CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ontwerpbestemmingsplan Vrijenban II

Raad Besluitvorming 24 november 2022, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Vrijenban II26.029 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

27

gemeente Pijnacker-Nootdorp

het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat op dit moment de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het toekomstige omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' inhouden. In het kader van de omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag bodem.

Onderzoek en sanerende maatregelen bij toekomstige (her)inrichting of bestemmingswijziging: Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto's en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van de beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen. Bodemonderzoek Door KP Adviseurs BV is een actualiserend verkennend en aanvullend land- en waterbodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2).

Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Ter plaatse van de in 2016 vastgestelde i-contour zijn lichte tot matige (baksteen)puinbijmengingen in de boven- en ondergrond waargenomen (traject globaal 30-120 cm-mv). Onder de betonverharding is plaatselijk een tweede betonvloer (circa 500 m2) en/of een puinfunderingslaag waargenomen tot maximaal 120 cm-mv (geen bodem). Het asfalt aan de westzijde van de onderzoekslocatie is beoordeeld als niet-teerhoudend en komt derhalve voor warm hergebruik in aanmerking. In de opgeboorde funderingslagen (puin) onder de asfalt- en betonverhardingen is zowel zintuiglijk als analytisch (indicatief) geen asbest aangetoond. De puinlaag onder het asfalt (circa 300 m3) is (indicatief) herbruikbaar als niet-vormgegeven bouwstof. De puinlaag onder de betonverharding (circa 400 m3) komt niet voor hergebruik in aanmerking op basis van een verhoogde samenstellingswaarde van minerale olie. De aanwezigheid van de betonvloer in de ondergrond én van een geval van ernstige grondverontreiniging (circa 84 m3) met zware metalen (Tritium, 2019) vormt mogelijk een belemmering voor de voorgenomen herontwikkelingswerkzaamheden.

Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van de locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten ter plaatse van de sterk verontreinigde grond zal een saneringsplan of BUS-melding worden ingediend bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. (Half)verhardingen zonder functionele toepassingen dienen te worden verwijderd en afgevoerd naar een erkende be-/verwerker.

Door Tritium Advies is een milieutechnisch (water)bodemonderzoek uitgevoerde voor het perceel aan de Noordeindseweg achter nummer 38 (zie Bijlage 3). Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Op basis van het vooronderzoek was de verwachting dat mogelijk nog incidenteel asbest wordt

28

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

aangetroffen op deellocatie A (grasland). Dit en de aanwezigheid van het puin vormt, gelet op de reeds uitgevoerde onderzoeken en saneringen, geen aanleiding tot het uitvoeren van een verkennend asbestonderzoek op dit terreindeel. De aangetoonde lichte verontreinigingen vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. De gehalten lood bevinden zich beneden de grenswaarde van de GGD voor het nemen van maatregelen bij het gebruik van de locatie als wonen met tuin (kleine moestuin). De onderzoeksresultaten ter plaatse van het erf (deellocatie B) vormen op basis van de asbestresultaten vooralsnog een belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Omdat asbest in het stortmateriaal (puin met ijzer) ter plaatse van het erf is aangetoond in een gehalte hoger dan 50 mg/kg d.s., dient een nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Dit om het daadwerkelijk gehalte asbest en eventueel de omvang van een verontreiniging met asbest vast te stellen. Omdat indicatief asbest in de kleiige ondergrond ter plaatse van het erf is aangetoond, dient deze als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Derhalve dient een nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd.

Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.

4.5

Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. Inleiding In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.

Normstelling en beleid Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).

29

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeenkomt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4).

De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt. Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.

Waarom onderscheid? Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).

Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het

30

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi. Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10–9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro. Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes.

Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart).

31

gemeente Pijnacker-Nootdorp

In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.

Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeenkomt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar.

Wanneer verantwoording groepsrisico? Verantwoording is van toepassing op de volgende besluiten: De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico.

Daarom is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen. Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een

32

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld: 3. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 4. Hoogte van het groepsrisico; 5. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 6. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit.

Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat. Plaatsgebonden risico Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeenkomt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan (mede inbegrepen een inpassingsplan), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Echter, ook als de verantwoordingsplicht niet van toepassing is kan in het kader van goede ruimtelijke ordening (artikel 10 Wro) een verantwoording noodzakelijk zijn. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: I.

de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding;

33

gemeente Pijnacker-Nootdorp

II. de omvang van het groepsrisico; III. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; IV. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen. Overige voor Pijnacker-Nootdorp relevante besluiten op het gebied van externe veiligheid Activiteitenbesluit Dit besluit en de bijbehorende regeling zijn de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, waaronder veiligheidsafstanden (voor bijvoorbeeld propaantanks, ammoniak koelinstallaties en gasontvangststations) waaraan voldaan moet worden. Vuurwerk besluit Dit besluit reguleert de gehele keten rondom vuurwerk. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen. De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn een uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).

Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour buiten de inrichting. Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen Uit de risicokaart blijkt dat voor de A4 de PR 10-6 contour per wegvak verschilt van 0 tot maximaal 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de wegvakken van de A13 een PR 10-6 contour hebben die varieert van 6 tot 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren. Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van de A4 en de A12. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van de A13, op ruim meer dan 200 meter (zo'n 800 meter) van de A13. Daardoor is een berekening of een volledige verantwoording van het groepsrisico aan de orde. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Als op grond vna het ruimtelijk plan de bouw, vestiging of aanleg van nog niet gerealiseerde (beperkte) kwetsbare objecten worden toegestaan, moet ook worden ingegaan op zelfredzaamheid. Dit is hier het geval. Hiermee wordt invulling gegeven aan de eisen uit het Bevt.

Tabel invloedsgebieden Rijkswegen

34

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de Rijksweg A13 niet. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht. De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto's van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500.

Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico. Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven. Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470. Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter.

Hier is ook het aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 (zo ook ter hoogte van dit bestemmingsplan) ligt de bebouwing wel dichterbij (mimimaal 15 meter) maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing. Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden. De N470 ligt op ongeveer 1300 meter van het plangebied. Tabellen 1-6 en 1-7 gaan tot een afstand van 200 meter. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART hoeven namelijk geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Een berekening van (de toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan niet aan de orde. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden.

Voor de N470 geldt vanwege het transport van GF3 een invloedsgebied van 355 meter. Omdat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de N470 ligt hoeft geen berekening of (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.

Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te

35

gemeente Pijnacker-Nootdorp

vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd. De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruime afstand (ongeveer 1.500 meter) van het plangebied en vormt dus geen belemmering. Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Er vindt ook geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats. Buisleidingen binnen/nabij het plangebied

Tabel buisleidingen

Aardgas Het plangebied ligt niet binnen de 1% of de 100% letaliteitsgrens van een hoge druk aardgasleiding. Deze leidingen vormen dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid.

Brandbare vloeistoffen Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De PR 10-6 contour ligt op de leiding. De leiding ligt op ruime afstand van het plangebied en vormt daarom geen belemmering. CO2 Er loopt een CO2-leiding door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24 augustus 2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (1 februari 2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico's". De buisleiding ligt ook op ruime afstand van het plangebied en is dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid.

36

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

Bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen over de A13 Bij de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) is advies gevraagd. Het advies geeft een korte beschrijving van het plangebied, de aanwezige risicobronnen op het gebied van externe veiligheid, een beschrijving van de mogelijke scenario's en de geadviseerde maatregelen ter verbetering van de veiligheid in het plangebied. Bereikbaarheid, bestrijdbaarheid worden beoordeeld en er wordt aandacht besteed aan zelfredzaamheid. Hiermee wordt invulling gegeven aan de eisen uit het Bevt. Scenario's Het meest waarschijnlijke scenario is een lekkage van een tankwagen met gevaarlijke stoffen. Hierbij komt een kleine hoeveelheid van de vervoerde stof vrij. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is afhankelijk van de stof (mate van giftigheid) en de hoeveelheid die is vrijgekomen. Bij de meeste stoffen zal de omgeving uit voorzorg worden ontruimd, maar zullen er, buiten irritatie aan luchtwegen en ogen en/of stankoverlast, weinig problemen zijn. Het ergst denkbare scenario is een lekkage of het ineens vrijkomen van de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen van een (tank)wagen met een giftige vloeistof of giftig gas. Hoe groot de effecten naar de omgeving zullen zijn, is onder andere afhankelijk van de soort stof en de hoeveelheid die is vrijgekomen.

Daarbij hebben ook de weersomstandigheden een grote invloed op de verspreiding. In het ergste geval kan dit leiden tot een invloedsgebied van meer dan 4000 meter. De kans op dit scenario is zeer klein.

Effect reducerende maatregelen Indien in objecten een ventilatievoorziening aanwezig is of wordt gerealiseerd moet deze ventilatie met een eenvoudige (handmatige) handeling uit te schakelen zijn. Hiermee kunnen de gevolgen bij het vrijkomen van giftige stoffen in het object worden beperkt. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen. Het is daarbij van belang dat ook eventuele ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten.

Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is door de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) is de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid (november 2012)' ontwikkeld. Deze wordt door gemeente Pijnacker-Nootdorp gehanteerd en nageleefd. De veiligheidsregio Haaglanden heeft eisen geformuleerd ten aanzien van de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In het algemeen geldt dat een woonhuis tot op 40 meter bereikbaar moet zijn voor een brandweervoertuig. De wegen en bruggen er naar toe moeten ook een bepaalde belasting aankunnen, een bepaalde doorgangshoogte en rijbaanbreedte hebben en een zekere binnenbocht- en buitenbochtstraal hebben. Wat betreft de bluswatervoorziening geldt dat er binnen een straal van 100 meter van het object een bluswatervoorziening aanwezig moet zijn. Een bluswatervoorziening kan zijn: open water, ondergrondse brandkraan (opbrengst minimaal 30 m3 / uur) of geboorde put. De ontwikkellocaties binnen het plangebied zijn aan deze eisen getoetst.

Maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid Naast bovenstaande is het belangrijk dat de zelfredzaamheid van mensen wordt verhoogd. Het is van belang dat mensen veilig kunnen vluchten. Hiervoor is een vluchtweg vanuit het object richting de omgeving, in een afgekeerde zijde van de risicobronnen van belang. Geadviseerd wordt ook het personeel/BHV-organisatie van de bedrijven in het plangebied voor te bereiden op calamiteiten met de eerder genoemde risicobronnen. Het gaat hierbij om calamiteiten die buiten het object kunnen plaatsvinden, maar effecten binnen het object zou kunnen hebben. Hierbij is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij gehandeld kan worden. Bijvoorbeeld om

37

gemeente Pijnacker-Nootdorp

personeelsleden/bezoekers te assisteren zichzelf in veiligheid te brengen. Dit kan geborgd worden in een plan ten behoeve van noodsituaties. Hierbij is het ook belangrijk dat dit noodplan structureel wordt geoefend.

Risicocommunicatie Het advies van de Veiligheidsregio Haaglanden geeft aan dat om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten, het van belang is dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. De gemeente deelt het advies dat informatie verstrekken aan personen van belang is. Het betreft de handelingsperspectieven om de veiligheid te verhogen. Op de website van de gemeente www.pijnacker-nootdorp.nl kunnen burgers hierover veel informatie vinden bij het thema “veiligheid”. Ook op de landelijke website www.nederlandveilig.nl en op de regionale site http://www.watdoeje.nl/haaglanden/ kan men veel informatie vinden.

Daarnaast vindt, indien zich een ongeval voordoet dat effect op de omgeving heeft of nog kan hebben, afhankelijk van de aard en omvang van deze effecten, crisiscommunicatie plaats naar de in het effectgebied liggende bedrijven en bewoners. Bij een eenvoudig incident met geringe effecten zal de communicatie voor zover nodig op reguliere wijze en dus routinematig plaatsvinden door de ter plaatse aanwezige functionarissen van de hulpverleningsdiensten. Indien een incident zich ontwikkelt tot een groot incident of ramp zal binnen de regio Haaglanden, en dus ook binnen de gemeente, zogeheten opschaling plaatsvinden. Van een routinematige aanpak zal overgegaan worden naar een meer gecoördineerde aanpak. Deze gecoördineerde aanpak is beschreven in het crisisbeheersingsplan (rampenplan) van de gemeente. Er is ook een regionaal crisisplan. Het rampenplan en het regionaal crisisplan voorzien onder meer in: * het waarschuwen van bewoners en de naastgelegen bedrijven (het attenderen van de bevolking op een gevaar of dreigend gevaar en het daarbij geven van een eerste gedragsadvies); * voorlichting: het verzamelen, het verwerken en verstrekken van informatie, met als doel het beperken of voorkomen van de directe gezondheidsgevolgen voor de betrokkenen door een ongeval.

Conclusie Alle aspecten van externe veiligheid zijn onderzocht, beschreven en beoordeeld. Er is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Zij hebben de risico's beschouwd en maatregelen benoemd ter verdere bevordering van de veiligheid. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de A13 in relatie tot het plangebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld waarbij advies is gevraagd aan de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio heeft in haar advies het volgende aangegeven: Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden door de Veiligheidsregio de volgende maatregelen geadviseerd: a. afschakelbare ventilatie (effectbeperking); b. risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid); c. bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen t.b.v. de hulpverlening). Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen het plangebied.

38

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

4.6

Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Kooltuin ten noorden van het plangebied heeft een snelheidsregime van 60 km/uur. Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van deze weg. Er wordt een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van deze weg op de woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden in het onderzoek ook de 30 km/uur-wegen betrokken. De gehele Noordeindseweg heeft sinds juli 2021 een snelheidsregime van 30 km/uur en wordt alszodanig in het onderzoek meegenomen.

Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Ten behoeve van de flexibiliteit van het bestemmingsplan is de geluidsbelasting berekend op de grenzen van de bestemmingsvlakken. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uitsluitend wordt overschreden ter plaatse van de twee-onder-één-kapwoningen. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Onderzocht is welke maatregelen er genomen kunnen worden om alsnog te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Hieruit blijkt dat op een afstand van 20 meter uit de as van de weg voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. De achtergevel van de woningen dient daarmee op 7,5 meter uit de noordwestelijke perceelsgrens te worden gepositioneerd. Aangezien aan de achterzijde van de woningen een achtertuin is voorzien, kan aan deze afstand voldaan worden. Het bouwvlak ter plaatse van de twee-onder-één-kapwoningen is om die reden op 7,5 meter uit de achterste perceelsgrens gelegd. Daarmee wordt overal voordaan aan de voorkeursgrenswaarde en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.7

Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt. In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht. Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn

39

gemeente Pijnacker-Nootdorp

van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In onderhavig bestemmingsplan worden 40 woningen mogelijk gemaakt. Dit aantal blijft ruim onder de 1.500 woningen. Het project draagt Niet In Betekende Mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Conform de NIBM-tool is het mogelijk de bijdrage in beeld te brengen op basis van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan (zie afbeelding). De verkeersgeneratie bedraagt 253 motorvoertuigen per etmaal (zie paragraaf 4.10). De bijdrage blijft ruim onder de NIBM-grens.

Afbeelding 6 | NIBM-tool (bron: Infomil)

Conform de NSL-monitoringstool 2019 (rekenjaar 2020) bedraagt de luchtkwaliteit ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt aan de Delftsestraatweg (rekenpunt 15636618) 20,7 µg/m3 NO2, 17,8 µg/m3 PM10 en 10,4 µg/m3 PM2,5. Daar wordt ruim onder de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 gebleven en onder de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie van 20 µg/m3 voor PM2,5. Het uitvoeren van een nader luchtkwaliteitsonderzoek is niet nodig. De grenswaarden worden niet overschreden.

4.9

Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. In het plangebied zijn onder andere agrarische gronden (paardenweide) aanwezig en bebouwing die gesloopt zal worden. Onderzocht moet worden of de woningbouwontwikkeling negatief effect kan hebben op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna. Door VanderHelm Milieubeheer B.V. is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Uit de ecologische quickscan blijkt, dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten en beschermde gebieden. Beschermde houtopstanten zijn in dit gebied niet van toepassing. Uit de ecologische quickscan blijkt dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het

40

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

projectgebied niet kan worden uitgesloten. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald of zwaarder beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, middels een soortgericht onderzoek naar vleermuizen, Huismus, Gierzwaluw en Boerenzwaluw. Uit de ecologische quickscan blijkt dat geen vervolgonderzoek nodig is naar effecten van de werkzaamheden op Natura 2000-gebieden, NNN en beschermd weidevogelgebied.

4.10

Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd. Ontsluiting De ontsluiting van de woningen zal plaatsvinden op de straat Vrijenban. De Vrijenban is ter plaatse een doodlopende straat en zal worden doorgetrokken het plangebied in. De Vrijenban sluit aan op de Delftsestraatweg die een hoofdontsluitingsweg vormt. De Vrijenban is ingericht als 30 km/h-zone. Aansluitend op de realisatie van het plan, zal ook gekeken worden naar een mogelijke andere inrichting van de straat en een veiligere aansluiting van de Vrijenban op de Delftsestraatweg. Mede naar aanleiding van ingekomen inspraakreacties zijn een aantal alternatieve ontsluitingen geanalyseerd. De alternatieven betreffen suggesties van indieners om te komen tot een andere ontsluiting dan via de Vrijenban. De gesuggereerde ontsluitingen zijn: a. via een nieuwe verbinding in het verlengde van de Vrijenban, tussen nummer 13 en 40; b. via een nieuwe verbinding naar de Noordeindseweg; c. via een nieuwe verbinding naar de Kooltuin.

Bij deze voorgestelde ontsluitingen moet het verkeer van en naar de nieuwe woonwijk gebruik gaan maken van de Noordeindseweg. Dit is een onwenselijke situatie. De Noordeindseweg is een smalle weg met een verkeersintensiteit die nu al hoog is. Het is niet gewenst om nieuwe verkeersstromen via deze weg te geleiden. De verkeersveiligheid zal hierdoor namelijk sterk verminderen. De ontsluiting via de Vrijenban blijft daarom de voorkeur houden. Verkeersgeneratie Op basis van het stedenbouwkundige plan is de verkeersgeneratie bepaald aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Het plan bestaat uit verschillende woningtypes. Het is echter nog niet concreet vastgelegd hoeveel woningen in welke type gerealiseerd worden. Enige uitwisseling is op basis van het bestemmingsplan mogelijk. Vooralsnog is uitgegaan van het stedenbouwkundige plan wat een realistische aanname vormt. In de CROW-publicatie wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en gebiedstype. Conform de Nota Parkeernormen 2012 van de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft de gehele gemeente Pijnacker-Nootdorp de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' en ligt de gehele gemeente in het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Tevens is in de nota bepaald dat uitgegaan wordt van het gemiddelde. Op basis van deze uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie als volgt:

Type woning

Aantal woningen

twee-onder-één-kap, koopwoning

6

tussen/hoek, 22 koopwoning appartement, huur, 12 midden/goedkoop

Minimum Maximum Gemiddelde Totale verkeersgenerati verkeersgenerati verkeersgenerati verkeersgenerati e e e e 7,4 8,2 7,8 46,8

7,0

7,8

7,4

162,8

3,2

4,0

3,6

43,2

41

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Totaal

40

252,8

De verkeersgeneratie als gevolg van het plan bedraagt afgerond en gemiddeld 253 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Vrijenban betreft een erftoegangsweg met een snelheidsregime van 30 km/uur. Conform het CROW heeft een dergelijke erftoegangsweg een capaciteit van 2.500 motorvoertuigen per etmaal. Ook met de toename van de verkeersintensiteit als gevolg van het plan, wordt (ruim) onder de capaciteit van 2.500 motorvoertuigen per etmaal gebleven. Vanuit verkeerskundig oogpunt is op basis van deze intensiteiten sprake van een acceptabele verkeerssituatie. Vanwege eerdere meldingen over de verkeerssituatie is besloten om aansluitend op de ontwikkeling de inrichting van de Vrijenban en de aansluiting van de Vrijenban op de Delftsestraatweg te bekijken en waar mogelijk verkeersveiliger te maken. Parkeren Ten aanzien van het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen hanteert de gemeente de Nota Parkeernormen 2012. Deze nota is in 2015 herzien en wordt momenteel opnieuw herzien. Het doel van de nota is te zorgen dat bij nieuwbouw of functiewijziging van een gebouw of terrein voldoen de parkeerruimte op eigen aanwezig is voor de eigen parkeerbehoefte en daarmee parkeeroverlast in de openbare ruimte te voorkomen. In de Nota Parkeernormen 2012 wordt de parkeernorm bepaald aan de hand van de koopprijs van de woning (duur, midden, goedkoop).

Omdat de koopprijzen de afgelopen jaren flink zijn gestegen, wordt deze methode in het ontwerp van de Nota Parkeernormen 2021 niet meer gehanteerd. Vooruitlopend op de vaststelling van de nota, wordt getoetst aan de opgenomen parkeernormen per woningtype.

Type woning Aantal woningen Koop, twee onder een 6 kap Koop, tussen/hoek 22 Huur, appartement, 12 goedkoop/midden Totaal 40

parkeernorm 2,1

Totaal 12,6

1,9 1,4

41,8 16,8 71,2

Het aantal benodigde parkeerplaatsen bedraagt in totaal 72 parkeerplaatsen. De twee-onder-één-kapwoningen hebben een garage met een dubbele oprit van circa 6 meter breed. Conform de Nota parkeernormen mogen deze meegerekend worden als 1,8 parkeerplaats per woning. De overige woningen hebben geen parkeergelegenheid op eigen terrein. In de openbare ruimte zijn daarmee nog 62 parkeerplaatsen nodig (72 - 6 *1,8 = 61,2). In het stedenbouwkundig plan is in de openbare ruimte rekening gehouden met 70 parkeerplaatsen. Daarmee voorziet het plan in ruim voldoende parkeergelegenheid.

4.11

Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen. Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020 Het beleidsdocument 'Waterklimaatplan Pijnacker-Nootdorp 2017-2020 heeft de gemeente samen met het Hoogheemraadschap van Delfland opgesteld. Het bevat de opgave voor de gemeente bij de klimaatverandering, en de maatregelen daarvoor in de komende jaren. Integraal waterbeheer in Pijnacker-Nootdorp moet zorgen voor droge voeten, een gezond watersysteem en een optimale beleving van het water. Voor droge voeten zijn de belangrijkste maatregelen: keringen

42

od205 | bestemmingsplan Vrijenban II

en watergangen op orde houden; water vasthouden waar het valt; het overige water zoveel mogelijk op een plek verzamelen waar het geen overlast veroorzaakt; en als het niet meer regent het water afvoeren. Om het water vast te houden, gaan ze zoveel mogelijk ontharden en groene daken en waterdoorlatende verharding aanleggen. Om het water te bergen, worden functies van percelen en bestemmingen gewijzigd, verharde oppervlakten afgekoppeld van de gemengde riolering en wordt waterafvoer door infiltratie (WADI) ingezet. Om het water af te voeren, worden grotere duikers aangelegd en watergangen verbreed. Voor voldoende water zijn de belangrijkste aandachtspunten: verdroging en het inlaten van zoet en schoon water. Voor een gezond watersysteem is de ecologische en chemische waterkwaliteit belangrijk. In het waterklimaatplan is als kansrijke maatregel opgenomen het verbreden van de watergang aan de Noordeindseweg. Voor het overige zijn geen specifieke maatregelen of kansen opgenomen die van toepassing zijn op het plangebied of in de directe omgeving.

Waterkeringen In of nabij het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. De dichtstbijzijnde waterkering betreft de Delftsestraatweg. Deze is op zodanige afstand van het plangebied gelegen, dat de ontwikkeling geen invloed heeft op deze waterkering

Hoofdwatergangen In het plangebied zijn meerdere hoofdwatergangen aanwezig. De watergangen rondom het plangebied blijven als zodanig aanwezig. De watergang middenin het plangebied wordt gedempt. Dit wordt gecompenseerd door aan de noordoostzijde van het plangebied de watergang te verbreden. Hierdoor neemt de oppervlakte aan open water niet af.

Afbeelding 7 | Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Delfland (bron: Hoogheemraadschap van

43

gemeente Pijnacker-Nootdorp

Delfland)

Waterkwantiteit / Waterberging Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Hoogheemraadschap van Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De watersleutel berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert als waterbeheerder het ‘standstill’-principe. Elke toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden in de vorm van open water of op een andere geschikte wijze. De bestaande oppervlakte aan verhardingen bedraagt 2.611 m2. De toekomstige verharding en bebouwing bedraagt in totaal 7.705 m2. Conform de watersleutel van Delfland is in de toekomstige situatie een oppervlakte aan waterberging nodig van 1.856 m2 waarvan 686 m2 extra ter realiseren waterberging. In het plangebied wordt aan de noordoostzijde een waterpartij aangelegd door de bestaande watergang te verbreden. De toekomstige oppervlakte aan water bedraagt 2.075 m2. Hiermee wordt voldaan aan de watersleutel. De nieuw te realiseren woningen krijgen een gescheiden rioolstelsel.

De watergang langs de Noordeindseweg wordt aangesloten op het schoonwaterriool. De kruising van de primaire watergang blijft ongewijzigd ten ozichte van de bestaande situatie.

Gebruiksmogelijkheden De huidige gebruiksmogelijkheden van het deels bebouwd/verharde terrein zijn ten behoeve van de bedrijfsuitvoering. Grote delen zijn onbebouwd (agrarisch (weland) en verkeer- en verblijfsgebied). Delen zijn tevens bestemd als water waar bestaande watergangen zijn gelegen. Het zuidelijke deel van het plangebied wordt tevens gebruikt als evenementen terrein. In de nieuwe situatie wordt de centraal gelegen watergang gedempt. Daarvoor wordt de bestaande watergang aan de noordoostzijde verbreed in aansluiting op het daar voorgestelde groengebied. Hier wordt tevens het evenemententerrein voorgesteld. Oevers worden vanuit het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan voorgesteld met natuurvriendelijke oevers. Daarmee wordt ruimte geboden aan leefmogelijkheden voor diverse planten die verschillende kleine waterdiertjes, vissen, insecten, vogels en zoogdieren aantrekken. Veel waterplanten hebben een zuiverende werking en dragen in positieve zin bij aan de waterkwaliteit. Het niet toepassen van niet-uitlogende materialen wordt opgenomen in het beeldkwaliteitsplan.

Waterstand In het nieuwbouwplan wordt een drooglegging van 1,10 m aangehouden. Er worden geen ondergrondse constructies gemaakt. Dit ten opzichte van het winterpeil (-/- 2,10 m).

Onderhoud Het onderhoud van de watergang tussen de bestaande wijk en Vrijenban 2 kan ongewijzigd plaatsvinden. De watergang langs de Kooltuin wordt in de nieuwe situatie langs de zuidzijde begrensd door privétuinen. De aangelanden worden onderhoudsplichtig voor de helft van de watergang. Een strook van 2 meter van de tuinen, grenzend aan het water heeft de bestemming Water. Over het onderhoud van de verbrede watergang maken gemeente, ontwikkelaar en hoogheemraadschap nog nadere afspraken.

Klimaatadaptatie Alle openbare parkeerplaatsen en twee toegangen tot parkeerplaatsen worden uitgevoerd in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11960434/1