Bijlage 1 - Was-wordt lijst vijfde wijziging verordening maatschappelijke ondersteuning 2018
Tekst van het document
Was wordt lijst - Toelichting vijfde wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2018 Oude tekst Verordening Artikel 1.1 lid 1 onderdeel a a. algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als cliënt behorend;
Nieuwe tekst Verordening (geen)
Toelichting Deze begripsbepaling is geschrapt omdat het begrip ‘algemeen gebruikelijk’ wordt toegelicht in het volgende onderdeel bij het begrip ‘algemeen gebruikelijke voorziening’. Hierdoor wijzigt de lettering van het artikel.
2.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel b b. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel a a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking én daadwerkelijk beschikbaar is én een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client in staat is tot zelfredzaamheid of participatie én financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau;
Op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20-11-2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) zijn de criteria voor een algemeen gebruikelijke voorziening uitbereid met het criterium ‘de voorziening moet financieel gedragen kunnen worden met een minimuminkomen’.
3.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel d d. beperking: aan de cliënt verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie;
(geen)
Deze begripsbepaling is geschrapt omdat een beperking in de zin van de Wmo breed geïnterpreteerd moet worden. Hierdoor wijzigt de lettering van het artikel.
4.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel f f. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp;
Deze begripsbepaling is ter verduidelijking toegevoegd omdat in de verordening en beleidsregels vaak wordt verwezen naar het college. Hierdoor wijzigt de lettering van het artikel.
5.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel h h. financiële tegemoetkoming: een maatwerkvoorziening in de vorm van financiële tegemoetkoming, die door het college wordt vastgesteld;
Deze begripsbepaling is toegevoegd. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van verhuizing. Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. Volgens de CRvB is het ook onder de Wmo 2015 mogelijk om een bedrag te verstrekken als financiële maatwerkvoorziening. Voorwaarde hiervoor is wel dat deze financiële maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert
1.
1
aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27-032019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1166). 6.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel n n. ingezetene: de cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Pijnacker-Nootdorp;
Deze begripsbepaling is toegevoegd ter verduidelijking omdat het college meldingen en aanvragen van ingezetenen die in de gemeente Pijnacker-Nootdorp wonen in behandeling moet nemen. Met ‘wonen’ wordt hoofdverblijf in de gemeente bedoeld. Hierdoor wijzigt de lettering van het artikel.
7.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel t t. ondersteuningsplan: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid, van de wet. Hierin wordt beschreven welke problemen de cliënt ondervindt op het gebied van zelfredzaamheid en participatie en op welke manier gekomen kan worden tot verbetering;
Deze begripsbepaling is toegevoegd. Binnen de H5 wordt de term ‘ondersteuningsplan’ gehanteerd voor de schriftelijke weergave van het onderzoek van het college. Hierbij zoeken wij aansluiting. Hierdoor wijzigt de lettering van het artikel.
8.
Artikel 1.1 lid 1 onderdeel v v. voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling waarop de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;
(geen)
Deze begripsbepaling is geschrapt omdat volgens de Wmo 2015 niet kan worden verwezen naar een ‘voorliggende voorziening’ op grond van een andere wetgeving. Cliënten kunnen wel op eigen kracht aanspraak maken op een voorziening op grond van een andere wet. Hierdoor wijzigt de lettering van het artikel.
9.
Artikel 1.1 lid 2 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 1.1 lid 2 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Voor de volledigheid is ook het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 toegevoegd.
Artikel 1.1 lid 3 3. Waar in deze verordening ‘hij/hem/zijn’ wordt geschreven, wordt ook ‘zij/haar’ of ‘die/hen/hun’ bedoeld.
In het kader van inclusie is deze bepaling toegevoegd.
10.
2
11.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt het uitgangspunt is.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de ingezetene het uitgangspunt is.
In de tweede zinsnede is ‘cliënt’ gewijzigd in ‘ingezetene’ omdat cliëntondersteuning voor alle ingezetenen van de gemeente toegankelijk is en niet alleen voor de Wmo-cliënt.
12.
Artikel 2.3 Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
Artikel 2.3 Onderzoek 1. Het college onderzoekt in samenspraak met de cliënt door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger en desgewenst familie en deskundigen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren en de hulpvraag van de cliënt;
De bepalingen uit artikel 2.3 en 2.4 zijn samengevoegd. De Wmo 2015 kent geen vooronderzoek. Daarom wordt er één artikel over het onderzoek opgenomen in de verordening. Hierdoor wijzigt de nummering van de artikelen van de verordening.
2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3. Als de cliënt voldoende bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
en Artikel 2.4 Gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie en deskundigen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
3
b. welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; c. welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
In lid 1 van dit artikel is het stappenplan voor een zorgvuldig onderzoek volgens de CRvB toegevoegd, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21-03-2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Het stappenplan is als volgt: Wanneer een melding gedaan wordt moet het college vaststellen: Wat de hulpvraag is. Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving. Vervolgens moet onderzocht worden in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. In lid 3 is opgenomen dat de huisgenoten van de cliënt in het kader van gebruikelijke hulp ook verplicht zijn mee te werken
b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
4
f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en; j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, als bedoeld in het eerste lid. 3.
De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger en de relevante huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp verschaffen het college de gegevens en bescheiden
aan het Wmo onderzoek. Volgens jurisprudentie dienen de huisgenoten ook mee te werken aan een onderzoek dat het college noodzakelijk vindt om te bepalen of sprake is van gebruikelijke hulp. Daarbij moeten de huisgenoten alles aangeven wat van belang kan zijn voor het vaststellen van het recht van de cliënt. Doen zij dit niet, dan kan dat inhouden dat het college de noodzaak tot of de omvang van de maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24-10-2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3537). In lid 5 is de passage ‘en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegeven te verwerken’ verwijderd. Op grond van artikel 5.1.1 lid 1 van de Wmo 2015 is het niet nodig om toestemming te vragen voor de gegevensverwerking. Hieruit volgt dat het college deze bevoegdheid al heeft.
h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en; j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, als bedoeld in het eerste lid. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Daarnaast verlenen zij medewerking aan het uitvoeren van het onderzoek. 4. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 5. Het college informeert de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het onderzoek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 6. Als de hulpvraag voldoende bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.
4. Als de hulpvraag voldoende bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. 13.
Artikel 2.5 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.
Artikel 2.4 Advisering Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag om maatschappelijke ondersteuning dit vereist.
Het betreft een tekstuele wijziging ter bevordering van de leesbaarheid.
14.
Artikel 2.6 Verslag 1. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens gemachtigde of vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 2.4. van deze verordening.
Artikel 2.5 Ondersteuningsplan 1. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een ondersteuningsplan met daarin een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van deze verordening.
Het ‘verslag’ en ‘schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek’ zijn gewijzigd in ‘ondersteuningsplan’, zie de toelichting bij artikel 1.1 lid 1 onderdeel t.
5
In lid 2 is toegevoegd dat de ondertekening van het ondersteuningsplan zowel met een fysieke handtekening als
2. De cliënt tekent de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen vijf werkdagen wordt geretourneerd aan het college. 3. Als de cliënt tekent voor gezien, dan kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is met de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. 4. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan kan hij dit aangeven op de door hem ondertekende schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
15.
2. De cliënt tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen vijf werkdagen wordt geretourneerd aan het college. De ondertekening van het ondersteuningsplan kan zowel met een fysieke handtekening als met een akkoord per e-mail plaatsvinden. 3. Als de cliënt tekent voor gezien, dan kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is met de inhoud van het ondersteuningsplan. 4. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan kan hij dit aangeven in het door hem ondertekende ondersteuningsplan.
Artikel 2.7 Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.
Artikel 2.6 Aanvraag 1. Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.
2. Het college kan een ondertekende schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek aanmerken als een aanvraag als de cliënt dat op de schriftelijke weergave heeft aangegeven.
2. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als een aanvraag als de cliënt dat in het ondersteuningsplan heeft aangegeven.
3. Het college merkt een aanvraag en een daarbij behorend persoonlijk plan of verslag welke naar oordeel van het college verouderde informatie bevat, aan als melding.
3. Het college kan een ondertekend gespreksverslag van het huisbezoek aanmerken als aanvraag indien de cliënt dat in het gespreksverslag heeft aangegeven. 4. Voor het verlengen van een lopende maatwerkvoorziening is een mondelinge (telefonische) aanvraag mogelijk.
6
met een akkoord per e-mail kan plaatsvinden. Dit ter bevordering van de digitalisering en van het toegangsproces. Ook kan het voor de cliënt makkelijker zijn om akkoord per email te geven.
In dit artikel zijn in lid 2 en 3 de manieren waarop een aanvraag kan worden ingediend uitgebreid. Zo kan nu ook een gespreksverslag van het huisbezoek worden aangemerkt als een aanvraag en kan bij een verlenging van een maatwerkvoorziening telefonisch een aanvraag worden ingediend. Deze toevoegingen bevorderen een snellere besluitvorming in het belang van de cliënt.
5. Het college merkt een aanvraag en een daarbij behorend persoonlijk plan of verslag welke naar oordeel van het college verouderde informatie bevat, aan als melding. 16.
Artikel 2.8 Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
Artikel 2.7 Inhoud beschikking 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. 2. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
c. hoe de voorziening wordt verstrekt;
a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
b. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; c. hoe de voorziening wordt verstrekt;
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb wordt aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
7
d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
Lid 1 is toegevoegd ter verduidelijking van de besluitvorming. Hierdoor wijzigt de nummering van het artikel. In lid 3 onderdelen a en b en in lid 4 onderdelen a en d zijn ten behoeve van de leesbaarheid tekstuele wijzigingen aangebracht.
d. wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;
c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
f. eventuele andere verplichtingen die verbonden zijn aan het pgb.
d. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;
4. Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. eventuele andere verplichtingen die verbonden zijn aan het pgb. 5. Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
17
Artikel 3.1 lid 1 en 2 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt de ondertekende schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening
8
Artikel 3.1 Algemene criteria 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt naar het oordeel van het college de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of;
Ten behoeve van de leesbaarheid en ter verduidelijking is het oorspronkelijke artikel 3.1 opgesplitst in artikel 3.1 met algemene criteria en artikel 3.2 met voorwaarden en weigeringsgronden. Hierdoor wijzigt de nummering van de artikelen in hoofdstuk 3. In lid 2 was voorheen de letterlijke tekst van artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 opgenomen, inhoudende het afwegingskader voor de beoordeling van aan aanvraag voor een maatwerkvoorziening. In het nieuwe artikel 3.1 lid 2 is de tekst van 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 overzichtelijk uitgewerkt in aparte leden en onderdelen. Inhoudelijk is het artikel niet gewijzigd.
levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven;
d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of;
b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
g. voorzieningen op grond van aan andere wet. 3. De maatwerkvoorziening, als bedoeld in het tweede lid, levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 4. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt naar het oordeel van het college, de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruikt te maken van: a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of;
9
g. voorzieningen op grond van aan andere wet. 5. De maatwerkvoorziening, als bedoeld in het vierde lid, levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 18.
Artikel 3.1 lid 3 t/m 6 Criteria voor een maatwerkvoorziening 3. Er bestaat alleen een aanspraak op een maatwerkvoorziening indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; b. de noodzaak voor de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; c. de noodzaak tot ondersteuning niet is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen.
Artikel 3.2 Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening. 2. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet antirevaliderend werkt. 3. Er bestaat alleen een aanspraak op een maatwerkvoorziening indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was;
4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij:
b. de noodzaak voor de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt;
a. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
c. de noodzaak tot ondersteuning niet is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. 4. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als:
10
Lid 6 van artikel 3.1 van de ‘oude’ verordening wordt nu als eerste voorwaarde van artikel 3.2 vermeld omdat in het kader van kostenbeheersing altijd gekeken wordt welke voorziening het goedkoopst is. Uiteraard dient hierbij altijd het uitgangspunt te zijn dat deze voorziening passend is voor de cliënt. In lid 2 zijn voorwaarden toegevoegd omdat de voorziening op de eerste plaats veilig en doeltreffend moet zijn. Een voorziening met een anti-revaliderend karakter kan niet als doeltreffend worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18-01-2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:391). Door de toevoeging van lid 1 en 2 wijzigt de nummering van het artikel. Lid 5 van artikel 3.1 van de ‘oude’ verordening is gewijzigd opgenomen in artikel 3.2 lid 4 onderdelen a en b: a: volgens jurisprudentie kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken als voor de melding de voorziening is geaccepteerd of gerealiseerd, indien sprake is
b. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 5 De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel pgb kan worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening is gerealiseerd vóór de melding dan wel aanvraag. 6. Onverminderd de vorige leden verstrekt het college de goedkoopst mogelijke passende maatwerkvoorziening.
a. de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft geaccepteerd of gerealiseerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; b. de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van het besluit heeft geaccepteerd of gerealiseerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
van een acute noodsituatie. Zie de uitspraak van de CRvB van 08-02-2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:433). b. uit jurisprudentie volgt dat indien de cliënt de voorziening gerealiseerd of gekocht heeft na het indienen van een melding maar vóórdat de gemeente een besluit heeft genomen, de gemeente dit niet aan de cliënt mag tegenwerpen als vooraf duidelijk schriftelijke toestemming is gegeven of de gemeente de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28-07-2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:4125).
5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij: a. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
19.
Artikel 3.2 lid 3 - Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 3. De maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in het vorige lid is gericht op het versterken of verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan.
11
Artikel 3.3 lid 3 Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 3. De maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in het vorige lid is gericht op het versterken of verbeteren van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of andere voorzieningen worden verstaan.
In de laatste zin van dit artikel is ‘voorliggende voorzieningen’ gewijzigd in ‘andere voorzieningen’. Volgens de Wmo 2015 kan niet worden verwezen naar een ‘voorliggende voorziening’ op grond van een andere wetgeving. Cliënten kunnen wel op eigen kracht aanspraak maken op een voorziening op grond van een andere wet.
20.
Artikel 4.2.1 lid 3 Ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis 3. Indien het college het primaat verhuizen als bedoeld in het tweede lid oplegt, dan kan het college een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing verstrekken.
Deze bepaling is toegevoegd aan artikel 4.2.1. Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing voorrang heeft op andere woonvoorzieningen, te weten een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Door deze toevoeging wijzigt de nummering van artikel 4.2.1.
21.
Artikel 4.2.1 lid 4 Ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis 4. Indien het college inschat dat de kostprijs als bedoeld in het derde lid minder dan € 5.000,00 bedraagt, kan opdrachtverlening plaatsvinden zonder voorafgaande offerte-aanvraag.
(geen)
Deze bepaling is geschrapt omdat het een werkafspraak met een woningbouwvereniging betreft. Deze hoort niet thuis in de verordening.
22.
Artikel 4.2.1 lid 7 en 8 Ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis 7. Dit artikel is niet van toepassing op:
Artikel 4.2.1 lid 7 Ondersteuning bij het wonen in een geschikt huis 7. Een aanvraag kan in ieder geval worden geweigerd indien:
Ter bevordering van de leesbaarheid en ter verduidelijking zijn de weigeringsgronden uit lid 7 van de ‘oude’ verordening toegevoegd aan het nieuwe lid 7 inhoudende weigeringsgronden. Hierdoor wijzigt de nummering van artikel 4.2.1.
a. het toekennen van woonvoorzieningen aan tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, en bij niet zelfstandige woningen zoals bij kamerverhuur; b. het toekennen van woonvoorzieningen in specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 8. Een aanvraag kan in ieder geval worden geweigerd indien:
12
a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere noodzaak aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;
a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere noodzaak aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
c. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; e. de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; f. de aangevraagde woonvoorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw; g. deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
e. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld;
h. de woonvoorziening wordt aangevraagd ten behoeve van een tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, en bij niet zelfstandige woningen zoals bij kamerverhuur;
f. de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;
i. als de woonvoorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
g. deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen.
13
23.
Artikel 4.2.4 Woningsanering De tegemoetkoming voor woningsanering in de vorm van het vervangen van zachte door harde vloerbedekking, bedraagt maximaal € 54,00 per strekkende meter.
(geen)
Deze bepaling is geschrapt omdat het tarief voor een vergoeding van de kosten van de woningsanering wordt opgenomen in de nadere regels.
24.
Artikel 4.3 lid 2 onderdeel c Ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden c. het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen en gestreken kleding;
Artikel 4.3 lid 2 onderdeel c Ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden c. het aanwezig zijn van gewassen en opgevouwen kleding;
Het onderdeel strijken is geschrapt. Volgens de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20-08-2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:4844) hoeft het college geen maatwerkvoorziening voor strijken te indiceren, omdat strijkvrije kleding niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, aannemelijk is dat deze kleding in de reguliere handel verkrijgbaar is en de prijs van deze kleding vergelijkbaar is met soortgelijke producten.
25.
Artikel 4.5 Ondersteuning bij de thuisadministratie De met ondersteuning bij de thuisadministratie te bereiken resultaten hebben betrekking op:
Artikel 4.5 Ondersteuning bij de thuisadministratie De met ondersteuning bij de thuisadministratie te bereiken resultaten hebben betrekking op:
a.het bieden van overzicht in de administratie dan wel het op orde zijn en blijven daarvan;
a. het bieden van overzicht in de administratie dan wel het op orde zijn en blijven daarvan;
De onderdelen c en d van de ‘oude’ verordening zijn geschrapt omdat dit taken in het kader van schuldhulpverlening zijn. Het team Schuldhulpverlening van de gemeente kan inwoners van Pijnacker-Nootdorp ondersteunen bij schuldenproblematiek.
b. het tijdig betalen van rekeningen door de cliënt die op hem betrekking hebben;
b. het tijdig betalen van rekeningen door de cliënt die op hem betrekking hebben;
c. het er op toe zien dat de inkomsten en uitgaven van de cliënt in balans zijn en blijven; d. het, indien aanwezig, beheersbaar maken van de schuldenproblematiek en, indien mogelijk in relatie tot de inkomsten, verminderen van de schuldenlast. 26.
Artikel 4.6 onderdeel b Ondersteuning bij het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk b. het in staat stellen van de cliënt een beroep te doen op personen in zijn/haar sociale netwerk;
14
Artikel 4.6 onderdeel b Ondersteuning bij het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk b. het in staat stellen van de cliënt een beroep te doen op personen in zijn sociale netwerk;
Het woord ´haar´ is geschrapt omdat deze verordening in de mannelijke vorm is geschreven. In het kader van inclusie is in artikel 1.1 lid 3 opgenomen dat waar in deze verordening ‘hij/hem/zijn’ wordt geschreven, ook ‘zij/haar’ of ‘die/hen/hun’ wordt bedoeld.
27.
Artikel 4.8 Ondersteuning bij beschermd wonen en opvang De met ondersteuning bij beschermd wonen en opvang te bereiken resultaten hebben betrekking op het bieden van verblijf aan cliënten, waarbij het verblijf is gekoppeld aan noodzakelijke zorg en/of begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.
Artikel 4.8 Ondersteuning bij beschermd wonen en opvang 2. De centrumgemeente Delft is bevoegd tot het bepalen van de toegang en het nemen van besluiten ten behoeve van de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang, conform het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Delft, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.
De Wmo 2015 bevat een verordeningsopdracht. Volgens artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de Wmo 2015 bepaalt de verordening in ieder geval op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Omdat de centrumgemeente Delft namens het college van PijnackerNootdorp is gemandateerd voor het bepalen van de toegang en het afgeven van beschikkingen conform de daarvoor vastgestelde verordening en beleid van de centrumgemeente Delft, dient in de Wmo-verordening van Pijnacker-Nootdorp hiernaar verwezen te worden. Door deze toevoeging wijzigt de nummering van dit artikel.
28.
Artikel 4.9 Ondersteuning van mantelzorg 1. De met ondersteuning van mantelzorg te bereiken resultaten hebben betrekking op:
Artikel 4.9 Ondersteuning van mantelzorg 1. De met ondersteuning van mantelzorg te bereiken resultaten hebben betrekking op:
In lid 1 onderdeel b en lid 2 onderdeel c zijn tekstuele wijzigingen aangebracht ten behoeve van de leesbaarheid.
a. niet overbelast zijn van mantelzorg;
a. niet overbelast zijn van mantelzorg;
b. in staat zijn van mantelzorg om de cliënt effectief te ondersteunen.
b. in staat zijn tot het verlenen van mantelzorg om de cliënt effectief te ondersteunen.
2. De cliënt kan in aanmerking komen voor kortdurend verblijf in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, indien:
2. De cliënt kan in aanmerking komen voor kortdurend verblijf in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, indien:
a. het kortdurend verblijf noodzakelijk is ter ontlasting van de mantelzorger, én b. de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaande met permanent toezicht, én c. de cliënt geen afspraak kan maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen.
15
a. het kortdurend verblijf noodzakelijk is ter ontlasting van de mantelzorger, én b. de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaande met permanent toezicht, én c. de cliënt geen aanspraak kan maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen.
In lid 3 is de zinsnede ‘één etmaal per week, ten hoogste’ geschrapt. Het kortdurend verblijf omvat maximaal 52 etmalen per jaar, waarbij de cliënt maximaal 28 etmalen aaneengesloten mag afnemen. De tekst ‘één etmaal per week’ is daarom overbodig.
3. Het kortdurend verblijf als bedoeld in het tweede lid omvat maximaal één etmaal per week, ten hoogste 52 etmalen per jaar, waarbij de cliënt maximaal 28 etmalen aaneengesloten mag afnemen.
3. Het kortdurend verblijf als bedoeld in het tweede lid omvat maximaal 52 etmalen per jaar, waarbij de cliënt maximaal 28 etmalen aaneengesloten mag afnemen.
4. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het vorige lid.
4. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het vorige lid.
29.
Artikel 4.11 lid 2 Ondersteuning bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 2. Het college hanteert voor het zich lokaal verplaatsen in principe het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening zoals collectief vervoer.
Artikel 4.11 lid 2 Ondersteuning bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 2. Het college hanteert voor het zich lokaal verplaatsen in principe het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, te weten een vervoerspas voor reizen met de Regiotaxi.
Aan lid 2 is toegevoegd dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening concreet een vervoerspas voor reizen met de Regiotaxi inhoudt.
30.
HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET
HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET
Hier volgt eerst een algemene toelichting over het hoofdstuk Persoonsgebonden budget. De algemene bepalingen over het pgb uit artikel 6.1 en 6.3 zijn nu gebundeld in het eerste artikel. In artikel 6.2 wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele ondersteuning en in artikel 6.3 is de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt bepaald opgenomen.
31.
Artikel 6.1 lid 1 Regels voor pgb 1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een pgb dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.
32.
Artikel 6.1 lid 3 Regels voor pgb 3. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het eerste lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woonaanpassingen en andere maatregelen
Artikel 6.1 lid 1 Regels voor pgb 1. Indien een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger wenst in te kopen door middel van een pgb, dan dient de cliënt daarvoor een ondertekend bestedingsplan in als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e van deze verordening. Artikel 6.1 lid 3 Regels voor pgb 3. Voor het pgb geldt het volgende: a. het is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld bestedingsplan;
De bepaling dat de cliënt in aanmerking kan komen voor een pgb, volgt al uit artikel 2.3.6 lid 1 van de Wmo 2015 en is daarom geschrapt. In het artikel is nu opgenomen dat de cliënt een bestedingsplan moet indienen als hij in aanmerking wil komen voor een pgb. In het bestedingsplan wordt gemotiveerd waarom een pgb wordt gevraagd en wordt beschreven op welke wijze de maatwerkvoorziening wordt ingekocht. De bepalingen uit artikel 6.3 lid 1 t/m 3 van de ‘oude verordening’ zijn overgeheveld naar lid 3.
16
Onderdeel g is toegevoegd naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB van 27 november 2019
in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.
b. het wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. het bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura; d. als de verstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop het hulpmiddel of de woonvoorziening technisch is afgeschreven, indien nodig rekening houdend met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; e. indien de kosten volgens het bestedingsplan van de cliënt hoger zijn, dan de kostprijs van de naar het oordeel van het college passende individuele voorziening in natura, dan is er de mogelijkheid dat de cliënt het verschil zelf bekostigt; f. bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid onderdeel c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; g.
de aan een pgb verbonden taken, als bedoeld in het tweede lid onderdeel a, worden niet uitgevoerd door een zorgverlener die tevens uitvoerder is van de ondersteuning of een financiële relatie heeft met de
17
(ECLI:NL:CRVB:2019:3761). In deze uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat een zorgaanbieder die de hulp biedt niet in staat is de aan een pgb verbonden beheertaken ‘met voldoende afstand en kritisch’ te vervullen. Een dergelijke dubbelrol is dus niet toegestaan.
uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht. 33.
Artikel 6.1 lid 4 Regels voor pgb 4. Tussenpersonen of belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald.
Artikel 6.1 lid 4 Regels voor pgb 4. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke ondersteuning. In deze bepaling zijn daarom een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Dit is in overeenstemming met de pgb regels uit onze jeugdhulp verordening.
b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; e. een vrij besteedbaar deel. 34.
35.
Artikel 6.1 lid 5 Regels voor pgb 5. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden, betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:
18
Artikel 6.1 lid 5 Regels voor pgb 5. Er bestaat geen recht op een pgb voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor verleent.
Deze bepaling is toegevoegd. Hierdoor wijzigt de nummering van het artikel. Eén van de doelstelling van de Wmo 2015 is dat mensen zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen wonen. Ondersteuning in het buitenland valt hier in beginsel niet onder. Er zijn wel uitzonderingen mogelijk. Bijvoorbeeld als het nodig is om de ondersteuning bij een tijdelijk verblijf in het buitenland voort te zetten als dit bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt als hij of zij weer thuis is.
Artikel 6.1 lid 6 Regels voor pgb 6. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan diensten onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:
De onderdelen ‘hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen’ zijn geschrapt omdat ondersteuning vanuit het sociaal netwerk alleen betrekking heeft op dienstverlening.
36.
Artikel 6.2 Onderscheid professionele en nietprofessionele ondersteuning 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en nietprofessionele ondersteuning. 2. Van professionele ondersteuning is sprake als de organisatie, zelfstandige zonder personeel of hulpverlener die door de cliënt is ingeschakeld voor de ondersteuning, voldoet aan de volgende, cumulatieve eisen die in het toepasselijke onderdeel staan genoemd: a. Er is sprake van een organisatie indien: 1° de organisatie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de resultaatgebieden als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening; 2° de organisatie een dienstverband biedt aan minimaal twee medewerkers; 3° de organisatie en de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders, beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken en ontvangen een salaris dat daarmee overeenkomstig is; 4° de eigenaar en medewerkers geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant zijn van degene aan wie ze ondersteuning bieden; en 5° de organisatie beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd binnen een resultaatgebied als bedoeld in artikel 4.7
en 4.9, tweede lid, van deze verordening,
19
Lid 1 is toegevoegd om te benadrukken dat bij het vaststellen van de hoogte van het pgb onderscheid wordt gemaakt tussen professionele en niet-professionele ondersteuning. Door deze toevoeging wijzigt de nummering van het artikel. In lid 2 onderdelen a, b en c is bij het derde opsommingsteken toegevoegd dat de medewerker, zzp’er en hulpverlener moeten beschikken over relevantie diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken. Door deze toevoeging wordt de kwaliteit van de ondersteuning nog beter gewaarborgd. In lid 2 onderdelen a, b en c wordt bij het vijfde opsommingsteken verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen in de verordening. In lid 2 onderdeel c zijn de bepalingen in het derde en vierde opsommingsteken omgedraaid zodat de volgorde gelijk is aan die van de onderdelen a en b. Aan lid 4 is onderdeel b toegevoegd op basis van de uitspraak van de CRvB van 1-09-2021 (ECLI:NL:CRVB:2019:2175). Uit deze uitspraak volgt dat als de ondersteuner behoort tot het sociale netwerk van de client, het bijbehorende pgb tarief voor het sociale netwerkt kan worden toegekend. Zelfs als de ondersteuner een professional is.
over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven. b. Er is sprake van een zelfstandige zonder personeel indien: 1° de zelfstandige zonder personeel staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de resultaatgebieden als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening; 2° de Belastingdienst de zelfstandige zonder personeel in het kader van de hulpverlening aan de cliënt beschouwt als ondernemer; 3° de zelfstandige zonder personeel voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een hulpverlener van een gecontracteerde aanbieder worden gesteld, beschikt over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de desbetreffende taken en berekent een tarief dat marktconform is; 4° de zelfstandige zonder personeel geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant is van degene aan wie hij ondersteuning biedt; en 5° de zelfstandige zonder personeel beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd binnen een resultaatgebied als bedoeld in artikel 4.7 en 4.9, tweede lid, van deze verordening, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven. c. Er is sprake van een hulpverlener indien:
20
1° de hulpverlener staat ingeschreven in de voor de betreffende ondersteuning wettelijk vereiste register(s); 2° de hulpverlener de ondersteuning levert binnen de kaders van de resultaatgebieden als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening; 3°de hulpverlener voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een hulpverlener van een gecontracteerde aanbieder worden gesteld, beschikt over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken en berekent een tarief dat marktconform is; 4° de hulpverlener geen eerste- of tweedegraads bloedof aanverwant is van degene aan wie hij ondersteuning biedt; en 5° beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd binnen een resultaatgebied bedoeld in artikel 4.7 en 4.9, tweede lid, van deze verordening, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven. 3. Voor het leveren van professionele ondersteuning is vereist dat de hulpverlener beschikt over een VOG die na of kort voor indiensttreding bij zijn werkgever of de start van de ondersteuning is afgegeven. 4. Van niet-professionele ondersteuning is sprake indien: a. ondersteuning geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid; b. ondersteuning geboden wordt door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar tot het sociaal netwerk van cliënt behoren.
21
37.
Artikel 6.3 Hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld bestedingsplan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woonvoorzieningen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2. Als de verstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop het hulpmiddel of de woonvoorziening technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud, reparatie en verzekering. 3. Indien de kosten volgens het bestedingsplan van de cliënt hoger zijn dan het naar het oordeel van het college passende pgb, is er de mogelijkheid dat de cliënt het verschil zelf bekostigt. 4. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor: a.
een hulpmiddel of woonvoorziening: op basis van de kostprijs die de cliënt zou hebben ontvangen als het hulpmiddel of de woonvoorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor
22
Artikel 6.3 Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een hulpmiddel of woonvoorziening wordt vastgesteld op basis van: a. de kostprijs van de goedkoopst passende (tweedehands) voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als het hulpmiddel of de woonvoorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, of b. het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte. 2. De hoogte van het pgb voor ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden wordt als volgt vastgesteld: a. niet-professionele ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk of door een persoon die geen professionele ondersteuning biedt: op basis van een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op het minimum uurloon of maximaal een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op FWG 15, periodiek 5, van de cao VVT; b. professionele ondersteuning door een zelfstandige zonder personeel: op basis van een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op FWG 15, periodiek 5, van de cao VVT; c. professionele ondersteuning door een organisatie: op basis van het laagste toepasselijke uurtarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. 3. De hoogte van het pgb voor ondersteuning bij zelfzorg, de thuisadministratie of het opbouwen of
Lid 1 t/m 3 van de ‘oude’ verordening zijn overgeheveld naar lid 3. Hierdoor wijzigt de nummering van het artikel. Artikel 6.3 bevat nu alleen bepalingen die betrekking hebben op de hoogte van het pgb. Per maatwerkvoorziening is een apart lid opgenomen waarin staat vermeld hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Inhoudelijk wijzigt het artikel nauwelijks. Ten behoeve van de leesbaarheid zijn tekstuele wijzigingen aangebracht. Hier volgt een toelichting per lid. In lid 1 (was lid 4 onderdeel a) m.b.t. het pgb voor een hulpmiddel of woonvoorziening is toegevoegd dat de hoogte van het pgb ook kan worden gebaseerd op een tweedehandsvoorziening omdat de gecontracteerde aanbieder voor hulpmiddelen ook tweedehands/hergebruikte voorzieningen inzetten. Ook is opgenomen dat de hoogte van pgb kan worden gebaseerd op een offerte. Dit is van toepassing op bouwkundige woningaanpassingen. Lid 2 t/m 4 (was lid 4 onderdeel b t/m e en lid 5) m.b.t. het pgb voor ondersteuning bij het huishouden, zelfzorg, de thuisadministratie of het opbouwen of onderhouden van een sociaal netwerk en de hoogte voor het pgb voor nietprofessionele ondersteuning zijn inhoudelijk niet gewijzigd. In lid 5 (was lid 4 onderdeel f) wordt de hoogte van het pgb voor dagbesteding vastgesteld. De hoogte van het pgb voor dagbesteding bedraagt voor alle vormen van dagbesteding 100% van het gecontracteerde tarief.
Daarom zijn de onderdelen m.b.t. de verschillende vormen van dagbesteding samengevoegd tot één lid. Lid 6 (was lid 4 onderdeel h) m.b.t. professionele ondersteuning bij mantelzorg heeft betrekking op de inzet
de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; b. niet-professionele individuele ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden: door een persoon uit het sociaal netwerk of door een persoon die geen professionele ondersteuning biedt: op basis van een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op het minimum uurloon of maximaal een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op FWG 15, schaal 5, van de CAO VVT; c. professionele individuele ondersteuning bij een (gestructureerd) huishouden: 1°. ondersteuning door een daartoe opgeleid persoon die werkt als een zelfstandige zonder personeel: op basis van een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op FWG 15, schaal 5, van de CAO VVT; 2°. ondersteuning door een daartoe opgeleid persoon in dienst bij een zorgaanbieder: op basis van het laagste toepasselijke uurtarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder; d. niet-professionele individuele ondersteuning bij zelfzorg, de thuisadministratie of het opbouwen of onderhouden van een sociaal netwerk: door een persoon uit het sociaal netwerk of door een persoon die geen professionele ondersteuning biedt: op basis van een inclusief uurtarief dat is gebaseerd op FWG 15, schaal 5, van de CAO VVT of maximaal het in het artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg genoemde tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk;