Bijlage 2. 1e herziening Nota sturing fysieke leefomgeving.pdf
Tekst van het document
1e herziening
Nota sturing fysieke leefomgeving December 2025
Inhoudsopgave Inhoudsopgave.................................................................................................................................. 2 1.
Inleiding..................................................................................................................................... 3
2.
De Omgevingswet ..................................................................................................................... 4 2.1
Verbeterdoelen Omgevingswet ...................................................................................... 4
2.2
Kerninstrumenten in samenhang .................................................................................... 4
3.
Omgevingsvisie ......................................................................................................................... 5 3.1
Wettelijke procedure omgevingsvisie ............................................................................. 5
3.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp ................................................................................... 5
4.
Omgevingsprogramma.............................................................................................................. 7 4.1
Wettelijke procedure omgevingsprogramma ................................................................. 7
4.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp ................................................................................... 8
5.
Omgevingsplan........................................................................................................................ 10 5.1
Wettelijke procedure omgevingsplan .......................................................................... 10
5.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp ................................................................................. 12
5.3
Afwijkende rolverdeling bij specifieke situaties ............................................................ 13
6.
Omgevingsvergunning ............................................................................................................ 17 6.1
Wettelijke procedure omgevingsvergunning ................................................................ 17
6.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp ................................................................................. 19
6.3
Voorkeuren in keuze procedure bij strijdige activiteiten .............................................. 25
7.
Evaluatie.................................................................................................................................. 26
Bijlagen: 1. Aanpassingen bruidsschat 2025 2. Evaluatiedocument Nota sturing fysieke leefomgeving 2025
2/28
1. Inleiding Op 22 december 2022 heeft de gemeenteraad de Nota sturing fysieke leefomgeving (hierna: de Nota) vastgesteld. De Nota beschrijft op welke wijze in Pijnacker-Nootdorp de bestuurlijke sturing in de fysieke leefomgeving is vormgegeven. De Nota is opgebouwd op basis van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Voor elk van de kerninstrumenten wordt beschreven wat het instrument omvat, welke wettelijke procedure aan de orde is en hoe we hierbij in Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college hebben vormgeven. Medio 2025, anderhalf jaar na invoering van de Omgevingswet, is de Nota geëvalueerd. Deze evaluatie is opgenomen in bijlage 2. De resultaten van de evaluatie hebben op onderdelen geleid tot aanpassing van de afspraken zoals gemaakt in de Nota. In deze 1e herziening zijn de resultaten van de evaluatie verwerkt. Inhoud van de Nota De Nota is opgebouwd op basis van de kerninstrumenten van de Omgevingswet; de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan, en de omgevingsvergunning.1. We geven voor elk van de kerninstrumenten een beschrijving wat het instrument omvat en welke wettelijke procedure aan de orde is. Vervolgens wordt bij elk instrument beschreven hoe we in Pijnacker-Nootdorp de rolverdeling tussen gemeenteraad en college vormgeven. In 2022 zijn een aantal raadsbesluiten genomen om deze rolverdeling tot stand te brengen.
Wanneer een aanpassing of een aanvulling van deze besluiten aan de orde is wordt dit expliciet vermeld in de tekst. Relatie met participatiebeleid De gemeente Pijnacker-Nootdorp hecht veel belang aan communicatie en participatie bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ook in de Omgevingswet speelt participatie een belangrijke rol. De voorliggende Nota sturing fysieke leefomgeving gaat slechts op hoofdlijnen in op het thema participatie. Het beschrijft de plaats van participatie in het proces van elk instrument en het geeft het de rolverdeling weer die we bij een participatietraject hanteren. Inwerkingtreding voorliggende 1e herziening De voorliggende 1e herziening is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 december 2025. Deze wordt gepubliceerd en treedt de dag hierna in werking. Intrekken oude nota De voorliggende 1e herziening komt in de plaats van de Nota sturing fysieke leefomgeving die in december 2022 is vastgesteld door de gemeenteraad. De Nota uit 2022 wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van de voorliggende 1e herziening.
1 De Omgevingswet introduceert nog een zesde instrument: het projectbesluit. Dit instrument is echter niet
beschikbaar voor gemeenten. Daarom wordt er in deze Nota geen verdere aandacht aan besteed. 3/28
2. De Omgevingswet Tot 1 januari 2024 bestonden er talloze wetten en regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Deze wetten en regels zijn niet als een integraal stelsel ontworpen, maar het resultaat van een eerdere behoefte aan sturing over de diverse onderwerpen. Deze regels kenden verschillen in opbouw en terminologie waardoor een ingewikkeld geheel is ontstaan. Ook werden de regels niet meer geschikt geacht voor de maatschappelijke opgaven van nu. Dit vormde voor de Rijksoverheid de belangrijkste aanleiding om te komen met de Omgevingswet. 2.1 Verbeterdoelen Omgevingswet Met de vernieuwing van het omgevingsrecht worden vier verbeterdoelen beoogd die vorm moeten krijgen in en door de implementatie van de wet: 1. Het omgevingsrecht is inzichtelijk, voorspelbaar en gemakkelijk in het gebruik. Beter inzicht in wat wel en niet kan op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. 2. De leefomgeving staat op een samenhangende manier centraal in beleid, besluitvorming en regelgeving. 3. Een actieve en flexibele aanpak biedt overheden meer afwegingsruimte om doelen voor de leefomgeving te bereiken. 4. Besluitvorming over projecten in de leefomgeving gaat sneller en beter. Deze verbeterdoelen moeten leiden tot meer ruimte voor het lokale bestuur om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te beschermen én tevens het bieden van ruimte voor ontwikkelingen.
2.2 Kerninstrumenten in samenhang Met de Omgevingswet zijn nieuwe kerninstrumenten geïntroduceerd. Voor de gemeente zijn dit de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan, en de omgevingsvergunning. Deze kerninstrumenten bieden een samenhangend stelsel om sturing te geven aan de fysieke leefomgeving. Hieronder beschrijven we deze samenhang. In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente de hoofdlijnen van haar beleid op lange termijn. Het is een strategische visie met daarin de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsprogramma’s dienen om het beleid van de omgevingsvisie nader vorm te geven en te komen tot concrete uitvoering. Programma’s kunnen een scala aan maatregelen bevatten van beleidsregels en financiële instrumenten tot communicatieplannen. Het omgevingsplan vormt een juridisch bindend document waarmee de doelstellingen en ambities uit de omgevingsvisie mede worden bereikt. De onderbouwing van de keuzes in het omgevingsplan vloeit voort uit de omgevingsvisie en de omgevingsprogramma’s. Met de omgevingsvergunning heeft de gemeente een instrument in handen om te beoordelen of initiatieven van derden passen binnen het omgevingsplan en/of binnen het gemeentelijk beleid zoals vormgegeven in omgevingsvisie en omgevingsprogramma.
4/28
3. Omgevingsvisie De Omgevingswet verplicht gemeenten om een omgevingsvisie op te stellen. Dit is een integrale visie voor de lange termijn die betrekking heeft op de hele fysieke leefomgeving. Aangezien het een vormvrij document is, heeft de gemeente veel mogelijkheden om het document en het participatieproces in te richten op een manier die aansluit bij bestuurlijke ambities en past bij de inwoners en ondernemers. 3.1 Wettelijke procedure omgevingsvisie De bevoegdheid voor het vaststellen van een omgevingsvisie ligt bij de gemeenteraad. De wet verplicht de raad om hierbij rekening te houden met de taken en bevoegdheden van andere overheden (artikel 2.2 Omgevingswet). Participatie Participatie in het traject om te komen tot een omgevingsvisie geldt als een verplichting. In de visie moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van de visie zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd (artikel 10.7 Omgevingsbesluit). Aan de wijze waarop de gemeente participatie organiseert worden geen eisen gesteld. Openbare voorbereidingsprocedure Op de voorbereiding van de omgevingsvisie is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
Dat betekent dat het ontwerp gedurende een periode van zes weken ter inzage moet liggen met de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen. Aanvullende regels Wanneer de omgevingsvisie het kader vormt voor projecten waarvoor een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, dan gelden daarvoor aanvullende regels. Geen beroepsmogelijkheid Tegen de vaststelling van een omgevingsvisie staat geen beroep open (artikel 1, bijlage 2 Awb). Dit heeft te maken met het zelfbindende karakter van een omgevingsvisie. Inwoners en bedrijven zijn niet gebonden aan de inhoud van de omgevingsvisie, alleen het gemeentebestuur zelf dient zich te houden aan het beleid dat in de omgevingsvisie is geformuleerd.
3.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Op 25 november 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050: “Verbonden met elkaar” vastgesteld. Overeenkomstig de door de raad vastgestelde kaders voor proces en participatie (startnotitie, januari 2019) heeft de visie stapsgewijs vorm gekregen. Daarbij heeft de samenleving voorafgaand aan het opstellen van het ontwerp van de Omgevingsvisie input geleverd en uitgebreid gereageerd op het ontwerp van de Omgevingsvisie. Met de Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050 is gebruik gemaakt van alle kansen die de nieuwe wet biedt. Het is een strategische visie waarin alle ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de hele gemeente op de lange termijn staan. Alle betrokken belangen zijn met elkaar in samenhang bekeken en er is steeds een afweging gemaakt tussen het beschermen en benutten van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Daarmee is ingespeeld op lokale behoeften.
5/28
Monitoring en evaluatie De omgevingsvisie is het belangrijkste strategische document waarmee de gemeente(raad) stuurt op de lange termijn ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het is dan ook belangrijk dat we de hoofdlijnen van de omgevingsvisie vasthouden en samen aan de slag gaan met het realiseren van de doelstellingen en ambities. Inwoners, ondernemers en (maatschappelijke) partners rekenen erop dat we hiervoor staan, aan werken en mee werken. Daar staat tegenover dat de wereld snel verandert. Mede daarom biedt de omgevingsvisie ruimte flexibel om te gaan met nieuwe ontwikkelingen en deze steeds te bezien vanuit het kompas. Desondanks kunnen er ook redenen zijn de omgevingsvisie aan te passen. Eind 2025 is de eerste monitor van de omgevingsvisie afgerond en ter informatie aangeboden aan de gemeenteraad. Daarin kijken we of we op de goede weg zijn. De monitor gaat niet alleen over de Omgevingsvisie, maar ook over de planMER en de omgevingsprogramma’s. Door in samenhang te kijken naar wat we willen bereiken (omgevingsvisie en planMER) en naar hoe we dat gaan bereiken (omgevingsprogramma) beslaat de monitor dan ook het gehele spectrum van beleidsontwikkeling. Dit doen we in toenemende mate en waar mogelijk gebaseerd op data.
Herziening omgevingsvisie De hierboven beschreven monitor kan worden gebruikt om te overwegen of en op welke punten de omgevingsvisie aangepast zou moeten worden.
6/28
4. Omgevingsprogramma Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken kunnen overheden omgevingsprogramma’s opstellen. In omgevingsprogramma’s formuleert de gemeente haar tactische beleid alsmede de maatregelen die leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Die maatregelen kunnen van alles zijn. Denk aan beleidsregels en financiële instrumenten. Maar ook communicatie, convenanten, de uitvoering van projecten en het stellen van regels zijn onderdelen die in de omgevingsprogramma’s een plek kunnen krijgen. Verplichte omgevingsprogramma’s Voor gemeenten zijn er twee omgevingsprogramma’s verplicht gesteld: het programma geluid en het programma energie. Het programma geluid is verplicht wanneer je als gemeente deel uitmaakt van een agglomeratie van meer dan 100.000 inwoners. Pijnacker-Nootdorp is onderdeel van zo een agglomeratie. Er kunnen nog andere verplichte omgevingsprogramma’s bij komen. Dit is het geval als er sprake is van een dreigende overschrijding van één of meer omgevingswaarden. Een omgevingswaarde is een kwaliteitsnorm die een overheid wil bereiken of die volgt uit Europese of andere internationale verplichtingen. De overheid moet haar taken en bevoegdheden zo inzetten dat de omgevingswaarden worden behaald. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij luchtkwaliteit.
Rijk en provincie hebben de mogelijkheid om in respectievelijk het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de provinciale omgevingsverordening gemeenten te verplichten om een omgevingsprogramma op te stellen. Onverplichte omgevingsprogramma’s Gemeenten hebben de bevoegdheid om op eigen initiatief omgevingsprogramma’s op te stellen. De Omgevingswet noemt dit ‘onverplichte programma’s’. Deze omgevingsprogramma’s kunnen op verschillende wijze worden ingestoken: gebiedsgericht (bijvoorbeeld voor een transformatiegebied), sectoraal (bijvoorbeeld woonbeleid), of thematisch (bijvoorbeeld gericht op duurzaamheid of energietransitie).
4.1 Wettelijke procedure omgevingsprogramma De bevoegdheid tot het vaststellen van gemeentelijke omgevingsprogramma’s ligt bij het college van burgemeester en wethouders (art. 3.4 Omgevingswet). Participatie In het omgevingsprogramma moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van het programma zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd. Ook moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het lokale participatiebeleid (artikel 10.8 Omgevingsbesluit). Participatie is op zicht niet verplicht, maar wanneer geen participatie wordt toegepast moet wel worden toegelicht waarom niet. Het is aan de gemeente om zelf te beslissen of, en zo ja, op welke wijze zij de participatie organiseert. Ook worden geen eisen gesteld aan de wijze waarop de gemeente participatie organiseert. Openbare voorbereidingsprocedure Op de voorbereiding van een verplicht omgevingsprogramma is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Dat betekent dat het ontwerp gedurende een periode van zes weken ter inzage moet liggen met de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen. Wanneer het college een wijziging aanbrengt in een omgevingsprogramma kan het er voor kiezen om afdeling 3.4 Awb buiten toepassing te verklaren. Hierbij gelden wel enkele voorwaarden.
Zo mogen de wijzigingen niet leiden tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu. 7/28
Aanvullende regels Wanneer een omgevingsprogramma het kader vormt voor projecten waarvoor een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, dan gelden daarvoor aanvullende regels. Beroepsmogelijkheden Tegen de vaststelling van een omgevingsprogramma staat geen beroep open. (art 1, bijlage 2 Awb). Dit heeft te maken met het zelfbindende karakter van een omgevingsprogramma. Een omgevingsprogramma kan burgers en bedrijven stimuleren om die dingen te doen die helpen om de doelstellingen te halen. Er is echter geen sprake van direct toezicht of handhaving op een omgevingsprogramma. Alleen het bestuur zelf is gebonden aan het omgevingsprogramma. Tegen die delen van een omgevingsprogramma die specifieke rechtsgevolgen hebben is wel beroep mogelijk. Dit geldt voor omgevingsprogramma’s die rechtstreeks toestemming geven voor activiteiten. Er wordt dan geen apart toestemmingsbesluit meer genomen voor die activiteit omdat het omgevingsprogramma zelf al die mogelijkheid geeft.
4.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Naar een structuur van omgevingsprogramma’s Zoals ook beschreven in de Omgevingsvisie 2050 “Verbonden met elkaar” werken we de komende jaren aan een structuur van omgevingsprogramma’s waarmee we de Omgevingsvisie verder uitwerken. Met deze programmastructuur borgen we dat de ambities en doelstellingen uit de Omgevingsvisie worden uitgewerkt in tactisch beleid en maatregelen gericht op ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving. Hiermee streven wij naar eenheid en samenhang van ons beleid. Ook moet deze structuur bijdragen aan de vindbaarheid van dit beleid voor inwoners en andere belanghebbenden. Implementatieperiode van vijf jaar In de omgevingsvisie staat dat wij het bestaande beleidskader in vijf jaar willen omzetten naar een samenhangend geheel van omgevingsprogramma’s. Dat gaat stap voor stap. Hierbij wordt waar mogelijk aangesloten bij ‘natuurlijke momenten’, bijvoorbeeld wanneer een beleidsplan of beheerplan moet worden herzien. De programmastructuur is daarbij flexibel en kan door het college aangepast worden als daar aanleiding voor is. De raad wordt hierover geïnformeerd. Na deze implementatieperiode is al het beleid voor de fysieke leefomgeving ondergebracht in de omgevingsvisie en in omgevingsprogramma’s.
Rolverdeling in de procedure van het omgevingsprogramma De vaststelling van een omgevingsprogramma is een bevoegdheid van het college. Het college betrekt de gemeenteraad bij de totstandkoming en besluitvorming omtrent een omgevingsprogramma. Het college houdt hierbij rekening met de taken en bevoegdheden van de raad, en stemt waar nodig met de raad af. De raad geeft het college vooraf inhoudelijke en procesmatige kaders mee voor het opstellen van het omgevingsprogramma. Hoewel niet wettelijk verplicht werken wij bij het opstellen van alle omgevingsprogramma’s conform afdeling 3.4 Awb. Daarbij gaan we uit van de onderstaande rolverdeling. Kaderstellende notitie Het initiatief voor het opstellen van een omgevingsprogramma komt van het college. Het college besluit tot het opstellen van een omgevingsprogramma, en vraagt de gemeenteraad om kaders hiervoor vast te stellen Hiervoor stelt het college een concept kader stellende notitie op. Hierin staan inhoudelijke en procesmatige randvoorwaarden voor het opstellen van een omgevingsprogramma. Het gaat onder meer om de aanleiding, het doel en de ambities van het omgevingsprogramma, de scope en de planning, en de aanpak van de participatie. De raad stelt de kaderstellende notitie vast.
8/28
Participatie Het college draagt de verantwoordelijkheid voor de participatie rondom een omgevingsprogramma. De aanpak hierbij kan verschillen per omgevingsprogramma. Dit is afhankelijk van de relevante onderwerpen, stakeholders, doelstellingen, etc. De nog vast te stellen Nota Participatiebeleid is hiervoor de toekomstige leidraad. De participatieaanpak voor het opstellen van een omgevingsprogramma wordt vastgesteld in de kaderstellende notitie. Ontwerp omgevingsprogramma Het college stelt het ontwerp omgevingsprogramma op. In de kaderstellende notitie staat op welke wijze de raad hierbij wordt betrokken. Dit kan per omgevingsprogramma verschillen. Ook tijdens het proces van opstellen kan er een aanleiding zijn om de raad te betrekken. De besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsprogramma ligt bij het college. De publicatie en terinzagelegging van het ontwerp omgevingsprogramma worden verzorgd door het college. Belangstellenden/belanghebbenden die hebben deelgenomen aan het participatieproces worden geïnformeerd. Via een informatienota informeert het college de raad. Het college informeert de gemeenteraad hierbij ook op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van het ontwerp zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd.
De raad heeft de mogelijkheid het ontwerp omgevingsprogramma te agenderen, en het college een reactie te geven. Vaststelling wijziging omgevingsprogramma De besluitvorming over het vaststellen van het omgevingsprogramma ligt bij het college. Het college geeft aan welke aanpassingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp omgevingsprogramma. Wanneer er zienswijzen zijn ingebracht op een ontwerpbesluit levert het college een nota op waarin de zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een beantwoording. De indieners van de zienswijzen worden geïnformeerd over het voorstel van het college. Via een informatienota informeert het college de raad over deze besluitvorming. De financiële gevolgen van de besluitvorming worden meegewogen in de kadernota of programmabegroting. Na de besluitvorming verzorgt het college de publicatie en terinzagelegging van de wijziging van het omgevingsprogramma. Ook worden de indieners van zienswijzen persoonlijk geïnformeerd over het collegebesluit.
Afwijkende werkwijze bij ondergeschikte wijzigingen De wet biedt de mogelijkheid om bij wijzigingen van ondergeschikte aard te kiezen voor een andere voorbereidingsprocedure dan 3.4 Awb. Mocht een dergelijke ondergeschikte wijziging aan de orde zijn dan zal het college de raad hierover tijdig informeren, alsmede over de procedure die hierbij wordt gevold. Monitoring omgevingsprogramma’s De op te stellen omgevingsprogramma’s zijn gericht op maatregelen. De mate waarin deze maatregelen bijdragen aan de beleidsdoelen uit de omgevingsvisie gaan we structureel monitoren. Zoals hiervoor genoemd willen we komen tot een terugkerend systeem van monitoring van de omgevingsprogramma’s, in samenhang met monitoring van de omgevingsvisie.
9/28
5. Omgevingsplan Met het omgevingsplan hebben we één instrument met juridisch bindende regels voor de fysieke leefomgeving. Dit instrument is nog het meest te vergelijken met een bestemmingsplan, al is de reikwijdte van een omgevingsplan veel ruimer. Het omgevingsplan omvat ook regels op het gebied van geluid, trillingen, stof, stank waterkwaliteit en het kappen van bomen; om maar een paar voorbeelden te noemen. Deze regels kunnen worden gespecifieerd voor de verschillende delen van de gemeente. Tijdelijk omgevingsplan Elke gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024 een ‘tijdelijk omgevingsplan’ gekregen. Dit is ontstaan van rechtswege door samenvoeging van alle ruimtelijke regels uit bestaande instrumenten (zoals bestemmingsplannen) en de zogenoemde bruidsschat. De bruidsschat omvat een pakket aan rijksregels dat is gedecentraliseerd naar gemeentelijk niveau. De regels uit het tijdelijke omgevingsplan en de regels over de fysieke leefomgeving die nu nog in de gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen moeten worden omgezet naar het nieuwe omgevingsplan. Hiervoor hebben gemeenten tot eind 2031 de tijd. Ook alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan zo stapsgewijs worden gewijzigd in het nieuwe omgevingsplan.
5.1 Wettelijke procedure omgevingsplan 2 De basis voor de procedure voor vaststelling wordt gevormd door de Omgevingswet en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de procedure van het omgevingsplan zijn verschillende stappen te onderscheiden. Deze worden hieronder beschreven. De bevoegdheid tot het vaststellen van een omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad. De gemeenteraad kan deze bevoegdheid indien gewenst delegeren aan het college. Kennisgeving opstellen omgevingsplan Wanneer de gemeenteraad voornemens is om een omgevingsplan vast te stellen moet zij hiervan een kennisgeving publiceren (artikel 16.29 Omgevingswet). De kennisgeving moet onder andere gepubliceerd worden in het gemeenteblad (artikel 3:12 Awb). In de kennisgeving moet de gemeente in ieder geval aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Participatie Bij de vaststelling van een omgevingsplan moet worden beschreven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, en ook wat met de resultaten is gebeurd. Daarnaast moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het lokale participatiebeleid. Ontwerp-omgevingsplan Na de participatiefase brengt de gemeente een ontwerp-omgevingsplan in procedure.
Van dit ontwerp wordt een kennisgeving geplaatst in het gemeenteblad (art. 16.29 Omgevingswet, artikel 3:12 Awb). Eenieder kan vervolgens binnen zes weken na publicatie van de kennisgeving een zienswijze indienen op dit ontwerp.
2 Zoals genoemd beschikken we vanaf 1 januari 2024 over een omgevingsplan van rechtswege. Een
omgevingsplan dat na deze datum wordt vastgesteld is strikt formeel gezien een wijziging van het omgevingsplan. In deze nota spreken we gemakshalve over (de vaststelling van) een omgevingsplan, en niet over (de vaststelling van) een wijziging van het omgevingsplan. 10/28
Vaststelling omgevingsplan De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. Bij het vaststellen van het plan moet in de motivering worden ingegaan op de ingediende zienswijzen. Wanneer er geen zienswijzen zijn ingediend op een ontwerp-omgevingsplan moet het plan binnen vier weken na de terinzagelegging worden vastgesteld (artikel 3:18 lid 4 Awb). In alle andere gevallen geldt er geen deadline voor de behandeling. De gemeente maakt de vaststelling van het omgevingsplan bekend in het gemeenteblad. Een wijziging van het omgevingsplan treedt vier weken na publicatie van de vaststelling in werking, tenzij de gemeenteraad in het vaststellingsbesluit een later tijdstip heeft opgenomen. De gemeenteraad kan de bevoegdheid tot het vaststellen van het omgevingsplan delegeren aan het college. Aan deze delegatie kunnen voorwaarden worden verbonden. De delegatie en de eventuele voorwaarden moeten in een delegatiebesluit worden vastgelegd. Beroepsmogelijkheid Tegen het vaststellingsbesluit kan door indieners van zienswijzen beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze beroepsmogelijkheid bestaat gedurende vier weken na publicatie van het vastgestelde omgevingsplan. Degene die in beroep gaat kan bij de rechter een verzoek om voorlopige voorziening doen.
Wanneer deze voorlopige voorziening wordt toegewezen leidt dit er toe dat de inwerkingtreding van een vastgesteld omgevingsplan geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort. Voorbeschermingsregels (het voorbereidingsbesluit) De gemeenteraad kan met een voorbereidingsbesluit regels opnemen in het omgevingsplan om een locatie of een gebied te beschermen tijdens de procedure die wordt doorlopen om te komen tot het wijzigen van een omgevingsplan. Dit zijn voorbeschermingsregels. Met deze regels voorkomt de gemeente dat in die periode ontwikkelingen of activiteiten plaatsvinden die komende vaststelling van het omgevingsplan in de weg staan. De gemeenteraad kan de bevoegdheid tot het stellen van voorbeschermingsregels delegeren aan het college. De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na 1,5 jaar, of, als binnen die termijn het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat laatstgenoemde vaststellingsbesluit in werking treedt. Anders dan bij het vaststellen van een omgevingsplan geldt bij het vaststellen van voorbeschermingsregels géén voorbereidingsprocedure.
Integratie vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten De Omgevingswet verplicht gemeenten om binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van een vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteit (lees: een ontheffing van het omgevingsplan), het omgevingsplan hiermee in overeenstemming te brengen (artikel 4.17 Omgevingswet). De wetgever heeft bepaald dat deze verplichting gaat gelden vanaf eind 2031. Gemeenten zijn evenwel vrij om eerder al over te gaan tot integratie van verleende vergunningen. Wanneer een omgevingsplan voorziet in de inpassing van een vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteit is tegen dit deel van het omgevingsplan geen zienswijze meer mogelijk. De reden hiervoor is dat dubbele besluitvorming, met beroepsmogelijkheid, over een reeds vergunde activiteit niet wenselijk is. Mocht iemand een zienswijze indienen op een dergelijk onderdeel van een omgevingsplan dan dient deze niet-ontvankelijk te worden verklaard.
11/28
5.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Hieronder wordt eerst ingegaan op het omzetten van het tijdelijke omgevingsplan in een nieuw omgevingsplan, zoals genoemd in de inleiding van dit hoofdstuk. Vervolgens wordt de wijze van werken beschreven voor het proces tot vaststelling van een omgevingsplan. Hierbij staat de rolverdeling tussen de gemeenteraad en het college centraal. Van tijdelijk naar nieuw omgevingsplan Zoals genoemd heeft de gemeente bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-7-2022 een ‘tijdelijk omgevingsplan’ gekregen. Dit moet voor eind 2031 worden omgezet in een nieuw omgevingsplan. De omgevingsvisie (vastgesteld november 2021) en de omgevingsprogramma’s zijn sterk bepalend voor de inhoud en prioritering van het nieuwe omgevingsplan. De omzetting van het omgevingsplan wordt daarom op deze ontwikkelingen afgestemd. Het college zal in 2026 de gemeenteraad informeren over het proces van omzetting van het tijdelijke naar het nieuwe omgevingsplan. Rolverdeling in de procedure van het omgevingsplan De vaststelling van een omgevingsplan is in beginsel een bevoegdheid van de gemeenteraad. Bij het tot stand komen van een omgevingsplan is het wenselijk (voorbereidende) handelingen te laten verrichten door het college. Hieronder beschrijven we per procedurestap de rolverdeling die we in Pijnacker-Nootdorp voorstellen om te komen tot vaststelling van een omgevingsplan.
Er zijn enkele specifieke situaties waarvoor we een afwijkende rolverdeling voorstellen. Deze situaties en de voorgestelde rolverdeling hierbij worden in paragraaf 5.3 beschreven. Kennisgeving opstellen omgevingsplan Het initiatief om te komen tot wijzigingen van het omgevingsplan komt vrijwel altijd van het college. Het college draagt ook de verantwoordelijkheid voor het participatietraject dat samenhangt met een omgevingsplan (zie volgende stap). In lijn hiermee is het gewenst dat het college ook de kennisgeving omtrent het opstellen van het omgevingsplan verzorgt. De bevoegdheid ligt wettelijk gezien bij de gemeenteraad maar voor een praktische uitvoering is deze in 2022 gemandateerd aan het college. Het college zal de gemeenteraad actief informeren wanneer er een voornemen is om een omgevingsplan voor te bereiden. Dit is als een voorwaarde aan het mandaatbesluit verbonden. Participatie Het college draagt verantwoordelijkheid voor de participatie rondom een omgevingsplan. De gemeenteraad wordt door het college geïnformeerd over de wijze waarop de participatie voor dit omgevingsplan wordt georganiseerd. Wanneer er sprake is van inloopavonden of andersoortige bijeenkomsten biedt het participatietraject raadsleden de mogelijkheid om actief informatie op te halen vanuit de samenleving om zo goed mogelijk invulling te kunnen geven aan hun rol.
Conform het participatiebeleid is de wijze waarom participatie wordt georganiseerd afhankelijk van omstandigheden zoals de aard en omvang van een beoogde ontwikkeling. Zo kan bij een eenvoudige technische omzetting van regels worden volstaan met informeren en is bij grootschaliger ontwikkelingen een intensievere wijze van participatie gewenst. Wij zullen daarom bij de wijziging van het omgevingsplan maatwerk toepassen, afgestemd op de inhoud van de wijziging. De verantwoordelijkheid voor het participatieproces bij een omgevingsplan ligt zoals genoemd bij het college. Dit is ook het geval wanneer het omgevingsplan wordt opgesteld in verband met een private ontwikkeling. Het college kan dan de initiatiefnemer instrueren over het te volgen participatieproces, gezamenlijk een participatieproces doorlopen of het proces overnemen. Welke werkwijze wordt gevolgd zal afhangen van de specifieke omstandigheden rondom de betreffende ontwikkeling.
12/28
Ontwerp-omgevingsplan De besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad. Het college is belast met de voorbereiding van dit besluit. In de praktijk betekent het dat wij de gemeenteraad een voorstel doen om in te stemmen met het ontwerp-omgevingsplan en dit plan in procedure te brengen. Het college informeert de gemeenteraad hierbij ook op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden bij de voorbereiding van het ontwerp zijn betrokken, en welke resultaten dit heeft opgeleverd. De publicatie en ter inzage legging van het ontwerpbesluit worden verzorgd door het college. Belangstellenden/belanghebbenden die hebben deelgenomen aan het participatieproces worden geïnformeerd over het voorstel van het college aan de gemeenteraad, en over het besluit van de gemeenteraad om het ontwerp-omgevingsplan (al dan niet) in procedure te brengen. Vaststelling omgevingsplan Ook de besluitvorming over het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad. Net als in de ontwerpfase is het college belast met de voorbereiding van dit besluit. Het college doet hiertoe een voorstel aan de gemeenteraad. Onderdeel van het voorstel is onder andere een overzicht van de aanpassingen die zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpbesluit.
Wanneer er zienswijzen zijn ingebracht op een ontwerpbesluit wordt door het college een nota opgeleverd waarin de zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een beantwoording. De indieners van de zienswijzen worden geïnformeerd over het voorstel aan de gemeenteraad en de mogelijkheid om voorafgaand aan de beeldvormende raadsvergadering in te spreken. Na besluitvorming door de gemeenteraad verzorgt het college de publicatie en terinzagelegging van het omgevingsplan. Ook worden de indieners van zienswijzen persoonlijk geïnformeerd over het raadbesluit en de terinzagelegging. Beroepsmogelijkheid Mocht er beroep worden aangetekend tegen een omgevingsplan dan zal het college de afhandeling hiervan verzorgen.
5.3
Afwijkende rolverdeling bij specifieke situaties
Er is een aantal situaties waarbij het logisch en gewenst is dat niet de gemeenteraad maar het college beslist over een omgevingsplan. Hieronder beschrijven we deze situaties en geven we een motivering waarom in deze specifieke situaties kan worden afgeweken van de bovengenoemde rolverdeling. Delegatiebesluit 2022 In 2022 heeft de gemeenteraad besloten over delegatie van bevoegdheden rondom de besluitvorming over het (ontwerp van) een omgevingsplan. Geen zienswijzen op ontwerp-omgevingsplan Zoals genoemd beslist de gemeenteraad over het ontwerp van een omgevingsplan. Wanneer op dit ontwerp geen zienswijzen worden ingediend moet deze wijziging van het omgevingsplan binnen vier weken na de ter inzage legging worden vastgesteld. Gezien de vergaderfrequentie van de gemeenteraad, de looptijd van een vergadercyclus en ook de aanlevertermijnen is het niet haalbaar binnen deze vier weken een raadsbesluit te (laten) nemen. In de wetenschap dat de gemeenteraad al heeft besloten over het ontwerp van het omgevingsplan is in 2022 besloten de bevoegdheid voor het vaststellen van het omgevingsplan voor dergelijke situaties te delegeren aan het college.
13/28
Integratie onherroepelijke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Wanneer een omgevingsplan enkel en alleen betrekking heeft op het integreren van een vergunde buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt hier geen nieuwe (beleidsmatige) keuze in gemaakt. Het omvat eerder een administratieve aanpassing. Uit oogpunt van efficiëntie en verlagen van de werkdruk van de gemeenteraad is in 2022 besloten deze administratieve handeling te delegeren aan het college. Het college krijgt daarmee de bevoegdheid om te beslissen over het ontwerp van dit omgevingsplan alsmede over de vaststelling van het plan. Activiteiten die niet “adviesplichtig” zijn Wanneer een voorgenomen activiteit strijdig is met het omgevingsplan zijn er twee verschillende procedures mogelijk om medewerking te verlenen aan de activiteit. Er kan worden gekozen voor een ontheffing in de vorm van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, of voor een wijziging van het omgevingsplan. De keuze van de procedure ligt in beginsel bij de initiatiefnemer. Het college kan hierbij adviseren en stimuleren, maar niet sturen. Met het vaststellen van het besluit “Lijst adviesplichtige ontwikkelingen” (zie hoofdstuk 6) heeft de gemeenteraad aangeven bij welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten hij bindend advies wenst te geven.
Het is vanzelfsprekend dat wanneer een activiteit, gelet op de aard, omvang en locatie, adviesplichtig is, de gemeenteraad ook het orgaan is dat oordeelt over deze activiteit wanneer hiervoor een wijziging van het omgevingsplan aan de orde is. In lijn hiermee is het voor de hand liggend dat bij activiteiten welke niet adviesplichtig zijn, de bevoegdheden omtrent het wijzigen van het omgevingsplan aan het college worden toegekend. Hiermee wordt de beslissingsbevoegdheid over een nieuwe ontwikkeling altijd afhankelijk van de inhoud van de ontwikkeling, en niet van de procedure die wordt gevolgd. In 2022 is al besloten om in dergelijke situaties de bevoegdheid om te beslissen over het ontwerp van dit omgevingsplan alsmede over de vaststelling van het plan te delegeren aan het college. Nu er een nieuw besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen 2025 is opgesteld (zie paragraaf 6.2) is actualisering van het genomen delegatiebesluit noodzakelijk. Activiteiten die passen in een wijzigingsbevoegdheid Onze bestemmingsplannen kennen verschillende wijzigingsbevoegdheden. Deze geven het college de ruimte om in specifieke situaties met een eenvoudige procedure het bestemmingsplan aan te passen. Met het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheden heeft de gemeenteraad besloten welke activiteiten op elk van de betreffende locaties mogelijk zijn, en ook onder welke voorwaarden.
De beoordeling of een activiteit voldoet aan deze voorwaarden ligt bij het college. Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de vigerende bestemmingsplannen “bevroren”. Het is daarna niet meer mogelijk een dergelijke wijzigingsbevoegdheid toe te passen. Voor activiteiten waarvoor nu nog een wijzigingsprocedure volstaat is straks ofwel een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ofwel een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.3 In 2021 is een inventarisatie uitgevoerd van de wijzigingsbevoegdheden die in de bestemmingsplannen zijn opgenomen. Met de betrokken eigenaren zijn gesprekken gevoerd over de planologische mogelijkheden en hun toekomstplannen. Op basis hiervan vermoeden wij dat er hooguit vier locaties zijn waar in de komende jaren medewerking wordt gevraagd aan een ontwikkeling die past binnen een nu nog vigerende wijzigingsbevoegdheid.
3 Een uitzondering geldt voor een wijzigingsbevoegdheid die alleen de activiteit “bouwen” betreft en niet
leidt tot functieverandering. Deze kan middels een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden vergund. Dergelijke wijzigingsbevoegdheden komen in Pijnacker-Nootdorp niet voor. 14/28
Om de proceduretijd voor deze initiatiefnemers te verkorten is in 2022 de bevoegdheid tot besluitvorming over een omgevingsplan in dergelijke situaties gedelegeerd aan het college. Dit betreft zowel besluitvorming over het ontwerp als over de vaststelling van het omgevingsplan. Relatie met buitenplanse omgevingsplanactiviteit In de lijst adviesplichtige ontwikkelingen (zie paragraaf 6.2) is opgenomen dat activiteiten waarvoor in een vastgesteld bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen niet adviesplichtig zijn. Hiermee wordt een consequente lijn gehanteerd ten aanzien van de afhandeling van deze activiteiten. Voorbeschermingsregels (voorbereidingsbesluit) Zoals hiervoor is beschreven in paragraaf 5.1 wordt een besluit tot het vaststellen van voorbeschermingsregels zonder openbare voorbereidingsprocedure genomen. Dit is vergelijkbaar met de procedure van een voorbereidingsbesluit onder de Wet ruimtelijke ordening. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om de bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders (4.14, lid 5 Omgevingswet). Hiermee kan een nog snellere vaststelling van de voorbeschermingsregels worden bereikt. De gemeenteraad heeft hiertoe in 2022 ook besloten. Correcties Het kan gebeuren dat een omgevingsplan een incorrectheid bevat.
Het kan, omwille van duidelijkheid gewenst zijn deze te corrigeren. Gelet op de ondergeschiktheid c.q. kleinschaligheid hiervan is het voor de hand liggend het corrigerende omgevingsplan door het college te laten beslissen. De gemeenteraad heeft ook hiertoe in 2022 besloten.
Nieuwe delegatiebesluiten Naar aanleiding van de evaluatie van de Nota in 2025 wordt voorgesteld in een aantal specifieke situaties bevoegdheden te delegeren aan het college. Specifieke wijzigingen van de bruidsschat Vanuit het Rijk krijgt de gemeente een aantal regels, de zogenoemde bruidsschat, die kan worden aangepast op de lokale situatie. In 2024 is met een wijziging van het omgevingsplan een aantal artikelen uit deze bruidsschat geschrapt. Inmiddels is duidelijk dat er meer artikelen zijn die geschrapt kunnen worden. Deze zijn opgenomen in bijlage 1. Met het schrappen van deze artikelen wordt een bijdrage geleverd aan één van de doelen van de Omgevingswet, te weten, het verminderen van de regeldruk waar mogelijk.
Voorgesteld besluit: De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot besluitvorming over het vaststellen van een omgevingsplan, alsmede de bevoegdheid tot besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsplan indien een omgevingsplan alleen voorziet in specifieke aanpassing en/ of het schrappen van artikelen zoals beschreven in ‘Bijlage 1. Aanpassingen Bruidsschat 2025’.
Specifieke wijzigingen omgevingsplan rondom NEN-normen In de bruidsschat zijn verwijzingen naar een aantal NEN-normen opgenomen. De Rijksoverheid heeft gesignaleerd dat dit kan leiden tot knelpunten bij toekomstige wijziging van deze normen. Gemeenten hebben dan een plicht deze wijzigingen te publiceren, met de nodige werkzaamheden en kosten tot gevolg. Er is daarom een wijziging van de Omgevingsregeling en de AMvB’s in voorbereiding welke noodzaakt tot aanpassingen in de bruidsschat.
15/28
Een groot deel van de artikelen van de bruidsschat is inmiddels overgeheveld naar het nieuwe omgevingsplan. Deze artikelen komen daardoor in ons omgevingsplan twee keer voor; zowel in het tijdelijk deel als in het nieuwe deel. Hoewel op dit moment (september 2025) de benodigde aanpassingen nog niet in detail bekend zijn, weten we dat deze geen inhoudelijke gevolgen zullen hebben.
Voorgesteld besluit: De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot besluitvorming over het vaststellen van een omgevingsplan, alsmede de bevoegdheid tot besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsplan indien een omgevingsplan alleen voorziet in wijzigingen die voorzien in opheffing van verwijzingen naar NEN-normen en/of hier direct mee samenhangen.
Beperkingengebied lokale spoorwegen Door de MRDH is verzocht om het door haar vastgestelde beperkingengebied lokale spoorwegen op te nemen in het omgevingsplan. De MRDH heeft hiervoor een geometrische begrenzing en ook een set voorbeeldregels aangeleverd. Deze regels dienen te worden aangepast aan de opzet van ons omgevingsplan. Op dit moment geldt er op basis van het overgangsrecht Omgevingswet al een beperkingengebied. Dit gebied is nu niet zichtbaar in het omgevingsplan. Door het beperkingengebied op te nemen in het omgevingsplan wordt het voor eenieder duidelijk waar de betreffende regels gelden. De MRDH heeft verzocht om de wijziging van het omgevingsplan voor 1 januari 2026 vast te stellen. Gelet op de te verrichten werkzaamheden, de doorlooptijden van een procedure tot wijziging van het omgevingsplan is vaststelling voor de gewenste datum niet haalbaar; de MRDH is hiervan op de hoogte. Door de bevoegdheid tot besluitvorming over deze wijziging van het omgevingsplan te delegeren aan het college kan het proces tot vaststelling worden versneld.
Voorgesteld besluit: De gemeenteraad delegeert de bevoegdheid tot besluitvorming over het vaststellen van een omgevingsplan, alsmede de bevoegdheid tot besluitvorming over het ontwerp van een omgevingsplan indien een omgevingsplan alleen voorziet in het opnemen van een beperkingengebied langs de spoorlijn van de Randstadrail.
Informatievoorziening gemeenteraad Mocht het college gebruik maken van één van de bovenstaande gedelegeerde bevoegdheden om te besluiten over een (ontwerp)omgevingsplan dan wordt de gemeenteraad hierover geïnformeerd. Deze informatievoorziening is als voorwaarde aan de delegatie verbonden.
16/28
6. Omgevingsvergunning Initiatieven van burgers, bedrijven en overheden kunnen gevolgen hebben voor de leefomgeving. In het omgevingsplan legt de gemeente vast voor welke activiteiten daarom een vergunning noodzakelijk is, voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding, en welke activiteiten direct toelaatbaar zijn. Wanneer een activiteit past in het omgevingsplan maar alleen toelaatbaar is met een omgevingsvergunning, dan spreken we over een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarnaast zijn er ook activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan. Mocht iemand voor een dergelijke activiteit een omgevingsvergunning aanvragen dan spreken we over een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.4
6.1 Wettelijke procedure omgevingsvergunning De afhandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen ligt bij het college. Het college draagt zorg voor een goede en zorgvuldige afhandeling van deze aanvragen. De Omgevingswet kent voor de afhandeling van een aanvraag omgevingsvergunning twee verschillende procedures: de reguliere en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Hieronder worden deze twee procedures kort beschreven. Reguliere voorbereidingsprocedure De reguliere voorbereidingsprocedure (hoofdstuk 4 Awb) vormt in de Omgevingswet het uitgangspunt voor de afhandeling van omgevingsvergunningaanvragen; dus zowel voor de binnenplanse als voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De beslistermijn voor de reguliere procedure is in beginsel 8 weken. Het college kan deze termijn met maximaal 6 weken verlengen. Op het genomen besluit is vervolgens bezwaar, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State mogelijk. Niet tijdig beslissen op een aanvraag kan niet leiden tot een omgevingsvergunning van rechtswege. Als de wettelijke termijn niet wordt gehaald is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing. Een aanvrager kan de gemeente in gebreke stellen waarna de gemeente aan de aanvrager een dwangsom verbeurt. Deze dwangsom kan oplopen tot een bedrag van€ 1.422,-.
Uitgebreide voorbereidingsprocedure Voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is in sommige situaties de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing. Bij deze procedure dient het college binnen 6 maanden te beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Deze termijn kan met maximaal 6 weken worden verdaagd. Nadat het besluit is genomen is beroep bij de rechtbank en vervolgens ook hoger beroep bij de Raad van State mogelijk; bezwaar is niet aan de orde in deze procedure. Ook voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt dat indien de wettelijke termijn niet wordt gehaald, de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Het niet tijdig beslissen op een aanvraag kan niet (meer) leiden tot een vergunning van rechtswege. Wanneer de uitgebreide voorbereidingsprocedure? Zoals genoemd vormt de reguliere voorbereidingsprocedure het uitgangspunt bij de afhandeling van verzoeken om omgevingsvergunning. Bij sommige buitenplanse omgevingsplanactiviteiten 4 Een zeer specifieke uitzondering op het bovenstaande wordt gevormd door bouwactiviteiten waarvan de
Rijksoverheid heeft bepaald dat deze vergunningvrij mogen worden uitgevoerd. Voor deze bouwactiviteiten geldt dat, ook wanneer ze in strijd zijn met het omgevingsplan, er geen vergunning noodzakelijk is. 17/28
kan het college de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing verklaren. Voorwaarden hierbij zijn dat het moet gaan om: een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving; én waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Aan beide voorwaarden moet worden voldaan om de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing te kunnen verklaren. Indien maar aan één van de twee voorwaarden wordt voldaan is de reguliere procedure aan de orde. Hierop is één uitzondering. De uitgebreide procedure kan ook van toepassing worden verklaard indien een aanvrager heeft verzocht of vooraf heeft ingestemd met het toepassen van deze uitgebreide procedure. Wanneer het college de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing wil verklaren dient de aanvrager in de gelegenheid te worden gesteld om voorafgaand aan dit besluit een zienswijze te kunnen geven op het voornemen. Participatie De aanvrager van een omgevingsvergunning is verplicht om bij zijn aanvraag aan te geven of hij aan participatie heeft gedaan, en zo ja, hoe hij dit heeft gedaan en welke resultaten dit heeft opgeleverd. Een aanvrager is niet verplicht om aan participatie te doen. Het college mag een aanvraag dan ook niet weigeren of buiten behandeling laten omdat een aanvrager niet aan participatie heeft gedaan.
Op het bovenstaande geldt één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aanwijzen waarbij participatie verplicht is voor een aanvraag om omgevingsvergunning. (artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet). Als de aanvrager bij een dergelijke aanvraag niet aan participatie heeft gedaan kan het college de aanvraag buiten behandeling stellen. Het college moet de aanvrager wel eerst de gelegenheid geven het gebrek te herstellen. Betrokkenheid andere bestuursorganen Een omgevingsvergunning kan betrekking hebben op activiteiten waarbij andere (bestuurs)organen belangen hebben. Denk hierbij aan de rijksoverheid, de provincie, het hoogheemraadschap, de vervoersregio en de veiligheidsregio. In het Omgevingsbesluit heeft de wetgever geformuleerd in welke situaties welke van deze instanties advies en mogelijk ook instemmingrecht hebben. Het college is verplicht bij de beoordeling van een verzoek om omgevingsvergunning voor deze activiteiten de betreffende organen te betrekken. Ander bevoegd gezag Meestal is het college bevoegd gezag bij het nemen van een beslissing over omgevingsvergunningen. Er kan in specifieke gevallen sprake zijn van een ander gezag, bijvoorbeeld de provincie of het hoogheemraadschap. In een dergelijk geval is voor de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning een advies met instemming van burgemeester en wethouders noodzakelijk.
Het betreffende bevoegd gezag kan in deze specifieke situaties de gevraagde omgevingsvergunning niet verlenen wanneer het college niet heeft ingestemd. Het college kan deze instemming alleen verlenen of weigeren op dezelfde gronden als die gelden voor een omgevingsvergunning voor de betreffende activiteit. Er mogen derhalve geen aanvullende of mindere eisen aan worden verbonden. Adviesrecht gemeenteraad De verantwoordelijkheid voor de besluitvorming over omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten ligt in beginsel bij het college. De gemeenteraad kan besluiten om advies te willen geven over omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het college moet een dergelijk advies van de gemeenteraad in acht nemen bij zijn beslissing (artikel 16.15a Omgevingswet).
18/28
De gemeenteraad heeft dezelfde adviesbevoegdheid in die gevallen waarbij het college niet als bevoegd gezag fungeert, maar als adviseur met instemmingsrecht. Ook hierbij geldt het college het advies van de gemeenteraad in acht moet nemen bij haar besluit over instemming (artikel 16.16 Omgevingswet).
6.2
Werkwijze in Pijnacker-Nootdorp
Op basis van de wettelijke kaders is er voor de afhandeling van aanvragen omgevingsvergunning sprake van een duidelijke rolverdeling. Op enkele onderdelen is nog (aanvullende) besluitvorming door de gemeenteraad gewenst. Dit betreft de verplichte participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en het adviesrecht van de gemeenteraad. Participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Zoals genoemd heeft de gemeenteraad de mogelijkheid gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen waarbij participatie verplicht is voor de aanvrager. Participatie kan kwaliteit verhogend werken en helpt bij het verkrijgen van draagvlak voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast kan de opbrengst van een participatietraject worden gebruikt om te beoordelen of er bedenkingen te verwachten zijn tegen een nieuwe ontwikkeling. Dit aspect is van belang voor het bepalen van de procedure die doorlopen moet worden voor de afhandeling van de aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit (reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure). De gemeenteraad heeft daarom in 2022 besloten alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan te wijzen als onderwerp waarbij participatie verplicht is. Adviesrecht gemeenteraad De gemeenteraad heeft in 2022 besloten om advies te willen geven over omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.
Daartoe heeft de raad de lijst adviesplichtige ontwikkelingen vastgesteld. Bij het samenstellen hebben de onderstaande overwegingen een belangrijke rol hebben gespeeld: Onderscheid stedelijk gebied, landelijk gebied en glastuinbouwgebied Zoals ook in de omgevingsvisie “Verbonden met elkaar” naar voren komt streeft PijnackerNootdorp naar een duurzame ontwikkeling van de gehele gemeente, maar verdient het buitengebied hierbij speciale aandacht. Een ontwikkeling in de groengebieden, de oude linten en/of de buurtschappen kan een grotere impact hebben op de leefomgeving dan een soortgelijke ontwikkeling in één van de kernen. Daarom wordt in de lijst adviesplichtige ontwikkelingen onderscheid gemaakt tussen stedelijk en landelijk gebied. Binnen Pijnacker-Nootdorp nemen de glastuinbouwgebieden een aparte plaats in. Het aantal ruimtelijke ontwikkelingen hier waarbij sprake is van strijd met het omgevingsplan is beperkt. Maar ze omvatten soms wel grote oppervlaktes. Daarom wordt voor deze gebieden een aparte categorie aangeduid. Hierbij gaan we uit van de gebiedsprofielen uit de omgevingsvisie. Welke gebieden als stedelijk gebied, landelijk gebied en (glas)tuinbouwgebied worden aangemerkt is zichtbaar op de bijbehorende kaart. Deze geeft, op basis van de gebiedsprofielen uit de omgevingsvisie, een indeling voor de gehele gemeente.
Focus op ontwikkelingen met impact In de lijst wordt de focus gelegd op ontwikkelingen met impact; ontwikkelingen die aanzienlijke gevolgen (kunnen) hebben op de fysieke leefomgeving. Dit zullen veelal -maar niet altijd- plannen zijn die een uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten doorlopen. Bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure is er een langere beslistermijn aan de orde dan bij de reguliere voorbereidingsprocedure. Door in de lijst te focussen op ontwikkelingen met impact wordt indirect bijgedragen aan het voorkomen van termijnoverschrijdingen als gevolg van het adviesrecht. 19/28
Heldere criteria De onderstaande lijst beoogt heldere criteria te geven voor ontwikkelingen waar de gemeenteraad een bindend advies over uit moet uitbrengen. De lijst is opgesteld als een positieve lijst, hiermee wordt expliciet duidelijk wanneer de gemeenteraad om advies wordt gevraagd. Vrijwel elk criterium is voorzien van een kwantitatieve begrenzing. Er wordt niet gewerkt op basis van subjectieve termen zoals “voldoende”, “in ruime mate”, of “veel”, waarbij verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zodoende ontstaat een helder toetsingskader. Uitzondering voor ontwikkeling passend binnen wijzigingsbevoegdheid Het adviesrecht van de raad is niet van toepassing bij een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit wanneer de betreffende activiteit voldoet aan de voorwaarden van een wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in een door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan. Mocht een wijzigingsbevoegdheid zijn voorzien van kwalitatieve criteria, dan is de beoordeling of de ontwikkeling past aan het college. Geen inhoudelijk oordeel De criteria die in de lijst zijn opgenomen vormen geen inhoudelijk toetsingskader voor de beoordeling van een verzoek. Ze geven enkel de scheidslijn tussen wanneer er wel en wanneer er geen adviesrecht van de gemeenteraad aan de orde is
Voorgestelde aanpassingen besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen In de evaluatie is naar voren gekomen dat het gewenst is het besluit lijst adviesplichtige ontwikkelingen op onderdelen aan te passen. De voorgestelde aanpassingen worden hieronder beschreven. Uitzondering voor tweede aanvraag omgevingsvergunning bij een ‘geknipte bopa’ De Omgevingswet introduceert de mogelijkheid om een ‘geknipte bopa’ aan te vragen. Dan wordt in de eerste omgevingsvergunning een planologisch kader geschapen (locatie, toegestane maximale goot- en bouwhoogte, toegestane functies). In een tweede vergunning wordt vervolgens meer invulling gegeven aan het bouwplan (bouwtekeningen, gevelaanzichten, etc.). Met het verlenen van de eerste omgevingsvergunning wordt het omgevingsplan niet gewijzigd. Daarom is ook de tweede aanvraag in strijd met het omgevingsplan. Het adviesrecht is daarom niet van toepassing wanneer voor een ontwikkeling een tweede vergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd, en deze ontwikkeling past binnen het planologische kader dat is ontstaan met de eerder verleende omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Uitzondering voor tijdelijke omgevingsvergunningen In lijn met de wetgeving van voor invoering van de Omgevingswet is het adviesrecht niet van toepassing voor aanvragen voor een omgevingsvergunning van bepaalde tijd (= tijdelijke omgevingsvergunningen). Uitzondering voor ontwikkelingen passend binnen een vastgestelde gebiedsvisie Voor de zogenoemde transformatiegebieden uit de Omgevingsvisie, en ook voor andere locaties in onze gemeente, worden gebiedsvisies opgesteld. Deze gebiedsvisies geven voor een locatie inzicht in de beoogde ontwikkeling. Dit doen ze op eenzelfde wijze als de globale bestemmingsplannen voor de recente uitbreidingswijken zoals Ackerswoude en Tuindershof (respectievelijk bestemmingsplan Ackerswoude 2014 en Tuindershof 2019). Ze geven de beoogde indeling van een gebied, de ontsluiting, groen- en waterstructuren, en ook ‘bouwvlekken’ met bouwhoogtes, woningaantallen en een beschrijving van eventuele andere functies. Een gebiedsvisie kan daardoor goed functioneren als beleidsmatige onderbouwing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Daarom is het adviesrecht niet van toepassing wanneer een ontwikkeling past binnen een door de gemeenteraad vastgestelde gebiedsvisie. Net als bij de bovengenoemde wijzigingsbevoegdheden geldt dat het aan het college is om te beoordelen of een ontwikkeling past binnen een gebiedsvisie. 20/28
Deze regeling is van toepassing op alle locaties waar de gemeenteraad na 11 december 2025, datum van besluitvorming over de voorliggende nota en de regelingen, een gebiedsvisie voor vaststelt. Schrappen hardheidsclausule In de lijst staat: “Voor ontwikkelingen welke niet staan vermeld op de lijst kan het college de raad om advies vragen wanneer het college van oordeel is dat een ontwikkeling politiek of maatschappelijk gevoelig ligt.” Inmiddels is duidelijk dat een dergelijke “hardheidsclausule” niet mogelijk is. Het moet namelijk voor eenieder vooraf duidelijk zijn welk orgaan de definitieve beslissing neemt op een aanvraag omgevingsvergunning. Daarom wordt voorgesteld deze regel te schrappen. Overige aanpassingen Lijst adviesplichtige ontwikkelingen Naast de bovengenoemde aanpassingen zijn ook nog enkele kleine, meer redactionele, aanpassingen gewenst. “Het bouwen van” (een woning) wordt vervangen door “Het toevoegen van”. Zo wordt voorkomen dat vervangende nieuwbouw (van een woning) ter advisering aan de gemeenteraad moet worden voorgelegd. Woning(en) wordt vervangen door “burgerwoning(en), zorg-gerelateerde woning(en) en/of onzelfstandige wooneenheid/heden”. Hiermee wordt expliciet dat ook bij andere woningtypes het adviesrecht van de gemeenteraad aan de orde is. “Bouwvlak” wordt vervangen door “werkingsgebied”. Dit is in lijn met het vocabulaire van de Omgevingswet.