CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10. Ontwerpbestemmingsplan (incl. 3 bijlagen)

Raad Besluitvorming 11 december 2025, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 162194527.924 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde.

De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 49/75

Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: • Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. • Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op: • De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); • Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); • Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); • Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); • Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro. Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 50/75

Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes. Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen.

Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012.

Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: • Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. • Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 51/75

Wanneer verantwoording groepsrisico? Verantwoording is van toepassing op de volgende besluiten: • De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); • Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); • Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); • Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico.

Daarom is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen. Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld: 1. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 2. Hoogte van het groepsrisico; 3. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 4. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de vooren nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.

Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat. Plaatsgebonden risico Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: • Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 52/75

•

Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan (mede inbegrepen een inpassingsplan), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Echter, ook als de verantwoordingsplicht niet van toepassing is kan in het kader van goede ruimtelijke ordening (artikel 10 Wro) een verantwoording noodzakelijk zijn. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: I.

de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; II. de omvang van het groepsrisico; III. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; IV. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen. Overige voor Pijnacker-Nootdorp relevante besluiten op het gebied van externe veiligheid Activiteitenbesluit Dit besluit en de bijbehorende regeling zijn de opvolger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, waaronder veiligheidsafstanden (voor bijvoorbeeld propaantanks, ammoniak koelinstallaties en gasontvangststations) waaraan voldaan moet worden. Vuurwerkbesluit Dit besluit reguleert de gehele keten rondom vuurwerk. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen. De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn een uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Wat verandert er met de komst van de Omgevingswet? Aandachtsgebieden zijn een nieuw fenomeen binnen de omgevingsveiligheid.

Aandachtsgebieden zijn gedefinieerd als gebieden waar mensen binnenshuis, zónder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. De aandachtsgebieden laten dus zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen in nieuwe situaties te beschermen tegen de gevaren bij ongevallen met deze effecten. Het is niet nodig om maatregelen te treffen ter bescherming van personen in gebouwen en locaties die nu al (rechtmatig) binnen een aandachtsgebied van een bestaande risicobron aanwezig zijn. Er wordt onderscheid

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 53/75

gemaakt tussen drie soorten gevaren en daarmee tussen drie verschillende aandachtsgebieden: warmtestraling (brandaandachtsgebied), overdruk (explosieaandachtsgebied) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebied). De aandachtsgebieden zijn feitelijk effectafstanden van worst-case scenario’s. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. Het bevoegd gezag kan er voor kiezen om in het omgevingsplan een brand- en/of explosieaandachtsgebied aan te wijzen als brand- en/of explosievoorschriftengebied. In een voorschriftengebied gelden dan op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) extra bouwvoorschriften gericht op bescherming tegen een brand- en/of explosie. Deze voorschriften gelden echter alleen bij nieuwbouw! Het kan ook een keuze zijn om een kleiner of geen brand- of explosievoorschriftengebied aan te wijzen. Dit kan echter niet bij plasbrandaandachtsgebieden welke in het kader van het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen zijn aangewezen. Ook locaties voor nieuwe “zeer kwetsbare gebouwen” binnen een brand- of explosieaandachtsgebied moeten als voorschriftengebied worden aangewezen. Een gifwolkaandachtsgebied kan niet worden aangewezen als voorschriftengebied.

Wel geldt na het inwerkingtreden van de Omgevingswet voor alle nieuwbouw dat de ventilatie centraal afschakelbaar moet zijn. 4.9.3 Onderzoek Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven met een PR 10 -6 risicocontour die buiten de inrichting valt. Het plangebied valt ook niet binnen het invloedsgebied van een inrichting. OUDE POLDER INRICHTINGEN Binnen invloedsgebied MPM Oil Binnen invloedsgebied LNG Binnen invloedsgebied Gall&Gall Binnen invloedsgebied propaan Binnen invloedsgebied LPG

nee nee nee nee nee

Tabel invloedsgebied inrichtingen.

Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 risicocontour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 risicocontour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10 -6 risicocontour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de A4, de A12 of de A13. Een berekening of een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. OUDE POLDER RIJKSWEGEN Binnen invloedsgebied A4 (4000m) Afstand A4 - Deelgbied Afstand = meer dan 200m Binnen invloedsgebied A12 (880m) Afstand A12 - Deelgbied Afstand = meer dan 200m Binnen invloedsgebied A13 (4000m) Afstand A13- Deelgbied Afstand = meer dan 200m

nee > 7.000 m ja nee ± 4.000 m ja nee > 4.700 m ja

Tabel invloedsgebieden en afstanden rijkswegen.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 54/75

Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de rijksweg A13 niet. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht. De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto’s van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500.

Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico. Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de (10% van de) oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven. Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470. Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter.

Hier is ook het aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de (10% van de) oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 ligt de bebouwing wel dichterbij (mimimaal 15 meter) maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing. Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de (10% van de) oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. De ontwikkelingen die in het bestemmingsplan nieuw worden toegestaan zullen niet tot een toename tot boven de (10% van de) oriëntatiewaarde van het groepsrisico leiden. Een berekening van de toename van het groepsrisico is daarom niet aan de orde. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt binnen deze afstand.

Vanwege de hoogte van het groepsrisico (<0,1OW) en de verwaarloosbare mogelijke toename van het groepsrisico (<10%) door de voorgenomen ontwikkeling hoeft alleen worden ingegaan op bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 55/75

de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd. De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport gaat vanaf de A13, via de N470 naar en door het bedrijvenpark Ruijven (Laan van Ruyven, Distributieweg, Overslagweg, Exportweg) en grenst aan het plangebied. Over de route wordt met name LNG vervoerd, op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet (5.000 ton) zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Voor de wegen op het bedrijvenpark Ruyven en in het plangebied Ruyven-Zuidpolder geldt dat zij niet vallen onder het ‘Basisnet weg’ en dus niet worden genoemd in bijlage 1 van de Regeling Basisnet. Dit betekent dat de wegen geen risicoplafond (ligging maximale PR 10-6 contour) en geen plasbrandaandachtsgebied kennen. Voor het plaatsgebonden risico geven de vuistregels van de HART aan dat voor een weg zowel binnen als buiten de bebouwde kom geldt dat er geen PR-10-6 contour is. De bebouwing op bedrijvenpark Ruyven ligt op minimaal 15 meter van de as van de weg.

Tabel 1-9 in de HART (drempelwaarden GF3-vervoer voor overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde, weg binnen bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) geeft aan dat op een afstand van 10 meter bij een bevolkingsdichtheid van 100 personen per hectare het aantal GF3 transporten 290 mag zijn. Op 20 meter afstand mag dit 450 zijn. Zowel het aantal personen per hectare als het aantal GF3 transporten wordt niet gehaald. Hiermee blijft het groepsrisico onder de (10% van de) oriëntatiewaarde. Het plangebied ligt op ruime afstand (ongeveer 3.900 meter) van de gemeentelijke route. Een berekening van de toename van het groepsrisico is daarom niet aan de orde. Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag – Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats. Buisleidingen binnen/nabij het plangebied OUDE POLDER BUISLEIDINGEN Aardgas - Binnen 100%? Aardgas - Binnen 1%? Aardgas - Afstand tot deelgebied CO2- Binnen 100%? CO2- Binnen 1%? CO2- Afstand tot deelgebied K2- Binnen 100%? K2 - Binnen 1%? K2 - Afstand tot deelgebied

ja ja ± 20 m nee nee > 300 m nee nee ± 1.000 m

Tabel Invloedsgebieden en afstanden buisleidingen.

Aardgas Nabij het plangebied ligt een hoge druk aardgasleiding (W-539-09). Het invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsafstand. Dit is de afstand waarop nog 1% van de personen zal komen te overlijden in het geval van het meest ongunstigste ongevalsscenario. Bij een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied van een buisleiding is een berekening en verantwoording van het groepsrisico verplicht. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Vanwege de hoogte van het huidige groepsrisico (<1) en de te verachten toename (<10%) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 56/75

Beheerder Leidingnummer Diameter Druk (inch) (Bar) Gasunie W-539-09 16 40

Afstand (m) Afstand (m) PR 10-6 1% letaal 100% letaal (m) 170 80 Nee

Overzicht ligging en eigenschappen aardgastransportleiding.

Brandbare vloeistoffen Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door het plangebied. Het meest waarschijnlijke scenario is een lekkage als gevolg van bijvoorbeeld menselijk handelen, zoals onder andere bij (graaf)werkzaamheden. In dat geval komt er een kleine hoeveelheid kerosine vrij. Dit kan overlast van geur veroorzaken en ook een kleine plas vormen. De kerosine wordt op afstand door middel van afsluiters, in de leiding, ingeblokt. Aangenomen wordt dat door het snel en accuraat optreden van alle betrokkenen deze vloeistof niet tot ontbranding zal komen. Het ergst denkbare scenario is breuk van de buisleiding, waarbij grote hoeveelheden kerosine komen vrij komen. De brandbare vloeistof vormt een plas en komt tot ontbranding. Er is sprake van hittestraling en dit kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. De kans op dit scenario is erg klein. In 2015 is een QRA (Rapport 152990, datum 25-11-2015) uitgevoerd om de invloed van nieuw te bouwen woningen (in Keijzershof) op het plaatsgebonden risico (PR 10-6) en het groepsrisico in beeld te brengen. De belangrijkste conclusies zijn: • Plaatsgebonden risico: de PR 10-6 contour ligt op de leiding.

• Groepsrisico: voor het groepsrisico blijkt uit de berekening dat voor zowel de huidige situatie als de nieuwe situatie het maximaal aantal slachtoffers voor het beschouwde deel van het tracé niet hoger is dan 1 persoon. Omdat er maximaal ‘minder dan 10 slachtoffers’ kunnen vallen is er dus, conform art. 1 van het Bevb, formeel geen sprake van een groepsrisico voor de K2-leiding. Het plangebied ligt op een dusdanig grote afstand van brandstofleiding (ongeveer 1.000 meter) dat dit geen invloed heeft op de hoogte of de toename van het groepsrisico van de brandstofleiding. Een berekening of een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. De brandstofleiding vormt geen belemmering. CO2 Er loopt een ondergrondse CO2-leiding aan de zuidkant door het plangebied. Als door beschadiging een breuk in de buisleiding ontstaat kan CO2 vrijkomen. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de hoeveelheid CO 2 die vrijkomt, varieert de concentratie CO2 in de omgeving van de buisleiding. Personen die zich in de buurt van de buisleiding bevinden kunnen last krijgen van ademhaling, hoofdpijn en/of duizeligheid of in het ergste geval overlijden. Wanneer een totale breuk van de leiding ontstaat is het mogelijk dat daarbij ook drukeffecten

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 57/75

vrijkomen, met een drukgolf als gevolg. Afhankelijk van de omvang van de drukgolf kan ook puin en/of glas worden rondgeslingerd. De kans op dit scenario is erg klein. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico’s en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico’s en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24-08-2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO 2leiding (Tebodin, document-nummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (01-02-2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” Ter hoogte van de duiker bij de A13, net buiten het plangebied, ligt de CO 2-leiding bovengronds. Het invloedsgebied van dit deel van de CO2-leiding ligt over het plangebied. Het plaatsgebonden risico ligt op de leiding en het groepsrisico ligt beneden de oriëntatiewaarde (Kwantitatieve Risicoanalyse (QRA) OCAP CO 2-leiding van Rotterdam (OCAP-locaties onsite bij Abengoa en Shell Pernis) naar Amsterdam, Tebodin, 7 april 2014, documentnummer 3413682).

Binnen het invloedsgebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een nieuwe berekening of een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. De buisleiding vormt geen belemmering. Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen over de weg N470 Scenario’s Een koude BLEVE ontstaat door het instantaan falen van de tankwagen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeluk. De inhoud van de tankwagen komt spontaan en explosief vrij. Er ontstaat overdruk en warmtestraling. Bij een warme BLEVE wordt een tank door een externe brand opgewarmd, waardoor deze door oplopende interne druk faalt. De sterkte van de metalen wand neemt af en kan het begeven. Hierdoor komt de inhoud onder zeer grote druk explosief vrij en ontbrandt direct. De warmtestraling en overdruk in de omgeving is direct dodelijk zowel binnen als buiten gebouwen. Op grotere afstand zullen aanwezigen (brand)wonden oplopen. Daarnaast ontstaat schade aan gebouwen als gevolg van de druk. Bronmaatregelen Met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen over de weg kunnen door de gemeente geen bronmaatregelen worden genomen. De bronmaatregelen die mogelijk zijn worden reeds getroffen in het kader van het Basisnet. In het Basisnet wordt een risicoplafond vastgesteld waardoor het vervoer van gevaarlijke stoffen niet onbeperkt kan groeien.

Tevens worden veiligheidszones vastgesteld waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen worden beperkt en worden veiligheidsmaatregelen getroffen. Effect reducerende maatregelen De koude BLEVE treedt plots op en heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er eigenlijk geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Bij een warme BLEVE is bronbestrijding mogelijk mits de koeling van de tankwagen snel genoeg gestart wordt. Zolang de tankwagen niet faalt, is er tijd om het gebied te ontruimen. Voorwaarde hierbij is dat de brandweer voldoende snel ter plaatse kan zijn en dat er bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. Indien de warme BLEVE optreedt zijn er geen mogelijkheden om het primaire effect te beperken. De inzet van de brandweer zal dan vooral gericht zijn op de bestrijding van secundaire branden. Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval bij transportroutes Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. Elk scenario vraagt een specifiek aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven, hangt af van

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 58/75

de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de ‘Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019’ (januari 2020) ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd. De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naar toe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbocht- en buitenbochtstraal hebben. Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn. Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3 / uur) of geboorde put. De ontwikkellocaties binnen het plangebied zijn aan deze eisen getoetst. Maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid In het geval van een (koude) BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (zonder bescherming) binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden.

Personen in gebouwen kunnen beschermd zijn voor de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen, de precieze bescherming hangt af van de eigenschappen van het gebouw (in hoeverre het gebouw brand- en explosie-werend is uitgevoerd). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, dergelijke scenario’s kunnen optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bij een langzaam scenario (waarbij de tankwagen in eerste instantie nog intact is) is het van belang dat mensen veilig kunnen vluchten. Voor externe ontvluchting van het plangebied is een goede infrastructuur van belang waarbij van de bron af gevlucht kan worden. Het is belangrijk dat de wegenstructuur in en rond het plangebied meerdere mogelijkheden biedt om van het incident af te kunnen vluchten. Beperkte verantwoording groepsrisico hoge druk aardgas transportleiding Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet vermeld worden: het huidige en het toekomstige groepsrisico en de toename van het groepsrisico, de aanwezige en de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen, de mogelijkheden voor het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of een zwaar ongeval en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid.

Voor de volledigheid worden ook de scenario’s besproken en de maatregelen benoemd. Huidige en toekomstig te verwachten personendichtheid Voor het bepalen van de bevolkingsdichtheden is gebruik gemaakt van de Populatieservice (https://populatieservice.demis.nl/#/bagrequest) De Populatieservice genereert populatiebestanden, die zijn gebaseerd op informatie uit met name de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG). De BAG bevat per pand informatie over de oppervlakte en het gebruiksdoel, zoals een kantoorfunctie. Met behulp van kentallen (welke dus kunnen afwijken van de werkelijke situatie) is een inschatting van de personenaantallen per object gemaakt. In de tabel staan de gegevens voor de bestaande situatie.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 59/75

PERSONEN INVLOEDSGEBIED W-539-09 OPPERVLAKTE CIRCA 117 HA BESTAANDE SITUATIE TYPE AANTAL WONEN 3598 KINDEREN 1682 INDUSTRIE 46 KANTOOR 0 BIJEENKOMST 413 VERZORGING 37 LOGIES 0 SPORT 143 WINKEL 0 DAG 3396 NACHT 3882

Bevolking bestaande situatie

Voor het toekomstige dierenpension zijn nog geen exacte bevolkingsgegevens bekend. Waarschijnlijk gaat het om maximaal 10 die hondentraining volgen. Voor de bedrijfswoning wordt rekening gehouden met een bezetting van 3 personen, het leslokaal wordt gezien als een school - zeer klein/incidenteel - 10 personen. Huidige en toekomstige groepsrisico OUDE POLDER

GROEPSRISICO (GR) Buisleiding W-539-09 DATUM QRA BESTAAND GR NIEUW GR TOENAME GR 24 november 2012 0,137 0,137 0 3 januari 2018 0,54 0,54 0

Resultaten meest recente QRA buisleidingen W-539-09

In de tabel staan de uitkomsten van de in het verleden uitgevoerde QRA’s, van in (2012) en nabij (2018) het plangebied. Geen van de destijds geplande ontwikkelingen heeft tot een toename van het groepsrisico geleid. Zo is in 2012 als nieuwe situatie een manege toegevoegd met een populatie van 70 en een evenement van 300 personen. Dit had geen impact op de hoogte van het groepsrisico (in beide situaties 0,137). In 2018 is een woonwijk toegevoegd, ook dit had geen invloed op het groepsrisico (was en bleef 0,54). Voor de huidige voorgenomen ontwikkeling, het dierenpension, is het daarom aannemelijk dat deze toevoeging naar verwachting ook geen impact op het groepsrisico zal hebben.

QRA 2012

QRA 2018

Scenario’s

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 60/75

Het meest waarschijnlijke en meest voorkomende ongeval is beschadiging van de buisleiding door grondwerkzaamheden. Hierbij kan aardgas uitstromen, maar aangenomen wordt dat door snel en accuraat optreden van alle betrokkenen (o.a. Gasunie, omwonenden) de ontstane gaswolk niet tot ontbranding zal komen. Het ergst denkbare scenario is een grote breuk in de aardgastransportleiding die explosief tot ontbranding komt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij dit scenario is tot in de wijde omgeving de explosie merkbaar en kunnen er tot op 170 meter (1% letaliteitgrens) personen overlijden. De kans op dit scenario is erg klein. Kansreducerende maatregelen De grootste kans op een incident met een hoge druk aardgastransportleiding ontstaat wanneer er grondroering in de nabijheid van de hoge druk aardgastransportleiding plaats vindt. Om de kans te verkleinen wordt geadviseerd om grondroering en/of graafwerkzaamheden nabij de hoge druk aardgastransportleiding te laten plaatsvinden onder strikte begeleiding van de Gasunie. Effect reducerende maatregelen Om het effect van een incident met de hoge druk aardgastransportleiding op de omgeving te minimaliseren moet de omgeving zodanig worden ingericht dat het risico zo veel mogelijk wordt beperkt. Door afstand te bewaren tussen de risicobron en de gebieden waar (zeer) kwetsbare objecten worden geplaats wordt de veiligheid vergroot.

Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. Elk scenario vraagt een specifiek aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven, hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de ‘Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019’ (januari 2020) ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd. De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naar toe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbocht- en buitenbochtstraal hebben. Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn.

Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3 / uur) of geboorde put. De ontwikkellocaties binnen het plangebied zijn aan deze eisen getoetst. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder hulp van de hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het kader van (het verhogen van) de zelfredzaamheid vindt de Veiligheidsregio dat mensen moet zijn voorbereid op eventuele calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het geval van een hogedruk aardgasleiding betekent dit bijvoorbeeld schuilen. Als het object waarin men verblijft zodanig aangestraald is dat het object bij de brand betrokken raakt, moet er een vluchtweg vanuit de kwetsbare objecten zijn, via de tuin/gevel(s) aan de afgekeerde zijde van de risicobron af. Risicocommunicatie Het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden geeft aan dat om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten, het van belang is dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. De gemeente deelt het advies dat informatie verstrekken aan personen van groot belang is. Het gaat hier om het verhogen van de veiligheid door handelingsperspectieven te bieden.

Zo kunnen burgers op de website van de gemeente

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 61/75

www.pijnacker-nootdorp.nl hierover veel informatie vinden bij het thema “veiligheid”. Ook op de landelijke website www.nederlandveilig.nl en op de regionale website https://www.haaglandenveilig.nl kan men veel informatie vinden. Daarnaast vindt, indien zich een ongeval voordoet dat effect op de omgeving heeft of nog kan hebben, afhankelijk van de aard en omvang van deze effecten, crisiscommunicatie plaats naar de in het effectgebied liggende bedrijven en bewoners. Bij een eenvoudig incident met geringe effecten zal de communicatie voor zover nodig op reguliere wijze en dus routinematig plaatsvinden door de ter plaatse aanwezige functionarissen van de hulpverleningsdiensten. Indien een incident zich ontwikkelt tot een groot incident of ramp zal binnen de regio Haaglanden, en dus ook binnen de gemeente, zogeheten opschaling plaatsvinden. Van een routinematige aanpak zal overgegaan worden naar een meer gecoördineerde aanpak. Deze gecoördineerde aanpak is beschreven in het crisisbeheersingsplan (rampenplan) van de gemeente. Er is ook een regionaal crisisplan.

Het rampenplan en het regionaal crisisplan voorzien onder meer in: • het waarschuwen van bewoners en de naastgelegen bedrijven (het attenderen van de bevolking op een gevaar of dreigend gevaar en het daarbij geven van een eerste gedragsadvies); • voorlichting: het verzamelen, het verwerken en verstrekken van informatie, met als doel het beperken of voorkomen van de directe gezondheidsgevolgen voor de betrokkenen door een ongeval. Conclusie Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Er is aandacht besteed aan bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot de N470 en er is een beperkte verantwoording opgesteld voor de hoge druk aardgastransportleiding. De toevoeging van één bedrijfswoning en een dierenpension heeft geen invloed op het plaatsgebonden risico en verandert niets aan (de hoogte van) het groepsrisico van deze buisleiding. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH). De VRH heeft per e-mail gereageerd (datum 9 februari 2021, kenmerk: 2021011540089). In het kader van de adviesrol van de Veiligheidsregio is getoetst aan de notitie van de Veiligheidsregio Haaglanden: “ADVISERING EV - VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen” (versie 2.2 datum 16 oktober 2020).

Hierin is de werkwijze beschreven van de VRH voor de ontwikkelingen die in het kader van externe veiligheid door de VRH van een specifiek advies worden voorzien. De ontwikkeling waar het adviesverzoek betrekking op heeft, valt niet onder één van de categorieën ontwikkelingen uit de notitie. In het kader van externe veiligheid zal de ontwikkeling niet zorgen voor een significante toe- of afname van het huidige risico. In verband met de aanwezigheid van de N470 en een hoge druk aardgastransportleiding, wordt echter verwezen naar de maatregelen zoals deze in de bijlage van de notitie per risicobron staan opgenomen. Deze maatregelen zijn opgenomen in de beperkte verantwoording van het groepsrisico van de hoge druk aardgastransportleiding en bij bereikbaarheid en bestrijdbaarheid ten aanzien van de N470. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 62/75

Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van een dierenpension inclusief bedrijfswoning. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de N470. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lag. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 63/75

4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Wel geldt dat nabij het plangebied een opstijgpunt voor een bovengronds hoogspanningsleiding is gelegen. Eventuele gevolgen daarvan zijn in paragraaf 4.8 benoemd. Ditzelfde geldt voor ondergronds buisleidingen, benoemt in paragraaf 4.9. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd.

De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde 1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én

leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 64/75

uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 35 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst.

Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een dierenpension met groene voorruimte en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 65/75

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 66/75

datum referentie

11 januari 2023 203755_AdB_RAP_0001_v4.0

P 67/75

5

Juridische plantoelichting

5.1

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 5.2

Opbouw van de regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 5.3

Regels

5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16152410/1