Bijlage 5a - Toelichting
Tekst van het document
VOORONTWERP | BESTEMMINGSPLAN
Kerkweg Korteweg GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP Toelichting | 07-09-2020
voorontwerp | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg gemeente Pijnacker-Nootdorp status: voorontwerp datum: 07-09-2020 IMRO-IDN: NL.IMRO.1926.bp000200129-2001
Opgesteld door:
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding
5
Aanleiding Ligging plangebied Vigerend bestemmingsplan Planvorm Leeswijzer
5 5 6 6 6
Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3
Planbeschrijving
7
Huidige situatie Ontwikkeling Ladder voor duurzame verstedelijking
7 7 10
Hoofdstuk3 3.1 3.2 3.3
11 11 12
Omgevingsaspecten
15 15 19 27 29 30 32 33 35 37 38 38
Juridische planbeschrijving
Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk6 6.1 6.2 6.3
11
Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Bodem Archeologie en cultuurhistorie Ecologie Water Verkeer en parkeren Duurzaamheid MER-beoordeling
Hoofdstuk5 5.1 5.2 5.3 5.4
Beleidskader
Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
5
Haalbaarheid
Financieel Maatschappelijk Participatie pilot
39 39 39 39 40 41 41 41 41
3
gemeente Pijnacker-Nootdorp
4
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Dit project behelst het transformeren van twee garagebedrijven naar woonbestemmingen. Historisch gezien zijn in Pijnacker nog enkele bedrijfsbestemmingen te vinden tussen de woonbestemmingen. Zo ook de garagebedrijven Hoeke aan de Kerkweg/Adam Pijnackerstraat en Wiegel aan de Korteweg 1-3. Beide bedrijven willen gaan transformeren naar woonbestemmingen. Kijkend naar de aard en functie van de omliggende bebouwing wordt een woonfunctie als passend beschouwd waardoor dit ruimtelijk gezien een gewenste ontwikkeling is. Daarnaast sluit het benutten van dergelijke vrijkomende locaties in de kernen aan bij de ambitie van rijk, provincie en gemeente om het bestaand stedelijk gebied optimaal te benutten. De locaties liggen dicht bij het centrum van Pijnacker en op relatief korte afstand van openbaar vervoer (bus en metro). Daarmee zijn de locaties zeker geschikt om in te vullen voor woningbouw.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Korteweg en op de hoek van de Kerkweg met de Adam Pijnackerstraat. Rondom het plangebied bevinden zich woningen, een supermarkt en een aantal bedrijven.
5
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Afbeelding 1.1 - Ligging plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan: Kern Pijnacker Zuid/Zuid-oost, vastgesteld d.d. 23 september 2010, onherroepelijk door ABRvS d.d. 18 juli 2012.
Afbeelding 1.2 - Bestemmingsplan 'Kern Pijnacker Zuid / Zuid-Oost' (plangebied in rood)
1.4
Planvorm
Dit bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes, die in het bestemmingsplan gemaakt zijn, nader gemotiveerd en verantwoord. Het bestemmingsplan heeft een gedetailleerd karakter, waarmee de nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven en in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten. De juridische planbeschrijving is in hoofdstuk 5 weergegeven. In hoofdstuk 6 komt de haalbaarheid van het plan aan bod.
6
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
Dit hoofdstuk omvat een beknopte beschrijving van de huidige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied. Naast deze beschrijving van de huidige situatie wordt in dit hoofdstuk vooral nader ingegaan op de voorgestane ontwikkeling die in de nabije toekomst zal plaatsvinden en de beoogde situatie. Het hoofdstuk wordt afgesloten met heldere consequenties voor de planopzet.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt op de grens van oude en nieuwe bebouwing. Ten oosten loopt de Kerkweg, hier is sprake van een historisch lint met woningen die terug gaan tot de 17e eeuw. De Kerkweg is noordoost-zuidwest georiënteerd en eindigt in het zuiden bij de dorpskerk. Ten westen van het plangebied, parallel aan de Kerkweg, loopt de ontsluitingsweg Europalaan. Langs deze weg zijn juist nieuwe gebouwen te vinden, voornamelijk uit de tweede helft van de 20e eeuw. Via de Europalaan is onder andere het centrum van Pijnacker te bereiken. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich vooral door de verscheidenheid aan bebouwing. Richting het oosten ligt een woonwijk en richting het westen is glastuinbouw gevestigd. Dit resulteert in een gesloten karakter van de omgeving. De wegen die het gebied doorkruizen zorgen daarentegen voor een aantal zichtlijnen. Het plangebied bestaat uit twee bedrijfspanden waar nu autobedrijven gevestigd zijn. Beide terreinen zijn volledig verhard en bieden ruimte voor parkeren. Ten oosten van het gebied wordt er gewoond in een aantal rij- en twee-onder-één-kapwoningen. Ten oosten wordt er eveneens in vrijstaande woningen gewoond. Beide gebieden zijn in de huidige situatie bestemd als 'Bedrijf' zonder nadere aanduiding voor functie.
2.2
Ontwikkeling
2.2.1
Kerkweg
De Kerkweg is één van de historische linten van Pijnacker waar de geschiedenis nog herkenbaar en voelbaar is. De combinatie van woningen van verschillende bouwperiodes vertelt het verhaal van de ontwikkeling van Pijnacker. De showroom van de firma Hoeke heeft zijn functie verloren. De locatie zal worden herontwikkeld naar woningbouw. Een omzetting van een bedrijfsfunctie naar wonen biedt de kans op een aanzienlijke kwaliteitsverbetering en doorontwikkeling van dit verhaal. Het lint wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan bouwstijlen. De verscheidenheid zit hem voornamelijk in: 1. De materialisering. Aan het lint zijn verschillende kleurstellingen en afwerkingen van baksteen te vinden; 2. De kappen. Elk volume heeft een uitgesproken kapvorm. Gemeenschappelijkheid aan het lint is te vinden in: 3. De lage goot- en bouwhoogte. Over het algemeen 1 tot 2 lagen met kap; 4. De positionering van de woningen. De woningen staan grotendeels in dezelfde rooilijn. Hierdoor ontstaat er een enigzins gesloten bebouwingswand en prettig beeld aan het lint door de voortuinen; 5. De kleinschalige volumes. Aan het lint zijn voornamelijk vrijstaande woningen en 2-onder-1 kappers te vinden. Onderbroken door sporadisch korte rijtes van 3 tot 4 aaneengeschakelde woningen. De huidige garage aan de Kerkweg is nu de uitzondering in de gemeenschappelijkheid aan het lint.
Zowel in volume, positionering en kapvorm. De ontwikkeling van woningen biedt een kans om het karakter van het lint te versterken. De ontwikkeling bestaat uit 8 ééngezinswoningen, opgezet in 2 blokken van 4 aaneengeschakelde woningen. Één blok aan de Kerkweg, en één blok aan de Adam Pijnackerstraat. Kijkend naar de lintenvisie van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, sluit het voorgestelde
7
gemeente Pijnacker-Nootdorp
plan aan bij de ambitie om het kleinschalig karakter van het lint te behouden en past het zich naadloos naar de omgeving. De bestaande woningen aan de Adam Pijnackerstraat zijn wat grootschaliger dan de woningen aan het lint van de Kerkweg. Hier zien we wederom wisselende bouwstijlen en materialisering met een hoogte van 3 lagen of 2 lagen met kap. Het rijtje van 4 woningen aan de Adam Pijnackerstraat doet mee in dit onderscheid door daar ook een volume te ontwikkelen van 2 lagen met kap.
Afbeelding 2.1 - Straatbeeld Kerkweg
Afbeelding 2.2 - Naastgelegen bebouwing Kerkweg
Afbeelding 2.3 - Straatbeeld Adam Pijnackerstraat
8
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Afbeelding 2.4 - Bestaande bebouwing aan de Adam Pijnackerstraat
2.2.2
Korteweg
De Korteweg is de toegangsweg naar de oude kern van Pijnacker. De bebouwing en omgeving laten de ontwikkeling van de kern zien. Een omzetting van een bedrijfsfunctie naar wonen biedt de kans op een aanzienlijke kwaliteitsverbetering aan de Korteweg. Deze locatie nabij het centrum en overige voorzieningen biedt een optimale kans voor het bouwen voor starters op de woningmarkt en ouderen, aansluitend bij de Woonvisie 2020-2030 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De woningbehoefte in de gemeente neemt de komende jaren toe. De verwachte ontwikkeling levert vooral een uitbreidingsbehoefte van meergezinswoningen op. Deze behoefte is vooral afkomstig van jonge starters en oudere huishoudens. Aan de Korteweg wordt een gebouw ontwikkeld dat bestaat uit 13 à 14 appartementen. De appartementen hebben een oppervlakte variërend van 60 tot 80 m2. Zowel geschikt voor starters op de woningmarkt en ouderen. 30% van de woningen worden sociale koop- of huurwoningen. De appartementen vormen stedenbouwkundig één geheel. Het blok vormt een afronding van het straatbeeld aan de Korteweg.
Afbeelding 2.5 - Straatbeeld Korteweg
9
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Afbeelding 2.6 - Impressie Korteweg
2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Sinds 1 juli 2017 is de Laddersystematiek in het Besluit ruimtelijk ordening (Bro) gewijzigd. De Ladder is verankerd in artikel 3.1.6. lid 2 Bro en luidt als volgt: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. Op grond van artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro wordt onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaan: “bestaand stedenbouwkundig samenspel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening,bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij horende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur” Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (NSO), dan is een plan Ladderplichtig. Een stedelijke ontwikkeling wordt in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als een: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijk voorzieningen’. Woningbouwlocaties vanaf 12 woningen worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Voorliggende ontwikkeling bestaat uit 8 woningen aan de locatie Kerkweg en 13 à 14 appartementen aan de locatie Korteweg.
Deze ontwikkeling moet dus worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. De vervolgstappen van de Ladder worden dan ook doorlopen: binnen- of buiten bestaand stedelijk gebied; beschrijving van de behoefte. Stedelijk gebied Gelet op het samenhangende karakter binnen een gemengd gebied, de woonbestemmingen rond het gebied, het bebouwde bedrijfsmatige karakter, is hier sprake van een bestaand stedelijk gebied. Het doorlopen van de Laddertoets is derhalve niet aan de orde.
10
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Kern Pijnacker Zuid/ Zuid-Oost' te Pijnacker. Het plangebied is voorzien van de bestemming bedrijf. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van deze bestemming naar de bestemming Wonen. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante beleidsstukken.
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (maart 2012)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie verving de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. Vanaf 2020 neemt de beroepsbevolking niet meer toe. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden.
Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet. Verder wordt genoemd het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
3.1.2
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Onderhavige ontwikkelingen hebben geen directe relevantie op rijksniveau. Het plan past binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en binnen de bepalingen van het Barro.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De omgevingsvisie, vastgesteld door Provinciale Staten op 20 februari 2019, (geconsolideerd in werking per 20 april 2019) geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de omgevingsvisie is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:
11
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Ruimte bieden aan ontwikkelingen. Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit. Allianties aangaan met maatschappelijke partners. Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen. In de omgevingsvisie zijn 4 thema's te onderscheiden: 1. 2. 3. 4.
Beter benutten en opwaarderen. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht). Versterken ruimtelijke kwaliteit. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving
De Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) is verankerd in de omgevingsvisie. In paragraaf 2.3 is ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. De bouwplannen passen daarom binnen het provinciaal beleid.
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De omgevingsverordening, vastgesteld op 20 februari 2019, behoudt de regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving binnen de provincie Zuid-Holland. Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid.
3.2.3
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
De ontwikkelingen die op basis van onderhavig plan mogelijk worden gemaakt zijn in lijn met het provinciaal beleid. De ontwikkelingen dragen bij aan het verhogen van de bewoonbaarheid en leefmilieu van de provincie zoals gesteld in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking en de vereisten ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstvisie 2040 (2012)
In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt. Pijnacker-Nootdorp wil, conform haar visie, een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is. Zij ziet het als haar missie in de regio een uniek woonmilieu te bieden, met het groene buitengebied meerwaarde te geven en met duurzame en innovatieve de economie versterken.
12
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
3.3.2
Ruimtelijke structuurvisie Pijnacker-Nootdorp 2040 (2014)
In de Structuurvisie 'Ruimte maken….. ruimte laten', vastgesteld door de gemeenteraad op 20 februari 2014, schetst de gemeente het ruimtelijk beeld van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Niet in de vorm van een blauwdruk voor de toekomst, maar in de vorm van contouren en kaders van een streefbeeld dat gezamenlijk met bewoners en ondernemers ingekleurd dient te worden. Er wordt ruimte geboden en uitgenodigd om te ondernemen, te recreëren, de woonomgeving te verbeteren of sport te beoefenen. De Ruimtelijke structuurvisie kan gelezen worden als een uitnodiging om samen invulling te geven aan de ruimte van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Contouren vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. Dit zijn contouren van groen- en recreatiegebieden, bebouwing, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Binnen deze contouren zijn er verschillende functies en mogelijkheden. Hierover doet de structuurvisie voor 2040 op hoofdlijnen kaderstellende uitspraken. Daarnaast geeft de structuurvisie antwoord op verschillende ruimtelijke vraagstukken. Bij gebiedsontwikkeling in de periode tot 2040, is de Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017-2021 gericht op het zo veel mogelijk binnenstedelijk oplossen van woningbouwopgaven. Indien mogelijk wordt zelfs gezocht naar ontwikkeling binnen bestaande gebouwen.
Deze visie wordt in het algemeen erkend als een duurzame strategie voor ruimtelijke kwaliteit (SER ladder voor duurzame verstedelijking). Door Ackerswoude, Keijzershof en Tuindershof als laatste uitbreidingen te benoemen omarmt Pijnacker-Nootdorp diezelfde visie. Het blijkt nog niet haalbaar de behoefte in Haaglanden binnenstedelijk te realiseren. Bovengenoemde uitbreidingen in Pijnacker bieden, gegeven het ontbreken van voldoende adequate woningbouwplannen in Haaglanden, mogelijkheden om de gevraagde combinatie van woningkwaliteit en woonmilieukwaliteit te realiseren. De ontwikkelingen sluiten aan op de verstedelijkingsstrategie van de Zuidvleugel die is gericht op hoogfrequente interregionale OV-structuren (Randstadrail of Stedenbaanplus). Het Stadsgewest Haaglanden bevestigde mede daarom in 2013 de wenselijkheid van de plannen. Om gelijktijdig overaanbod te vermijden worden plannen gefaseerd. De structuurvisie geeft aan dat er na de realisatie van de huidige woningbouwopgave, geen grootschalige uitbreidingslocaties meer worden gebouwd. Wel staan er nog drie grote uitbreidingslocaties gepland met in totaal bijna 4000 woningen. Het merendeel is al gerealiseerd. De locaties lenen zich uitstekend voor specifiek doelgroepbeleid waarbij gedacht moet worden aan jongeren, ouderen en starters op de woningmarkt.
3.3.3
Woonvisie 2020-2030
De Woonvisie 2020-2030, vastgesteld in mei 2020, schetst een beeld van de gewenste woningvoorraad van Pijnacker-Nootdorp op de lange termijn. Het ideaalbeeld is een evenwichtige woningvoorraad waar inwoners een lokale wooncarrière kunnen doorlopen in woningen van een hoge kwaliteit en in een aantrekkelijke woonomgeving. De pijlers van deze woonvisie zijn: • Pijler 1: Mooi wonen en prettig leven • Pijler 2: Passende woningen voor onze inwoners • Pijler 3: Duurzaam wonen • Pijler 4: Een thuis voor alle doelgroepen De locaties binnen deze ontwikkeling sluiten aan bij de visie binnen de Woonvisie om bewoners de mogelijkheid te bieden een lokale wooncarrière te kunnen doorlopen. Er wordt extra ruimte geboden voor starters op de woningmarkt, gezinnen en ouderen. Beide locaties zijn een toevoeging voor het verreiken van de aantrekkelijke woonomgeving.
13
gemeente Pijnacker-Nootdorp
3.3.4
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
De woningbouw die mogelijk wordt gemaakt past bij de gewenste beeld uit de Structuurvisie en Woonvisie van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Derhalve past het plan binnen het gemeentelijk beleid.
14
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Er is tijdens de planvorming van het bestemmingsplan 'Kerkweg Korteweg' onderzoek uitgevoerd naar de aspecten verkeer en parkeren, verkeerslawaai, water, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuhinder, ecologie en archeologie.
4.1
Bedrijven en milieuzonering
4.1.1
Regelgeving en beleid
Inleiding Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen bij nieuwe ontwikkelingen. Met de term “milieubelastende activiteiten” worden binnen de VNG-methodiek alle milieubelastende activiteiten bedoeld: niet alleen bedrijven maar ook bijvoorbeeld recreatie, detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. Met de term “milieugevoelige functies” worden onder meer woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfrecreatie bedoeld. Milieuzonering, het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen, dient twee doelen: Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De VNG doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Deze VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden.
De publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen concreet voor een locatie in te vullen (maatwerk). Het bestemmingsplan is het juridisch-planologisch instrument waarin de gekozen strategie moet worden verklaard. Volgens jurisprudentie dient de plantoelichting ten minste aannemelijk te maken dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn. Bouwstenen van milieuzonering Lijst van bedrijfsactiviteiten (richtafstandenlijst) De lijst van bedrijfsactiviteiten is een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. De lijst is algemeen aanvaard als uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen, zoals onder meer blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State.
Er moet gemotiveerd worden welke Staat van bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt en de toegelaten milieubelastende activiteiten dienen in de juridische regeling van het bestemmingsplan (kaart en regels) te worden vastgelegd. Omgevingstype De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen, 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor.
15
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Zie tabel 4.1.
Categorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand t.o.v. rustige woonwijk/rustig buitengebied 10m 30m 50m 100m 200m 300m 500m 700m 1000m 1500m
Richtafstand t.o.v. gemengd gebied 0m 10m 30m 50m 100m 200m 300m 500m 700m 1000m
Tabel 4.1 - Milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is (inclusief vergunningvrije aanbouwen). Toekomstige situatie De woningbouw vindt plaats in bestaand stedelijk gebied met gemengde functies. Uitgangspunt hierbij is dat de nieuwe ontwikkelingen de bestaande bedrijvigheid niet mogen hinderen. Bedrijven/ functies relevant voor het plangebied
16
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Figuur 4.1 - genummerde bedrijven / functies relevant voor het plangebied
Figuur 4.2 - genummerde bedrijven / functies relevant voor het plangebied Om te beginnen wordt gekeken naar het vigerende bestemmingsplan 'Kern Pijnacker Zuid / Zuid-Oost', onherroepelijk geworden op 18 juli 2012. De functies die relevant zijn voor de twee plangebieden worden weergeven in figuur 4.1 (genummerd van 1 t/m 7). Vervolgens wordt bestemmingsplan 'Duurzame Glastuinbouwgebieden' in acht genomen omdat de twee plangebieden naast dit bestemmingsplan zijn gelegen. In figuur 4.2 worden ook relevante functies aangeduid voor het plangebied. Dit gebeurt op basis van bestemmingsplan 'Duurzame Glastuinbouwgebieden'. De bestaande bedrijven worden in de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn
17
gemeente Pijnacker-Nootdorp
bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Dit houdt in dat bedrijfsactiviteiten binnen deze categorieën kunnen uitwisselen. Bij bedrijven met een hogere milieucategorie wordt de categorie ter plaatse van een aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3' aangegeven. Voor het plangebied is een quickscan Bedrijven en Milieuzonering (zie Bijlage 1) gemaakt om de invloed te bekijken van de nieuwbouw op de omliggende bedrijven. Hieruit is gebleken dat er aanvullend onderzoek nodig was voor de locatie Lidl (Korteweg 2) en hondendressuurterrein Paws in Balance (Europalaan 19), welke tevens zijn uitgevoerd; Locatie Lidl (Korteweg 2) De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gebiedstype 'gemengd gebied'. Comform de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) resulteert dit voor een supermarkt in een richtafstand van 0 meter. Uit oogpunt voort zorgvuldigheid is het akoestisch onderzoek, in het lader van een goede ruimtelijke ordening, echter alsnog uitgevoerd (Bijlage 2) om enerzijds aan te tonen dat ter plaatse van voornoemde nieuwe woningen een akoestisch goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en anderzijds dat de Lidl akoestisch gezien niet belemmerd wordt in haar functioneren. In het onderzoek zijn de geluidsniveaus tijdens de representatieve bedrijfsituatie van de Lidl berekend en getoetst aan de gestelde geluidseisen.
Uit het vorenstaande blijkt dat er voor wat betreft het aspect geluid van de Lidl geen bezwaren zijn de beoogde juridisch-planologische procedure door te voeren. Locatie Paws in Balance (Europlaan 19) De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als gebiedstype 'gemengd gebied'. Comform de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) resulteert dit voor een hondendressuurterrein in een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voor de nieuwe appartementen bij de ontwikkeling aan de Kortweg niet voldaan. De afstand bedraagt namelijk circa 15 meter. Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 3) om enerzijds aan te tonen dat er plaatse van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en anderzijds dat het hondendressuurterrein akoestisch gezien niet belemmerd wordt in haar functioneren. In het onderzoek zijn de geluidsniveaus tijdens de worst-case representatieve bedrijfssituatie van het hondendressuurterrein berekend en getoetst aan de gestelde geluidseisen. Uit het vorenstaande blijkt dat ervoor de maximale geluidniveaus niet kan worden voldaan aan de geluidnormen van zowel stap 2 als 3 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. Tevens is hierbij bekeken of middels de realisatie van geluidschermen rondom het hondendressuurterrein wel kan worden voldaan aan de geluidseisen.
Een geluidscherm is echter alleen effectief dichtbij de bron of dichtbij de ontvangende gevels. In onderhavige situatie betreft het lopslopende honden zodat dichtbij de bron niet mogelijk is. Een geluidscherm voor de gevels van de nieuwe appartementen is voorts niet realistisch te noemen. Indien niet voldaan kan worden aan stap 3 van het stappenplan dient door bevoegd gezagd grondig te worden onderzocht en onderbouwd of inpassing mogelijk is. In voorliggend rapport is dit grondig onderzocht. Samenvattend kan gesteld worden dat voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als indirecte hinder geldt dat reeds aan de geluideisen van stap 2 van het stappenplan wordt voldaan. Voor de beschouwde pieken (harde blaf) geldt dat niet aan de van toepassing zijnde geluideisen wordt voldaan, echter dat deze slechts zeer sporadisch zullen voorkomen en sowieso alleen maar in de periode tussen 8.30 uur en 19.30 uur. Bovendien geldt dat deze pieken ook in de openbare ruimte plaatsvinden tijdens het uitlaten van honden. Uit het vorenstaande blijkt dat ter plaatse van de nieuwe appartementen een akoestisch goed woon- en leefklimaat, ten gevolge van het gebruik van het hondendressuurterrein, is gewaarborgd. Hiervoor geldt wel als voorwaarde dat er een voldoende, goede geluidwering van de gevels wordt gerealiseerd.
18
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
4.1.2
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Kerkweg Uit de aanvullende onderzoeken blijkt dat er voor wat betreft het aspect bedrijf- en milieuzonering geen bezwaren zijn de beoogde juridisch-planologische procedure door te voeren. Korteweg Uit de aanvullende onderzoeken blijkt dat er voor wat betreft het aspect bedrijf- en milieuzonering geen bezwaren zijn de beoogde juridisch-planologische procedure door te voeren.
4.2
Externe veiligheid
4.2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.
4.2.2
Normstelling en beleid
Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4).
De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er
19
gemeente Pijnacker-Nootdorp
kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol. Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt.
Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid). Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico
20
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro. Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen.
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes. Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr.
8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend
21
gemeente Pijnacker-Nootdorp
moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar.
Wanneer verantwoording groepsrisico? Verantwoording is van toepassing op de volgende besluiten: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico.
Daarom is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen. Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld: 3. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 4. Hoogte van het groepsrisico; 5. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 6. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.
22
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat. Plaatsgebonden risico Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.
Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan (mede inbegrepen een inpassingsplan), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Echter, ook als de verantwoordingsplicht niet van toepassing is kan in het kader van goede ruimtelijke ordening (artikel 10 Wro) een verantwoording noodzakelijk zijn. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: I.
de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; II. de omvang van het groepsrisico; III. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; IV. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen. Overige voor Pijnacker-Nootdorp relevante besluiten op het gebied van externe veiligheid Activiteitenbesluit Dit besluit en de bijbehorende regeling zijn de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, waaronder veiligheidsafstanden (voor bijvoorbeeld propaantanks, ammoniak koelinstallaties en gasontvangststations) waaraan voldaan moet worden. Vuurwerkbesluit
23
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Dit besluit reguleert de gehele keten rondom vuurwerk. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen. De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn een uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).
4.2.3
Onderzoek
Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven met een plaatsgebonden risicocontour die buiten de inrichting valt. Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10-6 contour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren. Het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de rijkswegen A4 en A12 maar wel binnen het invloedsgebied van de rijksweg A13. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter ligt is een berekening en een (volledige) verantwoording van het groepsrisico zijn dan ook niet aan de orde. Wel moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Als op grond van het bestemmingsplan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier het geval.
Tabel 4.2 - invloedsgebieden Rijkswegen Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de Rijksweg A13 niet. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht. De vuistregels uit de HART geven aan dat
24
od205 | bestemmingsplan Kerkweg Korteweg
voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto's van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500. Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico. Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven. Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470.
Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter. Hier is ook het aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 ligt de bebouwing wel dichterbij (mimimaal 15 meter) maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing. Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. De N470 ligt op ongeveer 1250 meter van het plangebied. Tabellen 1-6 en 1-7 gaan tot een afstand van 200 meter. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven namelijk geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Een berekening van (de toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan niet aan de orde. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron.
Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 1.250 meter. Bovendien wordt er geen (beperkt) kwetsbaar object mogelijk gemaakt of gerealiseerd. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is in dit geval ook niet aan de orde. Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd. De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruime afstand (op ongeveer 3.000 meter) van het plangebied.
Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats. Buisleidingen binnen/nabij het plangebied
25
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Tabel 4.3 - invloedsgebieden buisleidingen Aardgas Het plangebied ligt niet binnen de 100% letaliteitsgrens en niet binnen de 1% letaliteitsgrens van een hoge druk aardgasleiding. Dit type buisleiding vormt dan ook geen belemmering. CO2 Er loopt een CO2-leiding door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24 augustus 2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (1 februari 2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” De buisleiding ligt ook op ruime afstand van het plangebied en is dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid. Brandbare vloeistoffen (K2) Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. PR-10-6 contour ligt op de leiding.