CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raad Besluitvorming 22 september 2022, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Ontwerpbesluit verklaring van geen bedenkingen voor realiseren sociaal cultureel centrum op locatie Emmapark 84 te Pijnacker15.007 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast kunnen auto’s niet parkeren bij het plangebied maar dient dit te gebeuren in de parkeergarages in de omgeving. Deze parkeergarages zijn wel gelegen aan hoofdinfrastructuur, waardoor de verkeersaantrekkende werking makkelijk verwerkt kan worden. Het is daarom mogelijk om een activiteit met categorie C te realiseren op deze locatie. Binnen het sociaal-cultureel centrum wordt ook horeca gerealiseerd. Er is nog geen invulling gegeven aan het type horeca daarom wordt uitgegaan van een worst-case scenario met horeca uit de hoogste categorie 5. Hieronder vallen partycentra, danscafés en feestcafé ’s met een horecavloeroppervlakte van ten hoogste 500 m 2. Hiervoor geldt categorie B, wat inhoudt dat de activiteit bouwkundig gescheiden moet zijn van woningen/gevoelige functies. Dit is met onderhavig planvoornemen het geval. Het sociaal-cultureel centrum heeft hiermee geen negatieve effecten op het woon- en leefklimaat. Conclusie Er blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu in het centrum van Pijnacker als gevolg van de komst van het sociaal-cultureel centrum.

4.7

Externe veiligheid

Inleiding Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door: • het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); • het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); • Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door bovengenoemde activiteiten. De risico’s bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd verblijft. Met het PR wordt de aan te houden afstand gecreëerd tussen de risicovolle activiteit en (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, grote kantoorgebouwen, ziekenhuizen en scholen. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder andere verspreid liggende woningen, bedrijfsgebouwen en sporthallen. Het

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR een grenswaarde is of een richtwaarde. Groepsrisico Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder andere aspecten als de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, maatschappelijke en economische belangen een rol. Regelgeving Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico.

Het verplicht de gemeente hiermee rekening te houden bij het verlenen van milieuvergunningen en bij een ruimtelijk besluit. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen nabij buisleidingen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. Het Bevt sluit aan op de begrippen en normen zoals deze in het Bevi en het Bevb worden gehanteerd. Basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt de veiligheid van het vervoer gegarandeerd. Het basisnet heeft, in het geval van Pijnacker-Nootdorp, betrekking op de snelwegen. Het basisnet is vastgelegd in onder andere de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Activiteitenbesluit milieubeheer In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. In zowel het Bevi, het Bevb als het Bevt is een verantwoordingsplicht GR opgenomen.

Deze verantwoording houdt in dat het bevoegd gezag op een juiste wijze de hoogte en de toename van het groepsrisico moet verantwoorden en moet onderbouwen. Daarbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Wat verandert er met de komst van de Omgevingswet? Aandachtsgebieden zijn een nieuw fenomeen binnen de omgevingsveiligheid. Aandachtsgebieden zijn gedefinieerd als gebieden waar mensen binnenshuis, zónder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtsgebieden laten dus zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen in nieuwe situaties te beschermen tegen de gevaren bij ongevallen met deze effecten. Het is niet nodig om maatregelen te treffen ter bescherming van personen in gebouwen en locaties die nu al (rechtmatig) binnen een aandachtsgebied van een bestaande risicobron aanwezig zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

drie soorten gevaren en daarmee tussen drie verschillende aandachtsgebieden: warmtestraling (brandaandachtsgebied), overdruk (explosieaandachtsgebied) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebied). De aandachtsgebieden zijn feitelijk effectafstanden van worst-case scenario’s. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. De bevoegdheid voor het stellen van regels binnen aandachtsgebieden ligt grotendeels bij gemeenten. In beginsel zijn gemeenten verplicht om, op basis van het Bkl, het gehele aandachtsgebied als voorschriftengebied aan te wijzen. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken, behalve bij de (huidige en toekomstige) aanwezigheid van “zeer kwetsbare gebouwen” (gebouwen bestemd voor niet zelfredzame personen). Ook bij plasbrandaandachtsgebieden welke in het kader van het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen zijn aangewezen kan niet worden afgeweken. Binnen een voorschriftengebied worden, op grond van het Bbl, extra bouwkundige maatregelen geëist bij nieuwbouw. Naast bouwkundige maatregelen zijn ook andere maatregelen, zoals omgevingsmaatregelen, mogelijk. Bouwkundige maatregelen zijn vaak de laatste stap in het bieden van bescherming aan personen in gebouwen.

Een gifwolkaandachtsgebied kan niet worden aangewezen als voorschriftengebied. Wel geldt na het inwerkingtreden van de Omgevingswet voor alle nieuwbouw dat de ventilatie centraal afschakelbaar moet zijn.

Figuur 6: Uitsnede van de risicokaart. De rode rechthoek geeft het plangebied bij benadering weer. Bron: risicokaart.nl, 2021 Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven met een PR 10-6 risicocontour die buiten de inrichting valt. Het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied van een risicovol bedrijf. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

CULTUURHUIS INRICHTINGEN Binnen invloedsgebied MPM Oil Binnen invloedsgebied propaan Binnen invloedsgebied LNG

PIJNACKER nee nee nee

Tabel - Inrichtingen Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 risicocontour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 risicocontour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10 -6 risicocontour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de A4 of de A12, wel binnen het invloedsgebied van de A13. Het plangebied ligt op ruim eer dan 200 meter. Een berekening en een (volledige) verantwoording van het groepsrisico zijn dan ook niet aan de orde. Wel moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Als op grond van het ruimtelijk plan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier het geval.

CULTUURHUIS RIJKSWEGEN Binnen invloedsgebied A4 (4000m) Afstand A4 - Deelgbied Afstand = meer dan 200m Binnen invloedsgebied A12 (880m) Afstand A12 - Deelgbied Afstand = meer dan 200m Binnen invloedsgebied A13 (4000m) Afstand A13- Deelgbied Afstand = meer dan 200m

PIJNACKER nee > 6.000 m ja nee > 3.600 m ja ja ± 3.550 m ja

Tabel - Invloedsgebieden en afstanden rijkswegen Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de rijksweg A13 niet. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht. De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto’s van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500.

Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico. Een berekening en (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt op zo’n 1.500 meter van de N470. Een berekening van de toename van het groepsrisico is daarom niet aan de orde. Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoerd is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd.

De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor route plichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruyven en ligt op ruime afstand van het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats. Buisleidingen binnen/nabij het plangebied

CULTUURHUIS BUISLEIDINGEN Aardgas - Binnen 100%? Aardgas - Binnen 1%? Aardgas - Afstand tot deelgebied CO2- Binnen 100%? CO2- Binnen 1%? CO2- Afstand tot deelgebied K2- Binnen 100%? K2 - Binnen 1%? K2 - Afstand tot deelgebied

PIJNACKER nee nee ± 750 m nee nee ± 2.100 m nee nee ± 2.100 m

Tabel - Invloedsgebieden en afstanden buisleidingen Aardgas In of nabij het plangebied liggen geen hoge druk aardgastransportleidingen. De aardgastransportleidingen vormen dan ook geen belemmering. Brandbare vloeistoffen Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Deze buisleiding ligt op ruim 2.000 meter afstand van het plangebied. De brandstofleiding vormt daarom geen belemmering.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

CO2 Er loopt een ondergrondse CO2-leiding ten zuiden van het plangebied. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico’s en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico’s en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24-08-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2-leiding (Tebodin, document-nummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (01-02-2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” De buisleiding ligt op ongeveer 2.100 meter van het plangebied en is daarom ook niet relevant. Conclusie Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Zij via e-mail/per post gereageerd (kenmerk: XXXXXXX, datum XX XXXX 2022). Hierin geeft de VRH dat ……. De VRH adviseert…… Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

4.8 Luchtkwaliteit Toetsingskader Op basis van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer dient onderzoek naar luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit (Wlk). De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • •

•

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op de Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een sociaal-cultureel centrum binnen bestaand bebouwd gebied

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

in het centrum van Pijnacker. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op 100.000 m2 kantoorruimte, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien is blijkens de kaarten van het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van het ter hoogte van het besluitgebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leef klimaat binnen het besluitgebied is gegarandeerd. Zie hiervoor de navolgende kaarten

Figuur 7: Uitsnede NSL-monitoringskaart 2020 NO2. Het plangebied is met het rode vierkant aangeduid. Bron: NSL, 2021

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Figuur 8: Uitsnede NSL-monitoringskaart 2020 PM10. Het plangebied is met het rode vierkant aangeduid. Bron: NSL, 2021

Figuur 9: Uitsnede NSL-monitoringskaart 2020 PM2,5. Het plangebied is met het rode vierkant aangeduid. Bron: NSL, 2021

Conclusie Binnen het besluitgebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

4.9 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Zuid-Holland De Provincie Zuid‐Holland heeft een ontwerpplanherzieningsbesluit genomen voor haar waterbeleid. Het Waterbeleid 2016‐2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid‐Holland 2010‐2015. Het Waterplan heeft de volgende hoofdopgaven: • • •

Waarborgen waterveiligheid Zorgen voor mooi en schoon water Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening

In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema’s en voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu‐ en maatschappelijke opgaven. Beleid waterschap Hoogheemraadschap van Delfland In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkte deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Beleid gemeente Pijnacker-Nootdorp Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het GRP vertaalt de gemeente de ambities voor de rioleringszorg naar concrete doelen, een adequate strategie en benodigde activiteiten.

In lijn met de voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater streeft de gemeente bij nieuwbouw naar een volledig gescheiden inzameling en verwerking van afval- en hemelwater, zolang de lokale situatie dit toelaat. 1. 2. 3.

Zoveel mogelijk verwerken hemelwater op eigen terrein; Hemelwater waar mogelijk terugbrengen in het watersysteem, in de bodem, óf in de riolering. Overtollig hemelwater gescheiden aanleveren van het vuilwater;

Beoordeling Uit de kaarten behorende bij de legger waterschap Hoogheemraadschap Delfland volgt dat de het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied. Het plangebied is reed bebouwd terrein in bestaand bebouwd gebied in

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

het centrum van Pijnacker. Door het realiseren van een sociaal-cultureel centrum zal de verharding naar omvang niet of licht toenemen. Op basis van het beleid van het waterschap en de gemeente is de ontwikkelaar om bij nieuw te realiseren bouwwerken het huishoudelijk c.q. het bedrijfsafvalwater en het hemelwater gescheiden aan te bieden aan het gemeentelijk riool. Uit het GRP 2018-2021 blijkt dat ter hoogte van het plangebied een gemengd stelsel ligt. Ontwikkelaar moet hemelwater zo veel mogelijk verwerken op eigen terrein en hemelwater waar nodig terugbrengen in het watersystem in de bodem. De planlocatie is gelegen in het centrum van Pijnacker en is reeds een sterk versteend gebied. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden om het water ter plaatse te infiltreren. Aan de hand van de watersleutel van hoogheemraadschap Delfland is bepaald hoeveel water extra geborgen moet worden binnen het plangebied. Het verhard oppervlak blijft met beoogde ontwikkeling hetzelfde. Hiermee dient er in totaal 22,3 m3 waterberging gerealiseerd te worden. In de verdere planuitwerking wordt hier invulling aan gegeven. De uitkomsten van de watersleutel zijn weergeven in onderstaande figuur.

Figuur 10: Uitkomsten watersleutel planvoornemen Conclusie Het aspect ‘waterhuishouding’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2.

Beoordeling Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.11 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan zal nooit direct tot een directe m.e.r.-plicht of (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht leiden. Voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan kan alleen de vormvrije m.e.r.-beoordeling tot een m.e.r.-(beoordelings)plicht leiden. De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan ontstaat als in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: • de activiteit wordt genoemd in kolom 1 • niet wordt voldaan aan de voorwaarden in kolom 2.

Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van realisatie van een sociaal-cultureel centrum in bestaand bebouwd gebied in het centrum van Pijnacker. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het realiseren van zo’n voorziening komt wel voor op de Dlijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip

1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én

leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen van een sociaal-cultureel centrum met een totale bvo van 2294 m2 op basis van het programma van eisen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Verder is categorie D11.2 van toepassing enkel in het geval dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. De beoogde ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. De locatie is gelegen in het centrum van Pijnacker. Op grond van het vigerend bestemmingsplan is de planlocatie voor het toekomstig sociaalcultureel centrum grotendeels bestemd als ‘centrum’ waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk is. De beoogde ontwikkeling betreft het transformeren van een woonbestemming in een centrum functie, waardoor het realiseren van een sociaal-cultureel centrum mogelijk is. De beoogde ontwikkeling is daarmee qua aard en omvang van de ontwikkeling niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 van categorie D11.2. Toetsing van het planvoornemen aan het Besluit m.e.r. kan achterwege blijven.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant. Conclusie Er is geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure. Ook is het niet nodig om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

5

Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De aanvraag om een omgevingsvergunning ziet op het opheffen van het strijdig planologisch gebruik. Op de onderhavige aanvraag is ex artikel 3.10 lid 1, onder a Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit houdt in dat de omgevingsvergunning overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) gedurende zes weken ter inzage zal liggen en worden toegestuurd aan overleginstanties. Tijdens deze periode wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. 5.2 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de voorgenomen ontwikkeling, alsmede alle financiële kaders waaronder mogelijke planschade, de exploitatiebijdrage en de daadwerkelijke investeringskosten van de beoogde ontwikkelingen. Op basis van deze overeenkomst wordt het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht. Het kostenverhaal zal geen belemmering vormen voor uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Bijlage 1 Voortoets stikstof

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Memo onderwerp bestemd voor ter attentie van opgesteld door gecontroleerd door

1

RO Cultuurhuis Pijnacker Gemeente Pijnacker-Nootdorp Dhr. R. Broekhuijzen Thom Busschers Marcel Volbeda

datum 26 januari 2022 referentie 215006_AdB_MEM_0001_v2.0 projectnummer 215006

Inleiding

1.1 Aanleiding De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft de wens in de kern Pijnacker een nieuw Cultuurhuis te bouwen. In opdracht van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is voor het plan op de Rabobank locatie in het centrum van Pijnacker een AERIUS-calculatie uitgevoerd (AERIUS Calculator versie 2021). Door middel van deze berekening is inzichtelijk gemaakt of het plan in de gebruiksfase zorgt voor een toename van stikstofdepositie in (nabijgelegen) Natura 2000-gebieden. Er is geen belemmering voor de planontwikkeling als er geen sprake is van stikstofdepositie boven de 0,00 mol/ha/jr. 1.2 Voorgenomen plan en planning Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een appartementengebouw met 34 huurappartementen. De gebruiksfase start niet eerder dan het jaar 2023. In figuur 1 is het plangebied weergegeven (aanduiding 1) ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats is “De Wilck” en ligt circa 12,2 km ten westen van het plangebied. Verder ligt het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ op ca. 12,5 km.

Figuur 1: Het plangebied (1) t.o.v. Natura2000 gebieden (geel en blauw)

P 1/4

2

Uitgangspunten gebruiksfase (2023)

In de gebruiksfase is sprake van stikstofemissie door de verkeersgeneratie welke ontstaat ten gevolge van het plan. De woningen worden zonder gasaansluiting gerealiseerd waardoor geen sprake is van andere significante stikstofbronnen. 2.1 Wegverkeer Voor de prognose van de verkeer aantrekkende werking is uitgegaan van de gegevens zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”. De stedelijkheidsgraad van de locatie is aan te merken als ‘weinig stedelijk’1 en het woonmilieutype is gedefinieerd als ‘schil centrum’. De beoogde ontwikkeling valt binnen de cijfers van het CROW onder de hoofdgroep sport, cultuur en ontspanning. Omdat het theater de meeste bezoekers aantrekt, worden deze cijfers gehanteerd. Omdat de ontwikkeling een Cultuurhuis betreft met meerdere functies moet op deze cijfers een marge in acht worden gehouden. voor dit gebiedstype gelden voor een theater minimale (8,6) en maximale (12,6) per 100 m 2 BVO voor verkeersgeneratie in verkeersbewegingen per etmaal. Bij de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het gemiddelde van de minimale en maximale verkeergeneratie. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt 10,6 vervoersbewegingen. Het theater biedt 200 plaatsen want in de cijfers van het CROW gelijk staat aan 600 m2 BVO. Hiermee komt de totale verkeersgeneratie op (6x10,6 ) 63,6 voertuigen per etmaal. Dit is weergeven in tabel 1.

Type

m2 BVO

Factor

Verkeersbewegingen.

Verkeersbewegingen

(Minimaal)

(Maximaal)

Theater

600

8,6-12,6

51,6

75,6

Totaal (p/dag)

600

n.v.t.

51,6

75,6

Tabel 1: Beoogde verkeersgeneratie plangebied

Uitgangspunt is dat wanneer het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld dat de stikstofeffecten niet meer zijn toe te rekenen aan het plan. Verkeer gaat op in het heersend verkeersbeeld wanneer dit qua snelheid en rijgedrag niet meer te onderscheiden is van het overige verkeer. Voor bezoekers is het mogelijk om te parkeren in parkeergarage Ackershof of bij het theater. Echter zal de parkeergelegenheid bij het theater niet voldoende zijn. Aangenomen is dat verkeer vanaf de oprit van de Oostlaan en Westlaan is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Het verkeer bereikt het plangebied vanaf de Oost- en Westlaan, via de Kerkweg en Emmastraat naar Emmapark. De lengte van de rijlijn van zowel de heen- en terugweg in oostelijke richting naar de Oostlaan bedraagt 300 meter. De lengte van de rijlijn van zowel de heen- en terugweg in westelijke richting bedraagt 250 meter. Er wordt een worst-case scenario aangehouden waarbij wordt inschat dat 100% van de bezoekers in westelijke richting rijdt en 100% van de bezoekers in oostelijke richting. Wanneer uit deze berekening komt dat de totale stikstofemissie 0,00 mol/ha/j, kan uitstoot op de natura2000 gebieden in de omgeving worden uitgesloten.

1 Bepaald op basis van CBS-cijfers; StatLine Gebieden in Nederland 2019.

datum referentie

26 januari 2022 215006_AdB_MEM_0001_v2.0

P 2/4

Naast licht verkeer zal ook sprake zijn van middelzwaar en zwaar verkeer. Bij de woningen hangt dit samen met bijvoorbeeld pakketbezorging en de ophaaldienst voor afval. Als uitgangspunt is genomen dat 3% van het lichtverkeer uit middelzwaar verkeer bestaat en 2% uit zwaar verkeer. Voor de samenstelling van het wagenpark is uitgegaan van het gemiddelde wagenpark in Nederland. De gehanteerde emissiefactoren behoren bij de categorie 'normaal stadsverkeer'2. In de berekeningen is ervan uitgegaan dat in het jaar 2022 het gehele plan is gerealiseerd en de gebouwen in 2023 in gebruik worden genomen. In tabel 3.2 is de stikstofemissie weergegeven die ontstaat met het verkeer samengevat. Verkeers-

Emissie- Emissie-

generatie

Afstand

factor

factor

NOx

(retour)

Aantal

per

Afstand

NH3

NOx

Omschrijving

[/etmaal]

per jaar

rit [m]

[km/jaar] [g/km]

[g/km]

[kg/j] [kg/j]

Licht verkeer

60,42

22.053,30 300

6615,99

0,255

0,0177

1,747

0,124

1,908

696,42

300

3,674

0,0514

0,828

0,010

Zwaar verkeer

1,272

464,28

300

139,284

5,264

0,0741

0,765

0,010

Licht verkeer

60,42

22.053,30 250

5.513,33

0,255

0,0177

1,456

0,103

1,908

696,42

250

3,674

0,0514

0,690

0,008

Zwaar verkeer

1,272

464,28

250

116,07

5,264

0,0741

0,637

0,008

Totaal

127,2

46.428

n.v.t.

12.767,71

n.v.t

n.v.t

6,123

0,265

Middelzwaar verkeer

Middelzwaar verkeer

208,93

174,11

NH3

De aantallen zijn ingevoerd in de AERIUS Calculator, uitgaande van de eerder onderbouwde locaties waar het verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld.

3

Resultaten berekening

De hiervoor beschreven emissies van de gebruiksfase is ingevoerd in de AERIUS calculator (versie 2021). In de gebruiksfase leidt de emissie tot een stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en het berekeningsresultaat van AERIUS voor de gebruiksfase is opgenomen in bijlage 1. In de gebruiksfase bedraagt de toegestane stikstofdepositie maximaal 0,00 mol/ha/jaar. Gesteld kan worden dat de stikstofdepositie geen belemmering oplevert voor de planontwikkeling.

Bijlagen: Bijlage 1: Gebruiksfase: Invoer en resultaat AERIUS calculator

2 Document ‘Emissiefactoren voor snelwegen en niet-snelwegen’ van 12 maart 2020, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

datum referentie

26 januari 2022 215006_AdB_MEM_0001_v2.0

P 3/4

Bijlage 1 Gebruiksfase: Invoer en resultaat AERIUS calculator

datum referentie

26 januari 2022 215006_AdB_MEM_0001_v2.0

P 4/4

Projectberekening

Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron

Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

-, --

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RiziDL1LzTFT 26 januari 2022, 14:08 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar 2023

Situatie 1 - Beoogd

Resultaten

Emissie NH3 < 0,1 ton/j

Hoogste depositie Hexagon Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j

RiziDL1LzTFT (26 januari 2022)

Emissie NOx < 0,1 ton/j Gebied

2/6

Projectberekening

Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen  Verkeersnetwerk

RiziDL1LzTFT (26 januari 2022)

Emissie NH3 < 0,1 ton/j

Emissie NOx < 0,1 ton/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn

Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RiziDL1LzTFT (26 januari 2022)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal

RiziDL1LzTFT (26 januari 2022)

Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)

0,00

0,00

0,00

0,00

Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)

0,00

0,00

5/6

Projectberekening

Situatie 1, Rekenjaar 2023 Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021_20220120_17ff380b1e Database versie 2021_17ff380b1e Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

RiziDL1LzTFT (26 januari 2022)

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11750747/1