Bijlage 2 - Beheer- en inrichtingsschets Weidevogelkerngebied Zuidpolder van Delfgauw
Tekst van het document
Gerekend met 2 hectare laat gemaaid gras per gruttopaar is 40 hectare voldoende bij de huidige stand en 100 hectare bij een enigszins realistisch streef aantal van 50 paren (de 100 paar volgens beheer op maat programma in het rapport van Optifeld is helaas een illusie op basis van de in de hoofdstukken hiervoor genoemde factoren). Juist vroeg gemaaide en beweide percelen in de omliggende velden vormen een aanvulling op natuurland als foerageergebied en plek waar nalegsels worden gemaakt. Ook maakt het voor de agrariërs een fjne combinatie tussen eiwitrijk gras en structuurrijk gras. Slootkantbeheer zal in het gangbaar agrarisch deel worden toegepast, zodat kruidenrijke oeverzones in de hele polder aanwezig zijn, wat gunstig is voor weidevogels, eenden, vissen en insecten. Dit kunnen directe verbindingen vormen tussen kerngebied en omliggend land. Vanuit de TBO’s en overheden bestaat de wens de gangbare agrarische delen langzaam om te vormen naar natuurinclusieve landbouw.
31
32
4
Afbakening
4.1
Welke soorten
Het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder heeft beheertype is N13.01 Vochtig weidevogelgrasland. Het beheertype omvat grasland met per 100 ha minimaal 35 broedparen van grutto, tureluur, watersnip, kemphaan, slobeend, zomertaling, veldleeuwerik, wulp, kluut, krakeend, kuifeend, wintertaling, graspieper en/of gele kwikstaart (bron Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer, Provincie Zuid-Holland 2016). In aanvulling hierop zijn voor het plan voor de Zuidpolder als belangrijk bestempeld: wilde eend, kievit, scholekster, kluut, patrijs, argusvlinder, glassnijder, vroege glazenmaker, bittervoorn en rietorchis.
4.2
Bekende valkuilen in weidevogelbeheer
Het heeft geen nut om zeer voedselrijk land laat te maaien, omdat de zware grasmat al voorkomen heeft dat vogels zich hier vestigen. Het verschralen van voedselrijk land duurt lang en kan leiden tot ongewenste vegetatie van enkele dominante soorten. Zonder peilverhoging is hier zelden een positieve ontwikkeling merkbaar. Op droog grasland kan men beter blijven bemesten met ruige stalmest en redelijk vroeg in het seizoen maaien en afvoeren. Indien geen ruige stalmest beschikbaar is, heeft beweiding (voor of na het maaien, of het hele seizoen) de voorkeur. Bagger uit de sloten kan ook worden ingezet als bemesting via een baggerpomp in de zomermaanden. Kruidenrijkdom is belangrijk voor voedsel (insecten), maar is niet direct een pull-factor, waar weidevogels op afkomen. Plas-dras is dat wel. Vergraven van oevers en aanleg van NVO’s heeft voor weidevogels niet vaak toegevoegde waarde. Inzaaien van grasland kent veel beperkingen, wanneer de bodem nog altijd erg voedselrijk is.
33
4.3
Bekende succesfactoren in weidevogelbeheer
Het verhogen van waterpeil is bij verre de meest succesvolle maatregel om weidevogelpopulaties te herstellen. We hebben hier vele voorbeelden van. Beweiding met rundvee zorgt ervoor dat diverse soorten weidevogels zich op onwaarschijnlijke plekken kunnen handhaven.
34
5
Beschrijving inrichtingsmaatregelen
Om het gebied te optimaliseren voor weidevogels zijn inrichtingsmaatregelen nodig. Met name het zuidelijk deel, waar nu geen vogels broeden, is te diep ontwaterd. Het noordelijk deel van de polder is niet diep ontwaterd, maar heeft storende elementen (eendenkooi). Daarnaast is in de vorming van het kerngebied voor een begrenzing gekozen, waarbij de beheerpercelen vaak alleen via een boerderij en overpaden te bereiken zijn. Een logischer ontsluiting door een onverharde ontsluiting met enkele nieuwe dammen aan te leggen is daarom ook nodig.
5.1
De eendenkooi
Een eendenkooi is een zeer bijzonder en vrij zeldzaam cultuurhistorisch object, waar door een vernuftig systeem eenden werden gevangen. Het bestaat uit een grote plas met vangpijpen en omliggende beschutting. Door het voeren van lokeenden werden wilde eenden aangetrokken, waarvan een deel gevangen werd (voor consumptie). Andere pijlers van het verdienmodel van de historische eendenkooi zijn de verkoop van hout, het kweken van sneeuwklokjes en het verzamelen van eendeneieren uit de speciaal geplaatste eendenkorven. De eendenkooi ligt centraal in de Zuidpolder van Delfgauw en midden in het weidevogelkerngebied. Door het opgaande hout en de rust heeft het enorme aantrekkingskracht op dieren als buizerd, havik, zwarte kraai en vos. Door het opgaande hout en de regelmatige aanwezigheid van bovengenoemde soorten, is er een brede zone van ongeveer 250 om de eendenkooi aanwezig waar de vestiging van weidevogels sterk belemmerd wordt. Ook voor het aantrekken van eenden op de plas is het niet gunstig dat de eendenkooi zo besloten ligt en zo’n aantrekkingskracht heeft op predatoren. Voor de weidevogels is het van belang dat de bomen rond de eendenkooi worden teruggezet in hakhoutbeheer. Dat geldt dan voor alle bomen, aangezien één boom voldoende is om verstoring te veroorzaken. Alles bij elkaar gaat het om zo’n 400 boomvormers, die teruggezet dienen te worden.
Daarna zal iedere drie jaar een deel van het hakhout teruggezet moeten worden. Voor het herstel van de eendenkooi is terugzetten in hakhout ook gunstig. Daarnaast is het voor het herstel van de eendenkooi nodig om de rietmatten te herstellen en de plas te baggeren. Vervolgens kunnen weer lokeenden gehouden en eendenkorven geplaatst worden. Tot slot is het de wens van de 35
eigenaar om een materiaalschuur/ontvangstruimte op te richten in de eendenkooi.
5.1.1
Greppelen
Greppels zijn van oorsprong veel aanwezig op de percelen, zoals goed te zien is op luchtfoto’s. De greppels zijn niet onderhouden. Greppels zijn erg belangrijk voor weidevogels; greppels worden veel gebruikt door kuikens om zich in te verschuilen bij gevaar. Daarnaast foerageren veel kuikens in greppels op muggenlarven en kevertjes. Bovendien reguleren greppels het vochtgehalte binnen het perceel. Actie: circa 50 greppels opnieuw uitgraven tot onder waterlijn zomerpeil sloot, greppelbuizen onder waterlijn zomerpeil. Deze percelen liggen namelijk hol en van nature ligt het maaiveld deels lager dan het zomerpeil. Op deze manier voeren ze water af tov winterpeil, maar laten ze water in tov zomerpeil. Als greppels erg diep (>20 cm) worden met steile kanten, dient elke 50 meter een breder deel met geleidelijk talud te worden gegraven.
Afbeelding 10. Gebied waar herstel van greppels belangrijk is.
36
5.1.2
Uitzetten onderbemaling
In een deel van de percelen grenzend aan de Groene Keizer kan de onderbemaling worden uitgezet, wat direct zal leiden tot peilverhoging. Het gemaaltje moet worden verwijderd en de sloot wordt in open verbinding gezet met de polder. Daarmee kan ook vis het gebied intrekken en kan zo het leefgebied worden vergroot. Hoog waterpeil is erg aantrekkelijk voor weidevogels.
Afbeelding 11. Deel met onderbemaling (blauw), die uitgezet wordt en dan meer plasdras achtig wordt
5.1.3
Bomen verwijderen of terugzetten
Bomen belemmeren uitzicht en doen dienst als uitkijkpost en broedplaats van predatoren. Voor de weidevogels is het prima als alle bomen in de wijde omtrek verwijderd worden. Meest storend ten opzichte van het kerngebied is de eendenkooi. Vanuit de jachtplas van Feitel (plas van Ruyven) gaat momenteel geen enkele verstoring uit. Die is anno 2020 goed onderhouden. Daarnaast komen veel bomen op in de natuurvriendelijke oever van het Waterschap in de oost-west verbinding. Die dienen te worden verwijderd. Ook staan er een paar bomen midden in het weiland in het zuidelijk deel. Die dienen te worden verwijderd. 37
Afbeelding 12. Hinderlijke beplanting terugzetten
5.1.4
Poelen
Poelen zijn ondiepe plassen zonder vis. Uitgraven tot onder grondwaterstand met breed geleidelijk talud waarbinnen waterpeil kan fuctueren, maar nooit geheel opdroogt. Amfbieën en libellen zijn de soortgroepen die hiervan direct zullen profteren. Dat is leuk voor recreanten, maar vormt ook foerageergebied voor weidevogels. Ideale plek is bij de uitkijktoren bij de Groene Keizer, maar er kan gekeken worden of meer poelen aangelegd kunnen worden.
5.1.5
Toegankelijkheid
Om het weidevogelkerngebied te kunnen beheren zal het nodig zijn ontsluiting te verkrijgen langs de ‘by-pass’ die door het noordelijk deel loopt. Omdat het kerngebied niet tot aan de randen van de polder loopt en toegang van enkele velden in de huidige situatie bijvoorbeeld alleen via de boerderij van Rodenburg of Nap, of via overpad mogelijk is, zullen andere vormen van ontsluiting gezocht worden om het kerngebied te bereiken, ook als de pachter van buiten de polder komt. Als enkele dammen worden aangelegd vanaf de ingang bij de N470 kunnen alle percelen bereikt worden. De 38
toegang dient vervolgens door te lopen tot de hoek waar de by-pass afbuigt naar west, richting Zuideindse weg. Er wordt geen verhard pad aangelegd, maar een route, die met de trekker gereden kan worden. Er is dus geen pad zichtbaar, wat mogelijk recreanten aan kan trekken. Hiervoor is alleen nodig dat goede dammen worden aangelegd om de bereikbaarheid te realiseren en hekken op de dammen om beweiding te reguleren. In het zuidelijk deel is toegankelijkheid minder problematisch, omdat daar een landbouwpad ligt van waaruit alle velden bereikt kunnen worden, op enkele percelen bij de plas van Ruijven na. Hier zullen ook enkele dammen gelegd moeten worden. Op onderstaande tekening heeft men 6 nieuwe dammen nodig om alles bereikbaar te maken binnen de begrenzing van het kerngebied. In stippellijnen de ontsluiting. Dan is nog één klein stukje overpad nodig vanaf de Zuideindseweg voor de percelen direct ten noorden van de eendenkooi.
Afbeelding 13. Toegang tot de percelen
5.1.6
Natuurvriendelijke oever
Langs de hoofdwatergang in het zuidelijk deel wil het waterschap een natuurvriendelijke oever aanleggen. Binnen de begrenzing van het Weidevogelkerngebied is dit mogelijk om te realiseren en 39
kan een deel van de gewenste NVO worden aangelegd (en betaald). Buiten het WVKG heeft men te maken met grondbezit van onder ander Gravesteijn, Westerman en Hoogervorst, wat niet binnen de ruilverkaveling en taxatie (en budget) van het WVKG valt. Mogelijk kan hier via andere plannen en geldstromen de rest van de NVO gerealiseerd worden, zoals via een recent aangevraagde LIFE subsidie ism Natuurmonumenten, lokale boeren en de gemeente Midden-Delfand.
5.1.7
Sloten verbreden
Brede watergangen geven de weidevogels een veilig gevoel en zijn belangrijk voor eendachtigen. De verstoringsafstand tot recreatie wordt aanzienlijk kleiner naarmate de sloot breder is. Bovendien helpt een brede watergang als barrière tegen vos. De sloot moet breder zijn dan waar een vos gemakkelijk overheen springt en daarom wordt een breedte van circa vier meter aangeraden. Voor vogels is ondiep water het meest aantrekkelijk, dus de sloot hoeft niet diep te zijn. Tevens dient de verbreding bij het Waterschap voor watercompensatie. De vrijgekomen grond wordt ter plaatse verwerkt in een kade om het hoogpeilgebied.
Afbeelding 14. Vier sloten verbreden in hoogpeilgebied en de NVO van het waterschap.
40
5.1.8
Bruggen verwijderen
Bruggen verwijderen: het kerngebied dient zoveel mogelijk een eiland te zijn met één toegang die met elektrisch schapengaas kan worden afgezet om te voorkomen dat vos, mens, hond, kat het gebied inlopen. Om dit te bewerkstelligen dienen de verbindingen (vier bruggen) over de molensloot in het zuidelijk deel van de polder te worden verwijderd.
Afbeelding 15. Te verwijderen bruggen.
5.1.9
Peilverhoging5
In het zuidelijk deel van het geplande kerngebied (in de droogmaking) liggen percelen die voor weidevogel een te diepe ontwatering hebben. Weidevogels hebben een voorkeur voor natte percelen, wat in droge jaren alleen maar duidelijker benadrukt wordt. De percelen in het zuidelijk deel hebben hoogteverschillen door kreekruggen. Een natuurlijk waterpeil, met in de wintermaanden regenoverschot, dat gedurende het voorjaar verdampt is hier wenselijk. Fluctuatie is geen probleem, omdat het land hier natuurlijke hoogteverschillen heeft, zodat altijd droge plekken beschikbaar zijn.
5
Hoogheemraadschap van Delfand heeft hiervoor de meeste input berekend
41
Actie: in zuidelijk deel sloten afdammen met gronddam, die 1 geheel vormt met de kade om het wvkg. De kade wordt gevormd uit de vvrijgekomen ggrond van de te verbeden sloten en NVO. Er is een stuw om indien nodig water in, of uit te kunnen laten. De peilverhoging gaat gepaard met verlies van ruimte om water te bergen zowel in de bodem als in de watergangen. Om te voorkomen dat er bij veel neerslag onevenredig veel water naar de droogmaking wordt afgevoerd moet de stuw zorgen voor een beperkte waterafvoer. Hierbij moet rekening worden gehouden bij het ontwerp van de stuw. De bedoeling is, dat vanaf december het peil m.b.v. neerslag mag stijgen van NAP -5,20 naar van NAP 4,80 m. Bij een droge winter zou eind februari het water aangevuld kunnen worden. Nadat het gewenste peil bereikt is mag het verder niet behalve in korte natte perioden dat het water in het gebied geborgen moet worden om wateroverlast in de droogmaking te voorkomen. Dan moet het water vertraagd worden afgevoerd totdat het gewenste broedpeil weer bereikt wordt. Vanaf mei zou het water vanzelf uit kunnen zakken. Vanaf 1 juli zou het water in open verbinding kunnen komen met de rest van de polder. Hiervoor zal het waterpeil worden opgezet (zie fguur 3.1). Delfand wenst één broedpeilgebied in de periode februari-juni.
In deze scenario’s is uitgegaan van een broedpeil van -4,8 m NAP, afhankelijk van de toelaatbare inundatie bij neerslag. Het instellen van één enkel peilgebied komt de beheersbaarheid van de waterhuishouding ten goede. Het waterpeil in het weidevogelkerngebied kan op twee manieren worden opgezet: 1) water onder vrij verval inlaten vanuit de Zuidpolder van Delfgauw, via de bestaande inlaat onder de veenkade bij Veelust, en met stuwen vasthouden of 2) water oppompen vanuit de Machinesloot in de droogmaking en met stuwen vasthouden. De stuw dient bij overvloedige neerslag water af te voeren uit het WVKG. Door het opzetten van het waterpeil kunnen voedingsstofen uit de voedselrijke bodem vrijkomen en de waterkwaliteit verslechteren. De kwaliteit van het water, dat wordt afgevoerd naar de droogmaking, mag niet leiden tot verslechtering van de waterkwaliteit buiten het weidevogelkerngebied. Door het water langzaam af te voeren en watergangen te baggeren kan dit zoveel mogelijk worden voorkomen. Het is gewenst de waterkwaliteit te monitoren. Aan de randen van het weidevogelkerngebied dient het maaiveld te worden opgehoogd (kade). Dit om te voorkomen dat de aanliggende gronden in de droogmaking te nat worden. Voor het ophogen van het maaiveld kan de vrijgekomen bagger en grond worden (her)gebruikt.
We gaan uit van een kade van circa 3 meter breed en 20 cm hoog om alle vrijgekomen grond te verwerken. De kade kan gebruikt worden voor landbouwvoertuigen om beheer uit te voeren. Voor de sloot aan de kadesloot (Veenkade tussen polder en droogmaking) kunnen er 42
beperkingen t.a.v. het op te zetten peil gelden. Dat zou betekenen dat de kadesloot aan de teen op polderpeil moet blijven en dat er een extra verbindingssloot gegraven moet worden.
Afbeelding 16. Inrichting hoogpeilgebied. Bron: Hoogheemraadschap van Delfand
Compensatie bergingsverlies Het verlies aan bergingscapaciteit in de droogmaking wordt gecompenseerd door 1) twee sloten in de droogmaking langs het weidevogelkerngebied te verbreden en te verbinden met een hoofdwatergang (zie afbeelding 14) en 2) regenwater in het weidevogelkerngebied vast te houden door een tijdelijke peilstijging van naar schatting 20 cm toe te staan. Inlaat Voor het opzetten van het waterpeil in het weidevogelkerngebied van de droogmaking wordt gebruik gemaakt van de bestaande inlaat in de veenkade (ter hoogte van Veelust). De inlaat wordt geoptimaliseerd door de duiker afsluitbaar te maken en voor de duiker een rooster te plaatsen om verstopping van de duiker te voorkomen. Het water stroomt onder vrij verval naar het weidevogelkerngebied. Om de wateraanvoer naar het weidevogelkerngebied optimaal te laten verlopen zullen bestaande kunstwerken in de aanvoerroute moeten worden aangepast, vervangen, 43
verplaatst of verwijderd (zie afbeelding 16). Voorkomen wateroverlast Om wateroverlast in het deel van de droogmaking, dat grenst aan het weidevogelkerngebied, te voorkomen, worden de lage delen in het weidevogelkerngebied opgehoogd met vrijgekomen bagger en grond (zie afbeelding 16). Aandachtspunten
De verbreding van de 2 sloten (zie fguur 3.3) valt onder de beleidsregel “Dempen en graven”. Hierin wordt gesteld, dat in geval van graven de regel 1:5 moet worden aangehouden. Dit houdt in, dat een secundaire watergang van 5 meter breed bij voorkeur 1 meter diep is. Als hiervan wordt afgeweken geldt een minimale diepte van 50 cm. Voor het bepalen van de breedte van de secundaire watergang geldt, dat deze minimaal 2,5 m breed moet zijn.
De aanpassingen aan de inlaat in de veenkade bij Veelust (afsluitklep en vuilrooster) kan wellicht worden meegenomen tijdens het onderhoud van de veenkade. Het deel ter hoogte van Veelust staat gepland voor 2021.
Wie verantwoordelijk wordt voor het beheer van de in- en uitlaat, zal moeten worden besproken aan de gebiedstafel.
44
Afbeelding 17. Model van een voorgestelde waterpeil verhoging naar -4,8 NAP. Bron: Hoogheemraadschap van Delfand.
5.1.10
Overig/extra
SBB geeft aan het wild raster langs de gehele N470 door te willen trekken vanwege het grote aantal verkeersslachtofers onder hazen. De eendenkooi wil graag een materiaalberging plaatsen.
5.1.11
Beleefbaarheid
De Zuidpolder is een gebied waar veel recreatie plaatsvindt van fetsers en wandelaars op de omliggende paden en wegen. In de polder zelf zijn geen fetspaden of wegen beschikbaar, hoewel sommige mensen over de landbouwpaden vanaf de Wilgenlaan het weiland in lopen. Aan de Groen Keijzer staat een vogelkijkhut met overzicht op de ondiepe plassen met vogels. Een locatie waar toegang voor recreanten en een kijkpunt mogelijk is, is bij het op te richten hoogpeilgebied. Hier loopt een landbouwpad en ligt een fetspad dichtbij. Aan het begin van het hoogpeilgebied heeft men de zon mooi in de rug en als hier plasdras ontstaat zullen er veel vogels zijn om naar te kijken van achter 45
een kijkscherm zonder dat daar verstoring door optreedt.
Afbeelding 18. Totaal aan inrichtingsmaatregelen
5.1.12
Akker (buiten dit plan)
Op plekken waar geen grutto’s broeden, omdat deze te diep ontwaterd zijn en teveel binnen de verstoringszone liggen, worden een akker/bloemenveld aangelegd. Dit gebeurt in feite buiten het plan van het weidevogelkerngebied om, maar wordt hier wel vermeld. De veldjes hebben tot doel de biodiversiteit te vergroten met name voor patrijs, wilde eend, kievit, scholekster, veldleeuwerik, wintervogels, planten en insecten. De opgehoogde percelen in de Groene Keizer zijn hiervoor bij uitstek geschikt. SBB en NMP/VWG Delft willen dit ook graag. Onder leiding van en gefnancierd door NMP/VWG Delft wordt in 2020 een proefveld aangelegd in de Groene Keizer. Ook bij de uitkijktoren is een klein akkertje aangelegd in 2018. Uitvoering: aanleggen vals zaaibed om zuring en distels terug te dringen. Inzaaien met granen en bloemen. Akkerbeheer is moeilijk. Ervaring hiermee is opgedaan door Stichting Grauwe kiekendief en Partridge. Hun expertise is beslist noodzakelijk om tot een goed akkerbeheer te komen. Als het 46
succesvol blijkt, kan gekeken worden naar uitbreiding op het andere opgehoogde veld ernaast.
Afbeelding 19. Akkertje bij het uitkijkpunt.
5.1.13
Herinirchting Groene Keijzer (buiten dit plan)
Vanwege de grote waarde die de ondiepe plassen, open water en moeras hebben binnen de Groene Keijzer bestaat de wens van natuurorganisaties en liefhebbers, dit uit te breiden. Uitbreiden van de hoeveelheid ondiep water, slib en moeras zal een gunstig efect hebben op vogelstand en biodiversiteit in het algemeen, maar ook de weidevogels in het bijzonder. Door het lage deel verder af te graven en de vrijgekomen grond te verwerken in een dijk eromheen (en eventueel water erin te pompen), kan hier een groot plasdrasgebied gecreëerd worden. De opgehoogde percelen blijven bestaan. Hier kunnen naast het kruidenakkertje en beweiding, ook nog de sloten gedempt worden om natte plekken te vormen en een heg van meidoorn worden geplant die dekking geeft voor een uitkijkpunt op de grens van het opgehoogde land en het plassengebied. Voor het verwijderen van de dijkjes, aanleg nieuwe kade, wijzigen reguleerbare inlaat 47
en uitlaaat, zal grondwerk nodig zijn en vervangen van kunstwerken. Een grove schatting is circa een ton (€100.000,00) om dit werk te verzetten. Deze wens zal waarschijnlijk niet uit het budget van het plan voor het weidevogelkerngebied gerealiseerd kunnen worden en voorlopig kan men uitgaan van het beheer zoals omschreven in volgende hoofdstuk.
Afbeelding 20. Suggestie herinrichting Groene Keijzer
48
6
Beschrijving beheer
6.1
Inleiding
Weidevogelbeheer bestaat voornamelijk uit agrarisch gebruik in de vorm van veeteelt en hooiland met een rustperiode in het broedseizoen, 15 maart – 15 juni. Dit type beheer is overal terug te vinden, bij agrarisch natuurbeheer, bij particulier natuurbeheer en bij de terrein beherende organisaties. We hebben meerdere voorbeelden van weidevogelbeheer in Midden-Delfand. Maatwerk is belangrijk voor de weidevogels en het grasland. In een groot deel van de Zuidpolder is het land te voedselrijk en het gras te zwaar. In 2020 waren slechts vier percelen geschikt voor grutto’s met kuikens eind mei/begin juni. Uitgestelde maaidatum heeft dan weinig nut, omdat het grasland in mei al ongeschikt is voor grutto’s. Verschralen duurt erg lang en levert meestal niet de gewenste resultaten op. Vooral het verhogen van waterpeil is efectief tegen te zware grasgroei. Daarom moet het waterpeil omhoog in het zuidelijk deel (droogmaking), waar alle percelen veel te voedselrijk zijn. In het noordelijk deel is het waterpeil goed (genoeg) en hier dient door te greppelen het waterniveau op de percelen zelf verbeterd te worden.
6.2
Overgangsbeheer
Over een periode van zes jaar wordt overgangsbeheer voorgesteld, waarbij de gronden deels in bezit blijven bij gemeente en provincie voordat het aan staatsbosbeheer wordt overgedragen. In het 5e jaar wordt geavalueerd. Overgangsbeheer houdt in dat je vroeger maait, bemest (eventueel nog met maximaal 10 ton drijfmest per hectare) en eventueel pleksgewijs onkruidbestrijding toetstaat op plekken in het reservaat, waar je dat op de lange termijn eigenlijk niet wilt. Het is echter nodig omdat de bodem overbemest is en de mineralen balans niet goed is, gras te hard groeit en storingskruiden als ridderzuring en akkerdistel te nadrukkelijk aanwezig zijn. Anderzijds biedt het de pachters tijd om over te schakelen naar een meer natuurinclusieve landbouw. Stalmest van paarden wordt experimenteel aangebracht en gemonitoord. Eventueel worden percelen bekalkt. Na de overgangsperiode wordt een maaidatum van tenminste 8 juni aangehouden. Naweiden toegestaan. Bemesten is dan in overleg met de beheerder toegestaan met 10 ton ruige mest (of 5 ton vaste mest uit loopstal zonder de urine) per hectare. Enkele percelen worden niet meer bemest als de vegetatie goed ontwikkelt. 49
6.3 6.3.1
Pakketten Voorbeweiden
Door vee te laten grazen in het voorjaar tot begin mei wordt het zware gras op voedselrijke bodem teruggedrongen en op een voor weidevogels gunstige lengte gebracht in mei en juni. Bovendien zullen er meer insecten zijn door beweiding. Dit is dus vooral land voor kuikens. Het is ideaal om hiervoor percelen te pakken die niet alleen te voedselrijk en te zwaar begroeid zijn, maar bovendien die percelen die niet aantrekkelijk zijn als broedgebied, omdat ze aan de randen van het gebied liggen, dichter tegen de verstoringszone aan. Verstoringsafstanden ten opzichte van paden, wegen en boerderijen voor weidevogels met kuikens zijn namelijk veel kleiner dan die van weidevogels met eieren. Op die manier leg je kuikenland aan op plekken waar het niet ten koste gaat van broedgebied. Uitvoering: vee (rundvee, of schapen) tenminste aanwezig van 1 april tot 1 mei, gevolgd door een rustperiode tot 15 juni. Maaien na 15 juni. Inscharen vee mag al na het maaien, in de herfst en in de winter. Hoeveelheid vee afgestemd op het feit, dat er van 1 april tot 1 mei vee moet kunnen grazen en dat de grasmat goed kort gevreten wordt. De pachter mag zelf beslissen hoeveel vee dat is. Bemesten is toegestaan met 10 ton ruige mest per hectare.
6.3.2
Extensief weiden
Permanente beweiding: rundvee dat het hele seizoen op een perceel graast zorgt voor een aantrekkelijk foerageergebied voor volwassen weidevogels en hun kuikens. Omdat vogels in principe niet nestelen tussen beweiding kiezen we hiervoor percelen uit waar geen grutto’s broeden. Net als bij voorbeweiden geldt, dat deze percelen dichter tegen de verstoringszone aan liggen. Uitvoering: rundvee tenminste aanwezig van 1 maart tot 1 juli. Hoeveelheid vee afgestemd op het feit, dat er de gehele periode vee moet kunnen grazen. De pachter mag zelf beslissen hoeveel vee dat is, als het gras maar korter is dan 5 centimeter en storingskruiden als zuring worden opgevreten. Hele jaar door beweiden mag ook en buiten genoemde periode mogen ook schapen worden ingezet. Bemesten is toegestaan met 10 ton ruige mest per hectare.
50
6.3.3
Maaidatum 15 juni
De maaidatum 15 juni is afhankelijk van de aanwezige broedvogels, grasgroei en storingskruiden, maar een goede streefdatum, omdat dit voor de meeste vogels einddatum van het broedseizoen betekent. Aan de hand van de monitoring zal bepaald worden welke percelen eerder dan 15 juni, of later dan 15 juni gemaaid kunnen worden. Percelen met te zwaar gras en geen broedvogels worden bij voorkeur eerder gemaaid, maar deze zijn in afbeelding 19 al benoemd bij overgangsbeheer. Op afbeelding 22 staan de percelen die nu al merendeels geschikt zijn om rond 15 juni te maaien en waar de meeste grutto’s broeden. Bemesten is toegestaan met 10 ton ruige mest per hectare. Een oeverzone van 2 meter breed langs de sloten dient tijdens de eerste snede niet gemaaid te worden. Deze slootkanten blijven over staan tot de 2e snede, of tot het reguliere schonen van de watergangen in de herfst plaatsvindt. In plaats van 2e snede maaien, mag ook worden nageweid, dat is zelfs wenselijk. Als gekozen wordt voor naweiden hoeft de slootkant niet te worden uitgerasterd.
6.3.4
Plas-dras met botanisch beheer
Door peilverhoging zullen enkele percelen erg nat worden, waardoor grasgroei geremd wordt. Maaien kan hier pas na 22 juni. Deze percelen mogen niet bemest worden, vanwege het oplossen van stofen als fosfaten en stikstof bij peilverhoging, die niet in gehalte in het oppervlaktewater mogen toenemen. Naweiden wordt hier niet toegestaan.
6.3.5
Slootkant beheer, botanisch beheer
De slootkanten hebben de mooiste vegetatie. In slootkanten leven de grootste aantallen insecten. Slootkanten zijn behalve voor weidevogels, erg belangrijk voor eendensoorten en watervogels. Om rekening te houden met insecten en broedvogels en om de kruidenrijkdom te vergroten, mogen de slootkanten in de maaipakketten niet in de eerste snede worden meegemaaid. Het gras wordt vervolgens in de 2e snede, of met het schonen van de watergangen in de herfst meegenomen. Bij beweiding, voorweiden en naweiden hoeft de slootkant niet te worden afgeschermd met draad.
6.3.6
Schonen en baggeren van watergangen
Het schonen en baggeren van watergangen wordt uitgevoerd volgens de voorwaarden en eisen van het waterschap en de gedragscode fora en fauna van waterschappen. Slootkanten van 2 meter breed mogen niet gemaaid worden in de eerste snede. De slootkanten hebben de hoogste kruidenrijkdom en de meeste insecten binnen een polder. Bovendien is lang gras 51
langs de slootkanten essentieel voor het opgroeien van de kuikens van eendachtigen en nesten van kuifeend, meerkoet en waterhoen. Bij permanente beweiding, naweiden en voorweiden mag de slootkant wel begraasd worden, omdat vertrapte slootkanten gunstig foerageergebied voor kuikens vormen. Baggeren wordt bij voorkeur uitgevoerd door het inzetten van de baggerpomp in de periode 15 juli – 15 september. Deze manier van baggeren verspreidt de vrijgekomen bagger over het weiland. Hierdoor ontvangt het grasland voeding, maar, belangrijker, krijg je geen brede strook langs de sloten met een dikke laag bagger, wat heel vaak een bron vormt voor grote groeiplaatsen van akkerdistel en brandnetel. Als gebaggerd wordt met de graafmachine, wordt de bagger voorbij 2 meter uit de slootkant geplaatst om deze strook gunstig te houden voor planten en insecten en laat maaien. Baggeren vindt dan plaats in september – november. De gedroogde bagger wordt in de winter voor 1 maart gefreesd en over het land verspreid.
6.3.7
Nieuwe kade
Om het hoogpeilgebied in de droogmakerij komt een nieuwe kade. Deze wordt zo snel mogelijk ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel. Om vestiging van storingskruiden te voorkomen dient er snel een gesloten grasmat te ontstaan. Hiervoor zal het de eerste jaren nodig zijn om het meerdere keren per jaar te maaien. Eerste maaibeurt kan, na inspectie op broedvogels, rond 1 juni plaatsvinden.
6.3.8
De Groene Keizer
De Groene Keizer kent een afwijkend beheer ten opzichte van het weidevogelkerngebied. Hier beslissen NMP/VWG in samenwerking met SBB welk beheer gewenst is. Bovendien is hier afwijkend biotoop aanwezig in de vorm van een wildakker, ondiepe plassen, vrijwel onbegroeide veldjes en riet. Bovendien broeden hier geen grutto’s, waar het beheer in het weidevogelkerngebied voor is opgesteld. Een deel van de Groene Keizer is niet geschikt voor grutto’s omdat het dicht langs de N470 ligt. Kieviten, kluten, kleine plevieren, visdieven, scholeksters broeden daar wel en versterken het weidevogelgebied en biodiversiteit algemeen. Delen beweiden met vee is gunstig voor deze soorten. Het waterpeil in de ‘bakken’ en het kale land eromheen dienen beheerd te worden voor bovengenoemde soorten. Hiervoor is van maart tot juli ondiep water nodig en kale grond. Het waterpeil van de bakken kan specifek gereguleerd worden. Een voorstel voor beheer hier is, dat in de periode november – maart de dijken en aangrenzende veldjes geroteerd worden om ze kaal te maken voor de kale grond-broeders. Dan hoeft er verder geen 52
moeite meer gedaan te worden om in de broedtijd zuring te maaien. De bakken mogen niet droogvallen in mei-juni, als er jonge kluten, plevieren, tureluurs en kieviten foerageren. Deze kuikens gaan dood als de bakken droogvallen, hetgeen de afgelopen jaren regelmatig gebeurd is. De meest noordelijke plasjes hebben rietkragen en ruigte vegetatie. Dit beheertype dient in stand gehouden te worden.
Afbeelding 21. Beheerkaart
Pakket Plasdras, maaien 22 juni Maaien 15 juni Beweiden 1 april – 1 mei Beweiden 1 maart – 1 juli Overgang
Voorwaarden maaien na 22 juni. Geen bemesting, geen beweiding, geen plaatselijk onkruidbestrijding maaien na 15 juni. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, geen plaatselijk onkruidbestrijding Voorbeweiden. Nestbescherming indien nodig. Maaien na 15 juni. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, geen plaatselijk onkruidbestrijding Extensief beweiden. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, geen plaatselijk onkruidbestrijding Maaien op basis van monitoring vanaf 20 mei. Na 5 jaar wordt 8 juni standaard. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, plaatselijk onkruidbestrijding toegestaan tot 5 jaar.
Tabel 2. Overzicht beheerpakketten. Bij maaipakketten 2 meter slootkant laten in 1 e snede
53
7
Beheer ganzen en predatoren
Een deel van het grasland in de Groene Keizer is niet geschikt voor grutto’s omdat het te kort is en te weinig kruiden bevat. De massale aanwezigheid van grote Canadese gans is debet hieraan. Secundair aan inrichting en graslandbeheer dient wildbeheer te worden uitgevoerd op deze invasieve ganzenexoot en op predatoren vos en zwarte kraai. De lokale wildbeheerder is daarmee al actief. Wellicht kan de intensiteit hiervan nog worden opgeschroefd in de periode februari – maart, wanneer wildbeheer (afschot van vos, kraaien en ganzen) het meest efectief is om de weidevogels een goed broedseizoen te bezorgen. In de Groene Keijzer mag niet geschoten worden. Verjagen van ganzen dient ook vooral in maart gedaan te worden. Het prikken en verzamelen van eieren van ganzen wordt uitgevoerd in de Zuidpolder en zal worden voortgezet, maar met een stop 7 april (vestiging grutto’s) om de weidevogels niet te verstoren. Bij elkaar drijven en weg vangen ruiende ganzen met grote jongen kan het beste na het broedseizoen van weidevogels, half juni tot eind juli, gedaan worden. In de Wet natuurbescherming zijn Canadese gans, zwarte kraai en vos vrijgesteld en mogen dus bejaagd worden, zie hieronder. Door elektrisch gaas strategisch te plaatsen op dammen en enkele bomen/boomgroepen te verwijderen wordt de aantrekkelijkheid van het gebied voor predatoren beperkt.
Jachtrecht binnen de afpalingskring, evenals het recht op schadebestrijding door de grondgebruiker, valt niet automatisch samen met het kooirecht. Dus het is zeker mogelijk dat anderen dan de kooiker beschikken over het jachtrecht binnen de afpalingskring. Wel gelden er vanwege die kooicirkel beperkingen aan de uitvoering van jacht en schadebestrijding. Zo mag er in principe geen geweer worden gebruikt, tenzij daar een onthefng voor wordt verleend door de provincie of tenzij de kooiker (tijdelijk) het kooirecht opheft door (in jargon) ‘de palen te strijken’. In het verleden zijn er door de provincie individuele onthefngen verleend voor bepaalde wildsoorten, ook voor deze kooi. Later is dat vervangen door een algemene onthefng voor schadebestrijding van ganzen voor alle eendenkooien in de provincie. Daarin staat wel de voorwaarde dat dat alleen mag in overleg met de kooiker. Nu loopt het provinciale faunabeheerplan ganzen af. Daarna moet er een nieuw faunabeheerplan komen, en waarschijnlijk ook een nieuwe onthefng. Daar kan misschien wel een jaar tussen zitten maar inzet is dat die onthefng er wel weer gaat komen. Hiermee kan schadebestrijding van ganzen ook binnen de afpalingskring plaatsvinden. Onthefng geldt nu niet voor jacht/schadebestrijding van andere soorten. Wellicht zou daar een aanvullende onthefng voor kunnen/moeten komen. 55
Van de verboden, bedoeld in artikel 3.1 van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van Canadese ganzen, houtduiven, kauwen en zwarte kraaien. Van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, wordt vrijstelling verleend aan grondgebruikers voor de bestrijding van konijnen en vossen. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend voor de handelingen, bedoeld in artikel 3.15, vijfde lid, van de wet. De categorieën van schade, bedoeld in artikel 3.15, zesde lid, onderdeel c, van de wet, zijn de categorieën van schade als bedoeld in de artikelen 3.10, eerste lid, onderdeel b, en 3.15, zesde lid, onderdeel b, van de wet. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 3.2 tot en met 3.4 gestelde voorschriften en beperkingen.
56
8
Monitoring
Monitoring van de aantallen, verspreiding en broedsucces van de weidevogels is essentieel om te sturen in het beheer. Er kan zowel gedurende het broedseizoen in beheer gestuurd worden, waarbij op basis van de resultaten van de monitoring percelen eerder gemaaid kunnen worden dan 15 juni, als gedurende meerdere jaren waarbij geschoven kan worden in pakketten van beweiding of late maaidatum. Doel is om de kwaliteit van grasland optimaal te beheren voor weidevogels. Monitoring van weidevogels wordt in vijf rondes uitgevoerd, waarbij aantallen, verspreiding en broedsucces worden genoteerd. Gedurende de maand mei zal bepaald worden of percelen eerder gemaaid kunnen worden en gedurende de maand juni zal gekeken worden of sommige percelen later dan 15 juni gemaaid moeten worden.
57
Vasthouden inlaatwater Vertraagde afvoer weidevogelkerngebied Voorkomen wateroverlast Natuurvriendelijke inrichting hoofdwatergang aan hoogpeilgebied
Totaal
Activiteiten
Eenheidsprijs
Maatregel Hoogpeilgebied basisvariant Compensatie bergingsverlies Inlaat (Ø 25 cm) in veenkade bij Veelust
Eenheid
Kostenraming inrichting
Aantal eenheden
9
Verbreden sloot (1251 m x 0.20 m x 2 m, m3) Afsluitklep (stuks) Vuilrooster (stuks) Duikers (Ø 25 cm) vervangen (stuks) Dam met duiker (Ø 25 cm) verwijderen (stuks) Stuw vervangen (stuks) Sloot afdammen (stuks) Klepstuw (uitlaat, stuks) Duiker (Ø 25 cm) verwijderen (stuks) Duiker (Ø 25 cm) vervangen (stuks) Dam met duiker verwijderen (stuks) Ophogen (1714 m x 0.20 m x 2 m breed) maaiveld (vrijgekomen grond gebruiken)
500 m3 1 stuks 1 stuks 2 stuks 1 stuks 1 stuks 11 stuks 1 stuks 5 stuks 1 stuks 4 stuks 1028 m3
10,00 5.000,00 2.000,00 1.300,00 750,00 10.000,00 1.500,00 18.000,00 750,00 1.300,00 750,00 10,00
Plas- of drasberm (m) Sub totaal
280 m
136,21
Onvoorzien
30 % Totaal
5.000,00 5.000,00 2.000,00 2.600,00 750,00 10.000,00 16.500,00 18.000,00 3.750,00 1.300,00 3.000,00 10.280,00
38.138,80 116.318,80 116.318,80 34.895,64 151.214,44
Tabel 3. Kostenraming inrichtingsmaatregelen hoogpeilgebied
Graven poel Vogelkijkhut greppels frezen knotbomen terug zetten Opruimen snoeihout Dammen aanleggen Bruggen verwijderen
Graven 1 poel nabij uitkijktoren Groene Keizer Bij nieuwe hoogpeilgebbied 1 medewerker laag tarief (A-86) 1 trekker 4*4, 35-45 Kw (A-003) 1 greppelfrees (A024) bestaande greppel uitfrezen, 350 m per ha Knotten per stuk (incl. 5% transporttijd), stamdiam. > 60 cm 1 medewerker laag tarief (A-86) 1 motorzaag licht Knotboom stamdiameter > 60 cm, gemiddeld 40 telgen per knot Opruimen en verw. vrijkomend hout (per hectare) 1 medewerker laag tarief (A-86) 1 trekker 4*4, 75-90 Kw (A-006) 1 houtversnipperaar (A-054) opruimen na velling/dunning in landschappelijk bosje dam met duiker 800 mm afbreken en afvoeren materiaal Sub totaal Onvoorzien Totaal
500 m3 1 stuks
10,00 15.000,00
5.000,00 15.000,00
30 ha
€ 50,00
1.500,00
800 stuks € 37,70
30.160,00
0,65 ha € 2.404,80 6 stuks 3.000,00 4 stuks 1.000,00
1.539,10 18.000,00 4.000,00 71.199,10 16.859,75 88.058,85
30 %
Tabel 4. Kostenraming inrichtingsmaatregelen overig
59
TOTAAL € 239.273,29
60
10
Algemene regels •
Herbiciden en insecticiden zijn ten alle tijden pertinent verboden binnen het kerngebied. Pleksgewijze bestrijding van onkruiden is alleen op enkele percelen in de overgangsperiode van vijf jaar nog toegestaan. Daarna zal onkruid bestreden moeten worden door drukbegrazing of vroeg maaien:
•
Bestrijding zuring vindt plaats door beweiding. Als een perceel te veel zuring heeft, wordt het twee jaar lang permanent beweid en niet gemaaid. Vroeg maaien (voor 1 juni) is een andere, minder optimale optie en alleen mogelijk als er geen vogels broeden.
•
Bestrijding akkerdistel vindt plaats door distelhaarden te maaien voor de bloei/zaadzetting. Dit is voor half juni.
•
Bestrijding Jakobskruiskruid en brandnetel. Momenteel niet nodig, aangezien beide niet dominant aanwezig zijn, omdat geschikte groeiplaatsen beperkt zijn.
•
Vee in het kerngebied is niet recent (tenminste drie weken voor inscharen) behandeld met antibiotica of ontwormingsmiddel. Deze middelen hebben een sterk negatief efect op bodemleven en op insecten die in mest leven.
•
Het vangen en verwijderen van mollen is ten alle tijden pertinent verboden binnen het kerngebied. Molshopen geven structuur aan het weiland waar weidevogels graag gebruik van maken. Op nat land zitten sowieso weinig mollen.
•
Bemesting: percelen mogen bemest worden met uitsluitend vaste mest, of ruige stalmest. 10 ton per hectare is de richtlijn. Voorkeursperiode aanbrengen vaste mest is na de eerste snede. Stoppen met bemesting leidt tot verzuring en verdwijnen van bodemleven. Ruige mest heeft een goede C/N verhouding, leidt niet tot verzuring en geeft voeding traag af, zodat het gras niet te explosief groeit. Vaste mest uit een loopstal zonder de urine is ook mogelijk, maar in kleinere hoeveelheid. Bemesten dient altijd gemeld te worden aan de beheerder. Slootkanten, Percelen 22 juni worden niet bemest. Percelen met overgangsperiode worden na 5 jaar alleen in overleg met de beheerder bemest.
•
Kunstmest is ten alle tijden pertinent verboden binnen het kerngebied.
•
Drijfmest heeft niet de voorkeur, maar kan mogelijk in een overgangsperiode worden toegestaan in overleg met de beheerder en moet in korte termijn worden afgebouwd.
61
11
Literatuur
overheid.nl pachtprijzen standaard kostprijzen natuur- en landschapsbeheer 2019 Waterhuiskundige verkenning weidevogelhoogpeilgebied Ecologische atlas van de Weidevogels Rapport Berkenwoude en de Nesse De Wilck ontwerp beheerplan Beheerplan polder Schieveen 2014 – 2019 Inrichtings- en beheerplan weidevogelkerngebied Commandeurspolder Monitoring weidevogels Midden Delfand 2015 – 2020 Monitoring weidevogels Polder Schieveen 2011 – 2020 Monitoring weidevogels Polder Noord-Kethel 1992 & 2010 & 2011 https://medium.com/icoonsoorten-zuid-holland/de-icoonsoorten-van-zuid-holland-e910438aea9e https://ondernemingsdatabank.indicator.nl/mestwetgeving/voorraden_meststofen_vastleggen/ NLTALBAR_EU080805 https://veeteelt.nl/nieuws/gehalten-rundveedrijfmest-blijven-dalen
63
12
Contactgegevens Ecoresult B.V. Bezoekadres
Edisonweg 10-320 2952 AD Alblasserdam Postadres Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl
65
Beheerkaart
Pakket Plasdras, maaien 22 juni Maaien 15 juni Beweiden 1 april – 1 mei Beweiden 1 maart – 1 juli Overgang
Voorwaarden maaien na 22 juni. Geen bemesting, geen beweiding, geen plaatselijk onkruidbestrijding maaien na 15 juni. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, geen plaatselijk onkruidbestrijding Voorbeweiden. Nestbescherming indien nodig. Maaien na 15 juni. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, geen plaatselijk onkruidbestrijding Extensief beweiden. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, geen plaatselijk onkruidbestrijding Maaien op basis van monitoring vanaf 20 mei. Na 5 jaar wordt 8 juni standaard. Bemesting 10 ton/ha ruige stalmest, naweiden toegestaan, plaatselijk onkruidbestrijding toegestaan tot 5 jaar.
Tabel 5. Overzicht beheerpakketten. 2 meter slootkant niet maaien 1e snede.
66
Kaart inrichtingsmaatregelen
67