Bijlage 3 - Rapport Berenschot actualisatie subsidiebeleid en regelingen PN (geredigeerd)
Tekst van het document
5
In het tweede lid staat de term ‘voornamelijk’. In de subsidieregeling is niet nader bepaald wanneer sprake is van voornamelijk. Er kan worden gedacht worden aan een percentage of minimum aantal vrijwilligers. Uit de validatiesessie begrijpen we vanuit de gemeente dat op het begrip voornamelijk niet wordt getoetst omdat in 9 van de 10 gevallen er sprake van is dat het daadwerkelijk door vrijwilligers wordt uitgevoerd. Het aanpassen van het tweede lid vergt derhalve een nadere beleidskeuze van de gemeente. In het vierde lid wordt verwezen naar ‘gemeentelijke beleidseffecten’. Geadviseerd wordt om de verwijzing in dit vierde lid een plek te geven in de toelichting van de subsidieregeling. Het zal namelijk op voorhand niet duidelijk zijn waarmee een subsidieaanvrager rekening dient te houden.
6
In het derde lid staat dat ‘direct wordt vastgesteld of verleend’. Geconstateerd wordt dat lid 3 op twee gedachten hinkt, namelijk direct vaststellen of verlenen en nadien ambtshalve vaststellen als lid 3 en 4 worden toegepast. Bij het uitvoeren van eenzelfde subsidieregeling kan het niet zo zijn dat aanvrager A direct een vaststelling en uitbetaling krijgt van de subsidie en aanvrager B niet. De huidige teksten leiden in ieder geval tot overtreding van het verbod op willekeur. De gemeente zal een keuze moeten maken tussen 1. direct vaststellen of 2. verlenen en daarna vaststellen indien het gaat om subsidieaanvragen binnen eenzelfde subsidieregeling.
7
Geconstateerd wordt dat er in de subsidieregeling niet nader is bepaald wat de maximale subsidiehoogte is die een aanvrager kan ontvangen. Dit zou in theorie tot gevolg kunnen hebben dat de eerste aanvrager (want voor incidentele activiteiten evenementen geldt de volgorde van binnenkomst, zie art. 8, lid 5, van deze subsidieregeling) direct het plafond zou kunnen opmaken20. Uit de validatiesessie begrijpen we vanuit de gemeente dat het voornemen er is om een maximum bedrag aan te houden van Euro 10.000,- en dat dit nog een nadere beleidskeuze vergt. Veder wordt geconstateerd dat voor de structurele activiteiten geen verdelingsmethode in de subsidieregeling is opgenomen; het opnemen van een verdelingswijze is wettelijk wel vereist (art. 4:26, lid 2, van de Awb).
Het gaat om art. 4, onderdeel a, eerste gedachtestreepje en eerste zinsnede (komt overeen met art. 6, lid 2, onderdeel b, van de ASV) en art. 6, lid 2 (kot overeen met art. 8, lid 2, van de ASV). 19 Er is nog geen toelichting bij de subsidieregeling; deze kan worden toegevoegd bij de eerstvolgende wijziging van de subsidieregeling. 20 De subsidie zelf kan overigens niet hoger zijn dan 50% van de totale inkosten, zie art. 7, lid 2. 18
Artikel
Bevindingen
8 en bijlage
In artikel 8 en de bijlage worden de begrippen subsidieplafond en subsidiebudget gebruikt en beide teksten zijn bijna identiek. Regelgevingstechnisch is het beter om de tekst uit de bijlage in art. 8 op te nemen (daarbij wel te letten op een heldere en gestroomlijnde tekst). Veder wordt aangeraden om nader te bepalen wat wordt bedoeld met de term ‘subsidiebudget’ omdat het geen begrip is dat in de Awb voorkomt. Wij interpreteren de term subsidiebudget in deze subsidieregeling als een deelplafond van het subsidieplafond dat de raad heeft vastgesteld. Het tweede lid is ons inziens praktisch niet uitvoerbaar. Het toepassen van een evenredig kortingspercentage op toegekende subsidies gaat lastig als een aanvrager reeds de activiteiten heeft gerealiseerd en het totale bedrag aan subsidie al heeft ontvangen en aangewend voor de uitvoering. Er is dan geen grondslag om de (vastgestelde) subsidie terug te vorderen door de gemeente. Als voorbeeld: een aanvrager in januari die de activiteiten uitvoert in februari en waarvan de subsidie wordt vastgesteld en uitbetaald in maart; de gemeente kan dan in december geen subsidie terugvorderen omdat de subsidie reeds definitief is vastgesteld. Geadviseerd wordt om dit lid te verwijderen.
2.7 2.7.1
Subsidieregeling isolatie Pijnacker-Nootdorp 2025 Juridisch kader
Bevoegd bestuursorgaan
College
Inwerkingtreding
Datum publicatie
Gemeenteblad
Regeling van het college
Regeling
01-01-2025
09-12-2024
2024, 509239
2.7.2
Bevindingen
Artikel
Bevindingen
7
Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad het subsidieplafond vaststelt. Voorstel actualisatie/wijziging: Dit artikel kan verwijderd worden; in de ASV is namelijk al bepaald dat de raad de subsidieplafonds vaststelt. Door verwijdering van artikel 7 moeten alle opvolgende artikelen vernummerd worden en eventuele interne verwijzingen naar artikelen en leden van artikelen worden aangepast.
9
Art. 9 lid 4 geeft aan op welke wijze de rangschikking wordt gemaakt als het subsidieplafond wordt overschreden (verdelingswijze). De tekst in de tweede zin is ons inziens onduidelijk geformuleerd. Voorstel actualisatie/wijziging: De bepaling over de verdeling zou er als volgt uit kunnen zien: 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst. 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. (4. De subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.)
2.8
Algemene bevindingen en bijvangst uit het onderzoek
In dit rapport zijn op basis van het onderzoek diverse (technische) voorstellen gedaan tot aanvulling of wijziging van de (subsidie)regelingen. Met deze voorstellen heeft de gemeente een handreiking voor de wijze waarop de (subsidie)regelingen geactualiseerd kunnen worden. In dit onderzoek en tijdens de gesprekken hebben wij diverse algemene constateringen gedaan. Deze constateringen hebben wij echter niet nader onderzocht omdat het niet binnen de reikwijdte van ons onderzoek valt. Toch menen wij dat deze constateringen op hoofdlijnen en onze beelden als mogelijke bijvangst nuttig kunnen zijn voor de gemeente in het kader van de actualisering van de subsidieregelingen en de uitvoering ervan. In willekeurige volgorde sommen wij deze constateringen en beelden op met daaraan gekoppeld een eerste aanzet voor een handelingsperspectief: •
Structuur van de subsidieregelingen –
Ons beeld is dat de onderzochte subsidieregelingen allemaal een net iets andere indeling / structuur kennen en dat enkele wettelijke vereisten uit de Algemene wet bestuursrecht ‘verstopt’ zijn in een lid van een bepaald artikel. Meer uniformiteit in de indeling van de subsidieregelingen zou wenselijk zijn. Daarnaast is het wenselijk om enkele wettelijke vereisten (bijvoorbeeld verdelingswijze en verdelingswijze bij overschrijden van het subsidieplafond, maximale subsidiehoogte of berekening daarvan) een prominentere plaats te geven in de subsidieregelingen.
•
Toelichtingen op de subsidieregelingen –
Niet elke subsidieregeling heeft een toelichting. We zien echter de meerwaarde om bij elke regeling een toelichting op te stellen. In de toelichting kunnen bijvoorbeeld voorbeelden worden opgesomd of in een (aanvullende) toelichting worden beschreven hoe een bepaald artikel of lid van een artikel is bedoeld en wordt geïnterpreteerd vanuit de gemeente. Zo zijn de spelregels aan de voorkant duidelijk(er) voor de subsidieaanvrager én heeft de gemeente bij de uitvoering van de subsidietoetsing zelf ook een eenduidige leidraad hoe te toetsen op een aanvraag.
•
Subsidieplafonds –
In de ASV is opgenomen dat de gemeenteraad de subsidieplafonds vaststelt. Hoewel deze politiek-bestuurlijke beslissing aan de gemeenteraad is, zou het ons inziens voor de uitvoering beter zijn dat het college deze bevoegdheid heeft. We hebben in dit onderzoek namelijk geconstateerd dat er bijvoorbeeld bij een subsidieregeling tussentijds geen ophoging van een de subsidieplafond heeft plaatsgehad door de gemeenteraad. In het algemeen zien wij dat colleges veel vaker de bevoegdheid hebben om subsidieplafonds vast te stellen. De colleges vergaderen ook vaker dan de gemeenteraad en het college staat dichter bij de uitvoering van de subsidieregelingen. Het college kan daardoor eerder inspelen op tussentijdse verhoging van de subsidieplafonds.
•
Zicht op effectiviteit en efficiëntie / evaluatie –
Vanuit onze analyse op hoofdlijnen van de gemeentelijke visies en beleidskaders en uit de gesprekken met medewerkers valt op dat er nauwelijks evaluaties zijn uitgevoerd over het effect van de subsidies. Het is aan te raden deze evaluaties periodiek uit te voeren. Op basis van deze evaluaties kan namelijk bijgestuurd worden op bijvoorbeeld de inhoud van de subsidieregelingen. Op grond van art. 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht geldt er overigens een plicht om, indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust (bijvoorbeeld een ASV en/of subsidieregeling), ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk
uit te brengen (tenzij bij het wettelijk voorschrift anders is bepaald, bijvoorbeeld als de kosten van evaluatie onevenredig zouden zijn in verhouding tot het budgettaire belang van de regeling). Deze evaluatiebepaling is ingegeven doordat van verschillende zijden (Algemene Rekenkamer en Tweede Kamer) aandacht is gevraagd voor het belang van periodieke evaluatie van beleid en wetgeving, met name op het terrein van subsidies. •
Balans doelmatigheid en rechtmatigheid –
In dit onderzoek constateren wij dat de subsidieregelingen oprecht en met de beste intenties worden uitgevoerd door medewerkers die in de loop der jaren een grote expertise hebben opgebouwd op zowel het gebied van beleid en uitvoering én zij kennen de (lokale) subsidieaanvragers goed. Ons beeld op hoofdlijnen is dat de uitvoering voor wat betreft uniformiteit, beter kan. Geconstateerd is dat enkele subsidieregelingen niet voldoen aan de rechtspraak omtrent de verdeling van ‘schaarse rechten’ en dat elementaire aspecten van het subsidierecht onvoldoende uitgewerkt zijn in subsidieregelingen (o.a. heldere verdelingswijze van subsidies, duidelijke subsidievereisten die niet leiden tot willekeur). Wij adviseren om na te denken over een adequate inbedding van een centrale (juridische) subsidiefunctie binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Vanuit onze praktijkervaring zien wij namelijk dat kennis van het subsidierecht, het opstellen van goede en uitvoerbare subsidieregelingen en het samen goed kunnen uitvoeren van subsidieregelingen geen bijkomstige werkzaamheden zijn, maar juist doorontwikkeling en professionalisering vragen.
WIJ ZIJN BERENSCHOT, GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG Nederland is continu in ontwikkeling. Maatschappelijk, economisch en organisatorisch verandert er veel. Al ruim 85 jaar volgen wij als adviesbureau deze ontwikkelingen op de voet en werken we aan een vooruitstrevende samenleving. De behoefte om iets fundamenteels te betekenen voor mens en maatschappij zit in onze genen. Met onze adviezen en oplossingen hebben we dan ook actief meegebouwd aan het Nederland van vandaag. Altijd op zoek naar duurzame vooruitgang. Alles wat we doen, is onderzocht, onderbouwd en vanuit meerdere invalshoeken bekeken. Zo komen we tot gefundeerde adviezen en slimme oplossingen. Die zijn op het eerste gezicht misschien niet altijd de meest voor de hand liggende. Juist deze eigenzinnigheid maakt ons uniek. Daarbij zijn we niet van symptoombestrijding. En gaan pas naar huis als het is opgelost.
Berenschot B.V. Van Deventerlaan 31-51, 3528 AG UTRECHT Postbus 8039, 3503 RA UTRECHT 030 2 916 916 www.berenschot.nl