Bijlage 4 - Toelichting en regels ontwerpbestemmingsplan Ackerswoude 2021
Tekst van het document
Bestemmingsplan Ackerswoude 2021 gemeente Pijnacker-Nootdorp status: Ontwerp datum: 9 maart 2022 IMRO-IDN: NL.IMRO.1926.bp000210050-3001
Opgesteld door: Janita van Gastel (Juust B.V.)
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Kwaliteit van de leefomgeving
Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water Milieu Effect Rapportage
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Beleidskader
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Planbeschrijving
Bestaande situatie Aanpassingen ten opzichte van geldende ruimtelijke plannen Juridische planbeschrijving
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Inleiding
Aanleiding Ligging plangebied Vigerende bestemmingsplannen Leeswijzer
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3
5
5 5 5 6 7 9 9 10 11 15 15 15 16 19 19 20 22 23 31 31 32 32 33 34 36
Uitvoerbaarheid
37
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
37 37
Bijlagen toelichting
39
Regels
41
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
41
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
41 48
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
49
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bedrijf Groen Maatschappelijk
49 50 51
3
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Verkeer - Wegverkeer Water Wonen Wonen - 2 Woongebied Waarde - Ecologie Waterstaat - Waterkering
52 53 54 55 56 59 62 64 66
Hoofdstuk 3
Algemene regels
67
Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21
Antidubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
67 68 69 70 71 72 73
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
75
Artikel 22 Artikel 23 Artikel 24
Overgangsrecht bestaande bouwwerken Overgangsrecht bestaand gebruik Slotregel
75 76 77
Bijlagen regels
79
Bijlage 1
Waterstructuur Ackerswoude
81
Bijlage 2
Staat van bedrijfsactiviteiten
119
4
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De woonwijk Ackerswoude betreft een nieuwbouwwijk in de kern Pijnacker. De woonwijk wordt in fasen gebouwd. Een aantal delen zijn reeds gerealiseerd. Een aantal delen zijn in aanbouw en enkele delen moet nog ontwikkeld worden. Ter plaatse van het plangebied gelden een groot aantal bestemmingsplan, waarvan de methodiek varieert van zeer globaal tot heel gedetailleerd. Het doel van dit bestemmingsplan is om te voorzien in één actueel planologisch-juridisch kader voor het gehele plangebied. De inmiddels gerealiseerde woningen en aangelegde openbare ruimte wordt hierin als zodanig bestemd. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied bestaat uit de woonwijk Ackerswoude en is gelegen aan de noordoostkant van de kern Pijnacker. Aan de noordzijde ligt het bedrijventerrein Vlieland en aan de zuidzijde ligt de wijk Klapwijk. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Klapwijkseweg en de spoorlijn in het westen, de watergang aan de noordzijde, de glastuinbouwbedrijven aan de oostzijde en de woonwijk Klapwijk aan de zuidzijde. Op onderstaande afbeelding is de exacte plangrens weergegeven.
5
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied (bron: PDOKviewer, bewerking Juust B.V.)
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Naam Type plan Implementatie standaardregels Paraplubestemmingsplan Ackerswoude 2019 Wijzigingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2017/2018 Verzamelplan Ackerswoude 2016 Wijzigingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2016/2017 Verzamelplan Pijnackerse Poort Bestemmingsplan Ackerswoude 2014 Bestemmingsplan Boezem en Boezemvaart Bestemmingsplan Ackerswoude Bestemmingsplan
6
Datum vaststelling 19-03-2020 17-12-2019 19-04-2018 07-12-2016 30-03-2016 15-12-2015 25-09-2014 25-01-2011 24-08-2010
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit nog vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 is de planbeschrijving opgenomen met onder ander een toelichting op de juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten aan bod. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
7
gemeente Pijnacker-Nootdorp
8
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Begin 2012 is voor de wijk Ackerswoude een concept ontwikkeld waarbij het dorpse karakter en de bestaande kwaliteiten van Pijnacker centraal staan. Sindsdien is op basis van een aantal organiserende principes ruimte geboden om de woonwijk in fasen flexibel te ontwikkelen waarbij ingespeeld kan worden op de vraag en behoeftes van het moment. Er is onderscheid gemaakt in twee deelgebieden: Brink en Landrijk. Beide gebieden hebben een eigen karakter. Brink heeft een dorps karakter en Landrijk een meer landelijk karakter.
Het onderliggende landschap heeft een belangrijk uitgangspunt gevormd voor de stedenbouwkundige opzet van de wijk. De oude karakteristieke polderlijnen zijn behouden en de structuren van het voormalig tuindersgebied zijn zo veel mogelijk ingepast. De lange doorlopende oost-westlijnen van water en wegen zijn beeldbepalend.
Afbeelding 2 Inrichtingsplan openbare ruimte, 18 november 2019
9
gemeente Pijnacker-Nootdorp
2.2
Aanpassingen ten opzichte van geldende ruimtelijke plannen
Het voorliggende bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan. Dit houdt globaal in dat de bestaande situatie of de bestaande planologische situatie als zodanig wordt vastgelegd. In de wijzigingsplannen uit 2016 en 2019 is de bestaande situatie reeds gedetailleerd bestemd. Deze wijzigingsplannen zijn één op één overgenomen in dit bestemmingsplan. Een aantal delen van het plangebied waren nog globaal bestemd als 'Woongebied', maar zijn reeds volledig ontwikkeld of momenteel in ontwikkeling. Deze delen zijn overeenkomstig de gedetailleerde systematiek van de wijzigingsplannen bestemd. Ten slotte zijn er enkele delen in de noordoosthoek en zuidwesthoek van het plangebied nog niet ontwikkeld. Om de flexibiliteit voor de invulling van deze gebieden te behouden, is er voor gekozen om ter plaatse de huidige bestemming 'Woongebied' over te nemen. Voor het gehele grondgebied van de gemeente is het Parapluplan 2022 opgesteld (ontwerp). Dit plan voorziet in een juridische regels voor: verkamering, woningsplitsing en -samenvoeging; het hanteren van actuele parkeernormen voor de hele gemeente; het uniformeren van een aantal regelingne die nu tot verschillen leiden (o.a. het bouwven van omgevingsvergunningplichtige bijbehorende bouwwerken). De regels uit het parapluplan zijn vooruitlopend op de vaststelling van dat plan, overgenomen in onderhavig bestemmingsplan.
Mede naar aanleiding van enkele ingediende inspraakreacties is er voor gekozen de wijze van bestemmen van de nieuwbouwwoningen aan te passen. Met de nieuwe wijze van bestemmen komen we tegemoet aan de wens die door meerdere betrokkenen is geuit om ook in de toekomst te kunnen bouwen wat men destijds (bij de aankoop van de woning) als bebouwingsmogelijkheid kreeg aangeboden. In het plangebied is sprake van zowel projectmatige woningbouw als van vrije kavels. De wijze van bestemmen van deze woningen kent verschillen. De bebouwingsmogelijkheden voor deze twee woningen zijn als volgt opgezet: 1. Projectmatige nieuwbouw Dit betreft de meeste woningen in Ackerswoude. Bij deze woningen zijn de bebouwingsmogelijkheden in beginsel gebaseerd op de vergunde situatie. Daarnaast zijn bij deze woningen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen die bij de bouw van de woning als optie zijn aangeboden, voor zover deze impact hebben op het bestemmingsplan. Dit zijn erkers, opbouwen op zij-aanbouwen en uitbouwen in 2 lagen aan de achterzijde. In veel gevallen zijn hiervoor op de verbeelding de bouwgrenzen en goot/bouwhoogtes aangepast. Voor de erkers wordt in de planregels voorzien in bebouwingsmogelijkheid. Hiervoor is geen aanpassing van de verbeelding noodzakelijk. 2. Vrije kavels.
Voor de kavels die zijn verkocht als zogenoemde 'vrije kavel' is een bestemmingsregeling opgenomen die is gebaseerd op de principes die destijds in de zogenoemde 'kavelpaspoorten' zijn opgenomen. Voor deze kavels is een aparte woonbestemming (Wonen - 2) opgenomen. Op gronden met deze bestemming zijn de bouwvlakken uit de kavelpaspoorten overgenomen. Ook de maximaal toelaatbare bouwhoogtes uit de kavelpaspoorten zijn overgenomen in deze regeling. Deze nieuwe regeling wijkt af van de wijze van bestemmen zoals is opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan “Ackerswoude 2021” en ook van de wijze van bestemmen die is gehanteerd in de wijzigingsplannen uit 2016 en 2019. Op een aantal kavels mag het gehele bouwvlak worden bebouwd. Op kavels met een maximum bebouwd oppervlakte mag het bouwvlak tot het aangegeven oppervlakte worden bebouwd.
10
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
2.3
Juridische planbeschrijving
2.3.1
Verantwoording planvorm
Onderhavig bestemmingsplan heeft tot doel een eenduidige juridisch-planologische regeling te scheppen voor de hele wijk Ackerswoude. Het bestemmingsplan is een beheersbestemmingsplan met een overwegend conserverend karakter, hierbij worden vigerende rechten gerespecteerd. Bij het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaarden voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012).
2.3.2
Systematiek bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) en planregels (juridische regelingen) en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status. De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: - Hoofdstuk 1 Inleidende regels - Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels - Hoofdstuk 3 Algemene regels - Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Voor de inhoud van de regels zijn de 'Standaardregels Stedelijk gebied' van de gemeente gehanteerd waarbij tevens de inhoud van het paraplubestemmingsplan 'Implementatie standaardregels' is verwerkt. In paragraaf 2.3.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke artikelen in de planregels. Voor de systematiek van het bestemmingsplan is aangesloten op de systematiek uit de wijzigingsplannen 'Ackerswoude 2016' en 'Ackerswoude 2019'.
De verbeelding is op eenzelfde wijze opgebouwd. Er is een gedetailleerde systematiek toegepast waarin voor de percelen onderscheid wordt gemaakt in een tuinbestemming en woonbestemming. Binnen de woonbestemming zijn de hoofdgebouwen binnen het bouwvlak opgenomen. Met een aanduiding zijn toegestane woningtypes en goot- en bouwhoogtes opgenomen. De openbare ruimte is als zodanig bestemd, waarbij onderscheid wordt gemaakt in de bestemmingen 'Groen', 'Water', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Verkeer - Wegverkeer'.
2.3.3
Planregels
Inleidende regels Begripsbepalingen en Wijze van meten De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten. Bestemmingsregels Bedrijf Ten behoeve van de aanwezige nutsvoorziening is de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. De gronden ter plaatse zijn uitsluitend bestemd voor de nutsvoorziening.
11
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Groen Binnen het plangebied is de groenhoofdstructuur bestemd tot 'Groen'. Behalve voor beplantingen zijn de gronden ook bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, watergangen en -partijen, fiets- en voetpaden, parkeerplaatsen, in- en uitritten en andere, ondergeschikte verhardingen. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen. Op of in deze gronden mogen aan een hoofdgebouw aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zoals erkers en ingangspartijen, worden gebouwd. Ook andere bouwwerken en erf- of perceelsafscheidingen mogen worden gebouwd, met in achtneming van de bouwregels. Maatschappelijk Ter plaatse van de schoollocatie aan de Monnikenweg is de bestemming 'Maatschappelijk' opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, zoals educatieve, informatieve, levensbeschouwelijke, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele voorzieningen, zorg- en welzijnsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening. Het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Buiten het bouwvlak zijn bergingen toegestaan tot een oppervlakte van 100 m2.
Verkeer - Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor verhardingen voor woonstraten, pleinen, parkeerstroken en -voorzieningen, fiets- en voetpaden, bermen, groen- en speelvoorzieningen, watergangen en duikers en bij een en ander behorende andere voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen. Op de gronden mogen ondergeschikte gebouwen, andere bouwwerken voor nutsvoorzieningen en bij de bestemming behorende andere bouwwerken gebouwd worden. Hiervoor zijn regels opgenomen. Verkeer - Wegverkeer Ter plaatse van de doorgaande weg Vlielandseweg en Klapwijkseweg is de bestemming 'Verkeer Wegverkeer' opgenomen. De gronden ter plaatse van deze bestemming zijn bestemd voor wegen, met de daarbij behorende in- en uitvoegstroken, in- en uitritten, voetpaden, fietsstroken en -paden, parkeerstroken en -voorzieningen, opstelstroken, bushaltes en andere verhardingen en bermen en andere groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair en watergangen. Binnen de bestemming mogen gebouwen in beperkte vorm worden gebouwd en andere bouwwerken voor onder andere nutsvoorzieningen. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water met daarbij behorende taluds en oevers.
Op de gronden mogen uitsluitend bij de bestemming behorende andere bouwwerken, zoals duikers, bruggen, kademuren en beschoeiingen worden gebouwd. Bij aangrenzende wegen behorende andere bouwwerken zoals overkluizingen ten behoeve van in- en uitritten en paden zijn tevens toegestaan. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep en/of bedrijf aan huis, parkeren en water. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken. De maximale goot- en bouwhoogte zijn opgenomen op de verbeelding. De vergunningsplichtige opties, zoals deze bij de nieuwbouw van de woningen zijn opgenomen, zijn op de verbeelding met de maximale hoogtes ingetekend. Dit betreffen bijvoorbeeld een uitbouw of opbouw op een uitbouw. Voor het overige wordt aangesloten bij de regelingen van het vergunningsvrij bouwen. Wonen - 2 De bestemming 'Wonen - 2' is opgenomen voor de vrije kavels binnen het plangebied. Om de uitbreidingsmogelijkheden ten tijde van de aankoop van de vrije kavels te behouden, zijn de bouwvlakken op basis van de beschikbare kavelpaspoorten ingetekend. Binnen de bouwvlakken gelden maximale hoogtes. Woongebied De gronden die nog niet (volledig) bebouwd zijn en waar wel ontwikkelingen zijn gepland, zijn bestemd als 'Woongebied'.
Dit is een ruime bestemming waarbinnen zowel wonen, met inbegrip van beroep aan huis, bedrijven in de categorieën 1 en 2, horeca uit ten hoogste categorie 1, commerciële
12
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en onderwijs als water is toegestaan. Tevens zijn bijbehorende voorzieningen toegestaan. Het bouwen van woningen is mogelijk tot een hoogte van 13 meter voor niet-gestapelde woningen en 16 meter voor gestapelde woningen. Voor overige functie geldt een bouwhoogte van 18 meter en maximale vloeroppervlaktes per functies. Waarde - Ecologie De gronden die op de gemeentelijke ecologiekaart voor ecologische waarden staan aangegeven, hebben de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’ gekregen. Deze gronden komen, ongeacht de onderliggende bestemming, slechts beperkt voor bebouwing in aanmerking en werken en werkzaamheden zijn aan een omgevingsvergunning verbonden. Waterstaat - Waterkering Ter plaatse van de beschermingszone van de aanwezige waterkering is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Hiermee wordt de waterkering beschermd. Bouwen binnen de beschermingszone is uitsluitend toegestaan als advies is gevraagd bij de waterbeheerder. Het belang van de waterkering mag door de bouwactiviteit niet onevenredig worden geschaad. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.
Algemene bouwregels Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers. Tevens is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een bepaling opgenomen ten aanzien van het beperken van het toegestane oppervlakte aan verharding ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding en er zijn algemene verbodsregels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken. Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.
Daarnaast is een wijzigingsgebied opgenomen ten behoeve van het opnemen van gedetailleerdere bestemmingen om op deze manier het ontwikkelingsgericht bestemmingsplan te wijzigen in een bestemmingsplan dat gericht is op het beheer. Algemene procedureregels In dit artikel is opgenomen welke wettelijke procedures gelden bij afwijking of wijziging van het plan. Overgangs- en slotregels In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
13
gemeente Pijnacker-Nootdorp
14
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Toetsing aan de ladder is daarom niet nodig. In paragraaf 3.2 wordt dit nader onderbouwd. In de SVIR zijn geen regels opgenomen die specifiek op het plangebied van toepassing zijn.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Gemeenten, provincies en het Rijk worden verplicht om een omgevingsvisie op te stellen vanuit de nieuwe Omgevingswet. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Het ontwerp van de NOVI is in juni 2019 verschenen. De NOVI kent onder meer de volgende vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Het beleid heeft geen directe doorwerking voor Ackerswoude.
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen De provincie Zuid-Holland heeft al haar beleid voor de fysieke leefomgeving gebundeld in het provinciale Omgevingsbeleid. Dit Omgevingsbeleid bestaat uit twee kader stellende documenten, de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening, plus verschillende uitvoeringsprogramma’s. Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel thema`s welke niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. De volgende thema`s zijn relevant: Verstedelijking en wonen De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op het juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande
15
gemeente Pijnacker-Nootdorp
woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over woningen zo te bouwen, in samenhang met investeringen in infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving dat dit bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Woningbouw als de enige of primaire oplossing voor de sociaal-economische vitaliteit is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijn strategie. Differentieer de woningvoorraad Een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat biedt mensen keuzevrijheid in woonomgevingen en heeft een woningvoorraad die aansluit op de behoefte. Ruimtelijke kwaliteit Op het gebied van wonen zet de provincie in op voldoende (bouwen naar behoefte) en passende woningen voor verschillende doelgroepen, bij voorkeur naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stadsen dorpsgebied. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).
De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheidt maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Ladder voor duurzame verstedelijk ing De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en het provinciaal beleid. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling.
Onderhavig bestemmingsplan maakt een groter aantal nieuwe woningen mogelijk dan 11, maar voorziet ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet in een groter planologisch beslag op de ruimte en voorziet niet in een functiewijziging, omdat de gebieden reeds bestemd waren als 'Woongebied' waarbinnen woningen mogen worden gebouwd. Op basis van jurisprudentie (overzichtsuitspraak Raad van State d.d. 28 juni 2017) wordt daarmee niet voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig. Ook voor de overige thema's voldoet dit bestemmingsplan aan het provinciaal beleid. In Ackerswoude wordt voorzien in passende woningen ten aanzien van de behoefte en er is aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van de wijk.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstvisie 2040 (2012)
In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt. Pijnacker-Nootdorp wil een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is (visie). Zij wil in de regio een uniek woonmilieu bieden, met het groene buitengebied meerwaarde geven en met duurzame en innovatieve bedrijven – waaronder de glastuinbouw – de economie versterken (missie).
16
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
3.3.2
Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 - Verbonden met elkaar
De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een omgevingsvisie opgesteld waarin wordt beschreven hoe Pijnacker-Nootdorp er in 2050 uit zou kunnen zien. Met de nieuwe Omgevingsvisie bereiden ze zich voor op de Omgevingswet die naar verwachting 1 januari 2023 in werking treedt. De omgevingsvisie is binnen deze wet een nieuw instrument waarin de gemeenteraad zijn integrale visie op fysieke leefomgeving voor de lange termijn geeft. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving en is breder dan zijn voorganger: de ruimtelijke structuurvisie. Het gaat niet alleen om thema's als wonen, ruimtelijke ordening, mobiliteit, economie en groen, maar ook om onderwerpen als gezondheid, omgevingsfactoren (milieu), duurzaamheid en veiligheid. De gemeente onderscheidt vier ontwikkelingslijnen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving van Pijnacker-Nootdorp: 1. 2. 3. 4.
Ontwikkelingslijn 1: Onderscheidend groen Ontwikkelingslijn 2: Karakteristieke woon- en leefomgeving Ontwikkelingslijn 3: Aantrekkelijk economische vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers Ontwikkelingslijn 4: Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren
De ontwikkelingslijnen zijn geen keuzemogelijkheden, ze zijn allen even belangrijk en versterken elkaar. Samen geven ze een integraal beeld en richting voor de toekomst voor het gehele grondgebied van de gemeente.
3.3.3
Woonvisie 2020-2030
Op 25 juni 2020 is de Woonvisie Pijnacker-Nootdorp 2020-2030 vastgesteld. De De woonvisie bestaat uit vier pijlers: 1. Mooi wonen, prettig leven: a. Identiteit en kwaliteiten van woonkernen behouden. b. Bijsturen van kwetsbare woongebieden. 2. Passende woningen voor onze inwoners: a. Werken aan betaalbare koop- en huurwoningen. b. Sturen op het behoud van de sociale voorraad. c. De doorstroming stimuleren. d. Een toekomstbestendige woningvoorraad voor senioren. e. Uitbreiding van de bestaande voorraad. 3. Duurzaam wonen: a. Meewerken aan het ontwikkelen van de Regionale Energie Strategie (RES). b. Het maken van een Energietransitieplan voor Pijnacker-Nootdorp. 4. Een thuis voor alle doelgroepen: a. Voor vijf doelgroepen is extra aandacht nodig: vergunninghouders woonwagenbewoners spoedzoekers arbeidsmigranten uitstroom uit de zorg
3.3.4
Nota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening (2018)
Op 23 februari 2018 heeft de gemeenteraad integrale ruimtelijke beleidsregels vastgesteld. Deze nota bevat de integrale ruimtelijke beleidsregels voor Pijnacker-Nootdorp. Het is kaderstellend bij het opstellen van bestemmingsplannen. De beleidsregels gaan onder andere over wonen in de kernen en groen en openbare ruimte in de kernen. Pijnacker-Nootdorp wil in de regio een uniek woonmilieu bieden door in de drie herkenbare kernen een hoge woonkwaliteit te behouden en te versterken. De ligging van iedere kern en de wijze waarop deze is opgezet is en moet onderscheidend ten opzichte van elkaar blijven. Binnen de gemeente wordt gestreefd naar het mogelijk maken van een lokale wooncarrière. Dat betekent dat er voor iedere
17
gemeente Pijnacker-Nootdorp
doelgroep en in iedere prijsklasse woningen beschikbaar zijn. Na afronding van de geplande groei in wijken als Ackerswoude, Keijzershof en Tuindershof liggen de contouren van kernen vast in het landschap. De gemeente gaat dan de omslag maken van groeigemeente naar beheergemeente en van kwantiteit naar kwaliteit. Dit betekent ook dat de strategische betekenis van de openbare ruimte toeneemt. De gemeente garandeert de basale instandhouding van de openbare ruimte. Daarbij stelt de gemeente zich niet alleen tot doel om de belangen van verblijfskwaliteit voor jong en oud, ontmoeten, recreëren, bewegen en rust in het oog te houden, maar wil ook de openbare ruimte beter aansluiten op de gevraagde woonmilieus. Openbare ruimte is een kwaliteitsdrager voor de aanpak van kwetsbare wijken. Daarom mag geen verdere druk ontstaan op de kwaliteit en het gebruik van groenvoorzieningen en spelen binnen de rode contouren. Initiatieven in groen en openbare ruimte zullen tegen deze achtergrond en doelstellingen worden bekeken.
3.3.5
Natuur op de Kaart (2017)
Dit is de gemeentelijke beleidsnota voor natuur en biodiversiteit. De nota bevat de uitgangspunten voor het natuurnetwerk binnen de gemeente. Onderdeel is ook een uitvoeringsprogramma voor de periode 2018-2021. De nota richt zich vooral op de natuur in de kernen.
3.3.6
Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020
Dit beleidsdocument heeft de gemeente samen met het Hoogheemraadschap van Delfland opgesteld. Het bevat de opgave voor de gemeente bij de klimaatverandering, en de maatregelen daarvoor in de komende jaren.
18
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
Hoofdstuk 4 4.1
Kwaliteit van de leefomgeving
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. Vanuit de landelijke wetgeving geldt dat ingrepen tot een oppervlakte van 100 m2 op voorhand worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Op basis van dezelfde wetgeving mogen gemeentes echter, mits goed onderbouwd, naar boven en naar beneden afwijken van deze grens. De gemeente Pijnacker-Nootdorp maakt van deze mogelijkheid tot afwijken gebruik. Daartoe heeft zij in 2009 een archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Op die kaart zijn gebieden met een hoge verwachting, middelhoge verwachting en middelhoge/lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden toegekend. De verschillende verwachtingszones kennen verschillende daaraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen.
Afbeelding 3 | Medebestemmingen archeologie in het plangebied (bron: Verwachtingskaart, Erfgoed Delft) In het kader van het bestemmingsplan AckersWoude uit 2009 is er reeds een archeologisch inventariserend veldonderzoek door ARC uitgevoerd (ARC-Rapporten 2004-15, Groningen). De conclusie van het onderzoek is, dat uit de boringen is gebleken dat geen aantoonbare archeologische vindplaatsen
19
gemeente Pijnacker-Nootdorp
in het plangebied aanwezig zijn. Daarom hoeft er verder geen rekening te worden gehouden met archeologische vindplaatsen. Dit onderzoek is ter toetsing voorgelegd aan het vakteam Archeologie van de gemeente Delft en heeft de gevraagde instemming gekregen. Gelet op het uitgevoerde onderzoek is het niet noodzakelijk om op de verbeelding en in de regels een beschermde regeling op te nemen. Binnen het gehele bestemmingsplangebied, is te alle tijden de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp). Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit. Cultuurhistorie Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988.
Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden. In het plangebied komen geen monumenten of andere waardevolle cultuurhistorische elementen voor.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen bij nieuwe ontwikkelingen. Met de term “milieubelastende activiteiten” worden binnen de VNG-methodiek alle milieubelastende activiteiten bedoeld: niet alleen bedrijven maar ook bijvoorbeeld detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen. Met de term “milieugevoelige functies” worden onder meer woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie bedoeld.
Milieuzonering dient twee doelen: Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De VNG doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Deze VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. De publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen concreet voor een locatie in te vullen (maatwerk). Het bestemmingsplan is het juridisch-planologisch instrument waarin de gekozen strategie moet worden verklaard. Volgens jurisprudentie dient de plantoelichting ten minste aannemelijk te maken dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn. Bouwstenen van milieuzonering Lijst van bedrijfsactiviteiten (richtafstandenlijst)
20
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
De lijst van bedrijfsactiviteiten is een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Er moet gemotiveerd worden welke Staat van bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt en de toegelaten milieubelastende activiteiten dienen in de juridische regeling van het bestemmingsplan te worden vastgelegd. Omgevingstype De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen, 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Zie tabel 1. Categorie
Richtafstand woonwijk/ buitengebied
tot
rustige Richtafstand tot gemengd rustig gebied
1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1000 m 700 m 6 1500 m 1000 m Tabel 1 - Milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan (dus inclusief vergunningvrij aanbouwen) mogelijk is. Functiemenging De term 'gebied met functiemenging' heeft betrekking op een milieuzonering binnen een gebied waar functiemenging voorkomt of wordt beoogd. in de VNG-publicatie is aangegeven kan hier niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De Staat van Bedrijven 'functiemenging' hanteert drie categorieën A, B en C met specifieke criteria: Categorie A Activiteiten zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen woning en bedrijf zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig gescheiden van woning en andere gevoelige functies.
21
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Categorie C Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is. De 'bedrijvenlijst - functiemenging' is niet uitputtend. In de planregels wordt geregeld dat ook bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, die niet in de lijst zijn opgenomen, maar die naar aard en invloed met bedrijven uit desbetreffende categorie gelijkgesteld kunnen worden. Dit moet wel worden aangetoond met milieutechnisch onderzoek. Milieuzonering in het plangebied Het plangebied bestaat uit de woonwijk Ackerswoude. De bestaande situatie wordt vastgelegd en van een ruimtelijke-juridische regeling voorzien en daarmee integraal beheerd. In het plangebied is geen bedrijvigheid aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein De Boezem. Op dit bedrijventerrein zijn hoofdzakelijk bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Tussen het bedrijventerrein en de woonwijk Ackerswoude is een groene buffer aanwezig waardoor er sprake is van een ruimtelijke scheiding tussen het bedrijventerrein en de woonwijk.
4.3
Bodem
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Om de bodem voor langere tijd te willen gebruiken, moeten we de bodem op de juiste manier benutten en beschermen. Naast het beschermen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit hecht de gemeente waarde aan de overige functionele bodemkwaliteiten. Onder functionele bodemkwaliteiten wordt verstaan de draagkwaliteit, informatiekwaliteit, regulatiekwaliteit en productiekwaliteit. Deze kwaliteiten hebben onder andere betrekking op cultuurhistorische betekenis, levende bodem, ondergronds bouwen en bodemenergie inclusief geothermie. Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijk ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en aantasting van de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.
Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat op dit moment de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het toekomstige omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' inhouden. In het kader van de omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag bodem. Onderhavig bestemmingsplan is consoliderend van aard. Er is geen sprake van het toevoegen van gevoelige bestemmingen ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen en wijzigingsplannen. Derhalve is in het kader van het opstellen van het plan bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Onderzoek en sanerende maateregelen bij toekomstige (her)inrichting of bestemmingswijziging: Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen
22
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
van historische kaarten, luchtfoto's en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van de beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen. Binnen het gebied zijn (mogelijk) locaties aanwezig, waarvoor in het kader van het Wet bodembescherming op dit moment bekend is en/of in de toekomst wordt vastgesteld, dat het een (mogelijk) 'ernstig geval van bodemverontreiniging' betreft en/of in het verleden is gesaneerd middels een isolatievariant of waar een restverontreiniging is achtergebleven. Voor de aanpak bij (her)inrichting of wijziging in het gebruik van deze locaties dient in het kader van de Wet bodembescherming goedkeuring te zijn verleend door het bevoegd gezag, te weten Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. De gemeente toetst de saneringsvariant van een 'ernstig geval van bodemverontreiniging' in het kader van de Woningwet en de saneringsvariant van een 'niet-ernstige geval van bodemverontreiniging'.
Voor de aanpak van gevallen van asbestverontreiniging die vallen onder het Besluit asbestwegen Wms dient een melding te worden verricht bij het bevoegd gezag, te weten Inspectie Leefomgeving en Transport. In het kader van de omgevingswet zal de gemeente het bevoegd gezag bodem(beheer) zijn. Herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof: Indien tijdens graafwerkzaamheden herbruikbare grond, baggerspecie en/of bouwstof vrijkomt en hergebruikt of afgevoerd gaat worden, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In het kader van het Besluit bodemkwaliteit kan het noodzakelijk zijn om aanvullend op het bodemonderzoek een partijkeuring (AP04) uit te laten voeren om van de vrijkomende partij de verwerkings- en/of gebruiksmogelijkheden te kunnen classificeren.'
4.4
Externe veiligheid
De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. Inleiding In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.
Normstelling en beleid Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig
23
gemeente Pijnacker-Nootdorp
waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour). Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt.
Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeenkomt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.
Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).
Besluit externe veiligheid inrichtingen
24
od205 | bestemmingsplan Ackerswoude 2021
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.
Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro. Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes.
Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt
25
gemeente Pijnacker-Nootdorp
aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.