dan de concentratie in 2018. Er wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 (40 µg/m3). De wereldgezondsheidsorganisatie (WHO) beoogt een advieswaarde van een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3. Deze werd in 2018 op twee punten licht overschreden (20,4 µg/m3). In 2020 en 2030 nemen de concentraties af tot ver onder de advieswaarde. PM2,5 Uit de resultaten blijkt dat dat de concentraties PM2,5 licht afnemen. De jaargemiddelde grenswaarde (25 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Ook de jaargemiddelde richtwaarde voor 2020 (20 µg/m3) wordt in geen geval overschreden.
29
gemeente Pijnacker-Nootdorp
4.5
Bodem
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en aantasting van de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat op dit moment de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en hoogstwaarschijnlijk binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' inhouden. In het kader van de omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag bodem.
Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijk ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa. Bodemonderzoek (Huidige) wet- en regelgeving (bodem)onderzoek bij (her)inrichting of bestemmingswijziging: Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto's en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van de beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen.
Een locatie wordt als asbestverdacht beschouwd indien nu of in het verleden op de locatie verhardingen, (zintuiglijk) verdachte terreindelen aanwezig zijn of zijn geweest (bijvoorbeeld (puin)dammen, (puin)funderings- of ophooglagen, bodemvreemde materialen, slootdempingen, etc.), en overige asbestgerelateerde of bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden (bijvoorbeeld opstallen met golfplaten, beschoeiingen, etc.). Indien een locatie als asbestverdacht kan worden beschouwd, zal een asbestinventarisatie van de bodem conform de vastgestelde norm moeten worden uitgevoerd (huidige norm: NEN-5707). Indien asbestverdacht bouw- en/of sloopafval of (puin)granulaat wordt aangetroffen zal een asbestinventarisatie conform de vastgestelde norm moeten worden uitgevoerd (huidige norm: NEN-5897). Voorafgaand aan de sloop dient voor aanwezige opstallen een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd conform de vastgestelde norm (huidige norm: SC540), om zorg te dragen dat bij de sloop van opstallen het aanwezige asbesthoudende materiaal, onder daarvoor geldende wet- en regelgeving voorafgaand aan de overige sloopwerkzaamheden, wordt verwijderd (conform de norm: SC530) en naar een erkend eind-verwerker wordt afgevoerd, zodat geen asbesthoudende materialen op en/of in de bodem achterblijven.
Kerkweg Milieu Adviesbureau Adverbo heeft een verkennend asbest-, aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Kerkweg 42 te Pijnacker (Bijlage 5). Geconcludeerd wordt dat de gemiddelde milieuhygiënische bodemkwaliteit middels voorliggend onderzoek in voldoende mate is vastgesteld. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in de zintuiglijk verontreinigde donkere zandlaag sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK en
30
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
asbest (540 m3). Ter plaatse van de Kerkweg is sprake van een beperkte (rest)verontreiniging met zware metalen en PAK (3,6 m3). Om de locatie geschikt te maken voor de voorgenomen ontwikkeling van woningen en functie dient deze te worden gesaneerd. De resultaten van het onderzoek vormen, in combinatie met de nog in te dienen BUS-melding/saneringsplan en voorgenomen sanering, geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van de locatie in combinatie met de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van woningen. Korteweg PM- voor de Korteweg moet het bodemonderzoek nog opgeleverd worden. Bodemverontreiniging/-sanering Indien binnen de locatie een (mogelijk) geval van bodemverontreiniging is en/of wordt vastgesteld, zal bij (her)inrichting of wijziging in het gebruik van de locatie voor de aanpak van de bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming goedkeuring moeten worden verleend door het bevoegd gezag. De gemeente toetst de saneringsvariant van een 'geval van bodemverontreiniging' in het kader van de Woningwet. Voor de aanpak van gevallen van asbestverontreiniging die vallen onder het Besluit asbestwegen Wms dient goedkeuring te zijn verleend door het bevoegd gezag, te weten Inspectie Leefomgeving en Transport. Opgemerkt wordt dat in het kader van de (toekomstige) omgevingswet de gemeente bevoegd gezag bodem is.
Waterbodem Voorafgaand aan het vrijkomen van baggerspecie en/of het dempen van een watergang dient voor het bepalen van de (milieuhygiënische) kwaliteit van baggerspecie een waterbodemonderzoek te worden uitgevoerd conform de vastgestelde norm (huidige norm: NEN-5720), voor zover het Besluit bodemkwaliteit geen vrijstelling kent. Tevens wordt geadviseerd om gelijktijdig monsters te nemen van de ondergrond onder de (aanwezige) baggerspecie, het volume van de aanwezige baggerspecie vast te (laten) stellen en een verwerkingsadvies voor de baggerspecie op te (laten) stellen. Actualiteit milieuhygiënische (bodem)kwaliteitsgegevens Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden, waaraan alle bij de overheid ter toetsing aangeleverde bodemkwaliteitsgegevens dienen te voldoen. Met de introductie van het Bbk is een nieuw standaard stoffenpakket geïntroduceerd en dienen onderzoeken en waar nodig bodemsanerende maatregelen te worden uitgevoerd door erkende bodemintermediairs (Kwalibo: Kwaliteitsborging in het bodembeheer). Bodemkwaliteitsgegevens die niet voldoen aan het Bbk kunnen niet als actueel worden beschouwd. Ook locatie specifieke omstandigheden kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Een (bodem)onderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt.
Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor zijn of worden beïnvloed. Herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof Indien tijdens graafwerkzaamheden herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof vrijkomt en hergebruikt of afgevoerd gaat worden, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In het kader van het Besluit bodemkwaliteit kan het noodzakelijk zijn om aanvullend op het bodemonderzoek een partijkeuring (AP04) uit te laten voeren om van de vrijkomende partij de verwerkings- en/of gebruiksmogelijkheden te kunnen classificeren.
31
gemeente Pijnacker-Nootdorp
4.5.1
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Kerkweg Geconcludeerd is dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK en asbest (540 m3) en van een beperkte (rest)verontreiniging met zware metalen en PAK (3,6 m3). Om de locatie geschikt te maken voor de voorgenomen ontwikkeling van woningen en functie dient deze te worden gesaneerd. Hiervoor dient een BUS melding/saneringsplan bij het bevoegd gezag te worden ingediend en goedgekeurd. Korteweg PM- voor de Korteweg moet het bodemonderzoek nog opgeleverd worden.
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
4.6.1
Regelgeving en beleid
Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven.
Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden. Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. CultuurhistorischeAtlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. In de CHA heeft het plangebied een redelijk tot grote kans op archeologische sporen. Aan deze kans is een onderzoeksplicht verbonden.
Archeologiebeleid Pijnacker-Nootdorp De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar archeologiebeleid verwoord in de nota 'Pijnacker-Nootdorp; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart' uit 2009. Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied deels een hoge archeologische verwachting, een middelhoge archeologische verwachting en deels een onbekende archeologische verwachting.
32
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit kan in de vorm van het treffen van technische maatregelen, het doen van een opgraving of archeologische begeleiding van werkzaamheden. Daarnaast is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Per dubbelbestemming gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring. In de volgende tabel is een overzicht opgenomen met de dubbelbestemmingen die in voorliggend bestemmingsplan voorkomen. Per dubbelbestemming is aangegeven wat de ondergrenzen voor de oppervlakte en diepte van de verstoring zijn. Indien deze grenzen niet worden overschreden, dan is er geen onderzoek noodzakelijk.
Verwachting
Dubbelbestemming
Hoog
Waarde- Archeologie 1
4.6.2
Ondergrens oppervlakte 50 m2
Ondergrens diepte 0,30 meter
Conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan
Kerkweg Bij de toekomstige ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met een redelijke tot grote trefkans op archeologische sporen. Voor beide locaties heeft derhalve eerst een archeologisch bureauonderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek is gebleken dat nader archeologisch onderzoek middels een verkennend booronderzoek ter plaatse noodzakelijk is. Uit dit verkennend archeologisch booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats aangetroffen. Archeologie Delft heeft daarom geadviseerd verder geen onderzoek meer uit te (laten) voeren (Bijlage 6). Korteweg Bij de toekomstige ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met een redelijke tot grote trefkans op archeologische sporen. Voor beide locaties heeft derhalve eerst een archeologisch bureauonderzoek plaatsgevonden. Op basis van dit onderzoek is gebleken dat nader archeologisch onderzoek middels een verkennend booronderzoek ter plaatse noodzakelijk is. Uit dit verkennend archeologisch booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats aangetroffen. Archeologie Delft heeft daarom geadviseerd verder geen onderzoek meer uit te (laten) voeren (Bijlage 6).
4.7
Ecologie
Voor de Wet natuurbescherming geldt dat er, bij de sloop van gebouwen en/of het kappen van bomen en/of werkzaamheden aan watergangen, eerst nader onderzoek dient te worden verricht naar beschermde soorten. Tevens dienen sloop- en bouwwerkzaamheden in de voor vogels minst ongunstige periode (broedseizoen is globaal van 15 maart t/m 15 juli) uitgevoerd te worden. Flora en Fauna Voor de locaties is er een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld (Bijlage 7). In of nabij het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden of ecologische verbindingszones gelegen. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied.
Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de sloopwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is
33
gemeente Pijnacker-Nootdorp
eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde. Er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Natura 2000-gebieden Gezien de afstand van 13,7 kilometer tot Natura2000-gebieden zal er geen effect optreden op deze beschermde gebieden van activiteiten in de gemeente. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (verder:NNN) is op een afstand van 1,3 kilometer ten zuidwesten van het plangebied gelegen.
Afbeelding 4.1 - Afstand plangebied tot Natura 2000-gebieden Stikstofdepositie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2019A (Bijlage 8) blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn 'significante (negatieve) effecten' op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van het Wbv is derhalve niet aan de orde.
4.7.1
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Natura 2000-gebieden In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNN-gebied geen sprake is. Tevens betreft het relatief kleine ontwikkelingen. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte aard van de ontwikkelingen valt een significant negatief effect niet te verwachten. Flora en Fauna Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora en fauna. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied (tuin) in gebruik blijven.
34
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Stikstofdepositie Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de aanlegfase als gebruiksfase geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan plaatsvindt. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Natuurinclusief bouwen Ten aanzien van de te ontwikkelen locaties aan de Kerkweg en aan de Korteweg geldt dat de woningen duurzaam moeten zijn. Dat wil zeggen dat de woningen goed zijn voor de mens en voor het milieu; nu en in de toekomst. In het kader van duurzaamheid is ook het onderdeel natuurinclusief bouwen van belang. Als gemeente Pijnacker-Nootdorp vragen we de projectontwikkelaars natuurinclusief te bouwen (4.10 Duurzaamheid).
4.8
Water
Regelgeving en beleid Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 is Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) vastgesteld en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 en de partiële herziening. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP is bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het NWP legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
De ambities die in dit Waterplan centraal staan zijn: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Voor de gebieden waar het Rijk verantwoordelijkheden heeft op het gebied van waterveiligheid en zoetwater, zijn er gebiedsgericht uitwerkingen opgenomen in het NWP. Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland heeft een ontwerpplanherzieningsbesluit genomen voor haar waterbeleid. Het Waterbeleid 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: Waarborgen waterveiligheid; Zorgen voor mooi en schoon water; Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening; Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem. In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Waterbeheerprogramma Hoogheemraadschap Delfland Het plangebied ligt in het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op 19 november 2015 heeft Delfland het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) vastgesteld. In het WBP wordt de strategie voor de
35
gemeente Pijnacker-Nootdorp
uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het WBP is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021 en is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. De werkzaamheden en projecten voor de komende planperiode zijn terug gebracht tot vier speerpunten: In stand houden: De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Investeren: Natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeter en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, de samenwerking in waterbeheer is pluriform van karakter. Flexibel en duidelijk: Een flexibel waterschap die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Er worden duidelijke kaders neergezet maar dogma's zijn er niet. Handreiking watertoets Het Hoogheemraadschap heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. Deze is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau.
Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke wet- en regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Plangebied Aangezien in voorliggend plan slechts sprake is van kleinschalige ontwikkeling is geen nader wateronderzoek noodzakelijk. Wel moet voldaan worden aan het stand still principe. Dit betekent dat ontwikkelingen niet tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie mogen leiden. Bodem en grondwater De bodem ter plaatse van het plangebied is geclassificeerd als bebouwing (bron: maps.bodemdata.nl). Bij een bestemmingsplan moet in het kader van de watertoets ook aandacht moet worden besteed aan het thema grondwater. Op basis van historische gegevens (meldingen van bewoners) zijn geen problemen met het grondwater ter plaatse van deze locatie bekend. Deze hoeven ook anderszins niet te worden verondersteld. Waterkwantiteit De nieuwe woningen zullen gebouwd worden op de percelen waar voorheen twee bedrijfspanden stonden.
In de huidige situatie zijn beide percelen zo goed als volledig bebouwd. In de nieuwe situatie zal een deel van de bebouwing en bestrating vervangen worden door tuin. Hierdoor neemt de hoeveelheid verharding af en is watercompensatie niet noodzakelijk. Waterkwaliteit Het Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020, is op 30 maart 2017 vastgesteld. Voor wat betreft de waterkwaliteitsdoelen worden geen negatieve effecten voorzien. Er wordt gestreefd naar het principe van geen achteruitgang zoals genoemd in de Kaderrichtlijn water. Delfland kan vanuit de programma's Kaderrichtlijn Water en Ecologie concreet aanduiden welke ecologische waterkwaliteitsdoelen worden nagestreefd en wat deze concreet inhouden. In het gebied worden geen nieuwe, potentieel verontreinigende functies en ontwikkelingen voorzien, die vanuit het oogpunt van waterkwaliteit bijzondere aandacht vragen. Veiligheid en waterkeringen In de directe nabijheid van het perceel lopen geen regionale waterkeringen en/of beschermingszones. De ontwikkeling heeft aldus op dit onderdeel geen nadelige gevolgen voor de veiligheid.
36
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Onderhoud en bagger In de buurt van de ontwikkelingen bevinden zich geen watergangen. Het onderdeel onderhoud en bagger vormt geen probleem voor de ontwikkeling. Afvalwater en riolering De gemeente Pijnacker-Nootdorp geeft in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2014-2017 aan dat in geval van kleinschalige nieuwbouwprojecten de percelen worden aangesloten op het al aanwezige rioolstelsel met als extra voorwaarde dat zoveel mogelijk verhard oppervlak afgekoppeld wordt. In onderhavige situatie dienen de mogelijkheden van afkoppelen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden. Voor het afvoeren van water zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals bijvoorbeeld het toepassen van halfopen verharding ter plekke van parkeerplaatsen van de nieuw te bouwen woningen. Klimaatadaptatie In de afgelopen jaren is steeds meer aandacht gekomen voor klimaatverandering. Naast de overheid kunnen ook particuliere initiatieven bijdragen aan het klimaatbestendiger inrichten van het terrein. Binnen onderhavige ontwikkeling liggen er kansen voor creatieve, simpele en efficiënte oplossingen om water of vasthoudmaatregelen aan te leggen of toe te passen.
Zo zijn de volgende ontwerp principes denkbaar voor onderhavige ontwikkeling: Regenwater zo veel mogelijk afkoppelen en leiden naar vasthoudmaatregelen en vertraagd afvoeren naar nabijgelegen oppervlaktewater.
4.9
Verkeer en parkeren
De verkeersafwikkeling van en naar de nieuwe ontwikkeling is goed. Het verkeer kan goed en verkeersveilig afgewikkeld worden via het bestaande wegennet van gebiedsontsluitingswegen. Wijzigingen in de wegenstructuur binnen Pijnacker zijn niet noodzakelijk voor een goede verkeersafwikkeling. Ook voor fietsverkeer is een goede ontsluiting via een solitaire fietsstructuur gewaarborgd. De ontsluiting per openbaar vervoer is goed, gezien de aanwezigheid van de RandstadRailhalte. Ten aanzien van parkeren dient altijd voldaan te worden aan de Nota Parkeernormen (zie Bijlage 2 van de regels) van de gemeente. Kerkweg Ten aanzien van de ontwikkeling aan de Kerkweg geldt dat wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen. De parkeernorm is 2 per eengezingswoning. Er worden 8 eengezinswoningen ontwikkeld, dus er is behoefte aan 16 parkeerplaatsen. Er worden in totaal 20 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de Nota Parkeernormen. Korteweg Ten aanzien van de ontwikkeling aan de Korteweg moet ook voldaan worden aan de Nota Parkeernormen. Dit wordt bij het ontwerpbestemmingsplan nader uitgewerkt.
37
gemeente Pijnacker-Nootdorp
4.10
Duurzaamheid
In deze paragraaf wordt ingegaan op enkele aspecten van de duurzaamheidsambitie van de gemeente Pijnacker-Nootdorp voor zover die van belang zijn voor onderhavig bestemmingsplan. In september 2013 heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in het Energieakkoord van de Sociaaleconomische Raad (SER) met vele andere partijen afspraken gemaakt over de verduurzaming van de economie en de energievoorziening. Ook van gemeenten wordt verwacht dat zij een bijdrage leveren aan de in dat akkoord opgesomde ambities ten aanzien van duurzaamheid. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft bijvoorbeeld tot doelstelling aangenomen om in 2050 energieneutraal te zijn. In de thematische structuurvisie duurzame energie en energieneutraliteit 'Pijnacker-Nootdorp op weg naar een energieneutrale samenleving' (2016) heeft het gemeentebestuur de ambities op dit vlak neergezet. Samen met bewoners en ondernemers (/ontwikkelaars) wordt getracht een bijdrage te leveren aan de doelen van het in Parijs bereikte klimaatakkoord. Gestreefd wordt naar klimaatneutraliteit in 2050. Toepassing van duurzame warmte of 'all-electric'-energieoplossingen genieten daarom de voorkeur, tenzij dit technisch, financieel of organisatorisch niet mogelijk is. Ten aanzien van de te ontwikkelen locaties aan de Kerkweg en aan de Korteweg geldt dat de woningen duurzaam moeten zijn.
Dat wil zeggen dat de woningen goed zijn voor de mens en voor het milieu; nu en in de toekomst. In het kader van duurzaamheid is ook het onderdeel natuurinclusief bouwen van belang. Als gemeente Pijnacker-Nootdorp vragen we de projectontwikkelaars natuurinclusief te bouwen.
4.11
MER-beoordeling
Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. De aanmeldnotitie m.e.r. zal bij het voorontwerp bestemmingsplan worden vastgesteld en bij het ontwerp bestemmingsplan hier worden ingevoegd.
38
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
Het bestemmingsplan 'Kerkweg Korteweg' heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te bieden voor de bebouwing en het gebruik binnen het plangebied. Bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De landelijke regelgeving is grotendeels, met uitzondering van enkele begrippen, vertaald in de 'Standaardregels stedelijk gebied, gemeente Pijnacker-Nootdorp' versie 2012. Deze standaardregels vormen de basis voor onderhavige regels. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.1
Inleidende regels
Begrippen In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven hoe gemeten dient te worden.
5.2
Bestemmingsregels
Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep en/of bedrijf aan huis, parkeren en water. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken. De maximale goot- en bouwhoogte zijn opgenomen op de verbeelding. De voor 'specifieke vorm van wonen - bergingen' aangewezen gronden zijn bestemd voor bergingen, met een oppervlakte van ten hoogste 6 m2 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter. De tuinen aan de achterzijde van de woningen aan de Kerkwegzijde zijn te klein om daar bergingen in te realiseren. Daarom staan alle bergingen achterin de tuinen aan de Adam Pijnackerstraat. De eigendomssituatie dwingt ons hier te kiezen voor een aanduiding 'specifieke vorm van wonen – bergingen'.
5.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mogen worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen om bestaande, legaal gerealiseerde bebouwing die bijvoorbeeld qua afmetingen buiten de bepalingen van dit bestemmingsplan valt, planologisch-juridisch te borgen. Algemene afwijkingsregels
39
gemeente Pijnacker-Nootdorp
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van niet-ingrijpende bouwactiviteiten. Algemene wijzigingsregels In deze bepalingen wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven de in het plan opgenomen bestemmingen in geringe mate te wijzigen, indien dit van belang is voor een betere realisering of in verband met een afwijkende toestand van het terrein. Algemene procedureregels Indien er sprake is van toepassing van een omgevingsvergunning die onderdeel uitmaakt van het plan, is er een procedure vastgesteld. Deze is opgenomen in dit artikel.
5.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsregels In deze bepalingen wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het plan.
40
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Hoofdstuk 6 6.1
Haalbaarheid
Financieel
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. In afdeling 6.4 van deze wet worden regels gegeven over het verhalen van kosten van de grondexploitatie, het bepalen van de fasering van realisering van het bestemmingsplan en het stellen van eisen en regels met betrekking tot de uitvoering van openbare werken en werkzaamheden. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is daardoor anderszins geregeld. Er is dan ook vanuit dit oogpunt geen aanleiding om gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitatieplan in de zin van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.
6.2
Maatschappelijk
Het voorontwerpplan van dit bestemmingsplan zal een inspraakprocedure doorlopen. Hiertoe zal het plan zes weken ter inzage gelegd worden. Binnen deze termijn wordt eenieder in de gelegenheid gesteld op het voorontwerpbestemmingsplan te reageren. De inspraakreacties zullen worden samengevat en van een beantwoording voorzien in een 'Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg'. Het voorontwerpbestemmingsplan 'Kerkweg Korteweg' wordt overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken overheidsdiensten en instanties. De resultaten worden te zijner tijd in de toelichting vermeld.
6.3
Participatie pilot
Het aanvragen van een vergunning voor grotere bouwplannen verandert vanaf 1 januari 2022 door de komst van de nieuwe Omgevingswet. De initatiefnemer of ontwikkelaar is verplicht om de omgeving vooraf actief bij het plan te betrekken. Vooruitlopend op de nieuwe wet, wil de gemeente nu al werken op deze manier. Voor onderhavig bestemmingsplan is aan de hand van de handreiking 'participatie bij grotere bouwplannen' een participatie traject doorlopen. In aanloop naar de Omgevingswet is de handreiking 'Participatie bij grotere bouwplannen' op 10 maart 2020 vastgesteld. Daarin wordt ingespeeld op het thema participatie. Dit bestemmingsplan dient als pilot voor dit thema. Zo is voor beide ontwikkelingen een informatiebrief vanuit onze gemeente verstuurd aan de direct omwonenden en is aangegeven wat wij als gemeente belangrijk vinden. Vervolgens is aangekondigd dat de projectontwikkelaar de omwonenden betrekt bij het 'ontwerpen' van de plannen. Kerkweg Projectontwikkelaar De Maese heeft middels een digitale presentatie en vragenlijst input vanuit de omgeving opgehaald en heeft desgewenst persoonlijk met omwonenden gesproken en om de tafel gezeten (Bijlage 9). Op verschillende punten is het ontwerp (al tijdens de ontwerpfase) op basis van de inbreng uit de omgeving aangepast. Omwonenden vonden de oorspronkelijk geplande te realiseren 7 garageboxen op het achterterrein zeer bezwaarlijk.
Er werd gesteld dat de voor omwonenden zeer waardevolle 'sloot' gedempt zou moeten worden en daarmee moest wijken voor de 7 geplande garageboxen. Bovendien zou het uitzicht, waaraan omwonenden zeer veel waarde hechten, verloren gaan. Projectontwikkelaar De Maese heeft ook gesproken met het Historisch Genootschap Oud Pijnacker. Het Historisch Genootschap sprak ook zijn zorgen uit over het met dit ontwerp mogelijk verdwijnen van de historische sloot. De Maese heeft op basis van de input vanuit de omgeving doen besluiten de 7 garageboxen te schrappen uit het ontwerp. Hiermee is het draagvlak van de ontwikkeling aanzienlijk vergroot. Een ander punt van zorg zat hem in de voor velen 'moderne materialisering' van de woningen. De oorspronkelijke zinken kap uit het eerdere ontwerp werd door verschillende inwoners als niet passend in het historische deel van Pijnacker geacht. Daarmee zou het plan niet passen in de woonomgeving. Op dit punt is door De Maese dan ook toegezegd dat de zinken kap vervangen zal worden door een meer traditioneel pannendak. Opgemerkt dient daarbij te worden dat de commissie
41
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Ruimtelijke Kwaliteit reeds goedkeuring had verleend voor het ontwerp waarin een zinken kap onderdeel uitmaakte van het plan. Voorts kan uit de enquête die onder de omwonenden is gehouden (en waarvan de uitkomsten terug te vinden zijn in de bijlage van de toelichting op het bestemmingsplan) de conclusie worden getrokken dat 96,3% van de deelnemers het eens is met de keuze voor ééngezinswoningen. De meerderheid van de respondenten (61,5%) vindt de bouwhoogte passend. Uit de beantwoording van de vragen van de enquête blijkt verder dat respondenten de duurzame gedachte aanspreekt (85%). Men maakt zich wel zorgen over eventuele geluidsoverlast van warmtepompen. De Maese geeft aan ernaar te streven een duurzame, maar tevens geluidluwe installatie te realiseren. Van het oorspronkelijke ontwerp gaf 68% van de respondenten aan dat het voorgenomen plan goed past op deze plek. Dit betekent dat het oorspronkelijke plan reeds op een redelijk maatschappelijk draagvlak kon rekenen. Verwacht wordt dat de ontwikkeling, na de uitvoerige participatie aan de voorkant en de aanpassingen die het plan op basis van de input van omwonenden heeft ondergaan, kan rekenen op (een groot) maatschappelijk draagvlak. Projectontwikkelaar De Maese heeft met het doorvoeren van alle aanpassingen de voornaamste bezwaren vanuit de omgeving weggenomen.
Korteweg De ontwikkelaar van de Kortweg komt nog met een verslag van het participatietraject dat is uitgevoerd met de omgeving.
42