bijlage 3 - PlanMER Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 8 april 2021 (incl bijlagen factsheets en opmaak) (1384483)
Tekst van het document
Anderzijds wordt een deel van de woningen binnenstedelijk gerealiseerd waardoor de kernen nog verder verdichten en de kans op hittestress toeneemt. Daarentegen hebben andere ambities in de Omgevingsvisie een positieve invloed op hittestress. Bijvoorbeeld het ontstenen van de fysieke leefomgeving, het realiseren van parkachtig bedrijventerreinen en het behoud van een minimale hoeveelheid groen per inwoners. De invloed op privaat terrein is echter beperkt. Voor nieuwbouwwoningen zouden eisen gesteld kunnen worden in het Omgevingsplan, dit wordt echter niet geborgd in de Omgevingsvisie. Toch is de verwachting dat er per saldo een verbetering optreedt ten opzichte van de autonome ontwikkeling. 4.4.4 Klimaatadaptatie - Droogte Het thema droogte wordt behandeld aan de hand van de indicator ‘neerslagtekort en grondwaterstanden’. Thema
Indicator
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling Klimaatadaptatie
Neerslagtekort en
- droogte
grondwaterstanden
54/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Huidige situatie en autonome ontwikkeling In de huidige situatie kent de gemeente Pijnacker-Nootdorp perioden van droogte. De effecten zijn echter nog beheersbaar en er is geen sprake van onomkeerbare schade. De landinrichting is daarentegen nog onvoldoende aangepast en uit analyses blijkt dat er sprake is van wateronderlast. Hierdoor kan droogteschade ontstaan aan de natuur en boven- en ondergrondse bouwwerken. De huidige situatie wordt daarom beoordeeld als redelijk. Tot 2050 zullen droge perioden langer duren en vaker voorkomen. Hierdoor zal voornamelijk tijdens de zomerperiode op een groot aantal plekken de gemiddelde laagste grondwaterstand verder dalen. Deze daling heeft voornamelijk effect op gebouwen die op houten palen zijn gebouwd. Daarnaast is de glastuinbouw afhankelijk van de aanvoer van voldoende water, terwijl de aanvoermogelijkheden tijdens droogte beperkter wordt. Ook de gevolgen voor bomen en overig groen worden steeds duidelijker zichtbaar. De beoordeling van de autonome ontwikkeling is daarom slecht. Beoordeling effect Omgevingsvisie De Omgevingsvisie maakt diverse ontwikkelingen mogelijk die kunnen resulteren in een toename van verharding, wat een negatief effect heeft op de infiltratie van water in de bodem.
Tegelijkertijd wordt een groot deel van de woningen gerealiseerd op verouderde glastuinbouwlocaties, wat kansen biedt voor de ontwikkeling van een groene, klimaatadaptieve leefomgeving. Ambities op andere thema’s in de Omgevingsvisie, zoals het toevoegen van groen, het ontstenen van de openbare ruimte en tuinen versterken deze kansen. Ook het behoud van groene buitengebieden en een minimale hoeveelheid groen per inwoner hebben een positief effect. De verwachting is daarom dat er door het beleid in de Omgevingsvisie mogelijk een verbetering optreedt. 4.4.5 Klimaatadaptatie - Overstromingsrisico Het thema waterveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de indicator ‘overstromingsrisico’. Thema
Klimaatadaptatie
Indicator
Huidige
Autonome
situatie
ontwikkeling
Omgevingsvisie
Overstromingsrisico
Huidige situatie en autonome ontwikkeling In de huidige situatie is de kans op overstromingen (van meer dan de maximale waterdiepte zoals gedefinieerd voor het stedelijk gebied) bijzonder klein. In het buitengebied zijn de maximale waterdieptes hoger. Bij een overstroming met een grote kans van optreden (1:10 jaar) zijn in de gemeente geen verwachte gevolgen. De huidige situatie wordt daarom beoordeeld als goed. De autonome ontwikkeling geeft een wisselend beeld. Enerzijds is de verwachting dat door klimaatverandering de zeespiegel verder gaat stijgen en rivieren extremere hoeveelheden water moeten afvoeren. Daarnaast zou verdere verstedelijking het overstromingsrisico kunnen vergroten.
55/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Tegelijkertijd nemen het rijk, de provincie en waterschappen maatregelen om deze gevolgen op te vangen. Aangezien de situatie naar verwachting gelijk blijft wordt de autonome ontwikkeling als goed beoordeeld. Beoordeling effect Omgevingsvisie De voorziene ontwikkelingen, op het gebied van verstedelijking en de energietransitie, in de Omgevingsvisie vergroten de gevolgen van een overstroming. Het toevoegen van 4.000 woningen betekent dat het aantal kwetsbare voorzieningen toeneemt. Tegelijkertijd biedt de woningbouwopgave de mogelijkheid om bij de ontwikkeling van deze woningen tijdig te zorgen voor stevige waterkeringen. Ook de herstructurering van de glastuinbouw biedt mogelijkheden voor het treffen van voorbereidingen tegen overstromingen. De verwachting is daarom dat er per saldo een verbetering optreedt ten opzichte van de autonome ontwikkeling. 4.4.6 Waterkwaliteit Het thema waterkwaliteit is beoordeeld aan de hand van de indicatoren ‘zwemwaterkwaliteit’ en ‘kwaliteit KRW-lichamen’. Thema
Indicator
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling Waterkwaliteit
Zwemwaterkwaliteit
Kwaliteit KRWlichamen
Huidige situatie en autonome ontwikkeling De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een officiële zwemlocatie, namelijk de Dobbeplas. In 2019 is de plas met betrekking tot bacteriële verontreiniging beoordeeld als aanvaardbaar. In 2019 is gedurende twee weken een overschrijding geconstateerd voor blauwalg, dit resulteerde in een zwemwaarschuwing voor 7 dagen. De huidige situatie van zwemwaterkwaliteit wordt daarom als goed beoordeeld. De gemeente Pijnacker-Nootdorp kent daarnaast een KRWoppervlaktewaterlichaam, de Zuidpolder van Delfgauw. Het is een smal en ondiep kanaal en heeft een belangrijke aan- en afvoerfunctie van water. De Zuidpolder Delfgauw voldoet niet aan de KRW-normen voor ecologie en chemie. De kwalitatieve en kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen in de gemeente is goed. Omdat de normen in de Zuidpolder van Delfgauw niet worden gehaald, wordt de huidige situatie desondanks als slecht beoordeeld. Weersomstandigheden zijn van grote invloed op de zwemwaterkwaliteit. Nader onderzoek is nodig om de invloed van klimaatverandering vast te stellen op nieuwe en onbekende ziekteverwekkers. Door de maatregelen die genomen worden blijft de situatie bij de autonome ontwikkeling goed.
Aangezien het halen van de KRW-normen op langere termijn (2027) een wettelijke verplichting is, is de verwachting dat de normen in 2027 worden gehaald, dan wel dat in 2027 een passende motivatie krachtens de KRW is gegeven. Een passende motivatie kan zijn dat het vanwege natuurlijke omstandigheden langere duurt om het doel te bereiken.
56/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Aangezien de Zuidpolder Delfgauw niet aan de KRW-normen voldoet is de verwachting dat extra maatregelen nodig zijn. De verwachting is dat de kwaliteit en kwantiteit van de grondwaterlichamen binnen de gemeente goed blijft. De autonome ontwikkeling voor KRWlichamen (zowel grondwater als oppervlaktewater) wordt daarom beoordeeld als redelijk. Beoordeling effect Omgevingsvisie De ambities uit de Omgevingsvisie hebben een positief effect op de zwemwaterkwaliteit. Met name het versterken van groen, biodiversiteit en het verduurzamen van de glastuinbouw dragen positief bij. De verwachting is daarom dat de kwaliteit van het zwemwater goed blijft en dat er mogelijk zelfs een verbetering optreedt door het beleid in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie resulteert eveneens in een mogelijke verbetering voor de indicator ‘KRW-lichamen’. Met name de ambities op het gebied van glastuinbouw hebben een positieve invloed op het verbeteren van de waterkwaliteit. Daarnaast dragen ook ambities op het gebied van biodiversiteit, groen, ecologie en een gezonde leefomgeving bij aan een goede kwaliteit en kwantiteit van het grondwater en oppervlaktewater. 4.4.7 Geluid Het thema geluid is beoordeeld aan de hand van de indicator ‘aantal (ernstig) gehinderden door industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai’. Thema
Indicator
Geluid
Aantal (ernstig)
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling
gehinderden door industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai
Huidige situatie en autonome ontwikkeling De laatste jaren is het aantal gehinderden door geluid, ondanks de woningtoename, nagenoeg gelijk gebleven. Het aantal ernstig gehinderden is afgenomen met meer dan 10%. Dat is het gevolg van maatregelen die getroffen zijn zoals stil asfalt en dergelijke. In vergelijking met andere gemeenten is het aantal ernstig gehinderden laag (ongeveer 3%). Voortzetting van het huidige beleid is nodig om een toename van het aantal (ernstig) gehinderden te voorkomen. De huidige situatie wordt daarom beoordeeld als goed. De verwachting is niet dat dit in de autonome situatie substantieel zal veranderen waarmee deze eveneens als goed wordt beoordeeld. Beoordeling effect Omgevingsvisie De Omgevingsvisie maakt ontwikkelingen mogelijk die kunnen resulteren in meer verdichting, wat kan leiden tot een toename van het aantal gehinderden. Er zijn ook positieve effecten als gevolg van de Omgevingsvisie en op basis van de verkeersberekeningen (zie bijlage 5) kan gesteld worden de geluidshinder als gevolg extra verkeer beperkt zal zijn. De verwachting is dat de invloed van de Omgevingsvisie per saldo beperkt is.
57/92
Kenmerk
4.4.8
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Luchtkwaliteit
Het thema luchtkwaliteit is beoordeeld aan de hand van de indicator ‘aantal blootgestelde aan overschrijdingen WHO-richtlijnen’. Thema
Indicator
Luchtkwaliteit
Aantal
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling
blootgestelden aan overschrijdingen WHO richtwaarde
Huidige situatie en autonome ontwikkeling Door de jaren heen is wat betreft luchtkwaliteitconcentraties een dalende trend zichtbaar. De gemeente Pijnacker-Nootdorp werkt samen met andere decentrale overheden en het Rijk in het Schone Lucht Akkord (SLA) om de luchtkwaliteit overal in Nederland aan de EU-grenswaarden te laten voldoen. Deze grenswaarden zijn echter minder streng dan de WHO advieswaarden. Er wordt op dit moment niet voldaan aan de WHO advieswaarden, daarom wordt de huidige situatie beoordeeld als redelijk. Door de autonome groei van het aantal mobiliteitsbewegingen is de verwachting dat ook in de toekomst niet overal aan de WHO richtlijnen wordt voldaan. De luchtkwaliteit in de autonome ontwikkeling wordt daarom als redelijk beoordeeld. Beoordeling effect Omgevingsvisie De Omgevingsvisie voorziet in het toevoegen van 4.000 nieuwe woningen. Verdichting van woningen kan leiden tot meer blootgestelden aan overschrijdingen WHO richtlijnen, doordat woningen dichter bij bronnen worden gerealiseerd en er meer verkeer ontstaat. Schone mobiliteit is daarom van belang. De verwachting is dat de invloed van de Omgevingsvisie per saldo beperkt is. 4.4.9 Licht Het thema licht is beoordeeld aan de hand van de indicator lichtemissie. Thema
Indicator
Licht
Lichtemissie
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling
Huidige situatie en autonome ontwikkeling De gemeente Pijnacker-Nootdorp behoort tot een van de gebieden met de hoogste lichtemissies. Vrijwel de hele gemeente valt in de hoogste of een na hoogste categorie. De belangrijkste oorzaak zijn de glastuinbouwbedrijven. De beoordeling van de huidige situatie is daarom slecht.
58/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
In potentie kunnen er in de autonome ontwikkeling meer kassen worden bijgebouwd. Bovendien leidt verdere verdichting en afronding van de geplande bouwopgave tot een uitbreiding van het bebouwd gebied. De verwachting is dat de lichtemissie niet zal afnemen, de beoordeling van de autonome ontwikkeling is daarom slecht. Beoordeling effect Omgevingsvisie De gemeente Pijnacker-Nootdorp streeft in de Omgevingsvisie naar moderne en innovatieve glastuinbouwgebieden, een evenwichtige woningvoorraad, een gezonde leefomgeving en een gezond ecosysteem. Deze hebben soms een positief en soms een negatief effect op de lichtemissie. De verwachting is dat invloed van de Omgevingsvisie per saldo positief is 4.4.10 Externe veiligheid Het thema externe veiligheid is beoordeeld aan de hand van de indicatoren: ‘plaatsgebonden risico’, ‘groepsrisico’ en ‘aandachtsgebieden’. Thema
Indicator
Externe veiligheid
Plaatsgebonden
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling
risico Groepsrisico
Aandachtsgebieden
Huidige situatie en autonome ontwikkeling Binnen externe veiligheid wordt rekening gehouden met drie typen risicobronnen: inrichtingen, transport en buisleidingen. Pijnacker-Nootdorp is gelegen tussen drie rijkswegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast zijn er buisleidingen aanwezig waar gevaarlijke stoffen door worden getransporteerd. Er is één BEVI inrichting aanwezig (Opslag van (alcoholische) dranken in consumentenverpakking) en één LNG-tankstation. Voor zowel de wegen als de buisleidingen ligt het plaatsgebonden risico op de weg/buisleiding. Er liggen geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 van de risicovolle inrichtingen. Het plaatsgebonden risico wordt in de huidige situatie als goed beoordeeld. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt door de risicobronnen niet overschreden. In een aantal gevallen ligt het tussen de 0,1 en 1 en in andere gevallen onder de 0,1. Het groepsrisico wordt in de huidige situatie als redelijk beoordeeld. De toekomstige begrenzing van aandachtsgebieden voor risicobronnen valt over een klein aantal zeer kwetsbare gebouwen. De huidige situatie wordt daarmee als redelijk beoordeeld. De verwachting is dat dit beeld in de autonome ontwikkeling niet zal wijzigen. Beoordeling effect Omgevingsvisie De Omgevingsvisie voorziet in de bouw van 4.000 woningen.
Deze ontwikkeling hoeft niet direct tot een verslechtering te leiden, maar bij transformatiegebied Rijskade vormt externe veiligheid wel een aandachtspunt.
59/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Daarnaast brengen de ambities op energietransitie nieuwe gevaren met zich mee, die niet altijd goed in beeld zijn te krijgen. De verwachting is dat het nieuwe beleid in de Omgevingsvisie tot een verslechtering kan leiden voor de indicatoren ‘groepsrisico’ en ‘aandachtsgebieden’. De verwachting is dat er door de Omgevingsvisie kans is op een verbetering van het plaatsgebonden risico. 4.4.11
Bodem en ondergrond
Het thema bodem en ondergrond is beoordeeld aan de hand van de indicatoren: bodemdaling, bodemkwaliteit en ondergrond. Thema
Indicator
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling Bodem
Bodemdaling
Bodemkwaliteit
Ondergrond
Huidige situatie en autonome ontwikkeling Pijnacker-Nootdorp ligt in een gebied dat bodemdalingsgevoelig is. Dat geldt zowel voor de groene buitengebieden als voor een belangrijk deel van de kernen. Het belang van bovengrondse functies staat dus (soms) op gespannen voet met het voorkomen van bodemdaling. Daarom wordt de huidige situatie als redelijk worden beoordeeld. Ook de indicator bodemkwaliteit wordt voor de huidige situatie beoordeeld als redelijk. Over het algemeen is de heterogene bodemkwaliteit op zone niveau goed. Wel is aandacht nodig voor diffuus lood bij gebruiksgevoelige locaties. Ook de komst van stoffen als PFAS is zorgwekkend. De indicator ondergrond wordt voor de huidige situatie als slecht beoordeeld, aangezien er slechts incidenteel maatschappelijke belangen tussen of in bodemlagen worden afgewogen. Daarnaast is er in de huidige situatie geen specifiek beleid gericht op het vroegtijdig meenemen van de kwaliteiten van de ondergrond in de planvorming. Op dit moment worden er geen specifieke maatregen genomen om bodemdaling te voorkomen. De aandacht gaat uit naar het voorkomen van zettingen op nieuwe woningbouwlocaties en er is daarnaast actief beheer van het grondwaterpeil. De autonome ontwikkeling voor bodemdaling wordt daarmee als redelijk beoordeeld.
De verwachting is dat de bodemkwaliteit in de autonome ontwikkeling minimaal gelijk blijft en mogelijk verbeterd, aangezien de gemeente een duurzaam bodembeheerbeleid voert waarmee zij streeft naar verbetering van de bodemkwaliteit. De autonome ontwikkeling wordt daarom als redelijk beoordeeld. In 2009 heeft een inventarisatie plaatsgevonden van, de voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp belangrijke, bodemthema’s. Met het ontstaan van bewustwording van het beschermen en benutten van de bodem, begint ook de verbetering en kan de autonome ontwikkeling als redelijk worden beoordeeld.
60/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Beoordeling effect Omgevingsvisie De gemeente Pijnacker-Nootdorp is voornemens om de ondergrond een volwaardige en vroegtijdige plek te geven bij de keuzes over ruimtelijke ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie komt bodemdaling op de agenda te staan, waardoor bodemdaling kan worden beperkt en mogelijk kan worden voorkomen. De verwachting is dat de invloed van de Omgevingsvisie per saldo beperkt is. Bij bodemkwaliteit gaat het om het optimaliseren van de balans tussen het gebruik en de bescherming van de ondergrond. De drukte in de ondergrond neemt toe als gevolg van nieuwe mogelijkheden om de ondergrondse ruimte te benutten en door de toenemende druk op de bovengrondse ruimte. Aangezien de Omgevingsvisie diverse ontwikkelingen mogelijk maakt zal de druk op de ondergrond naar verwachting toenemen. Tegelijkertijd richt de Omgevingsvisie zich op een actieve ordening van de ondergrondse functies in afstemming met de bovengrondse ontwikkelingen. Echter de druk zal als gevolg van diverse ontwikkeling die worden mogelijk gemaakt ook toenemen. Naar verwachting is de invloed van Omgevingsvisie voor de indicatoren ‘bodemkwaliteit’ en ‘ondergrond’ daarom per saldo beperkt.
4.5
Overzichtstabel effecten
In onderstaande tabel zijn de verschillende beoordelingen zoals beschreven in dit hoofdstuk in een overzicht weergegeven. Thema
Indicator
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling Landschappelijke
Groene en blauwe
verbondenheid
verbindingen
Cultuurhistorie en
Status cultuurhistorie
landschap Status landschap
Archeologie
Archeologie
Openbare ruimte
Openbaar groen
Kwaliteit openbare ruimte Beweegvriendelijkheid
Recreatie
Recreatie
Natuur en
Biodiversiteit
biodiversiteit Natuur en
Weidevogelgebieden
biodiversiteit
61/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Thema
Indicator
Natuur en
Natura 2000
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling
biodiversiteit Sociale inclusiviteit
Afstand tot voorzieningen Eenzaamheid
Mobiliteit en
Modal split
verkeersveiligheid Kwaliteit vervoersnetwerk Elektrische auto
Verkeersveiligheid
Woningaanbod
Aanbod woningen
Aanbod sociale huurwoningen Aanbod meergezinswoningen Sociale veiligheid
Misdrijven en overlast
Veiligheidsbeleving
Bedrijventerreinen
Ruimte bedrijventerreinen Waardering ondernemersklimaat
Glastuinbouw
Grondgebruik
Duurzame glastuinbouwgebieden Centra als
Leegstand
ondernemers-plek Verkooppunten
Koopkrachtbinding
Ontwikkeling werkgelegenheid
62/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Thema
Indicator
Werkgelegenheid en
Werkloosheid
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling economische verbondenheid
Ontwikkeling van het aantal banen Economische structuur
Energietransitie
Energie besparing Duurzaam wonen
Duurzame energie opwekking Klimaatadaptatie -
Wateroverlast
wateroverlast Klimaatadaptatie -
Hittestress
hitte Klimaatadaptatie -
Neerslagtekort en
droogte
grondwaterstanden
Klimaatadaptatie -
Overstromingsrisico
overstromingsriscio Waterkwaliteit
Zwemwaterkwaliteit
Kwaliteit KRW-lichamen
Geluid
Aantal (ernstig) gehinderden door industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai
Luchtkwaliteit
Aantal blootgestelden aan overschrijdingen WHO richtwaarde
Licht
Lichtemissie
Externe veiligheid
Plaatsgebonden risico
Groepsrisico
Aandachtsgebieden
63/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Thema
Indicator
Bodem
Bodemdaling
Huidige situatie
Autonome
Omgevingsvisie
ontwikkeling
Bodemkwaliteit
Ondergrond
64/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
5 Synergie en strijdigheden tussen ambities In dit hoofdstuk worden op een strategisch niveau de ambities vergeleken. In de Omgevingsvisie wil de gemeente de fysieke leefomgeving in onderlinge samenhang bezien waarbij functies elkaar niet belemmeren maar juist aanvullen en versterken. De verbinding tussen verschillende gebieden binnen en buiten de gemeente moet hierbij versterkt worden. Om hier invulling aan te geven heeft de gemeente vier ontwikkellijnen, zoals beschreven in hoofdstuk 2 van dit planMER. Getracht wordt in dit hoofdstuk antwoord te geven op de vraag in hoeverre de ambities bereikt worden met het voorgestelde nieuwe beleid in de Omgevingsvisie. Allereerst worden de ambities op hoofdlijnen tegenover elkaar gezet en benoemd of er sprake is van synergie dan wel mogelijke tegenstrijdigheden. Op basis hiervan worden oplossingen en aanbevelingen voor de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie gedaan, zoals in het Omgevingsplan of in programma’s.
5.1
Synergie en strijdigheden
Toelichting kruistabel Op basis van de beoordeling van effecten in hoofdstuk 4 (en bijbehorende factsheets) is een overzichtelijke kruistabel gemaakt waarin de vier ontwikkellijnen van de Omgevingsvisie tegenover elkaar zijn gezet.
65/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Aangegeven is of er sprake is van (veel) mogelijkheden voor synergie, of de invloed tussen de ambities relatief beperkt is of dat er een kans in dat er onderling mogelijk tegenstrijdigheden zijn. In deze paragraaf worden de ambities die mogelijk synergie hebben dan wel kunnen leiden tot onderlinge tegenstrijdigheden kort beschreven. Waar knelpunten worden geconstateerd worden, waar mogelijk, aanbevelingen gedaan voor het vervolg. In bijlage 6 is bovenstaande tabel in groter formaat opgenomen. 5.1.1 Een karakteristieke woon- en leefomgeving De ontwikkellijn ‘Een karakteristieke woon- en leefomgeving’ kent zowel strijdigheden als synergie met de ontwikkellijnen ‘Onderscheidend groen’ en ‘Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren’. Voor de ontwikkellijn ‘Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat’ worden enkel mogelijkheden voor synergie voorzien. Onderscheidend groen Wat betreft de relatie met de ontwikkellijn ‘Onderscheidend groen’ kan gesteld worden dat er zowel strijdigheden als mogelijkheden voor synergie op kunnen treden. Nieuwe woningbouwlocaties binnen de kernen kunnen mogelijk leiden tot knelpunten op het gebied van biodiversiteit en een aantrekkelijke openbare ruimte. De realisatie van nieuwe woningen zal eveneens leiden tot meer verkeer. Dit kan resulteren in negatieve effecten door een toename van infrastructuur en geluidshinder.
Anderzijds is het mobiliteitsbeleid gericht op het verduurzamen en verschonen van de mobiliteit en wordt ingezet op een minder dominante rol voor de auto. Dit biedt mogelijkheden om de openbare ruimte anders in te richten en de kwaliteit te verhogen. De vraag naar recreatiemogelijkheden in de openbaar ruimte neemt toe door het toenemend aantal inwoners, waardoor de druk op het groen verder zal toenemen en het aantal m2 per inwoner afneemt. De ambitie is om voldoende openbaar groen per inwoner te houden. Er zou daarom extra aandacht voor groen moeten zijn in de glastuinbouwgebieden en nieuwe woningbouwlocaties. Naast strijdigheden zijn er echter ook diverse mogelijkheden voor synergie. Zo draagt aantrekkelijk openbaar groen logischerwijs bij aan een karakteristieke en herkenbare woon- en leefomgeving. Een herkenbare woonomgeving in Pijnacker-Nootdorp wordt gekenmerkt door een ruime opzet met veel aandacht voor groen. In die zin bieden transformatiegebieden daarom veel kansen voor vergroening en het uitbreiden en versterken van ecologische verbindingen. In het bijzonder wanneer woningbouw leidt tot herstructurering van nu onaantrekkelijke locaties, zoals verouderde glastuinbouwgebieden. Daarnaast draagt het streven naar een hoge beeldkwaliteit van het openbaar groen op veel verschillende manieren bij aan een karakteristieke en herkenbare woon- en leefomgeving.
Zo resulteert een hoge beeldkwaliteit in meer variatie wat een positief effect heeft op de biodiversiteit. Tegelijkertijd draagt een hoge beeldkwaliteit bij aan een veilige uitstraling van de leefomgeving en wordt spelen, ontmoeten en bewegen in de buitenruimte aantrekkelijker gemaakt.
66/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren In relatie tot de ontwikkellijn ‘Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren’ zijn eveneens zowel kansen als knelpunten te benoemen. De transformatie van verouderde glastuinbouwgebieden naar nieuwe woningbouwlocaties kan bij een juiste inrichting ruimte bieden voor een klimaatbestendige leefomgeving. Een ruime opzet met veel ruimte voor groen draagt bij aan een betere infiltratie en het langer vasthouden van water, waardoor er minder kans is op wateroverlast en droogte. Het realiseren van kwalitatief openbaar groen en daarnaast het behoud van de huidige omvang van de groene buitengebieden draagt tevens bij aan klimaatbestendigheid op het thema hitte. De groene zones kunnen tijdens warme periodes dienen als koelteplekken voor mens en dier. De ambities op het vlak van een energie neutrale leefomgeving leveren echter mogelijke knelpunten op. De bouw van nieuwe woningen zal, ondanks dat de woningen volgens de nieuwste energetische standaarden worden gebouwd, leiden tot een toename van energieverbruik. Hoewel dit wel een dempende invloed zal hebben op het gemiddelde energieverbruik per woning. Ook zal de herstructurering van glastuinbouw leiden tot een efficiënter energiegebruik.
Daarnaast vraagt de realisatie van 50ha zonnepanelen op waterbassins of veld binnen glastuinbouwgebieden om een goede ruimtelijke en functionele inpassing. Aantrekkelijke economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers Met de ontwikkellijn ‘Een aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers’ is er overwegend sprake van synergie. De bouw van nieuwe woningen zal leiden tot een toenemend aantal inwoners en dus tot een toename van het aantal potentiële klanten van de diverse centra van de gemeente. Door te investeren in een verbreding van het aanbod, ruimte voor ontmoeting en vergroening van de openbare ruimte neemt de aantrekkingskracht van de verschillende centra toe. Dit zal naar verwachting resulteren in een afname van het leegstandspercentage en een toename van de koopkrachtbinding. De kwalitatieve versterking en de inzet op een parkachtige inrichting van de bestaande bedrijventerreinen biedt kansen voor innovatie, nieuw ondernemerschap en nieuwe vormen van bedrijvigheid waar een groter aantal mensen zal kunnen werken.
En ondanks dat nieuwe woningbouwlocaties gepland staan in verouderde glastuinbouwgebieden, waardoor het bruto grondgebruik zal afnemen, is de verwachting dat de herstructurering van de glastuinbouwgebieden zal leiden tot aanvullende, meer hoogopgeleide werkgelegenheid als gevolg van robotisering, ketenintegratie en nieuwe en intensieve teelten. De verwachting is dat de toename aan werkgelegenheid minder sterk zal stijgen dan de groei van het aantal inwoners, maar dat het werkloosheidspercentage laag blijft ten opzichte van de regio. Functiemenging van wonen en werken kan leiden tot meer levendige wijken en buurten. Anderzijds kunnen woningen ook beperkend werken op de bedrijfsvoering. Een zorgvuldige afstemming tussen enerzijds het borgen van een goed woonmilieu en anderzijds ruimte voor de bedrijfsvoering en gezonde groei zijn daarom van belang.
67/92
Kenmerk
5.1.2
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Onderscheidend groen
De ontwikkellijn ‘Onderscheidend groen’ kent knelpunten en mogelijkheden voor synergie met de ontwikkellijn ‘Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren. De ontwikkellijn ‘Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers’ biedt voornamelijk kansen voor synergie. Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren Wat betreft de relatie met de ontwikkellijn ‘Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren’ kan gesteld worden dat inzet op behoud van de omvang van groene buitengebieden en de inzet op een hoge kwaliteit van het openbaar groen bijdragen aan de veerkrachtigheid en klimaatbestendigheid van de gemeente. Maatregelen voor klimaatbestendigheid gaan over het algemeen goed samen met natuurmaatregelen. Knelpunten kunnen optreden in relatie tot een duurzame gemeente. Dit komt voornamelijk door de keuze voor duurzame energieopwekking met zonnepanelen. Voor het opwekken van elektriciteit met behulp van zonnevelden is circa 50 hectare benodigd. Deze ruimte is, na herstructureringsingrepen, aanwezig in de glastuinbouwgebieden. Indien het enkel mogelijk is om waterbassins en resthoeken te benutten is het de vraag of er voldoende ruimte beschikbaar is. Daarnaast zijn er ook andere ruimtelijke claims (zie volgende alinea zoals groen en waterstructuren) die de restruimten willen benutten.
Wanneer er onvoldoende ruimte is zal gekeken moeten worden naar andere gebieden. Het voorgenomen beleid staat een dergelijke ontwikkeling op dit moment echter niet toe, wat mogelijk kan leiden tot een bijstelling van de energie ambities. Aangezien zonnevelden grote effecten kunnen hebben op landschap en natuur, maar er tegelijkertijd ook veel mogelijkheden voor synergie zijn wordt de samenhang tussen de energietransitie en natuur en landschap verder uitgewerkt in de paragraaf botsproeven. Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers In de Omgevingsvisie is opgenomen dat waar nodig en mogelijk verouderde bedrijventerreinen zijn opgeknapt en verduurzaamd tot moderne bedrijventerreinen waardoor ze klaar zijn voor de toekomst. Op deze bedrijventerreinen kan ruimte geboden worden voor opgaven op het gebied van energietransitie, natuur en klimaat. Ook de innovatieve glastuinbouw biedt veel mogelijkheden om opgaven rondom natuur en landschap een plek te geven. Door zichtlijnen te behouden en bijvoorbeeld in te zetten op ruime bermen behouden de glastuinbouwgebieden een open structuur. Ruime bermen bieden daarnaast de mogelijkheid om te variëren in aanplanting en de biodiversiteit in het gebied te vergroten. Ook de invulling van groene reststroken kan de aantrekkelijkheid van het gebied en de omvang van de biodiversiteit vergroten.
Door het vergroten van de diversiteit in het gebied en het eventueel aanleggen van nieuwe langzaam verkeersverbindingen wordt ook recreatie in het gebied gestimuleerd. Groene gebieden kunnen tegelijkertijd waarde hebben voor glastuinbouwgebieden, bijvoorbeeld door het bergen of vasthouden van water.
68/92
Kenmerk
5.1.3
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren
De ontwikkellijn ‘Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren’ kent naast de in de voorgaande alinea’s beschreven relaties, knelpunten en synergie met de ontwikkellijn ‘Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers. Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers Er zijn allereerst mogelijkheden voor synergie tussen de herstructurering en verduurzaming van de glastuinbouwgebieden en de ambities voor een energieneutrale en duurzaam circulaire gemeente. De herstructurering en verduurzaming van glastuinbouwgebieden maakt het mogelijk een regionaal warmte- en CO2net te realiseren en het energiegebruik binnen de gemeente terug te dringen. Deze verduurzaming biedt daarnaast mogelijkheden om bestaande gebouwen en woningen in de omgeving eveneens te verduurzamen. De ruimte die op geherstructureerde glastuinbouwgebieden beschikbaar komt kan worden ingezet voor duurzame energieopwekking met zonnepanelen. Hoewel het niet duidelijk is of deze ruimte genoeg zal zijn, wanneer het enkel mogelijk wordt om waterbassins en resthoeken te benutten. Er zijn eveneens mogelijkheden voor synergie tussen de ontwikkeling van parkachtige bedrijventerreinen en de doelstellingen voor klimaatadaptatie.
Het verkleinen van het percentage verharding en het toevoegen van groene zones draagt bij aan het infiltreren, bergen en vasthouden van water. Daarnaast kunnen de groene zones tevens schaduw en verkoeling bieden op warme dagen. Een knelpunt dat opgemerkt wordt is de relatie tussen een toename aan mobiliteit en een gezonde leefomgeving. De ambitie om maximaal 4.000 extra woningen te bouwen op nieuwe locaties en in de kernen zal, ook wanneer de huishoudensgrootte in de toekomst afneemt en het inwoneraantal stabiliseert, resulteren in meer verplaatsingen. Deze toename aan verkeer heeft mogelijk negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit, veiligheid en het aantal gehinderden door geluidsoverlast. Daarnaast kunnen extra woningen, wanneer gebouwd binnen de kernen, een extra druk leggen op het groen en de openbare ruimte ter plaatse. De claims op de ondergrond worden in de komende jaren groter, onder meer als gevolg van de energietransitie (leidingnetten, WKO, geothermie). Dit kan leiden tot meer drukte in de ondergrond en daarmee mogelijke onderlinge knelpunten. Een goede planning en afstemming in de ondergrondse ruimte is daarom van belang. 5.1.4
Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers
In voorgaan de alinea’s is beschreven met welke ontwikkellijnen de ontwikkellijn ‘Aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers’ mogelijkheden voor synergie en strijdigheden kent.
5.2
Botsproeven
In deze paragraaf zijn voor enkele hoofdthema’s, waar relatief veel potentiële tegenstrijdigheid of synergie gesignaleerd is, nadere botsproeven uitgevoerd. Hierdoor kan beter in beeld worden gebracht wat de potentiële milieuconflicten en synergiën zijn tussen de verschillende thema’s.
69/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Wanneer nodig, kunnen nadere randvoorwaarden en aanbevelingen geformuleerd worden voor het vervolg. De botsproeven richten zich primair op de grote ruimtevragers: woningbouw, glastuinbouw en duurzame energieopwekking. Tussen deze ruimtevragers worden de grootste knelpunten verwacht maar anderzijds zijn er ook mogelijkheden voor synergie. Zowel onderling als met de andere ambities van de Omgevingsvisie. De volgende botsproeven komen aan bod: •
Woningbouw versus natuur, landschap, klimaat en een gezonde leefomgeving. Nieuwe woningbouw kan enerzijds leiden tot een extra druk op openbare ruimte binnen de bestaande bebouwde gebieden waarmee het woon- en leefmilieu ter plaatse onder druk komt te staan. Anderzijds biedt het kansen om nu monotone glastuinbouwlocaties te benutten om juist
•
invulling te geven op het gebied van landschap, natuur en klimaat Duurzame energieopwekking (zonnevelden) versus natuur, landschap, glastuinbouw en woningbouw. Om aan de energie doelstellingen te voldoen is in de Omgevingsvisie de opgave geformuleerd om 50 hectare zonnevelden binnen de te herstructureren glastuinbouwgebieden te realiseren. Uit de effectanalyse blijkt echter dat het niet duidelijk is of die ruimte uiteindelijk ook gevonden kan worden. Een gevolg kan zijn dat toch locaties buiten het glastuinbouwgebied benut moeten worden. Iets wat nu niet mogelijk wordt gemaakt in de Omgevingsvisie. Daarmee is het de vraag of de ambities voor energie haalbaar zijn of dat een bijstelling nodig is
•
Herstructurering glastuinbouw en klimaat, natuur en ruimtelijke kwaliteit. De herstructurering van glastuinbouwgebieden geeft kansen op het gebied van klimaat, natuur en ruimtelijke kwaliteit. Met het benutten van deze kansen kunnen deze gebieden mogelijk een schakel vormen in de verbinding van natuur en recreatieve gebieden binnen de gemeente en de regio
5.2.1
Woningbouw versus natuur, landschap en ruimtelijke kwaliteit en klimaat
De gemeente Pijnacker - Nootdorp heeft vier gebieden aangewezen die tussen nu en 2050 geleidelijk worden getransformeerd van glastuinbouw naar woningbouw. Deze locaties bieden plek voor een groot deel van de 4.000 bij te bouwen woningen (circa 2/3 van de opgave). Zie ook de beschrijving in hoofdstuk 2 van dit planMER. Het zijn locaties waar de wet voorkeursrecht gemeente op is gevestigd. Daarmee heeft de gemeente invloed op de transformatie van deze gebieden naar woonlocaties. Naast deze vier locaties moet een deel van de nieuwbouw gerealiseerd worden binnen de bestaande woongebieden. De gebieden grenzen niet aan NNN of weidevogelgebieden. De gebieden Balijade en Dwarskade grenzen wel aan recreatief en landschappelijk aantrekkelijk buitengebied. Verder blijkt uit de effectbeoordelingen zoals beschreven in de factsheets en hoofdstuk 4 dat er geen grote beperkingen voor woningbouw vanuit andere thema’s liggen op deze gebieden. Het is niet duidelijk hoe snel bestaande bedrijven worden uitgeplaatst. In deze beschouwing wordt uitgegaan van de eindsituatie waarin de locaties getransformeerd zijn. De uitdaging bij de inrichting van de vier deelgebieden is voornamelijk het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit (verbinding met het buitengebied, qua groen en recreatieve verbindingen), het vergroten en versterken van de biodiversiteit en de aandacht voor klimaatadaptatie.
Het combineren en behalen van deze verschillende ambities vraagt natuurinclusieve maatregelen op verschillende schaalniveaus.
70/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Daarnaast vergt nieuwe woonbebouwing binnen de bestaande woonomgeving ook een zorgvuldige inpassing. Te meer omdat het hier juist mogelijk ten koste zal gaan van groen en openbare ruimte. Ook kan extra verkeer leiden tot een plaatselijke verslechtering van de luchtkwaliteit en de geluidsbelasting. Regionaal schaalniveau Regionale groenblauwe structuren kunnen multifunctioneel worden ingezet waardoor zij bijdragen aan het combineren en behalen van de verschillende ambities. Zo kunnen deze netwerken de basis vormen voor verbindingen tussen het buitengebied en de verschillende woonlocaties (groene dooradering). Vooral Balijade en dwarskade lijken hiervoor geschikt. Op die wijze dragen de groenblauwe structuren bij aan het leefbaar houden van de kernen. De verbindingen naar groene zones nodigen uit tot beweging en bieden koelte tijdens warme perioden. En door deze netwerken te baseren op de landschaps-ecologische ondergrond kunnen zij eveneens een effectieve bijdrage leveren aan het versterken van de biodiversiteit. Ook is het met de transformatie van de gebieden mogelijk om de randen (oriëntatie) te openen richting het landschap.
Wijk- en buurtniveau Op wijk- en buurtniveau biedt de herinrichting van de glastuinbouwgebieden en de realisatie van een centrum dorps en groenstedelijk woonkarakter veel kansen voor het toepassen van maatregelen die zowel bijdragen aan het klimaatbestendig maken van de omgeving als aan het vergroten van de biodiversiteit. Zo biedt een wadi, een verlaging in een onverhard oppervlak, allereerst plek voor het tijdelijk bergen van water. Maar daarnaast kan door slimme keuzes te maken bij de inrichting bijgedragen worden aan het versterken van de biodiversiteit. Een bloemrijke of ‘natuurlijk en lokale’ inrichting waarbij ruimte is voor het spontaan opkomen van planten resulteert in meer variatie dan een inrichting als gazon. Ook het maaibeheer, de steilheid van het oevertalud en de mate waarin mensen de wadi gebruiken zijn van invloed op de biodiversiteit. De biodiversiteit kan daarnaast vergroot worden door de maatregel te koppelen aan andere maatregelen zoals bijvoorbeeld oppervlaktewater en bloemrijke bermen. De begroeiing heeft daarnaast een positieve impact op het infiltreren van water. Aanvullende maatregelen om de biodiversiteit verder te vergroten zijn onder andere faunapassages en faunaverblijven. Deze maatregelen kunnen gekoppeld worden aan oppervlaktewater, wadi’s of bloemrijke bermen.
Gebouw en straatniveau Naast maatregelen op regionale schaal en wijk- en buurtniveau zijn er ook diverse maatregelen mogelijk op gebouw en straatniveau. Zo dragen groene daken en gevels bij aan het versterken van de biodiversiteit, maar zorgen deze daken eveneens voor verkoeling tijdens de zomer, het vasthouden van warmte tijdens de winter en het bufferen van regenwater bij hevige regenbuien. Daarnaast leveren zonnepanelen in combinatie met groene daken een hoger rendement. Rondom gebouwen kan een slimme inrichting van tuinen en binnentuinen bijdragen aan een robuuste, klimaatbestendige omgeving en een grotere biodiversiteit. Groene zones dragen daarnaast ook bij aan een gezonde leefomgeving.
71/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Zo heeft groen invloed op de geluidsbelasting (minder weerkaatsing), stressreductie (ontspannen), sociale cohesie (nodigt uit om te ontmoeten) en beweging (nodigt uit om te bewegen). Om de maatregelen daadwerkelijk effectief te laten zijn voor het versterken van de biodiversiteit is het belangrijk dat de maatregelen aansluiten op het ecologische systeem en dat er samenhang is met de natuurinclusieve inrichting van de openbare ruimte. Dit vraagt om een wisselwerking tussen het gebouwontwerp en de inrichting van de publieke buitenruimte met wijk-, buurt- en straatgroen. Inpassing in de bestaande kernen Bovenstaande aandachtspunten gelden uiteraard ook voor de inpassing in de bestaande woonomgeving. De vraag is echter of de ruimte hiervoor in alle gevallen beschikbaar is. In bestaande woongebieden vraagt dit maatwerk, samen met omwonenden. Het is op voorhand niet te stellen of deze ruimte ook gevonden kan worden of dat er op termijn toch meer kleinschalige uitbreiding nodig zal zijn. Ook geldt dat wanneer bepaalde functies of voorzieningen moeten wijken voor woningbouw hier elders in het buitengebied een plek voor gevonden moet worden waarmee andere ambities ter plaatse mogelijk onder druk komen te staan. Dit wordt echter door de Omgevingsvisie niet mogelijk gemaakt waarmee het gewenste aantal woningen mogelijk onder druk komt te staan.
Verdichting met woningen kan leiden tot een toename van aantal gehinderden op het gebied luchtkwaliteit en/of externe veiligheid zeker als in de nabijheid van infrastructuur wordt gebouwd. Dit geldt ook voor het aspect geluid. E.e.a. is ook afhankelijk hoe de mobiliteit zich ontwikkelt de komende jaren (meer gebruik OV, elektrische voertuigen, e.d.). Om OV gebruik te stimuleren verdient het in ieder geval de aanbeveling om nieuwe woningen te bouwen nabij OV haltes en te zorgen voor een goede bereikbaarheid van de opstappunten met duurzaam vervoer zoals de fiets en te voet. Verder zal de ruimte voor beweging lokaal mogelijk afnemen, biodiversiteit komt verder onder druk te staan en de effecten van klimaatverandering (hittestress en wateroverlast) zullen in een meer versteende omgeving beter merkbaar zijn. Conclusies en aanbevelingen Uit de diverse maatregelen op verschillende schaalniveaus blijkt dat een slimme inrichting kan bijdragen aan de ambities op natuur, klimaat en landschap. Om deze natuurinclusieve inrichting te waarborgen zouden in het Omgevingsplan eisen kunnen worden opgenomen over de hoeveelheid en kwaliteit van groen dat wordt meegenomen in nieuwe gebiedsontwikkelingen. Daarnaast zou het goed zijn om te onderzoeken aan welke voorwaarden gebouwen en gronden moeten voldoen om natuurinclusief te zijn en daadwerkelijk bij te dragen aan de verschillende ambities.
Door hier een duidelijk overzicht van te maken en per voorwaarde te beoordelen in hoeverre dit afgedwongen kan worden via publiek- of privaatrechtelijke instrumenten verkrijgt de gemeente meer inzicht in haar sturingsmogelijkheden. Tevens zou het goed zijn om een integraal Omgevingsprogramma voor de openbare ruimte op te stellen waarin diverse aspecten, zoals ecologie, ontmoeting en beweging samen komen. Dit programma zou eventueel verder vertaald/ geconcretiseerd kunnen worden naar een Omgevingsplan.
72/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Aanvullend hierop is de inpassing van woonbebouwing binnen de bestaande kernen een belangrijk aandachtspunt. Het is niet duidelijk of de verschillende ambities (zoals de kwaliteit van de openbare ruimte versterken en het behouden van ontmoetingsplekken) uit de Omgevingsvisie haalbaar zijn met toevoegen van de extra woningen of dat ook een deel van de woningen een plek moeten krijgen op nieuwe uitbreidingslocaties. Aanbevolen wordt om nader te onderzoeken en te monitoren of het toevoegen van extra woningen in samenhang met andere ambities mogelijk is of dat dit leidt tot een bijstelling van het programma enerzijds (aantal, dichtheid en type woningen) of het bijstellen van ambities anderzijds. Dit onderzoek kan een plek krijgen in een gebiedsgericht programma of een thematisch programma wonen. 5.2.2 Energietransitie (zonnevelden) versus natuur, landschap, glastuinbouw en wonen De gemeente heeft in de Omgevingsvisie de ambitie om 50 ha zonnepanelen op waterbassins of veld te realiseren in de te herstructureren glastuinbouwgebieden Noukoop, Pijnacker-Oost en Pijnacker-West. Dit moet mogelijk gemaakt worden op grond van het Omgevingsplan. Daadwerkelijke realisatie vindt plaats door (glastuinbouw) al dan niet in combinatie met partners of in de vorm van coöperaties.
Uit de effectbeoordeling blijkt echter dat grondgebonden zonnevelden, ondanks de benutting van de waterbassins en overhoeken, een negatief effect hebben op het grondgebruik voor de glastuinbouw. Ook zijn er vanuit andere ambities claims op deze restruimten bijvoorbeeld de wens om deze ruimten te benutten voor een groene en blauwe dooradering (zie ook volgende paragraaf). Daarnaast is nog niet duidelijk binnen welk tijdsbestek de opgave gerealiseerd kan worden. Een oplossing zou kunnen zijn het ‘tijdelijk’ benutten van nu ongebruikte percelen binnen het glastuinbouwgebied. Hiervoor geldt echter dat een perceel daarmee 15 - 30 jaar (circa de levensduur van huidige zonneparken) niet gebruikt kan worden. Het risico daarmee is dat de herstructurering in gebieden juist op slot wordt gezet. De groei- en beweegruimte van bedrijven wordt hierdoor beperkt. Met een verdere innovatie van de sector zal er in de toekomst wellicht meer mogelijk zijn zoals het opnemen van transparante zonnepanelen in gevels van kassen 2. Een ander optie is om uit te wijken naar gebieden buiten de glastuinbouwgebieden. Hiervoor kan gedacht worden aan landbouwpercelen, natuurgebieden of recreatieve gebieden. Dit kan door het realiseren van een zonnepark met een totaal oppervlak van 50 ha of verdeeld in verschillende kleinere velden.
Een andere optie is het aanwijzen van meer transformatiegebieden waar in zonne-energie in z’n geheel in de plaats komt van glastuinbouw of door één van de al aangewezen transformatielocaties benutten voor duurzame energieopwekking in plaats van woningbouw. Ook kan gekozen worden voor windenergie in plaats van zonne-energie. Deze mogelijkheden zijn nu echter niet als beleid opgenomen in de Omgevingsvisie. Het is dus de vraag of ambitie om zonnevelden te realiseren binnen te herstructureren glastuinbouwgebieden haalbaar is of dat toch gezocht moeten worden naar gebieden buiten het glastuinbouwgebied.
2
Voorbeeld: Onderzoek: zonnepanelen op kas hebben geen gevolgen voor kwaliteit groente (change.inc)
73/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Voor zon buiten het glastuinbouwgebied geldt echter dat daarmee andere opgaven en ambities op het gebied van natuur (verkleinen van areaal), landschap (niet ieder landschap is geschikt voor de inpassing van zonnevelden), landbouw en wonen mogelijk worden geschaad. Anderzijds komen er steeds meer innovaties waardoor meer synergie mogelijk is. Conclusies en aanbevelingen Uit bovenstaande analyse blijkt dat het nog niet duidelijk is of binnen de te herstructeren glastuinbouwgebieden voldoende ruimte gevonden kan worden voor duurzame energie opwekking met zonne- energie. Naast glastuinbouwgebieden worden oude bedrijventerrein ook geherstructureerd en worden glastuinbouwlocaties getransformeerd naar woongebieden. Een mogelijkheid is om ook bij deze laatste gebieden zonne-energie integraal mee te nemen in de nieuwe ontwikkeling (op daken maar ook door slimme functiecombinatie, zoals zon op geluidswallen). Nieuwe bewoners kunnen bijvoorbeeld collectief via een energiecoöperatie hun eigen energie opwekken. Dit geldt ook voor bedrijven op de verschillende bedrijventerreinen. Hiermee kan de ruimtevraag beter verdeeld worden en blijft er ruimte voor het invullen van andere ambities binnen de herstructureringsgebieden.
Advies voor de Omgevingsvisie is om de opgave breder te trekken dan alleen de glastuinbouwgebieden maar dit integraal op te pakken met de herstructurering van bedrijventerreinen en het ontwikkelen van nieuwe woonlocaties. 5.2.3 Duurzame en innovatieve glastuinbouw en klimaat, natuur en ruimtelijke kwaliteit Al eerder heeft de gemeente Pijnacker-Nootdorp in samenwerking met andere gemeenten en de provincie Zuid-Holland een verkenning gedaan naar kansen binnen de glastuinbouw. In het Werkboek Oostland 3, het resultaat van deze verkenning, zijn diverse kansen voor de glastuinbouw beschreven. Het werkboek richt zich op kansen voor innovatie, verstening, bereikbaarheid, water en energie en beschrijft voor elk thema aanbevelingen. Aanvullend op deze thema’s zijn er ook mogelijkheden voor synergie met thema’s zoals natuur, klimaatadaptatie en ruimtelijke kwaliteit. Natuur De herstructurering en modernisering van Glastuinbouwgebieden bieden veel verschillende mogelijkheden om de synergie met natuur en landschap te versterken. Door zichtlijnen te behouden en in te zetten op ruime bermen behouden de glastuinbouwgebieden een open structuur. Ruime bermen en restgroenstroken bieden daarnaast de mogelijkheid om te variëren in aanplanting en de biodiversiteit in het gebied te vergroten en te versterken.
Aangezien biodiversiteit ook risico’s met zich meebrengt en er schade op kan treden aan de productiegewassen is het belangrijk dat biodiversiteit op de juiste wijze wordt toegepast. Bij een juiste toepassing van de biodiversiteit kan het de teelt juist versterken (functionele biodiversiteit) en resulteren in een verminderde afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen, een betere bestuiving en dienen als aanvullende bestrijding van verschillende plagen.
3
https://www.glastuinbouwnederland.nl/content/glastuinbouwnederland/docs/regio_s/Oostland/Werkboek_Oostland_f
ebruari_2020.pdf
74/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Daarnaast draagt meer biodiversiteit in glastuinbouwgebieden bij aan de aantrekkelijkheid van de gebieden. Door ruimte te maken voor gevarieerde natuur en nieuwe verkeersverbindingen aan te leggen of routes te verbreden wordt de aantrekkelijkheid van het gebied vergroot voor bezoekers en recreanten. Klimaatadaptatie Verschillende benoemde maatregelen die kansen bieden voor natuur en landschap dragen tevens bij aan klimaatbestendigheid van het gebied. Zo resulteren ruime bermen en groenstroken met een gevarieerde beplanting in het beter infiltreren en vasthouden van water bij hevige regenbuien. Het vasthouden van water is tegelijkertijd waardevol voor de glastuinbouw aangezien de sector kwetsbaar is voor verzilting en droogte. Het vasthouden en bergen van regenwater voor beregening zorgt ervoor dat de afhankelijkheid van oppervlaktewater afneemt. De sponswerking van de bodem kan nog beter benut worden wanneer het huidige percentage verharding waar mogelijk verkleind wordt. Naast dat deze maatregelen bijdragen aan een robuuster en klimaatbestendiger gebied voor wateroverlast en droogte, zorgt groen ook voor verkoeling tijdens warme perioden. Ruimtelijke kwaliteit De verduurzaming en herstructurering van de glastuinbouwgebieden biedt kansen om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Enerzijds de interne structuur binnen het gebied en anderzijds de uitstraling van de randen.
Groen- en waterstructuren kunnen worden toegevoegd of worden versterkt (wat tevens een meekoppelkans biedt voor natuur en klimaat). Hiermee kunnen ook de groene en landschappelijk waardevolle gebieden beter met elkaar verbonden worden. Daarnaast kunnen verdere eisen gesteld worden aan de architectuur van nieuwe bebouwing binnen het kassengebied. De schuren en ketelhuizen van kassen zijn vaak sober en functioneel. Ook de zichtbaarheid van producten door te kiezen voor transparante kassen draagt bij aan een prettige beleving van de glastuinbouwgebieden. Andere aandachtspunten zijn introduceren, herstellen of behouden van zichtlijn (waarmee een ‘opgesloten gevoel’ wordt voorkomen) en het variëren in richtingen. Kassenkavels zijn meestal rechthoekig en de wegenstructuur is geometrisch. Het is erg prettig om daar soms van af te wijken. Conclusies en aanbevelingen Geadviseerd wordt om bovenstaande aanbevelingen ook mee te nemen in de Omgevingsvisie en aanvullend op het werkboek Oostland. Vervolgens kan dit nader worden uitgewerkt in een integraal Omgevingsprogramma Glastuinbouw die in samenwerking met ondernemers en belanghebbenden wordt opgesteld. In het programma moeten opgaven rond groen, water, klimaat en landschap en duurzame energieopwekking integraal terugkomen zodat ze zoveel mogelijk in balans met elkaar, en met de economische belangen, een plek kunnen krijgen.
Dan wordt ook duidelijker of de realisatie van 50 hectare zonnepanelen haalbaar is.
75/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
6 Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk komen de belangrijkste conclusies van het PlanMER aan de orde. Allereerst worden de effecten van het nieuwe beleid op de leefomgeving beschouwd. Vervolgens wordt ingegaan op de effectiviteit van het beleid, oftewel het doelbereik, en wordt ingegaan op de mogelijkheden voor synergie en strijdigheden tussen de verschillende ambities. Per sub ambitie worden verschillende aanbevelingen gedaan voor de verdere uitvoering van het beleid.
6.1
De leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie
Referentiesituatie en invloed van de Omgevingsvisie Zoals blijkt uit dit planMER scoren veel indicatoren in de huidige toestand en de toestand bij autonome ontwikkeling, ofwel de referentiesituatie, ‘redelijk’. Voorbeelden van indicatoren zijn biodiversiteit, mobiliteit, klimaatadaptatie en bodem. Ook zijn er een aantal indicatoren die ‘slecht’ scoren zoals eenzaamheid, woningaanbod en lichtemissie. Daarnaast zijn er verschillende indicatoren die ‘goed’ scoren. Dit zijn bijvoorbeeld beweegvriendelijkheid, sociale veiligheid, werkloosheid en geluid (zie ook de overzichtstabellen in hoofdstuk 4). De Omgevingsvisie kent op de meeste thema’s nieuw beleid waarmee geprobeerd wordt de referentiesituatie te beschermen of te verbeteren. Dit zal uiteindelijk doorwerking krijgen in (Omgevings)programma’s en het Omgevingsplan. Daarmee lijkt de Omgevingsvisie zoveel mogelijk verbetering te brengen in bestaande knelpunten binnen de gemeente. Echter de ambities zijn soms hoog (zie ook paragraaf 6.2) op de verschillende thema’s. Dit kan enerzijds tot een positieve onderlinge beïnvloeding leiden. Een herstructurering van de duurzame glastuinbouw gaat bijvoorbeeld goed samen met doelstellingen op het gebied van biodiversiteit, klimaatadaptatie of landschap. Anderzijds kan beleid ook een negatieve onderlinge invloed hebben.
Meer woningbouw, en dan met name binnen de bestaande kernen, kan het woon- en leefmilieu onder druk zetten. Ook is het de vraag in hoeverre de concretisering van de energietransitie, bijvoorbeeld in zonnevelden, daadwerkelijk op de gewenste plekken kan plaatsvinden of dat ambities bijgesteld moeten worden. Het is in die zin dus een afweging tussen ambities (zie ook paragraaf 6.3) wat vraagt om nadere verkenningen. Verder wordt veel beleid nader uitgewerkt in programma’s, thematische visies of Omgevingsplannen. Daarmee is de effectiviteit van het beleid op dit moment nog niet altijd goed in te schatten. Hierbij speelt ook mee dat er nog veel afhankelijkheid is van andere partijen wat eveneens onzekerheid met zich mee brengt.
76/92
Kenmerk
6.2
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Mate waarin het beleid bijdraagt aan het behalen van de afzonderlijke ambities (doelbereik)
De mate waarin het nieuwe beleid bijdraagt aan het behalen van ambities uit de Omgevingsvisie is beoordeeld in hoofdstuk 4. Ook is geanalyseerd wat de belangrijkste belemmeringen en kansen zijn voor het behalen van de ambitie. In onderstaande tabel is per hoofdambitie aangegeven in welke mate ambities gehaald worden. De tabel laat zien dat voor verschillende ambities het beleid van de Omgevingsvisie wel een bijdrage levert aan het halen ervan, maar dat het niet zeker is of het beleid voldoende is om de ambities helemaal te halen in 2050. Dit is deels te verklaren doordat de gemeente afhankelijk is van verschillende andere partijen (zoals eigenaren en beheerders). Dit brengt onzekerheden met zich mee. Daarnaast geldt dat naarmate de ambitie verder in de toekomst ligt er verschillende factoren zijn die nu nog lastig in te schatten zijn (ontwikkelingen van vraag naar woningen, klimaatverandering, mobiliteit, et cetera). Een nadere onderbouwing van deze tabel is opgenomen in de factsheets per beleidsthema in bijlage 1.
Ontwikkellijn
Sub ambitie
Mate waarin ambities behaald worden
Onderscheidend groen
Een aantrekkelijk groen
Gezien de grote ontwikkelingen op de thema’s
landschap
energietransitie en wonen nemen de bedreigingen voor cultuurhistorie en landschap, landschappelijke verbondenheid en Archeologie toe. Tegelijkertijd streeft de gemeente naar het herstellen en versterken van cultuurhistorische waarden en heeft zij doormiddel van het Omgevingsplan een sterk sturingsmiddel in handen. De verwachting is daarom dat de ambities binnen ‘een aantrekkelijk groen landschap’ worden behaald.
Een aantrekkelijke,
Ambities met betrekking tot wonen en energietransitie
groene (openbare) ruimte
hebben een grote ruimteclaim tot gevolg. Inclusief de bevolkingsgroei en regionale aantrekkingskracht kan dat druk zetten op het aantal m2 openbare ruimte per inwoner. Anderzijds heeft de gemeente de ambitie om de omvang van groene buitengebieden te behouden, in te zetten op een hoge beeldkwaliteit van het openbaar groen, bedrijventerreinen parkachtig in te richten en de nieuwe woningbouwlocaties ruim in te richten. Ook beleid op andere thema’s zoals mobiliteit en klimaatadaptatie dragen bij aan een aantrekkelijke groene (openbare) ruimte. De verwachting is daarom dat de ambitie ‘In 2050 heeft Pijnacker-Nootdorp een aantrekkelijke groene openbare ruimte’ behaald kan worden.
77/92
Kenmerk
Ontwikkellijn
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Sub ambitie
Mate waarin ambities behaald worden
Een beweegvriendelijke
De ambitie om in te zetten op een ruime opzet en een
groene ruimte
hoge beeldkwaliteit van de openbare ruimte draagt bij aan de ambities m.b.t. bewegen. Het versterken van de bereikbaarheid vergroot de toegankelijkheid van natuur- en recreatiegebieden. Ook de inzet op duurzame vervoerstypen versterkt de beweegvriendelijkheid. Anderzijds vergroten de ambities m.b.t. verstedelijking de druk op de openbare ruimte en natuur- en recreatiegebieden, waardoor het aantal m2 openbaar groen per inwoner en de kwaliteit van groene zones onder druk kunnen komen te staan. In relatie tot de openbare ruimte heeft de gemeente veel sturingsmogelijkheden voor natuur- en recreatiegebieden. In het buitengebied is zij echter deels afhankelijk van andere eigenaren en beheerders. Het is daarom nog niet geheel zeker of de ambitie behaald wordt.
Een gezond ecosysteem
De ambities voor wonen hebben mogelijk een negatief
met een hoge
effect op biodiversiteit. Ondanks dat verstedelijking
biodiversiteit
voornamelijk plaatsvindt in verouderdere glastuinbouwgebieden en inbreiding plaatsvindt op locaties waar nu bedrijven of maatschappelijke voorzieningen zitten, neemt de druk op biodiversiteit toe door een groeiend aantal inwoners. Anderzijds draagt het vastleggen van een groene contour van het buitengebied en het beleid op thema’s, zoals klimaatadaptatie, openbare ruimte en glastuinbouw bij aan het versterken en vergroten van de biodiversiteit. De keuzes die zijn gemaakt voor het opwekken van duurzame energie zijn gunstig voor de bescherming van de weidevogelgebieden en bieden veel mogelijkheden om gecombineerd te worden met het versterken van biodiversiteit. Daarnaast heeft de herstructurering van de glastuinbouwgebieden een positief effect op de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden en resulteert mogelijk zelfs in een afname. Aangezien er ondanks de ruimteclaim en de druk op het groen veel mogelijkheden zijn voor synergie is de verwachting dat de ambitie ‘Een gezond ecosysteem met een hoge biodiversiteit’ behaald kan worden.
78/92
Kenmerk
R002-1276328MVP-V01-ssc-NL
Ontwikkellijn
Sub ambitie
Mate waarin ambities behaald worden