CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raad Besluitvorming 22 september 2022, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Ontwerpbesluit verklaring van geen bedenkingen voor realiseren sociaal cultureel centrum op locatie Emmapark 84 te Pijnacker15.007 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RO sociaal-cultureel centrum Pijnacker

datum projectnummer

21 maart 2022 215006

Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 www.avecodebondt.nl

Ruimtelijke onderbouwing sociaal-cultureel centrum Pijnacker datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan

5 5 5 6

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Planbeschrijving Inleiding Bestaande situatie Beoogde situatie Verkeer en parkeren

9 9 9 9 10

3 3.1 3.2 3.3

Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

12 12 14 17

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Planologische milieuaspecten Inleiding Bodem Archeologie en Cultuurhistorie Ecologie Akoestiek Bedrijf en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Waterhuishouding Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

20 20 20 21 22 24 25 26 31 34 36 36

5 5.1 5.2

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid

38 38 38

Bijlage 1 Voortoets stikstof

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

39

1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft de wens in de kern Pijnacker een nieuw sociaal-cultureel centrum te bouwen. Daarvoor is de locatie van de voormalige Rabobank aan het Raadhuisplein in beeld gekomen, zie onderstaande figuur 1. Het centrum moet een publieke plek worden waar uitwisseling plaatsvindt tussen verschillende creatieve en culturele organisaties en inwoners van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Daarnaast heeft het een belangrijke functie in het sociale domein, zoals ouderen- en jongerenwerk en het samenbrengen en ondersteunen van verschillende bevolkingsgroepen. De beoogde ontwikkeling betreft een sociaal-cultureel centrum. Deze ruimtelijke onderbouwing behandeld de gehele ontwikkeling van het centrum, echter het besluitgebied betreft enkel een deel van de aangrenzende gronden waarbinnen de bestemming ‘Wonen’ geldt. Het gebied waar het sociaal-cultureel centrum wordt gerealiseerd is in figuur 1 aangegeven in blauw en rood. Het besluitgebied betreft enkel het rode gebied, omdat hier de bestemming wonen op ligt. Binnen het blauwe deel is het sociaal-cultureel centrum volledig realiseerbaar binnen de geldende regeling van het bestemmingsplan. Voor dit deel hoeft geen nadere planologische procedure voor doorlopen te worden. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt in het centrum, ten zuiden van winkelcentrum Ackershof.

Het gebied wordt ten noorden ingesloten door ‘Emmapark’ en ten zuiden door de Stationsstraat. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Pijnacker, sectie C, percelen 6130,6131,6132,6133.

Figuur 1: situering plangebied. Bron: ruimtelijkplannen.nl

1.3 Vigerend bestemmingsplan Toetsingskader In het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Pijnacker 2018’ heeft dit adres de enkelbestemming ‘Centrum’ en op een groot gedeelte van het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Het vigerende bestemmingsplan maakt de beoogde ontwikkeling niet mogelijk en daardoor is het noodzakelijk om een nieuw juridisch-planologische regeling op te stellen.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Figuur 2: Vigerend bestemmingsplan. Bron: ruimtelijkeplannen.nl

Beoordeling Een sociaal-cultureel centrum past niet (geheel) binnen de – op zichzelf ruime – mogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan biedt, omdat het zich uitstrekt over de plek waar enkele grondgebonden woningen waren gedacht. De huidige bestemming van de gronden binnen het plangebied is ‘Wonen’. Het is hierbinnen niet mogelijk om een sociaal-cultureel centrum te realiseren. Ter plaatse van het plangebied is ook een dubbelbestemming opgenomen. De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemt voor bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. Voor bouwwerken die de grond dieper dan 0,3 meter beroeren over een oppervlakte groter dan 200 m2, dient nader archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Om zo spoedig mogelijk te kunnen komen tot een omgevingsvergunning en realisatie van het sociaal-cultureel centrum bestaat de wens de raad voor te stellen een ‘verklaring van geen bedenkingen’ af te geven waarmee met een ‘zware ontheffing’ een omgevingsvergunning kan worden verleend. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende planvoornemen niet direct mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan.

Door middel van onderhavige ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning wordt de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief aangetoond. 1.1 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten (zoals bodem, water, flora en fauna en milieuzonering) aan de orde. In

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

2

Planbeschrijving

2.1 Inleiding Voor het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het besluitgebied goed in beeld wordt gebracht. Het besluitgebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het besluitgebied beschreven. 2.2 Bestaande situatie De locatie ligt midden in het centrum en zichtbaar op de lange lijn van de Julianastraat die het centrum verbindt met de zuidelijke woonwijken. Het plangebied maakt momenteel deel uit van het Rabobank gebouw. Dit hele gebouw zal meegenomen worden in de beoogde ontwikkeling. Ten noorden en zuiden van het plangebied betreft het vooral ‘centrum’ en ‘gemengde’ functies.

Figuur 3: Luchtfoto situering plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl

2.3 Beoogde situatie De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een sociaal-cultureel centrum in het centrum Pijnacker. Het wordt een centrum dat een publieke plek moet worden waar uitwisseling plaatsvindt tussen verschillende creatieve en culturele organisaties en inwoners van de kern Pijnacker. Daarnaast heeft het een belangrijke functie in het sociale domein, zoals ouderen en jongerenwerk en het samenbrengen en ondersteunen van verschillende bevolkingsgroepen. In het sociaal-cultureel centrum is ruimte voor allerlei maatschappelijke, sociale en culturele functies zoals de bibliotheek, horeca, cursusruimtes, repetitieruimtes en het theater. In het programma van eisen worden alle functies van de ontwikkeling omschreven wat uitkomt op een totale oppervlakte van 2294 m2. Waarbij het

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

merendeel van de functies op de begane grond wordt gesitueerd. Figuur 4 betreft een massastudie van de ontwikkeling. Het planvoornemen moet nog architectonisch uitgewerkt worden zodat er goede aansluiting is op zowel het Raadhuisplein als de Stationsstraat. Daarnaast zullen de laatste eisen met betrekking tot duurzaamheid worden toegepast binnen het plangebied. Hierbij is aandacht voor natuurinclusieve- en klimaatadaptieve maatregelen. Dit is onderdeel van het ontwerpproces van het bouwplan en worden daar verder uitgewerkt.

Figuur 4: Massastudie planvoornemen 2.4 Verkeer en parkeren 2.4.1 Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een ruimtelijk plan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Beoordeling De gemeente Pijnacker heeft in februari de nieuwe nota parkeernormen vastgesteld, welke binnenkort wordt vastgelegd in een parapluplan. Voor deze ruimtelijke onderbouwing worden de nieuwe normen gebruikt. Het doel van de nota Parkeernormen 2021 is te zorgen dat bij nieuwbouw, inbreiding, uitbreiding of functiewijzigingen van een gebouw of terrein voldoende parkeerruimte op eigen terrein aanwezig is voor de eigen parkeerbehoefte en daarmee parkeeroverlast in de openbare ruimte te voorkomen.

Door de gemeente Pijnacker wordt in het ‘Nota parkeernormen’ (2021) aangesloten bij de parkeernormen zoals die zijn gesteld in de op dat moment geldende publicatie van het CROW. De ‘Nota parkeernormen’ is gebruikt om het parkeerbeleid te bepalen.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Bij een nieuwe functie dient de parkeerbehoefte te worden berekend en dienen de berekende plaatsen door de ontwikkelde partij te worden gerealiseerd. De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de norm uit tabel 3 uit de nota parkeernormen. Hierbinnen wordt gekeken naar de parkeernormen van het theater. Het theater voorziet in 200 zitplaatsen wat volgens de parkeernormen een oppervlakte van 600 m2 BVO inhoudt. Voor een theater geldt 9,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De parkeerbehoefte is daarmee 59 parkeerplaatsen. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de andere functies binnen het sociaal-cultureel centrum, waardoor er een ruimere marge op de parkeerplaatsen in acht moet worden genomen. Het parkeren wordt volledig opgevangen in de parkeergarage Ackershof. De parkeergarage Ackershof bevindt zich binnen 250 meter tot het sociaal-cultureel centrum en daarmee binnen acceptabele loopafstand. De parkeergarages van Ackershof 1+2 tellen in totaal 289+222=511 parkeerplaatsen. Vanuit de telling is de maximale bezetting op de zaterdag 254+93=347 parkeerplaatsen. Bij 100% vol zou er een restruimte zijn van 164 parkeerplaatsen. Hier zijn dus genoeg parkeerplekken voor het sociaal-cultureel centrum met een theater. Wanneer er een ruimere marge in acht wordt genomen is er nog steeds voldoende plek om te parkeren in de omliggende parkeergarages.

Conclusie Het sociaal-cultureel centrum kan gebruik maken van parkeerplaatsen in de openbare ruimte binnen een straal van 250 meter waar meer dan voldoende ruimte is om te parkeren. Het aspect parkeren vormt hiermee geen belemmering. 2.4.2 Verkeer Bij het bepalen van de verkeersgeneratie die het planvoornemen met zich meebrengt dienen de kengetallen uit de ASVV 2012 van het CROW te worden geraadpleegd. De cijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad. Deze is voor Pijnacker-Nootdorp ‘weinig stedelijk ‘, op basis van de demografische kerncijfers per gemeente (2020) van het CBS. Het besluitgebied is voorts te typeren als 'rest bebouwde kom’. De beoogde ontwikkeling valt binnen de cijfers van het CROW onder de hoofdgroep sport, cultuur en ontspanning. Omdat het theater de meeste bezoekers aantrekt, worden deze cijfers gehanteerd. Omdat de ontwikkeling een sociaalcultureel centrum betreft met meerdere functies moet op deze cijfers een marge in acht worden gehouden. voor dit gebiedstype gelden voor een theater minimale (8,3) en maximale (11,3) per 100 m2 BVO voor verkeersgeneratie in verkeersbewegingen per etmaal. Bij de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het gemiddelde van de minimale en maximale verkeergeneratie. De gemiddelde verkeersgeneratie bedraagt 9,8 vervoersbewegingen.

Het theater biedt 200 plaatsen want in de cijfers van het CROW gelijk staat aan 600 m 2 BVO. Hiermee komt de totale verkeersgeneratie op (6x 9,8 ) 58,8 voertuigen per etmaal. Beoordeling Vanuit de parkeergarage ,waar de auto’s parkeren, wordt via Spaerwoude en de Europaweg de ontsluitingswegen Oostlaan en Westlaan makkelijk bereikt. De Westlaan en de Oostlaan, via de Vlielandseweg/Klapwijkseweg, vormen de hoofdontsluiting om het centrum van Pijnacker te verlaten. De capaciteit van de Oostlaan en Westlaan is voldoende om het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling te kunnen verwerken. Conclusie Het verkeer levert geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

3

Beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld op grond van de geldende regelgeving. NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op het moment dat die wet in gaat. Tot die tijd geldt de NOVI als structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in gaat, zal de NOVI gelden als instrument, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave.

Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Beoordeling Voor de gebiedsgerichte uitvoering van de NOVI worden Omgevingsagenda's opgesteld voor de vijf landsdelen Noord (Groningen, Friesland, Drenthe), Oost (Gelderland, Overijssel), Zuid (Brabant, Limburg), Zuidwest (Zeeland, Zuid-Holland) en Noordwest (Noord-Holland, Flevoland, Utrecht). Daarnaast zijn er NOVI-gebieden aangewezen. In landsdeel Zuidwest liggen NOVI-gebieden Haven Rotterdam, Groene Hart en North Sea Port District. De Omgevingsagenda’s brengen per landsdeel in beeld wat de gedeelde opgaven zijn voor verdere ontwikkeling van een economisch duurzame, aantrekkelijke en veilige leefomgeving. De Omgevingsagenda heeft zich voor het landsdeel zuidwest, waaronder het plangebied valt, in deze fase gericht op het in beeld brengen van de gebiedsgerichte en grensoverschrijdende opgaven voor Zeeland. Voor het plangebied worden er in de omgevingsagenda's geen specifieke eisen gesteld. Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over kleinschalige ontwikkelingen, zoals onderhavige. Het onderhavige plan raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. Daarnaast valt het plangebied ook niet binnen één van de NOVI-gebieden. Derhalve wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de uitgangspunten zoals verwoord in NOVI.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Om het beoogde plan te toetsen kan op rijksniveau enkel worden gekeken naar de prioriteiten en afwegingsprincipes opgenomen in NOVI. De beoogde ontwikkeling heeft een duurzaam karakter. Niet alleen bij de woningen, maar ook bij de inrichting van de openbare ruimte dient het materiaalgebruik zoveel mogelijk duurzaam te zijn. Daarnaast zorgt de beoogde ontwikkeling dat regio's sterker en leefbaarder worden door het bouwen van nieuwe woningen. Dit komt ten goede van de gezondheid van steden en de ontwikkeling van het landelijk gebied. Hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling aan 2 relevante prioriteiten gesteld in NOVI. Doordat het landelijk karakter behouden blijft en het plan wordt ingepast in het gebied wordt ook rekening gehouden met het afwegingsprincipe 'Kenmerken en identiteit van een gebied behouden'. Het kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van NOVI. Conclusie Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Ladder van duurzame verstedelijking Toetsingskader In het artikel 3.1.6., tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.

Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat er nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. b. c. d. e.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Voorziet het onderhavige besluit in stedelijke ontwikkeling? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het sociaalcultureel centrum kan worden gezien als een accommodatie voor cultuur, leisure en recreatie en deze functies worden in de jurisprudentie aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig waren. De huidige bebouwing, het Rabobank gebouw, wordt gesloopt. Dit is inclusief het tot wonen bestemde deel.

Daar bestaande bebouwing grotendeels wordt vervangen binnen de geldende kaders van bestemmingsplan is er geen sprake van

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

een toenemend ruimtebeslag. Dit geldt ook voor het tot wonen bestemde deel van het oude Rabobank gebouw. Immers ook op deze gronden mag bebouwing worden opgericht. Doordat er geen toename is van het ruimtebeslag is de laddertoets succesvol doorlopen daar het voornemen niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. De laddertoets vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Toetsingskader De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.

Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. Bij de Omgevingsvisie horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: •

•

•

Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Zuid-Holland. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen. Hierin beschrijft de provincie welke kwaliteiten in welke gebieden worden nagestreefd. De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Toetsing De beoogde ontwikkeling voldoet aan het provinciale beleid ten aanzien van het zo efficiënt mogelijk benutten van de bebouwde ruimte. De bouw van het sociaal-cultureel centrum vindt plaats in bestaand bebouwd gebied

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

waardoor het ruimtebeslag in het centrum van Pijnacker niet toeneemt. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onderhavig planvoornemen ligt binnen de omgevingsvisie Zuid-Holland binnen een middelgroot centrum. Het generieke beeld in het functioneren van de verschillende type centra is doorvertaald in een ontwikkelingsperspectief voor de provinciale detailhandelsstructuur. Deze bestaat uit drie categorieën: ‘te versterken centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’, waarbij het centrum van Pijnacker valt onder ‘te optimaliseren centra’. Hiervoor geldt dat •

•

•

De omvang van het winkelareaal in deze centra is de afgelopen jaren over het algemeen te veel in omvang toegenomen in relatie tot hun verzorgingsfunctie maar missen een kritische massa die juist de grotere steden aantrekkelijk maken voor aankoop van niet dagelijkse artikelen. Internet is een belangrijk aankoopkanaal voor vooral niet-dagelijkse goederen en deze branches zijn veelal vertegenwoordigt in deze centra. publieksfuncties zoals horeca en leisure zijn over het algemeen wat minder sterk vertegenwoordigd. Het gevolg is dat deze centra een minder grote koopkrachttoevloeiing realiseren en dat de bestedingen per m2 op een lager niveau liggen. Toevoeging van andere publieksfuncties, zowel maatschappelijk als commercieel van aard, kan de aantrekkelijkheid van deze centra verhogen. Het gaat hierbij om een maatwerkopgave per centrum.

De beoogde ontwikkeling zorgt dat leegstand voorkomen wordt. Door de locatie van de voormalige Rabobank locatie te herbestemmen en er een sociaal-cultureel centrum te realiseren ontstaat er een levendig stukje centrum. Daarnaast wordt hiermee de mogelijkheid voor detailhandel weggenomen en worden er publieksfuncties toegevoegd die een bredere verzorgingsfunctie hebben. Met de beoogde ontwikkeling blijft de kleinschaligheid en de dorpse identiteit van het centrum behouden. Het sociaal-cultureel centrum brengt allerlei publieksfuncties samen onder één dak waardoor de onderlinge samenhang van het gehele centrum van Pijnacker verbetert. Conclusie Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten gesteld in de omgevingsvisie Zuid-Holland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. 2. 3.

bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid.

Volgens artikel 6.9 van de omgevingsverordening Zuid-Holland behoort een bestemmingsplan te voldoen aan de volgende eisen: 1.

2.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

3.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft een ruimtelijke ontwikkeling binnen het 'aanpassen' gebiedsprofiel. Het past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Ontwikkelingen zijn enkel mogelijk wanneer deze bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en structuur van de omgeving of dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door een zorgvuldige inbedding in de omgeving. Het is van belang dat de ontwikkeling aansluit op de bestaande kwaliteiten van het gebied en dus past binnen de huidige gebiedsidentiteit. Kenmerken en kwaliteiten gebied In het centrum van Pijnacker zijn vanwege de centrale ligging in het dorp diverse centrumvoorzieningen aanwezig. Naast winkels en horeca zijn er veel andere functies in het gebied aanwezig, van scholen tot bedrijven en van woningen tot kantoren. De bebouwing is divers en afwisselend, evenals de inrichting van de openbare ruimte. Pijnacker centrum ligt centraal in de kern Pijnacker, op de grens van het oude vooroorlogse dorp en de wijk ‘Noord’ uit de jaren zestig. De Randstadraillijn en de Nootdorpseweg zorgen voor een duidelijke begrenzing aan respectievelijk de oost‐ en de westzijde. De grens met het oude dorp en Noord daarentegen is veel minder eenduidig. De Oostlaan/Westlaan is één van de twee historische linten naast de Kerkweg / Noordweg waarlangs het centrum is ontstaan, maar die het huidige centrum vooral doorsnijden.

Dit geldt in mindere mate voor de Stationsstraat. Pijnacker centrum heeft weliswaar een formele juridische begrenzing, maar is als samenhangend gebied buiten, niet als zodanig herkenbaar. Daarvoor is het gebied te uitgestrekt en ontbreekt het, behalve met de Randstadraillijn, aan een duidelijke inkadering. Door de vele doorsnijdingen en afwisseling van bebouwde en onbebouwde delen is het gebied gefragmenteerd. Dit wordt op sommige plekken versterkt doordat de inrichting van de openbare ruimte per straat en verblijfsruimte verschilt. De inrichting is vaak van hoge kwaliteit en de straten en pleinen hebben hierdoor een duidelijk eigen gezicht, maar de samenhang ontbreekt. Ook de aangrenzende bebouwing is vaak karakteristiek en gevarieerd. In het hele gebied komt bebouwing voor met afwisselende gevelwanden, vooroorlogse rijenwoningen, vrijstaande grotere bebouwing en nieuwe winkelpanden. Het gebied is versnipperd in kleinere herkenbare delen, door nieuwbouw in en rond het centrum. Toch heeft het centrum veel mooie oudere en karakteristieke bebouwing, al is die door de mix van stijlen niet altijd even herkenbaar meer. Kenmerkend is de grote functiemenging en de mix van oude en nieuwe en soms beeldbepalende panden. Het nieuwe centrumgebied wordt gekenmerkt door geclusterde of in een enkel geval vrijstaande bebouwing van winkels, kantoren en woningen.

Over het algemeen bestaat de bebouwing uit gevarieerde oudere bebouwing, vaak pandsgewijs, van ongeveer twee lagen met kap, afgewisseld met nieuwere panden van drie tot soms vier lagen hoog. Het winkelcentrum met Ackershof 1 en 2 vormt hierop een uitzondering. Door zijn voornamelijk afwijkende en grootschalige massaopbouw, in combinatie met de uniforme inrichting van de openbare ruimte, is het duidelijk herkenbaar als zelfstandige stedenbouwkundige structuur. De beoogde ontwikkeling sluit hier op aan. Met de herontwikkeling van het oude Rabobank gebouw tot sociaal-cultureel centrum wordt grootschalige massaopbouw toegevoegd aan het centrum. De ontwikkeling sluit hiermee aan bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van het centrum. Om de aanwezige dorpsachtige kenmerken te behouden en te versterken geldt voor Pijnacker centrum een bijzonder welstandsregime. Daarnaast is in de regels een stelsel opgenomen dat beoogt de monumentale waarde

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

van bepaalde gebouwen te behouden. Pijnacker‐Centrum is het winkelcentrum van Pijnacker. De winkels zijn in Pijnacker over een relatief groot gebied verspreid. Daarbij komt ook dat de horeca versnipperd is, waardoor er zelden veel bezoekers op één en dezelfde plek aanwezig zijn. Dit wordt versterkt doordat goede publiekstrekkers zoals de metrohalte en diverse supermarkten aan de rand of zelfs (net) buiten het centrum liggen. Daarnaast zijn er behalve winkels en horecagelegenheden veel andere functies in het gebied aanwezig die een belangrijke economische functie hebben, maar weinig tot geen publiek trekken, zoals kantoren en bedrijven. De woningen geven het gebied enerzijds zijn kleinschalige en dorpse karakter, maar bewoners kunnen anderzijds ook hinder ervaren van wat er in het centrum gebeurt, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid en parkeren. De diverse functies versterken elkaar veelal niet en kunnen ook niet makkelijk uitgewisseld worden. Tevens wordt de aanwezige kwaliteit van de openbare ruimte niet altijd ten volle benut door de aangrenzende functies en voorzieningen. In feite zijn alle centrumfuncties en –voorzieningen aanwezig, alleen zitten ze niet altijd op de juiste of meest logische plekken in aansluiting op bijvoorbeeld de openbare ruimte of in synergie met elkaar.

Het beleid van de gemeente is erop gericht daar verandering in de brengen en het bestemmingsplan is daarvoor het (juridische) instrument. De kwaliteitskaart laat zien dat de planlocatie niet ligt in een beschermd gebied. De ondergrond bestaat grotendeels uit jonge zeeklei en het gebied valt binnen de stedelijke occupatielaag in de categorie ‘steden en dorpen. De beoogde ontwikkeling kan worden gedefinieerd als een 'aanpassing' gebiedsprofiel. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet zoals bij de realisatie van een beperkt aantal nieuwe woningen. Aanpassing is sterk gericht op het vergroten van de gebruikswaarde van een gebied. Eén van de instrumenten die de provincie hanteert voor een goede ruimtelijke ordening is de ladder voor duurzame verstedelijking, deze is succesvol doorlopen voor zover dat noodzakelijk was. Hiermee is voldoende aangetoond dat het toekomstige sociaal-cultureel centrum in positieve zin bijdraagt en zorgt van een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De beoogde ontwikkeling zorgt dat leegstand voorkomen wordt. Door de locatie van de voormalige Rabobank locatie te herbestemmen en er een sociaal-cultureel centrum te realiseren ontstaat er een levendig stukje centrum.

Daarnaast wordt hiermee de mogelijkheid voor detailhandel weggenomen en worden er publieksfuncties toegevoegd die een bredere verzorgingsfunctie hebben. Deze maatschappelijke functies zijn onder vertegenwoordigd in het centrum van Pijnacker waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. Met de beoogde ontwikkeling blijft de kleinschaligheid en de dorpse identiteit van het centrum behouden. Het sociaal-cultureel centrum brengt allerlei publieksfuncties samen onder 1 dak waardoor de onderlinge samenhang van het gehele centrum van Pijnacker verbetert. Ook zullen tijdens het ontwerpproces de laatste eisen op het gebied van duurzaamheid worden gehanteerd en zullen er natuurinclusieve- en klimaatadaptieve maatregelen worden genomen. Hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling aan de omgevingsverordening van Zuid-Holland. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten gesteld in de omgevingsverordening Zuid-Holland. 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Pijnacker Nootdorp Toetsingskader Wanneer de nieuwe Omgevingswet in werking treedt, wordt het opstellen van een gemeentelijke Omgevingsvisie verplicht gesteld. In de Omgevingsvisie worden de ambities en uitgangspunten van de gemeente PijnackerNootdorp beschreven voor de fysieke leefomgeving.

Met de Omgevingsvisie biedt de gemeente perspectief op de lange termijn (tot 2050) en loopt hiermee vooruit op de invoering van de Omgevingswet. Het ontwerp van de Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen alle elementen van de fysieke leefomgeving die je ruikt, ziet, voelt en hoort wanneer je je door de gemeente beweegt. Door ontwikkelingen in de gemeente af te wegen tegen het gewenste toekomstbeeld ontstaat een integrale visie en samenhangende leefomgeving. Hierop zijn 4 ontwikkelingslijnen ontworpen die beschrijven welke elementen de gemeente koestert en wat er toegevoegd moet worden. Deze ontwikkelingslijnen zijn:

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

• • • •

Het behouden van de kwaliteit en kwantiteit van de groengebieden De woningbouwopgave en het behouden van de karakteristieke woonomgeving Het toekomstbestendig houden van de bedrijvigheid (waaronder de glastuinbouw) en De benodigde verduurzaming van de leefomgeving inclusief de energietransitie

Beoordeling De beoogde ontwikkeling past binnen de ontwikkellijn ‘Een karakteristieke woon- en leefomgeving’. Hoewel de focus hier vooral ligt op het versterken van de woonvoorraad wordt er ook aandacht besteed aan sociale inclusiviteit. Hierbinnen vallen indicatoren ‘afstand tot voorzieningen’ en ‘eenzaamheid’. Met de beoogde ontwikkeling wordt er een ontmoetingsplek in het centrum van Pijnacker gerealiseerd. Het voorziet in een plek waar meerdere voorzieningen samen worden gebracht en waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Het versterkt de sociale inclusiviteit in Pijnacker. De ontwikkeling dient bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het centrum van Pijnacker waarbij de karakteristieke woonomgeving behouden blijft. Pijnacker centrum ligt centraal in de kern Pijnacker, op de grens van het oude vooroorlogse dorp en de wijk ‘Noord’ uit de jaren zestig. Pijnacker centrum heeft weliswaar een formele juridische begrenzing, maar is als samenhangend gebied buiten, niet als zodanig herkenbaar. Daarvoor is het gebied te uitgestrekt en ontbreekt het, behalve met de Randstadraillijn, aan een duidelijke inkadering. Het nieuwe winkelcentrum met Ackershof 1 en 2 vormt hierop een uitzondering. Hierbinnen valt ook het plangebied.

Door zijn voornamelijk afwijkende en grootschalige massaopbouw, in combinatie met de uniforme inrichting van de openbare ruimte, is het duidelijk herkenbaar als zelfstandige stedenbouwkundige structuur. Het woongebied rond het Emmapark heeft een groen karakter. Naast de voortuinen zijn in de stedenbouwkundige structuur vaak groenelementen als parkjes opgenomen. De overgang van de openbare ruimte naar het privégebied is vaak zorgvuldig vormgegeven. In Pijnacker is deze bebouwing weinig voorkomend, maar wel karakteristiek. Om de aanwezige dorpsachtige kenmerken te behouden en te versterken geldt voor Pijnacker centrum een bijzonder welstandsregime. De beoogde ontwikkeling wordt ingepast binnen deze zelfde grootschalige massaopbouw. Om de karakteristieke woon- en leefomgeving te versterken gaat de gemeente uit van 5 ambities: 1.

Een herkenbare woonomgeving

2.

Een hechte gemeenschap

3.

Een goede lokale en regionale bereikbaarheid

4.

Een evenwichtige woningvoorraad

5.

Een gezonde en veilige leefomgeving

Door gebruik te maken van de locatie van het voormalige Rabobank gebouw is de locatie voor veel inwoners welbekend en goed te vinden. De locatie in het centrum zorgt voor een goede lokale en regionale bereikbaarheid met de fiets, het ov en met de auto. Doordat meerder maatschappelijke functies onder 1 dak worden samengebracht, draagt de ontwikkeling bij aan een hechte gemeenschap. Het sociaal-cultureel centrum moet een plek worden waar inwoners van Pijnacker kunnen samenkomen en elkaar kunnen ontmoeten. De 4e ontwikkelingslijn heeft betrekking op de benodigde verduurzaming van de leefomgeving. Hierin zijn drie ambities geformuleerd: 1. 2. 3.

Een duurzame gemeente Een klimaatbestendige gemeente Een goede omgevingskwaliteit

Tijdens het ontwerpproces wordt invulling gegeven aan deze duurzaamheidsambities. In 2050 wil PijnackerNootdorp enkel gebruik maken van duurzame energie en kunnen de gevolgen van klimaatverandering goed worden opgevangen. De bouwkundige invulling en de manier waarop deze maatregelen worden toegepast moet in een

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

later stadium worden uitgewerkt. Wel zal er met de laatste duurzaamheidseisen worden gewerkt en worden er natuurinclusieve- en klimaatadaptieve maatregelen toegepast. Verder is de beoogde ontwikkeling niet in strijd met andere ontwikkellijnen en indicatoren. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

4

Planologische milieuaspecten

4.1 Inleiding Volgens artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit, zoals het verlenen van een omgevingsvergunning, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de uitkomsten van dit onderzoek worden neergelegd in een toelichting bij dit besluit. Ten behoeve van onderhavig project heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal planologische- en milieuaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • •

bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; ecologie; akoestiek; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; kabels en leidingen; luchtkwaliteit; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bodem Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek.

De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725 blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreinigingen er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning mogelijk ook een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Hiernaast geldt

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

dat de gemeente bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt Beoordeling In opdracht van de ABB Ontwikkeling B.V. heeft RB GEO BV een verkennend milieuhygiënisch bodemonderzoek NEN5740 incl. asbest NEN5707 uitgevoerd aan het Ackershof te Pijnacker. De veldwerkzaamheden zijn verricht op 17 februari 2021. De onderzoekslocatie is gelegen aan het Emmapark 76 en 84-86 te Pijnacker. De oppervlakte bedraagt ca. 1744 m2. De onderzoekslocatie bestaat uit zeven kadastrale percelen met gemeente aanduiding Pijnacker, sectie C, percelen 10514,7881,6130,6131,6132,6133. Uit de analyseresultaten kan het volgende worden afgeleid: • • • • • •

Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de actuele contactzone en de ondergrond van de onderzoeklocatie zijn zintuigelijk ook geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tijdens het veldwerk zijn in de zandige bovengrond geen bijmengingen van antropogene delen aangetroffen. In de kleiige ondergrond zijn bijmengingen van puin en kolengruis aangetroffen. In de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink PAK en plaatselijk PCB aangetoond. In de kleiige bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en PCB aangetoond In de zandige bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en PCB aangetoond. In het grondwater is een lichtverhoogd gehalte aan barium aangetoond.

Conclusie Op basis van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat er geen milieuhygiënische bezwaren zijn voor voorgenomen realisatie van nieuwbouw. Aanvullend onderzoek naar asbest is niet noodzakelijk. Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.3 Archeologie en Cultuurhistorie Toetsingskader In het Europese Verdrag van Malta, ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed als doelstelling opgenomen. In 1998 is dit verdrag goedgekeurd door het Nederlandse parlement. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit is een aanpassingswet waarmee de Monumentenwet 1988 gewijzigd is op het onderdeel archeologie. Door middel van de gewijzigde Monumentenwet moet het archeologisch erfgoed in de bodem bescherming krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid. Als gevolg van Europese en nationale wetgeving stellen rijk en provincies zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan.

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. In opdracht van de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft Erfgoed Delft e.o./Archeologie een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld voor deze gemeente. Hierop zijn de relevante archeologische en de cultuurhistorische waarden op lokaal niveau aangegeven. Een uitsnede van de archeologischewaardenkaart is weergeven op figuur 5.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Figuur 5: Uitsnede archeolgische beleidskaart Pijnacker. Het rode vierkant geeft plangebied weer. Bron: Ergoed Delft Archeologie

Beoordeling Het plangebied valt binnen het ‘Archeologisch beleidsgebied Middelhoog’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht wanneer de bodemverstoring meer bedraagt dan 200 m2 en een verstoringsdiepte van 1 m- MV. Dit is overeenkomstig met de geldende regels binnen de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 4’ die op het plangebied ligt. Het sociaal-cultureel centrum heeft een oppervlakte van ca. 2294 m2. Het is echter aannemelijk dat er niet meer dan 1 meter verstoringsdiepte zal zijn om het sociaal-cultureel centrum te realiseren. Om deze reden is er geen verkennend archeologisch onderzoek benodigd. Binnen het plangebied zijn verder geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie Het aspect ‘Archeologie en cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.4 Ecologie 4.4.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden.

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb en richt zich onder meer op het verminderen van de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden en het versterken van de natuur. Op 1 januari 2017 is de 'Wet natuurbescherming' in werking getreden. De 'Boswet', de 'Flora en faunawet' en de 'Natuurbeschermingswet 1998' zijn per die datum ingetrokken. De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de soortenbescherming en gebiedsbescherming. Beoordeling In de omgeving van het plangebied liggen geen natura2000 gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘De Wilck’, welke is gelegen op een afstand van circa 12,2 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van het uitbreiding en bouwen van nieuwe detailhandel in bestaand stedelijk gebied. Om het effect van de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect stikstof op omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage van deze voortoets is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.

Met behulp van het programma AERIUS is inzichtelijk gemaakt of er effecten zijn afkomstig van de ontwikkeling op Natura 2000-gebieden. Het onderzoek toont aan dat het voornemen gerealiseerd kan worden zonder dat er sprake is van een toename aan depositie van NOx en NH3 op Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich circa 1,6 km ten zuiden van het plangebied. Gezien de geruime afstand zijn negatieve effecten hierop op voorhand uitgesloten. 4.4.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb.

Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de flora en fauna in en rond het plangebied zijn twee onderzoeken uitgevoerd. In 2016 is door Adviesbureau Mertens B.V. in opdracht van Rho adviseurs een Quickscan Flora- en fauna uitgevoerd ter hoogte van het plangebied. Hieruit blijkt het volgende: •

•

Het plangebied is geheel verhard (bebouwing en bestrating). Het voorkomen van beschermde planten wordt hierin uitgesloten. De aanwezige muren zijn te droog voor muurplanten of ongeschikt. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten uitgesloten. Er is vastgesteld dat het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten is uitgesloten. De bebouwing bezit geen gaten waarin vleermuizen zich zouden kunnen ophouden. Voor overige soort(groep)en, inclusief vogels, is het gebied verder volledig ongeschikt. Wel vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er kunnen daarnaast algemene licht beschermde zoogdieren voorkomen. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet Uit de Quickscan blijkt dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Doordat de regelgeving in 2017 is veranderd is er in 2020 een oplegnotitie opgesteld waarin de Quickscan uit 2016 wordt geactualiseerd. Hieruit blijkt dat de conclusies van de Quickscan uit 2016 nog steeds van kracht zijn op 2 wijzigingen na •

•

Waar in 2016 werd gesteld dat het voorkomen van vogels werd uitgesloten toont de oplegnotitie aan dat het struikgewas echter wel kan dienen als nestlocatie voor een soort zonder jaarrond beschermd nest zoals Turkse tortel, merel of pimpelmees. Het verwijderen van dit groen dient te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Anders dan in de Quickscan is aangegeven, zijn in de zuidelijke zijde van het pand open stootvoegen aangetroffen. Om de geschiktheid van de open stootvoegen te beoordelen is met behulp van een endoscoop een controle uitgevoerd. Hieruit bleek dat de open stootvoegen niet geschikt waren als toegang voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen van vleermuizen in de vorm van uitwerpselen of haren aangetroffen. Het gebruik van de spouwmuur door vleermuizen kan hierdoor worden uitgesloten.

Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.5 Akoestiek Toetsingskader Bij het doorlopen van een procedure op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een onderzoeksplicht voor geluid. Dit onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen een geluidszone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein zijn gelegen. De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Wanneer een nieuw geprojecteerde geluidsgevoelige functie binnen de geluidszonering van een weg valt, dient getoetst te worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en de uiterste grenswaarde. Deze grenswaarde is voor autosnelwegen 53 dB en voor wegen in stedelijk gebied 63 dB. Geluidsgevoelige functies zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, zorggebouwen en kinderdagverblijven. Wanneer nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt binnen de onderzoek zone van de aanwezige wegen, moet akoestisch onderzoek plaatsvinden.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Beoordeling Het plangebied ligt in het centrum van Pijnacker waar een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt. Hiervoor hoeven de waarden uit artikel 74 niet in acht te worden genomen. Daarnaast betreft enkel de Stationsstraat ten zuiden van het plangebied een 30 km/u weg, de overige straten die het plangebied omsluiten zijn voetgangersgebieden. Bovendien betreft de beoogde ontwikkeling het realiseren van een en word deze voorziening niet gezien als geluidsgevoelig gebouw. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘akoestiek’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.6

Bedrijf en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: • •

ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Als uitgangspunt geldt dat het project niet leidt tot milieuoverlast bij milieugevoelige functies in de omgeving en dat de komst van milieugevoelige functies de activiteiten van milieubelastende activiteiten niet in de weg staat. Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijven is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst. Daarin worden op basis van de SBI-code indicatieve afstanden bepaald voor allerlei vormen van bedrijfsactiviteiten. De afstand criteria hebben betrekking op de milieuaspecten geluid, stank, stof en gevaar. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. Het is belangrijk te kijken naar de inwaartse (het effect van de ontwikkeling op de omgeving) en uitwaartse (de effecten van de omgeving op de ontwikkeling) milieuzonering. Beoordeling Bij de beoordeling is het belangrijk om te bepalen in welk gebied de ontwikkeling plaatsvind. De omgeving wordt getypeerd als omgevingstype ‘gebied met functiemenging’. Een gebied met functiemenging wordt daarentegen gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn.

Hierbinnen gelden geen richtafstanden, maar worden 3 milieucategorieën toegewezen, waarvan de toelaatbaarheid van activiteiten wordt beoordeeld. • • •

categorie A: Hierbij gaat het om activiteiten die aanpandig aan woningen/gevoelige functies kunnen plaatsvinden. categorie B: Hierbij gaat het om activiteiten die bouwkundig scheiden van woningen/gevoelige functies moeten plaatsvinden. categorie C: Hierbij gaat het om activiteiten, die vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking, een ontsluiting op hoofdinfrastructuur nodig hebben.

De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een sociaal-cultureel centrum in het centrum van Pijnacker. Deze nieuwe voorziening wordt niet gezien als een milieugevoelige functie. De uitwaartse effecten zijn dus niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Kijkend naar de inwaartse effecten, de effecten van de ontwikkeling op de milieugevoelige functies in de omgeving, dan dient er gekeken te worden naar de functies die binnen het sociaal-cultureel centrum gerealiseerd gaan worden. Hierbij gaat het om functies zoals de bibliotheek, horeca, cursusruimtes, repetitieruimtes en het theater.

datum referentie

21 maart 2022 215006_AdB_RAP_0001_v2.0

Voor elke activiteit is vastgesteld tot wat voor categorie deze behoort binnen de index van het omgevingstype ‘gebied met functiemenging’ Voor bibliotheken, musea, ateliers geldt categorie A. Hiervoor geldt een maximale milieucategorie van 1. Deze activiteiten mogen aanpandig aan woningen/gevoelige functies worden gerealiseerd. Het sociaal-cultureel centrum wordt bouwkundig gescheiden gerealiseerd waardoor deze functies zijn toegestaan. Voor buurt- en clubhuizen, dansscholen en repetitieruimten geldt categorie B. Deze activiteiten dienen bouwkundig gescheiden plaats te vinden omdat deze meer overlast geven op gebied van vooral geluid, stof en geur. Het sociaal-cultureel centrum wordt bouwkundig gescheiden gerealiseerd waardoor deze functies zijn toegestaan binnen de ontwikkeling. Voor theaters, schouwburgen, concertgebouwen en evenementhallen geldt categorie C. Deze zijn enkel toegestaan wanneer de activiteit is gelegen aan de ontsluiting van hoofdinfrastructuur. Binnen het cultuurhuis wordt een theater van ca. 200 zitplaatsen gerealiseerd, wat dus zorgt voor een relatief grote verkeersaantrekkende werking. Het plangebied ligt niet aan hoofdontsluiting. Echter, gezien het feit dat het sociaal-cultureel centrum in het centrum wordt gerealiseerd zullen veel mensen met de fiets en/of het ov komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11750747/1