CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Toelichting ontwerpbestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

Raad Besluitvorming 24 februari 2022, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 202232.941 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een

33

gemeente Pijnacker-Nootdorp

ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeenkomt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder andere de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.

Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).

Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten.

34

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro. Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes.

Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr.

4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de

35

gemeente Pijnacker-Nootdorp

rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten.

Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar. Wanneer verantwoording groepsrisico? Verantwoording is van toepassing op de volgende besluiten: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2.

Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico. Daarom is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen. Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld: 3. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 4. Hoogte van het groepsrisico; 5. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen);

36

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

6. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport.

Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat. Plaatsgebonden risico Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan (mede inbegrepen een inpassingsplan), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten.

Echter, ook als de verantwoordingsplicht niet van toepassing is kan in het kader van goede ruimtelijke ordening (artikel 10 Wro) een verantwoording noodzakelijk zijn. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: I. de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; II. de omvang van het groepsrisico; III. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; IV. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen.

37

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Overige voor Pijnacker-Nootdorp relevante besluiten op het gebied van externe veiligheid Activiteitenbesluit Dit besluit en de bijbehorende regeling zijn de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, waaronder veiligheidsafstanden (voor bijvoorbeeld propaantanks, ammoniak koelinstallaties en gasontvangststations) waaraan voldaan moet worden. Vuurwerk besluit Dit besluit reguleert de gehele keten rondom vuurwerk. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen. De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn een uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).

4.3.3

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven met een plaatsgebonden risicocontour die buiten de inrichting valt. Wel ligt het plangebied grotendeels binnen het invloedsgebied van MPM Oil te Delft. MPM Oil is een groothandel in smeermiddelen, koelvloeistoffen, ruiten-sproeierantivries en vergelijkbare producten voor transportmiddelen. In een viertal opslagvoorzieningen volgens PGS 15 worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. In geval van brand kunnen toxische verbrandingsproducten vrijkomen. Volgens de QRA van 11/07/16, kenmerk 0242778.02, bedraagt het groepsrisico 0,38 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt echter buiten de 10-8 per jaar plaatsgebonden risicocontour zodat de bijdrage van de ontwikkelingen op de bovenstaande deelgebieden aan het groepsrisico verwaarloosbaar klein is. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. Binnen het plangebied zijn op zes locaties (Bieslandseweg 1, Bieslandseweg 2, Hazepad 1, Laakweg 22, Noordeindseweg 76 en Oudeweg 78) een propaantank op het eigen terrein aanwezig. Hiervoor gelden afstanden (vanaf de tank, het vulpunt van de tank en de opstelplaats van de tankwagen) uit het activiteitenbesluit, tot woningen van derden.

* Als bij het (beperkt)kwetsbare object zelf ook een propaantank aanwezig is, is de afstand minimaal de helft van de afstand in de tabel. ** Gebouw voor minderjarigen, ouderen, zieken of grote aantallen Voor woningen op het eigen terrein gelden andere voorschriften. Hiervoor is de minimale afstand 7,5 meter. Is een brandwerende muur aanwezig dan is dat 3 meter. Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruimte afstand van alle relevante deelgebieden. Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter.

38

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10-6 contour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Geen van de deelgebieden ligt binnen deze contouren.

Tabel invloedsgebieden rijkswegen

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de A12 maar wel binnen het invloedsgebied van de A4 en de A13 (wel op ruim meer dan 200 meter). Een berekening en een (volledige) verantwoording van het groepsrisico zijn dan ook niet aan de orde. Wel moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Als op grond van het bestemmingsplan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier niet het geval. Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de Rijksweg A13 niet.

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht. De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto's van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500. Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico. Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven. Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470. Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter. Hier is ook het

39

gemeente Pijnacker-Nootdorp

aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 ligt de bebouwing wel dichterbij (mimimaal 15 meter) maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing. Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. De N470 ligt op ongeveer 1700 meter van het plangebied. Tabellen 1-6 en 1-7 gaan tot een afstand van 200 meter. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven namelijk geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Een berekening van (de toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan niet aan de orde. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter.

Het plangebied ligt op ongeveer 1700 meter. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is in dit geval ook niet aan de orde. Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats. Buisleidingen binnen/nabij het plangebied Aardgas Binnen het plangebied ligt een hoge druk aardgastransportleiding (W-539-05). Binnen zowel de 100% letaliteit als de 1% letaliteit van deze aardgastransportleiding worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bijdrage aan het groepsrisico zal dus niet meer dan 10% zijn en en het huidige groepsrisico is onder de oriëntatiewaarde en daarom kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze leidingen vormen verder geen belemmering in het kader van externe veiligheid. Brandbare vloeistoffen Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De PR 10-6 contour ligt op de leiding. Omdat er maximaal 'minder dan 1 slachtoffers' kunnen vallen is er dus, conform art. 1 van het Bevb, formeel geen sprake van een groepsrisico voor de K2-leiding.

De leiding ligt bovendien op ruime afstand van het plangebied en vormt daarom geen belemmering. CO2 Er loopt een CO2-leiding door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24-08-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis "QRA Vervoersknoop Bleizo (01-02-2016, kenmerk D04011.000122) stelt "De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico." De buisleiding ligt ook op ruime afstand van het plangebied en is dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid.

40

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

Tabel invloedsgebieden buisleidingen

BEPERKTE VERANTWOORDING GROEPSRISICO VANWEGE HET TRANSPORT VAN GEVAARLIJKE STOFFEN OVER DE A4 EN DE A13 EN VANWEGE DE HOGE DRUK AARDGASTRANSPORTLEIDING: BEREIKBAARHEID, BESTRIJDBAARHEID EN ZELFREDZAAMHEID In het kader van de wettelijke adviesrol heeft de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) getoetst (kenmerk 2018072523708, datum 05-09-2018) aan de notitie van de Veiligheidsregio Haaglanden: "ADVISERING EV - VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen". In deze notitie geeft de VRH aan in welke gevallen (dit wordt bepaald door het type en de omvang van de ontwikkelingen die met het plan gerealiseerd mogen worden) de VRH een specifiek advies opstelt en wanneer, zoals het geval is bij dit bestemmingsplan, kan worden volstaan met de maatregelen, zoals deze in de bijlage van de notitie van de VRH per risicobron staan opgenomen. Voor de volledigheid worden eerst ook de mogelijke scenario's beschreven. Scenario's transport over de A4 en de A13 Het meest waarschijnlijke scenario is een lekkage van een tankwagen met gevaarlijke stoffen. Hierbij komt een kleine hoeveelheid van de vervoerde stof vrij. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is afhankelijk van de stof (mate van giftigheid) en de hoeveelheid die is vrijgekomen.

Bij de meeste stoffen zal de omgeving uit voorzorg worden ontruimd, maar zullen er, buiten irritatie aan luchtwegen en ogen en/of stankoverlast, weinig problemen zijn. Het ergst denkbare scenario is een lekkage of het ineens vrijkomen van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen van een (tank)wagen met een giftige vloeistof of giftig gas. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is onder andere afhankelijk van de soort stof en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Daarbij hebben ook de weersomstandigheden een grote invloed op de verspreiding. In het ergste geval kan dit leiden tot een invloedsgebied van meer dan 4000 meter. De kans op dit scenario is zeer klein. Maatregelen transport over de A4 en de A13 Aangezien met het voorliggende ruimtelijke plan geen maatregelen aan de risicobron kunnen worden getroffen, zijn onderstaande maatregelen gericht op de beheersing en vermindering van de effecten van een incident. In de notitie van de VRH bij transport over de A4 en de A13 (giftige stoffen) staan de volgende maatregelen genoemd: Voorbereiding interne organisatie, afschakelbare ventilatie en risicocommunicatie. Voorbereiding interne organisatie is alleen van toepassing wanneer er sprake is van functies of bestemmingen waar bedrijfshulpverlening aanwezig is. Dit is hier niet het geval.

Indien in objecten een ventilatievoorziening aanwezig is of wordt gerealiseerd moet deze ventilatie met een eenvoudige (handmatige) handeling uit te schakelen zijn. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen in het object worden beperkt. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen. Het is daarbij van belang dat ook eventuele ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.

41

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Scenario's hogedruk aardgastransportleiding Het meest waarschijnlijke en ook het meest voorkomende ongeval is beschadiging van de buisleiding door grondwerkzaamheden. Hierbij kan aardgas uitstromen, maar aangenomen wordt dat, door snel en accuraat optreden van alle betrokkenen, de ontstane gaswolk niet tot ontbranding zal komen. Het ergst denkbare scenario is een grote breuk in de aardgastransportleiding die explosief tot ontbranding komt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij dit scenario is tot in de wijde omgeving de explosie en hitte merkbaar. De kans op dit scenario is erg klein. Aangezien met het voorliggende ruimtelijke plan geen maatregelen aan de risicobron kunnen worden getroffen, zijn onderstaande maatregelen gericht op de beheersing en vermindering van de effecten van een incident. Maatregelen hogedruk aardgastransportleiding Bij een hogedruk aardgastransportleiding staan de volgende maatregelen genoemd: Voorbereiding interne organisatie, vluchtweg en risicocommunicatie. Voorbereiding interne organisatie is alleen van toepassing wanneer er sprake is van functies of bestemmingen waar bedrijfshulpverlening aanwezig is. Dit is hier niet het geval. In het kader van (het verhogen van) de zelfredzaamheid vindt de VRH dat mensen moet zijn voorbereid op eventuele calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

In het geval van een hogedruk aardgasleiding betekent dit schuilen of, als het object waarin men verblijft zodanig aangestraald is dat het object bij de brand betrokken raakt, vluchten. Hiervoor is een vluchtweg vanuit de aardgastransportleiding richting de omgeving, in een afgekeerde zijde van deze risicobron van belang. Bij (vervangende) nieuwbouw, bestemd voor het verblijf van personen, wordt onafhankelijk van de locatie van het incident een vluchtweg vanuit de objecten geadviseerd, via de tuin/gevel(s) aan de afgekeerde zijde(n) van de hoge druk aardgastransportleiding. Dit geldt voor objecten binnen 70 meter van de hoge druk aardgastransportleiding. Gezien de ligging van het traject van de buisleiding is vluchten in een richting van de buisleiding af overal mogelijk binnen het plangebied. Risicocommunicatie Het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden geeft aan, dat het van belang is dat mensen vooraf worden geïnformeerd, om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten handelen. De gemeente deelt het advies dat informatie verstrekken aan personen van belang is. Het betreft de handelingsperspectieven om de veiligheid te verhogen. Op de website van de gemeente www.pijnacker-nootdorp.nl kunnen burgers hierover veel informatie vinden bij het thema "veiligheid".

Ook op de landelijke website www.nederlandveilig.nl en op de regionale site http://www.watdoeje.nl/haaglanden/ kan men veel informatie vinden. Daarnaast vindt, indien zich een ongeval voordoet dat effect op de omgeving heeft of nog kan hebben, afhankelijk van de aard en omvang van deze effecten, crisiscommunicatie plaats naar de in het effectgebied liggende bedrijven en bewoners. Bij een eenvoudig incident met geringe effecten zal de communicatie voor zover nodig op reguliere wijze en dus routinematig plaatsvinden door de ter plaatse aanwezige functionarissen van de hulpverleningsdiensten. Indien een incident zich ontwikkelt tot een groot incident of ramp zal binnen de regio Haaglanden, en dus ook binnen de gemeente, zogeheten opschaling plaatsvinden. Van een routinematige aanpak zal overgegaan worden naar een meer gecoördineerde aanpak. Deze gecoördineerde aanpak is beschreven in het crisisbeheersingsplan (rampenplan) van de gemeente. Er is ook een regionaal crisisplan.

Het rampenplan en het regionaal crisisplan voorzien onder meer in: het waarschuwen van bewoners en de naastgelegen bedrijven (het attenderen van de bevolking op een gevaar of dreigend gevaar en het daarbij geven van een eerste gedragsadvies); voorlichting: het verzamelen, het verwerken en verstrekken van informatie, met als doel het beperken of voorkomen van de directe gezondheidsgevolgen voor de betrokkenen door een ongeval. Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Zij hebben de risico's beschouwd en maatregelen benoemd ter verdere bevordering van de veiligheid. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

42

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

4.4

Geluid

4.4.1

Regelgeving en beleid

Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder is van toepassing bij nieuwe situaties. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening dit aspect bij elk bestemmingsplan te worden meegenomen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht: onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen (art. 74-75 Wgh). Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op deze bestemmingen. een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour (voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Het gebied binnen deze contour is de zone van het industrieterrein. Middels zonering worden enerzijds bedrijven beschermd tegen oprukkende geluidgevoelige bestemmingen en anderzijds worden geluidgevoelige bestemmingen beschermd tegen eventuele uitbreidingen van de activiteiten op het industrieterrein.

De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar geluidbeleid vastgelegd in de nota 'Gebiedsgericht Geluidsbeleid' uit 2010. Deze Nota Geluidsbeleid, waarin de hoofdlijnen van het beleid uiteen worden gezet, bestaat verder uit een tweetal deelnota`s, te weten de Nota Hogere Grenswaarden en de Nota Bedrijven en Geluid. Wijzigingsbevoegdheid Noordweg 99 Pijnacker Ingevolge het vigerende bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos is er voor het perceel Noordweg te Pijnacker de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' opgenomen. In de regels is opgenomen dat burgemeester en wethouders de bestemming kunnen wijzigen naar 'Agrarisch - Weide' en 'Wonen', mits de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf in zijn geheel is beëindigd. De vraag is of deze wijzigingsbevoegdheid ter plaatse van de Noordweg 99 uitvoerbaar is in het kader van de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder De Wet geluidhinder schrijft voor dat bij het vaststellen van een wijzigingsplan onderzocht moet worden of aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, is het mogelijk een hogere grenswaarde vast te stellen. Bij het vaststellen van het wijzigingsplan moet dus een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Van deze voorkeursgrenswaarde mag afgeweken worden middels het vaststellen van een hogere grenswaarde.

Deze hogere grenswaarde mag niet hoger zijn dan de maximale ontheffingswaarde. Omdat de planlocatie gelegen is buiten de bebouwde kom, is de maximale ontheffingswaarde voor buitenstedelijke gebied van toepassing. De maximale ontheffingswaarde bedraagt daarom 53 dB. In de volgende situatie zou een maximale ontheffingswaarde van 58 dB mogelijk zijn voor een buitenstedelijke gebied: de nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd en die dienen ter vervanging van bestaande woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, kan voor de te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een waarde van ten hoogste 58 dB worden vastgesteld, met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot: a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur; b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen. Een geclausuleerde wijzigingsbevoegdheid In principe is het wijzigingsplan aan de Noordweg 99 vanuit het oogpunt van de wet geluidhinder

43

gemeente Pijnacker-Nootdorp

mogelijk, maar geclausuleerd. Er moet worden voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Gezien de ligging van het plangebied langs de drukke Noordweg zullen bron- en overdrachtsmaatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de maximale ontheffingswaarde. Op basis van de EU-geluidskaart toont een eerste inschatting aan dat de geluidsbelasting hoger is dan de maximale ontheffingswaarde. Om woningbouw mogelijk te maken zullen dus maatregelen nodig zijn. Hierbij is ook een financiële afweging nodig. Bij maatregelen kan gedacht worden aan: afstand tot aan weg vergroten, stil asfalt op de Noordweg, geluidscherm. Om te toetsen of het plan uitvoerbaar is moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden waarbij onderzocht moet worden wat de kosten voor maatregelen zijn om aan de maximale ontheffingswaarde te kunnen voldoen. Dit is opgenomen in de regels van de wijzigingsbevoegdheid. Bieslandseweg 2, Delfgauw: Paardenfokkerij De paardenfokkerij op het perceel Bieslandseweg 2 vormt geen geluidgevoelig object. Het bestemmingsplan maakt de herbouw van de bedrijfswoning mogelijk. Deze woning is echter gelegen aan het eind van een weg die voor gemotoriseerd verkeer doodloopt en enkel wordt gebruikt voor bestemmingsverkeer. De Bieslandseweg wordt veel gebruikt als fietspad. Het fietspad loopt door ichting Ypenburg.

Gezien het beperkte autoverkeer dat op deze weg plaatsvindt, is er geen aanleiding om een akoestisch onderzoek uit te voeren. Uiteraard dient de woning wel te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Rondom de Bieslandseweg 2: Retraitecentrum Stiltegoed Het retraitecentrum heeft een recreatieve bestemming en is daarmee geen geluidgevoelige bestemming. De akoestische kwaliteit ter plaatse wordt beïnvloed door de omgeving (wegverkeer en eventueel nabij gelegen bedrijven). De wijziging betreft de realisatie van een nieuw gebouw binnen de inrichtingsgrenzen van het centrum. De omgeving van het centrum verandert niet door de vaststelling van het voorliggende plan. De geluidskwaliteit binnen de grenzen van het retraitecentrum zal daarom ook niet in negatieve zin beïnvloed worden. Het aspect geluid met betrekking tot dit plan vormt daarom geen belemmering voor het bestemmingsplan. Oudeweg 51: herschikking 3 woningen In dit plan worden 3 woningen verplaatst. De verplaatsing van de woningen heeft voor geluid de volgende consequenties. De woningen liggen in de geluidzone van de Oudeweg en de Molenaar Blonkweg. Echter bestaan deze woningrechten ook in de huidige situatie zodat voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan geen akoestisch onderzoek nodig is.

Bij de daadwerkelijke invulling van het plan / bij de omgevingsvergunning moet een akoestisch onderzoek aantonen of ter plaatse van de nieuwe woningen voldaan kan worden aan de voorkeurswaarde voor wegverkeerslawaai van 48 dB. Als ter plaatse van de woningen niet kan worden voldaan aan de voorkeurswaarde kan onder voorwaarden van een maatregelenafweging eventueel een hogere waarde worden vastgesteld. Van één van de woningen wordt de gevellijn 3 meter naar achteren verschoven, waardoor deze verder van de weg komt te liggen en de geluidsbelasting lager zal zijn. Noordeindseweg 70 en 72-74: vergaderaccommodatie Een vergaderaccommodatie is geen geluidsgevoelig object. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op deze objecten is daarom niet aan de orde.

4.4.2

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Wegverkeerslawaai Binnen het plangebied vinden, met uitzondering van Oudeweg 51, geen ontwikkelingen plaats die geluidsgevoelige objecten mogelijk maakt, zodat akoestisch onderzoek als gevolg van wegverkeerslawaai achterwege kan blijven. Voor de wijzigingsbevoegdheid, zoals deze is opgenomen voor de Noordweg 99, is bepaald dat het project pas doorgang kan hebben als bij vaststellen van het wijzigingsplan kan worden aangetoond dat er voldaan is aan de eisen van de wet Geluidhinder.

44

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

Spoorweglawaai Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Randstadrail. Maar dit bestemmingsplan maakt geen geluidsgevoelige ontwikkelingen mogelijk.

Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidszone van een industrieterrein. Tevens maakt onderhavig bestemmingsplan geen geluidsgevoelige ontwikkelingen mogelijk, derhalve is onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Regelgeving en beleid

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Voor NO2 geldt dat moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 en uurgemiddelde grenswaarde van 200 µg/m3. Tot deze grenswaarden gelden zijn minder strenge grenswaarden van kracht.

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; de luchtkwaliteit tengevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld; een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten of projecten “In betekenende mate'' (IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Binnen het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen voor de Noordweg 99 kan worden gezien als een project dat in niet betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten zorgt voor een afname van de verkeersgeneratie. Het plan draagt in niet betekenende mate bij.

De voorgenomen ontwikkelingen, zoals beschreven in paragraaf 2.2 van deze toelichting betreffen kleinschalige ontwikkelingen, die betrekking hebben op de realisatie van een beperkt aantal woningen (Oudeweg 51) of kleinschalige functies (zoals een vergaderaccommodatie). Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'. De paardenfokkerij op het perceel Bieslandseweg 2 komt in de plaats van een manege, waardoor de verkeersaantrekkende werking en het aantal paarden afneemt. Dit komt ten gunste van de luchtkwaliteit. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2018, 2020 en 2030 afgelezen. In de verkeersmodellen die gebruikt worden bij de NSL-monitoringstool is de verkeersgeneratie in de omgeving reeds opgenomen in het model voor de jaren 2020 en 2030. Er zijn derhalve geen aanpassingen doorgevoerd aan de data afkomstig uit de NSL-rekentool. NO2

45

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor NO2 in alle gevallen afnemen ten opzichte van 2018. In geen van de gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde overschreden. PM10 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor PM10 in 2020 nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van 2018. In 2030 neemt de concentratie echter af. Ter plaatse van het plangebied is de concentratie PM10 in 2030 kleiner dan de concentratie in 2018. Er wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 (40 µg/m3). De wereldgezondsheidsorganisatie (WHO) beoogt een advieswaarde van een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3. Deze wordt nergens overschreden. PM2,5 Uit de resultaten blijkt dat dat de concentraties PM2,5 licht afnemen. De jaargemiddelde grenswaarde (25 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Ook de jaargemiddelde richtwaarde voor 2020 (20 µg/m3) wordt in geen geval overschreden.

4.5.2

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard en voorziet in enkele ontwikkelingen. Ten gevolge van het bestemmingsplan zal geen sprake zijn van een relevante verkeerstoename. Daarom draagt het bestemmingsplan dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De luchtkwaliteit in het gebied zal de komende jaren verbeteren.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving en beleid

In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn normen en afstanden opgenomen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven in het kader van een milieuvergunning worden getoetst. In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de Wgv verder uitgewerkt waarbij normen gelden ter plaatse van, en afstanden gelden tot aan geurgevoelige objecten. Er moet worden vastgesteld dat daar waar een gevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom geldt, dat bestaande veehouderijen niet onevenredig in hun belangen en bedrijfsvoering mogen worden geschaad door de te ontwikkelen gevoelige functie. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft geen geurverordening vastgesteld.

4.6.2

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

In het plangebied zijn twee locaties aanwezig die relevant zijn in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. Dit betreft de melkveehouderij op het perceel Bieslandseweg 1 en de paardenfokkerij op het perceel Bieslandseweg 2. Ten aanzien van de melkveehouderij wordt ervan uitgegaan dat er melkvee of zoogkoeien aanwezig zijn waarvoor geen geuremissiefactor geldt. Voor deze dieren geldt een afstand van 100 meter tussen het emissiepunt ven een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object. Voor een paardenfokkerij geldt een afstand van 50 meter. Het stiltecentrum omvat geen woning en er is geen sprake van een langdurige blootstelling van mensen aan geur en betreft dus geen geurgevoelig object. Tevens ligt het stiltecntrum buiten de genoemde afstanden. Voor beide locaties geldt dat binnen de afstanden geen geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

46

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1

Regelgeving en beleid

Wet op de archeologische monumentenzorg Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1juli 2016 regelt de Erfgoedwet, als vervanger van onder meer de Monumentenwet 1988, de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven. Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden.

Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.

Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. In de CHA heeft het plangebied een redelijk tot grote kans op archeologische sporen. Aan deze kans is een onderzoeksplicht verbonden.

Archeologiebeleid Pijnacker-Nootdorp De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar archeologiebeleid verwoord in een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart uit 2009.

47

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Afbeelding 4.6 - Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart

Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied verschillende archeologische verwachtingen. De lijn van de Noordeindseweg, de Bieslandseweg en de Tweemolentjesvaart en de lijn van de Noordweg en Oudeweg kennen een hoge archeologische verwachting. Voor deze zone geldt dat bij een bodemverstoring van dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld en groter dan 100 m2 vroegtijdig archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Door het plangebied heen ligt een middelhoge archeologische verwachting waarbij geldt dat bij een bodemverstoring van dieper dan 0,3 of 1,0 meter beneden maaiveld en groter dan 200 m2 vroegtijdig archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. De nummer 4 op de beleidsadvieskaart geeft een bekende archeologische vindplaats weer. Dit is een terrein waar mogelijk de resten van kasteel Kraayenburg liggen. Dit kasteel is voor 1574 verdwenen en is niet afgebeeld op de kaart van Kruikius uit 1712. Bij een veldcontrole bleek dat het terrein relatief hoog gelegen is. Er zijn geen archeologische vondsten aangetroffen. Bieslandseweg 2: paardenfokkerij en bedrijfswoning Voor de ontwikkeling op de locatie Bieslandseweg 2, wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd. Zodra het rapport hiervan beschikbaar is, wordt deze in het bestemmingsplan opgenomen. Vooralsnog beschermd de dubbelbestemming op deze locaties mogelijke archeologische resten.

Rondom Bieslandseweg 2: Retraitecentrum Stiltegoed Voor de realisatie van het stiltecentrum is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is te vinden in Bijlage 3. Het vooronderzoek omvat een bureauondezoek en inventariserend veldonderzoek. Het karterend booronderzoek heeft geen vondstmateriaal of archeoloigsche indicatoren opgeleverd in de aangetroffen vegetatiehorizont of de top van de zandige kreekafzettingen, wat betekent dat er waarschijnlijk geen sprake is van een archeologische vindplaats. Op basis van deze bevindingen wordt vervolgonderzoek niet zinvol of noodzakelijk geacht, en bijgevolg wordt vrijgave geadviseerd. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het stiltecentrum.

48

od205 | bestemmingsplan Balij-Bieslandse Bos 2022

Oudeweg 51: herschikking 3 woningen Voor de ontwikkeling op de locatie Oudeweg 51, wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd. Zodra het rapport hiervan beschikbaar is, wordt deze in het bestemmingsplan opgenomen. Vooralsnog beschermd de dubbelbestemming op deze locaties mogelijke archeologische resten.

4.7.2

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

De betreffende archeologische waarden zijn in het bestemmingsplan vertaald naar dubbelbestemmingen. Elk van de dubbelbestemmingen heeft zijn eigen regeling. Deze regeling is nader uitgelegd in de juridische planbeschrijving (paragraaf 5.2).

4.8

Bodem

Om de bodem voor langere tijd te willen gebruiken, moeten we de bodem op de juiste manier benutten en beschermen. Naast het beschermen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit hecht de gemeente waarde aan de overige functionele bodemkwaliteiten. Onder functionele bodemkwaliteiten wordt verstaan de draagkwaliteit, informatiekwaliteit, regulatiekwaliteit en productiekwaliteit. Deze kwaliteiten hebben onder andere betrekking op cultuurhistorische betekenis, levende bodem, ondergronds bouwen en bodemenergie inclusief geothermie.

4.8.1

Regelgeving en beleid

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en aantasting van de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat tijdens het opstellen van dit bestemmingsplan de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en waarschijnlijk binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ inhouden. De provincie Zuid-Holland heeft haar beleid ten aanzien van bodemaspecten verwoord in de ‘Beleidsvisie Bodem en Ondergrond’ uit 2013.

De provincie brengt in deze visie middels zes beleidsprioriteiten focus aan in het zoeken naar de balans tussen het optimaal benutten én beschermen van de bodem en de ondergrondse ruimte. Pijnacker-Nootdorp heeft in 2008 haar eigen Bodemnota vastgesteld. Deze Bodemnota was de eerste stap naar een verdiepte ruimtelijke ordening, waarbij de gemeente de kansen van de ondergrond in beeld brengt. De ambities van Pijnacker-Nootdorp sluiten goed aan bij landelijke ontwikkelingen op het gebied van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) (lagenbenadering) en het bodembeleid (Convenantbodemontwikkelingsbeleid). Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijke ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa. Pijnacker-Nootdorp heeft in 2014 haar eigen Nota bodembeheer vastgesteld. De nota gaat over het hergebruiksbeleid voor grond en baggerspecie en geeft vorm aan het duurzaam en verantwoord beheer van de bodem in de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Uit de Nota bodembeheer blijkt dat bij omgevingsvergunningaanvragen (bouw en bestemmingswijzigingen) onder bepaalde voorwaarden kan worden volstaan met het uitvoeren van een historisch onderzoek conform de NEN 5725.

4.8.2

Plangebied

Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Pijnacker-Nootdorp blijkt dat het plangebied deels is gelegen binnen de bodemkwaliteitszone B1/O1 ‘Historische bebouwing en kassen’ en grotendeels in bodemkwaliteitszone B4/O4 'Buitengebied inclusief recreatie en kassen na 1970'.

49

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Bieslandseweg 2: paardenfokkerij en bedrijfswoning PM bodemonderzoek Rondom Bieslandseweg 2: Retraitecentrum Stiltegoed PM bodemonderzoek Oudeweg 51 PM bodemonderzoek

4.8.3

Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan

Onderhavig bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard en staat geen nieuwe ontwikkelingen toe, met uitzondering van de wijzigingsbevoegdheid op Noordweg 99 en de ontwikkelingen Stiltegoed (rondom Bieslandseweg 2), Bieslandseweg 2 en Oudeweg 51. De wijzigingsbevoegdheid op Noordweg 99 is zwaar geclausuleerd, ook op het punt van de bodemkwaliteit. Ter plaatse van Bieslandseweg 2, Stiltegoed (rondom Bieslandseweg 2) en Oudeweg 51 wordt een bodemonderzoek uitgevoerd.

4.8.4 Onderzoek en sanerende maatregelen bij toekomstige (her)inrichting of bestemmingswijziging Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto’s en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits-)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11067357/1