CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a. Toelichting OBP onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Raad Besluitvorming 23 september 2021, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: f. Ontwerpbestemmingsplan onderwijscluster Groen van Prinsterenlaan18.630 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat op dit moment de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het toekomstige omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' inhouden. In het kader van de omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag bodem. Ter plaatse is een bodemonderzoek uitgevoerd. De beoordeling daarvan is momenteel nog gaande. Op basis van historische gegevens wordt er momenteel vanuit gegaan dat de bodem geschikt zal zijn of geschikt gemaakt kan worden voor het beoogde gebruik.

De resultaten van de beoordeling van het bodemonderzoek zullen bij de vaststelling van het bestemmingsplan aan deze paragraaf worden toegevoegd.

29

gemeente Pijnacker-Nootdorp

4.5

Externe veiligheid

In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.

Normstelling en beleid Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4).

De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

Beperkt k wetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten

30

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.

Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).

Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi.

Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar;

31

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1 Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro. Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen.

Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes. Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr.

8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92).

32

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).

Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar. Wanneer verantwoording groepsrisico? Verantwoording is van toepassing op de volgende besluiten: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1 Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken.

Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico. Daarom is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen. Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld: 3. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 4. Hoogte van het groepsrisico; 5. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 6.

Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat:

33

gemeente Pijnacker-Nootdorp

a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat.

Plaatsgebonden risico Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar;

Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan (mede inbegrepen een inpassingsplan), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Echter, ook als de verantwoordingsplicht niet van toepassing is kan in het kader van goede ruimtelijke ordening (artikel 10 Wro) een verantwoording noodzakelijk zijn. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: i. de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; ii. de omvang van het groepsrisico; iii. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; iv. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen.

34

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Overige voor Pijnacker-Nootdorp relevante besluiten op het gebied van externe veiligheid Activiteitenbesluit Dit besluit en de bijbehorende regeling zijn de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, waaronder veiligheidsafstanden (voor bijvoorbeeld propaantanks, ammoniak koelinstallaties en gasontvangststations) waaraan voldaan moet worden. Vuurwerk besluit Dit besluit reguleert de gehele keten rondom vuurwerk. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen. De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn een uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).

4.5.1

Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied

Binnen/nabij het bestemmingsplan zijn geen risicovolle bedrijven aanwezig met een plaatsgebonden risicocontour (PR) 10-6 die buiten de inrichting valt.

Tabel 2 - Inrichtingen

4.5.2

Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied

Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10-6 contour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren.

Tabel 3 - Rijkswegen

35

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Het plangebied ligt alleen binnen het invloedsgebied van de A13. Het bestemmingsplan ligt wel op ruim meer dan 200 meter van de A13. Een berekening en een (volledige) verantwoording van het groepsrisico zijn dan ook niet aan de orde. Wel moet aandacht worden besteed aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. Als op grond van het bestemmingsplan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier het geval. Bij de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) is advies gevraagd. Het advies geeft een korte beschrijving van het plangebied, de aanwezige risicobronnen op het gebied van externe veiligheid, een beschrijving van de mogelijke scenario's en de geadviseerde maatregelen ter verbetering van de veiligheid in het plangebied. Bereikbaarheid, bestrijdbaarheid worden beoordeeld en er wordt aandacht besteed aan zelfredzaamheid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de eisen uit het Bevi, het Bevb en het Bevt.

Scenario's Het meest waarschijnlijke scenario is een lekkage van een tankwagen met gevaarlijke stoffen. Hierbij komt een kleine hoeveelheid van de vervoerde stof vrij. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is afhankelijk van de stof (mate van giftigheid) en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Bij de meeste stoffen zal de omgeving uit voorzorg worden ontruimd, maar zullen er, buiten irritatie aan luchtwegen en ogen en/of stankoverlast, weinig problemen zijn. Het ergst denkbare scenario is een lekkage of het ineens vrijkomen van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen van een (tank)wagen met een giftige vloeistof of giftig gas. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is onder andere afhankelijk van de soort stof en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Daarbij hebben ook de weersomstandigheden een grote invloed op de verspreiding. In het ergste geval kan dit leiden tot een invloedsgebied van meer dan 4000 meter. De kans op dit scenario is zeer klein. Aangezien met het voorliggende ruimtelijke plan geen maatregelen aan de risicobron kunnen worden getroffen, zijn onderstaande maatregelen gericht op de beheersing en vermindering van de effecten van een incident.

Maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid Bij een incident met gevaarlijke stoffen die buiten de objecten kunnen plaatsvinden, maar effecten binnen de objecten kunnen hebben, is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij te handelen. Bijvoorbeeld om de gebruikers van de objecten te assisteren om zichzelf in veiligheid te brengen. Hierbij is het ook belangrijk dat dit wordt geborgd en dit structureel wordt geoefend. Bijvoorbeeld in een plan ten behoeve van noodsituaties. Om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten reageren bij een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A13, is het van belang dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. Indien in objecten een ventilatievoorziening aanwezig is of wordt gerealiseerd moet deze ventilatie met een eenvoudige (handmatige) handeling uit te schakelen zijn. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen in het object worden beperkt. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen. Het is daarbij van belang dat ook eventuele ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten. Bij een incident met gevaarlijke stoffen, is het ook van belang dat mensen buiten veilig kunnen vluchten.

Binnen het invloedsgebied van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A13 zijn verschillende objecten aanwezig waarin groepen beperkt of niet zelfredzame personen kunnen verblijven, zoals scholen en verenigingsgebouwen. Het is van belang dat personeel en/of begeleiders zijn voorbereid op eventuele calamiteiten buiten de objecten, zodat zij de beperkt of niet zelfredzame personen bij calamiteiten kunnen begeleiden om zichzelf in veiligheid te brengen. Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn. Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (januari

36

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

2020)' ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd. De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naar toe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbocht- en buitenbochtstraal hebben. Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn. Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3 / uur) of geboorde put. Voor wat betreft de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en de beschikbaarheid en bereikbaarheid van bluswatervoorzieningen (via twee aanvalswegen bereikbaar: Acacialaan en Meidoornlaan) dat deze in de huidige situatie en onder normale omstandigheden voldoende is. Risicocommunicatie Het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden geeft aan dat om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten, het van belang is dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. De gemeente deelt het advies dat informatie verstrekken aan personen van belang is. Het betreft de handelingsperspectieven om de veiligheid te verhogen.

Op de website van de gemeente www.pijnacker-nootdorp.nl kunnen burgers hierover veel informatie vinden bij het thema "veiligheid". Ook op de landelijke website www.crisis.nl en op de regionale site http://www.haaglandenveilig.nl kan men veel informatie vinden. Daarnaast vindt, indien zich een ongeval voordoet dat effect op de omgeving heeft of nog kan hebben, afhankelijk van de aard en omvang van deze effecten, crisiscommunicatie plaats naar de in het effectgebied liggende bedrijven en bewoners. Bij een eenvoudig incident met geringe effecten zal de communicatie voor zover nodig op reguliere wijze en dus routinematig plaatsvinden door de ter plaatse aanwezige functionarissen van de hulpverleningsdiensten. Indien een incident zich ontwikkelt tot een groot incident of ramp zal binnen de regio Haaglanden, en dus ook binnen de gemeente, zogeheten opschaling plaatsvinden. Van een routinematige aanpak zal overgegaan worden naar een meer gecoördineerde aanpak. Deze gecoördineerde aanpak is beschreven in het crisisbeheersingsplan (rampenplan) van de gemeente. Er is ook een regionaal crisisplan.

Het rampenplan en het regionaal crisisplan voorzien onder meer in: het waarschuwen van bewoners en de naastgelegen bedrijven (het attenderen van de bevolking op een gevaar of dreigend gevaar en het daarbij geven van een eerste gedragsadvies); voorlichting: het verzamelen, het verwerken en verstrekken van informatie, met als doel het beperken of voorkomen van de directe gezondheidsgevolgen voor de betrokkenen door een ongeval. Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de Rijksweg A13 niet. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden.

In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht. De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto's van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500. Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470

37

gemeente Pijnacker-Nootdorp

komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico. Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven. Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470. Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter. Hier is ook het aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 ligt de bebouwing wel dichterbij (mimimaal 15 meter) maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing.

Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. Tabellen 1-6 en 1-7 gaan tot een afstand van 200 meter. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) hoeven namelijk geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De N470 ligt op ruim meer dan deze 200 meter van het bestemmingsplan. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. Gezien de afstand tot het plangebied zijn een berekening en een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde.

Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd. De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruime afstand (op ruim 3.300 meter) van het plangebied.

Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats.

4.5.3

Buisleidingen binnen/nabij het plangebied

Aardgas Het plangebied ligt niet binnen de 1% of de 100% letaliteitsgrens aardgastransportleiding. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op ruim 400 meter.

38

van een hogedruk

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Tabel 4 - Buisleidingen

Brandbare vloeistoffen Er loopt een brandstofleiding (K2, rood) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De PR 10-6 contour ligt op de leiding. Omdat er maximaal 'minder dan 1 slachtoffers' kunnen vallen is er dus, conform art. 1 van het Bevb, formeel geen sprake van een groepsrisico voor de K2-leiding. De leiding ligt bovendien op ruime afstand (meer dan 2.500 meter) van het plangebied en vormt daarom geen belemmering. CO2 Er loopt een CO2-leiding (blauw) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24-08-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit.

De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (01-02-2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” De buisleiding ligt ook op ruime afstand (meer dan 2.500 meter) van het plangebied en is dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid.

4.5.4

Conclusie

Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Zij hebben de risico's beschouwd en maatregelen benoemd ter verdere bevordering van de veiligheid. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

39

gemeente Pijnacker-Nootdorp

4.6

Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Het plangebied ligt niet binnen een zone industrielawaai. Daanaast is het plangebied gelegen in een 30 km per uur zone. Dit soort wegen zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek volgens de Wet geluidhinder. Echter is de Meidoornlaan wel een wijkontsluitingsweg. Op 20 januari 2020 is door Bureau de Groot Volker een verkeer- en parkeeronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2).

Hieruit blijkt dat op basis van het verkeersmodel 2020 (V-MRDH 2.6) de verkeersintensiteiten in de huidige situatie op de wijkontsluitingsweg naar Pijnacker-Noord tussen de 3.400 (Goudenregensingel) en 5.100 motorvoertuigen (Meidoornlaan) per etmaal liggen. Op alle wijkontsluitingswegen naar de wijk Pijnacker-Noord liggen de etmaalintensiteiten onder de acceptabele verkeersintensiteit van 6.000 motorvoertuigen per etmaal op een wijkontsluitingsweg. In de toekomst is een verkeerstoename te verwachten. De grootste toename wordt verwacht op de Meidoornlaan met ongeveer 700 extra auto's per dag. Ten opzichte van de huidige situatie zou de verkeersintensiteit op het drukste deel van de Meidoornlaan stijgen tot 5.800 motorvoertuigen per dag. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt (op dit moment) akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. Het akoestisch onderzoek wordt bij de vaststelling van het bestemmingsplan toegevoegd.

4.7

Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt. In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen. Rondom het plangebied en enigszins in het plangebied liggen verschillende kabels en leidingen. Het gaat om een gasleiding, laag- en middenspanningsleidingen, dataleidingen en een waterleiding. Voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met deze kabels en leidingen.

40

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Afbeelding 9 | KLIC-melding (bron: Gemeente Pijnacker-Nootdorp)

4.8

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het voorliggende bestemmingsplan worden nooit meer verkeersbewegingen verwacht dan voor 1.500 nieuwe woningen het geval is. Om die reden wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in dit bestemmingsplan als een ontwikkeling is te beschouwen die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet benodigd.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.

41

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Afbeelding 10 | Uitsnede NSL 2020-monitor (bron Rijksoverheid)

Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 20,4 µg/m3 (o.a. rekenpunt 15636965), 18,2 µg/m3 en 10,7 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6.4, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.

4.9

Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Gebiedsbescherming Op 15 februari 2021 heeft VanderHelm Milieubeheer B.V. een ecologische quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Bijlage 4). De voorgenomen werkzaamheden in het projectgebied vormen de aanleiding tot het uitvoeren van deze ecologische quickscan. De werkzaamheden bestaan uit het slopen van de huidige bebouwing en het bouwen van een nieuw scholencluster. Het projectgebied maakt geen deel uit van een natuurgebied dat beschermd wordt door de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkheide. Dit natuurgebied ligt op circa 11 kilometer ten noordoosten van het projectgebied. Dit gebied is gevoelig voor stikstofdepositie. Gezien de voorgenomen werkzaamheden en de afstand tot het beschermde natuurgebied wordt een negatief extern effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten bij de realisatie van een nieuw scholencentrum is vele malen kleiner dan

42

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten bij de nieuwbouw van 100 woningen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de nieuwe AERIUS Calculator (2020) moet en kan voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 5). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. Het projectgebied maakt tevens geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van NNN is gelegen op circa 1,4 kilometer ten oosten van het projectgebied. Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden en de afstand tot NNN wordt een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten. Vervolgstappen met betrekking tot NNN zijn derhalve niet van toepassing. Het gebied is niet gelegen in een belangrijk weidevogelgebied. Vervolgstappen met betrekking tot weidevogelgebied zijn derhalve niet van toepassing.

Soortenbescherming Uit de ecologische quickscan blijkt dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het projectgebied niet kan worden uitgesloten. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald of zwaarder beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, middels een soortgericht onderzoek. Houtopstanden Op 8 februari 2021 is door De Boomingenieur een bomenschouw uitgevoerd (zie Bijlage 6). De bomenschouw dient inzicht te geven in het huidige bomenbestand op het perceel. Naast boomsoort dient de huidige gezondheid (conditie, kwaliteit en toekomstverwachting), de boomvorm (solitair of groep) en de potentiële verplantbaarheid bepaald te worden. Rondom en op het perceel staan verschillende typen bomen. 40 van deze bomen staan in de invloedssfeer van de sloop van het schoolgebouw en de ontwikkeling van een nieuw groter gebouw. Van de 40 onderzoeksbomen verkeren er 14 in een goede conditie, 18 in een redelijke, 4 in een matige en 4 in een slechte conditie (boom 7, 16, 18 en 35). De levensverwachting is voor 23 van de 40 onderzoeksbomen goed. Dit houdt in dat zij nog 15 jaar of langer mee kunnen gaan. 7 bomen hebben een redelijke levensverwachting, 6 een matige, 4 een slechte. De bomen 10, 14, 19 en 21 zijn potentieel goed verplantbaar.

De houtopstanden in het projectgebied maken geen deel uit van beschermde houtopstanden. Voor het kappen van de bomen is dan ook geen melding noodzakelijk in het kader van artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming. Mogelijk dient wel een omgevingsvergunning voor het kappen te worden aangevraagd bij gemeente Pijnacker-Nootdorp.

4.10

Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd. De scholen en kinderopvang zijn deels nieuwe functies in Pijnacker-Noord. Basisschool Schatkaart is al op de locatie aan de Groen van Prinstererlaan gehuisvest. De onderbouw van de Casaschool en kinderopvang SkippyPePijn verhuizen van de verderop in de wijk gelegen Goudenregensingel naar de planlocatie. Nieuw in de wijk zijn de sportzaal en de bovenbouw en kinderopvang van de Casaschool (nu gehuisvest in Koningshof). Ook zij maken straks gebruik van de bestaande wegen in de wijk, waar een maximale snelheid van 30 km/uur geldt. Omdat er meer verkeersbewegingen in Pijnacker Noord ontstaan, is voorafgaand aan het raadsbesluit van 28 mei 2020 onderzocht wat de verkeerskundige gevolgen voor de wijk zijn. Haalbaarheidsstudie verkeer en parkeren

43

gemeente Pijnacker-Nootdorp

In januari 2020 heeft bureau de Groot Volker de gevolgen voor de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en parkeren in de wijk onderzocht (zie Bijlage 2). Daarbij is niet alleen gekeken naar de bestaande omvang van Schatkaart en Casaschool, maar ook naar een scenario met mogelijke groei van de scholen. Voor het groeiscenario is uitgegaan van een mogelijke groei-wens van het onderwijs naar 550 leerlingen (22 lokalen) voor Casaschool en 200 leerlingen (8 lokalen) voor Schatkaart. Met de landelijke CROW Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren bij basisscholen zijn de autobewegingen (de verkeersgeneratie) en de parkeerbehoefte berekend. Er is hierbij rekening gehouden dat de leerlingen van de Casaschool verder van school wonen, waardoor het autogebruik hoger zal zijn dan bij Schatkaart. Omdat de Schatkaart, een deel van de Casaschool en kinderopvang SkippyPePijn al in Pijnacker Noord gevestigd zijn, zijn niet alle verkeersbewegingen nieuw voor de wijk. De hoeveelheid extra verkeer in de wijk is daarmee lager dan de berekende verkeersgeneratie. Op basis van de herkomst van leerlingen is weergegeven op welke manier de verkeersbewegingen zich verspreiden van/naar het onderwijscluster over de aanrijroutes Meidoornlaan, Thorbeckelaan, Acacialaan en Nobellaan.

De conclusie uit dit onderzoek is dat de gevolgen voor de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en parkeren in Pijnacker-Noord in beide scenario's (bestaand en groei) aanvaardbaar zijn. De voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen planontwikkeling op de Groen van Prinstererlaan houdt rekening met een groeiscenario voor zowel Schatkaart als Casaschool. In overleg met de scholen is het nieuwbouwprogramma verder verfijnd, waarbij voor Casaschool een groei naar 360 leerlingen (16 lokalen) mogelijk is en voor Schatkaart een groei naar 180 leerlingen in 8 lokalen. Daarnaast is sprake van een extra (3e) groep kinderdagopvang, als gevolg van een herverdeling van kinderdagopvang SkippyPePijN bij de scholen in Pijnacker-Noord en Centrum. De voorgenomen ontwikkeling omvat daarmee 48 kindplaatsen. De omvang van het kinderdagverblijf Casaschool (80 kindplaatsen) en de sportzaal (600 m2) zijn niet gewijzigd. In onderstaande tabel is een overzicht van het groeiscenario uit de haalbaarheidsstudie en het programma van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven.

Functie

Haalbaarheidsstudie groeiscenario 550 leerlingen 22 lokalen 200 leerlingen 8 lokalen

Voorgenomen ontwikkeling

Basisschool Casaschool 360 leerlingen 16 lokalen Basisschool CBS 180 leerlingen 8 lokalen Schatkaart Kinderdagverblijf Casaschool 80 5 groepen 80 kindplaatsen 5 groepen kindplaatsen Kinderdagverblijf Wombat 32 2 groepen 48 kindplaatsen 3 groepen kindplaatsen Sportzaal (nieuw functie) 600 m2 bruto vloeroppervlakte 600 m2 bruto vloeroppervlakte Tabel 5 - Overzicht samenstelling 'Haalbaarheidsstudie-groeiscenario' en 'Voorgenomen ontwikkeling'

Verkeersgeneratie en parkeren voorgenomen ontwikkeling Bureau de Groot Volker heeft de berekening gemaakt op basis van de CROW Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren bij basisscholen. Met het nieuwbouwprogramma uit tabel 1 leiden deze berekeningen tot aangepaste uitkomsten voor de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte voor deze voorgenomen ontwikkeling.

Type berekening Verkeersgeneratie

44

Haalbaarheidsstudie groeiscenario 1550 autoritten per etmaal

Voorgenomen ontwikkeling 1228 autoritten per etmaal

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Parkeerbehoefte 122 parkeerplaatsen 97 parkeerplaatsen Tabel 6 - Overzicht verkeersgeneratie en parkeerbehoefte 'Haalbaarheidsstudie-groeiscenario' en 'Voorgenomen ontwikkeling'

Zowel de uitkomsten van de verkeersgeneratie als ook die van de parkeerbehoefte liggen lager dan de berekeningen voor het groeiscenario uit het haalbaarheidsonderzoek. Daarmee blijft de conclusie dat het groeiscenario op punt van verkeersveiligheid, bereikbaarheid en parkeren aanvaardbaar is, nog steeds valide. Hieronder volgt een korte toelichting op de verkeersgeneratie en het parkeren van de voorgenomen ontwikkeling.

Verkeersgeneratie De voorgenomen ontwikkeling heeft op basis van de verkeersgeneratieberekeningen een verkeersbehoefte van 1.228 motorvoertuigen per schooldag (etmaal). In de 1228 autoritten zit het brengen in de ochtend en halen in de middag. We kunnen daarom de autoritten 50/50 verdelen naar 614 in de ochtend en 614 in de middag. Op basis van herkomst van de kinderen is bepaald hoe het verkeer van en naar de locatie zich over de straten verdeeld. Dit is op onderstaande afbeelding zichtbaar.

Afbeelding 11 | Verdeling verkeersgeneratie 'Voorgenomen ontwikkeling"

Verkeerstoename Niet al dit verkeer is nieuw in Pijnacker Noord. De Schatkaart, Casa onderbouw en kinderopvang SkippyPePijn zijn al in de wijk aanwezig (523 autoritten per schooldag). De verkeerstoename binnen Pijnacker-Noord zal worden veroorzaakt door de verplaatsing van de bovenbouw en kinderopvang van Casaschool, de bouw van een sportzaal en de groei van de basisscholen (705 autoritten per schooldag). Deze groei van de verkeersgeneratie is acceptabel. Parkeren

45

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Met de CROW Rekentool is de parkeervraag voor werknemers en halen en brengen berekend. De rekentool maakt onderscheid tussen de onderbouw en bovenbouw van een basisschool. In de berekeningen is rekening gehouden dat de leerlingen van Casaschool gemiddeld verder van school wonen en voor deze school het autogebruik hoger ligt dan voor Schatkaart. Daar staat tegenover dat de haal- en brengtijden van de scholen sterk verschillen. De brengtijd voor Casaschool is tussen 8.00-9.00 uur en voor Schatkaart tussen 8.20-8.30 uur. De brengtijden voor de kinderopvang ligt voor het drukste moment waardoor de parkeerbehoefte hierdoor niet zal toenemen. De sportzaal wordt overdag door de school gebruikt, waardoor dit niet tot een toename van de parkeerbehoefte zal leiden. In de avond kan de sportzaal ook gebruikt worden maar dat heeft geen invloed op het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De voorgenomen ontwikkeling heeft een parkeerbehoefte van 97 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden dat sprake is van een piek in de ochtend. De hoeveelheid parkeerplaatsen is hierop berekend.

Functie onderbouw bovenbouw medewerkers gebruikers Basisschool Casaschool 27 10 18 Basisschool Schatkaart 15 4 8 Kinderdagverblijf 8 Casaschool Kinderdagverblijf Wombat 7 Sportzaal (nieuwe functie) Totaal benodigd aantal parkeerplaatsen piekmoment Tabel 7 - Benodigd aantal parkeerplaatsen 'piekmoment' aanvang schooldag

totaal 55 27 8 7 0 97

De benodigde 97 parkeerplaatsen zijn binnen het plangebied te realiseren. Daarmee zijn de gevolgen op het gebied van parkeren voor de omwonenden acceptabel. Onderstaande schets van het parkeerterrein laat zien op welke wijze het parkeren wordt ingepast.

Afbeelding 12 | Schets inrichting parkeerterrein De huidige Groen van Prinstererlaan wordt heringericht als parkeererf met een in- en uitrit aan beide zijden. Op het parkeererf geldt eenrichtingsverkeer en er is sprake van schuin gestoken parkeren. Er is voldoende ruimte om de benodigde 97 parkeerplaatsen te realiseren. De scholen hebben aangegeven dat zij verwachten dat de parkeerbehoefte lager zal zijn. Daarom zijn op bovenstaande tekening circa 89 parkeerplaatsen getekend met plantvakken er tussen. De plantvakken kunnen eenvoudig omgezet worden naar parkeerplaatsen. Verkeersveiligheid Vanuit de omgeving zijn kanttekeningen geplaatst bij de verkeersveiligheid en de hoeveelheid verkeer. Daarom is bureau Juust gevraagd onderzoek te doen naar de verkeersafwikkeling en een verkeerskundig ontwerp op te stellen.

46

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

Kruispuntanalyses Op basis van de bestaande intensiteiten en de verkeersgeneratie heeft advies- en ingenieursbureau Juust een kruispuntanalyse uitgevoerd voor de aansluitingen Groen van Prinstererlaan op de Thorbeckelaan/Meidoornlaan en de Acacialaan/Nobellaan (zie Bijlage 7). De conclusie uit dit onderzoek is dat op basis van het verwachte verkeersaanbod, tijdens zowel de ochtend- als de middagspits op beide kruispunten nauwelijks wachttijden ontstaan. Er is telkens voldoende restcapaciteit (>400 pae) op de kruispunten beschikbaar om ongewenste wachttijden te voorkomen. Er zijn ruim voldoende hiaten om op te rijden voor verkeer dat voorrang moet verlenen. Een herinrichting van de kruispunten waarbij de aansluitingen van de Groen van Prinstererlaan worden uitgevoerd als inritconstructie in combinatie met de verwachte toename van verkeer leidt dus niet tot onacceptabele wachttijden. Er is enkel een kans op korte wachttijden (<15 seconde) in de ochtendspits bij het verlaten van het parkeerterrein in de richting van de Meidoornlaan en Thorbeckelaan. Deze wachttijd is acceptabel en ontstaat enkel voor verkeer wat het parkeerterrein wil verlaten. Een goede verkeersafwikkeling op de toeleidende wegen is daarom gewaarborgd.

Verkeerskundig ontwerp omliggende wegen Advies- en ingenieursbureau Juust heeft de aansluitingen van het parkeererf op de omliggende wegen verder uitgewerkt tot een verkeerskundig ontwerp (zie Bijlage 7) Deze ziet u op de onderstaande afbeeldingen, waarbij links de aansluiting Groen van Prinstererlaan/Nobellaan is en rechts de aansluiting Groen van Prinstererlaan/Meidoornlaan.

Afbeelding 13 | Aansluiting parkeererf Groen van Prinstererlaan/Nobellaan

47

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Afbeelding 14 | Aansluiting parkeererf Groen van Prinstererlaan/Meidoornlaan

Beide aansluitingen krijgen een vergelijkbare inrichting. Er is gekozen voor een aansluiting in de vorm van een uitrit. Dit zorgt voor een duidelijke voorrangssituatie en hierdoor is er echt sprake van een parkeerterrein. Daarnaast wordt het gehele kruisingsvlak verhoogd (plateau) uitgevoerd. Het kruisingsvlak begint met de drempelmarkering 'schoolzone'. Er zijn twee zebrapaden ingetekend. Alle loopbewegingen van en naar het onderwijscluster worden zo altijd met een zebrapad geholpen. Fietsers en voetgangers bereiken de scholen via een brede zone tussen het parkeererf en het bouwvlak. Daarmee wordt het langzaam verkeer gescheiden van het autoverkeer. De precieze inrichting van deze zone zal worden bepaald in samenhang met de verdere planuitwerking van de schoolgebouwen. Conclusie De studies van bureau de Groot Volker en Juust geven aan dat de voorgenomen ontwikkeling op een verkeersveilige manier is te realiseren voor alle verkeer en met voldoende parkeergelegenheid.

48

od205 | bestemmingsplan Onderwijscluster Groen van Prinstererlaan

4.11

Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020 De gemeente Pijnacker-Nootdorp en het Hoogheemraadschap van Delfland zien de impact van klimaatveranderingen op hun beheergebied en erkennen dat er nu gehandeld moet worden! Dit is geheel in de lijn van de Regionale Adaptatie Strategie Haaglanden (RAS), het Manifest Klimaatbestendige Stad en de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden hebben hier afgesproken om in 2050 zoveel mogelijk klimaatadaptief te zijn met als tussendoel dat klimaatadaptatie in 2020 onderdeel is van beleid en handelen. Daarom heeft de gemeente samen met Delfland dit Waterklimaatplan 2017-2020 opgesteld waarin naast de maatregelen voor de komende vier jaar ook toekomstige kansen worden benoemd. Integraal waterbeheer in Pijnacker-Nootdorp moet zorgen voor droge voeten, een gezond watersysteem en een optimale beleving van het water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10477409/1